De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Part 28

Chapter 283,884 wordsPublic domain

Eponine richtte zich op, luisterde, en prevelde:

"Hij is 't."

Zij wendde zich tot Marius:

"Mijn broeder is daar. Hij mag mij niet zien. Hij zou mij beknorren."

"Uw broeder?" vroeg Marius, die in het bitterste en smartelijkste van zijn hart aan de plichten dacht, welke zijn vader hem jegens het gezin Thénardier had opgedragen; "wie is uw broeder?"

"Die kleine jongen."

"Die zingt?"

"Ja."

Marius keerde zich om.

"Ach, ga niet heen," zeide zij; "'t zal nu niet lang meer duren."

Zij had zich bijna ten halve opgericht, maar haar stem was zeer zwak en werd door den hik afgebroken. Bij tusschenpoozen rochelde zij. Zij bracht haar gezicht zoo dicht zij kon bij dat van Marius, en zeide met zonderlinge uitdrukking:

"Luister, ik wil u in niets misleiden. Ik heb een brief voor u in mijn zak. Sedert gisteren. Men had mij gezegd hem op de post te brengen. Ik heb hem gehouden. Ik wilde niet, dat ge hem kreegt. Maar ge zult zeker kwaad op mij zijn, wanneer wij elkander straks wederzien. Men ziet elkander immers weder, niet waar? neem uw brief."

Zij greep krampachtig met haar doorboorde hand de hand van Marius, maar zij scheen geen pijn meer te gevoelen. Zij bracht de hand van Marius in den zak van haar kiel. Marius voelde er inderdaad een papier.

"Neem," zeide zij.

Marius nam den brief.

Zij gaf een teeken van tevredenheid en toestemming.

"Beloof mij nu, voor mijn moeite..."

Zij hield op.

"Wat?" vroeg Marius.

"Beloof mij!"

"Ik beloof u."

"Beloof, dat ge mij een kus op 't voorhoofd zult geven, wanneer ik dood ben.--Ik zal het voelen."

Zij liet haar hoofd weder op Marius' knieën zinken en haar oogen sloten zich. Hij meende, dat haar arme ziel ontvloden was. Eponine bleef bewegingloos; eensklaps, juist toen Marius geloofde dat zij den eeuwigen slaap was ingegaan, opende zij langzaam haar oogen, waarin de sombere donkerheid des doods scheen, en zij zeide met een stem, wier zachtheid reeds uit een andere wereld scheen te komen:

"En hoor, mijnheer Marius, ik geloof, dat ik een weinig op u verliefd was."

Zij poogde nog te glimlachen, en stierf.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

GAVROCHE, EEN DIEPZINNIG BEREKENAAR DER AFSTANDEN.

Marius hield zijn woord. Hij drukte een kus op het bleeke voorhoofd, dat met een koud zweet was bepareld. 't Was geen ontrouw jegens Cosette; 't was het ernstig en teeder afscheid van een ongelukkige ziel.

Niet zonder eene heimelijke siddering had hij den brief genomen, dien Eponine hem gegeven had. Hij had terstond iets gewichtigs vermoed. Hij was ongeduldig om hem te lezen. Zoo is het menschelijk hart; nauwelijks had het ongelukkig meisje de oogen gesloten, of Marius dacht er aan den brief te openen. Hij liet haar zacht op de aarde glijden en verwijderde zich. Iets zeide hem, dat hij dien brief niet in de tegenwoordigheid van dat lijk mocht lezen.

Hij trad naar een kaars in het beneden vertrek. 't Was een met de netheid der vrouwen toegevouwen en verzegeld briefje. Het adres was van een vrouwenhand en luidde:

"Aan mijnheer, den heer Marius Pontmercy, ten huize van den heer Courfeyrac, straat Verrerie, No. 16."

Hij brak het briefje open en las:

"Mijn zeer geliefde! Mijn vader wil, helaas! dat wij terstond vertrekken. Van avond zullen wij in rue de l'Homme-Armé No. 7 zijn. Binnen acht dagen zijn wij te Londen.--Cosette, 4 Juni."

Zoo onschuldig was deze liefde, dat Marius zelfs Cosettes handschrift niet kende.

Wat gebeurd was, kan in weinige woorden verhaald worden. Eponine had alles gedaan. Na den avond van den 3 Juni had zij een tweevoudige gedachte: de plannen van haar vader en de bandieten op het huis in de straat Plumet te verijdelen, en Marius van Cosette te scheiden. Zij had haar lompen verruild met die van den eersten den besten jongen snaak, die er vermaak in vond zich als vrouw te kleeden, terwijl Eponine zich als man verkleedde. Zij was het, die op het Marsveld aan Jean Valjean deze uitdrukkelijke waarschuwing had gegeven: "verhuis." Jean Valjean was inderdaad naar huis gekeerd en had aan Cosette gezegd: "Wij vertrekken van avond en gaan met vrouw Toussaint naar de rue de l'Homme-Armé. In de volgende week zullen wij te Londen zijn." Door dien onverwachten slag verpletterd had Cosette haastig aan Marius een paar regels geschreven. Maar hoe ze op de post te bezorgen. Zij ging niet alleen uit, en vrouw Toussaint zou, verwonderd over zulk een boodschap, stellig den brief aan mijnheer Fauchelevent hebben vertoond. In deze verlegenheid had Cosette door het hek heen Eponine gezien, die in manskleederen om den tuin zwierf. Cosette had "dien jongen werkman" geroepen, hem vijf francs en den brief gegeven, zeggende: "breng dien brief dadelijk aan het adres." Eponine had den brief in haar zak gestoken. Den volgenden dag, den 5 Juni, was zij naar Courfeyrac gegaan, en had naar Marius gevraagd, niet om hem dezen brief ter hand te stellen, maar om iets te doen, 't welk ieder jaloersch en beminnend hart zal begrijpen, om "te zien." Daar had zij Marius, of ten minste Courfeyrac, gewacht--altijd om te zien.--Toen Courfeyrac haar had gezegd: wij gaan naar de barricade, was haar een denkbeeld in 't hoofd gekomen: zich aan dien dood over te geven, zooals zij zich aan ieder anderen dood zou hebben overgegeven, en er Marius in te storten. Zij was Courfeyrac gevolgd, zij had kennis genomen van de plaats waar de barricade werd opgericht; en, overtuigd, dat Marius, die geen bericht had ontvangen en wiens brief zij had onderschept, tegen den avond zich naar de gewone vereenigingsplaats van elken avond zou begeven, was zij naar de straat Plumet gegaan, had er Marius gewacht en hem in naam zijner vrienden de oproeping gedaan, die, zoo zij meende, hem naar de barricade moest voeren. Zij rekende op de wanhoop van Marius, wanneer hij Cosette niet vond; zij bedroog zich niet. Toen was zij naar de straat Chanvrerie wedergekeerd. Men heeft gezien, wat zij er deed. Zij was gestorven met die treurige blijdschap der jaloersche harten, welke het beminde wezen in hun dood medesleepen, en die zeggen: niemand zal hem hebben!

Marius bedekte Cosettes brief met kussen. Zij beminde hem dus! Een oogenblik dacht hij, dat hij nu niet meer moest sterven. Maar toen zeide hij tot zich zelven: "Zij vertrekt. Haar vader voert haar mede naar Engeland, en mijn grootvader weigert mij te laten trouwen. Niets is in het ongelukkige lot veranderd." Peinzers als Marius hebben zulke vlagen van diepe zwaarmoedigheid, waaruit wanhopige besluiten ontstaan. De last des levens wordt ondragelijk; de dood maakt er een spoedig einde aan. Toen dacht hij, dat hij twee plichten had te vervullen: Cosette van zijn dood kennis geven en haar een laatst vaarwel zenden, en den armen knaap, Eponines broeder en Thénardiers zoon, uit het dreigende gevaar, dat naderde, redden.

Hij had een portefeuille bij zich; dezelfde welke het boekje had bevat, waarin hij zooveel liefdesgedachten voor Cosette geschreven had. Hij scheurde er een blaadje uit en schreef met potlood deze weinige regels:

"Ons huwelijk was onmogelijk. Ik heb mijn grootvader verzocht, hij heeft geweigerd; ik ben zonder fortuin, gij insgelijks. Ik ijlde tot u, maar vond u niet meer; gij weet welk woord ik u gegeven heb, ik houd het. Ik sterf. Ik bemin u. Wanneer gij dit leest, zal mijn ziel bij u zijn en tot u lachen."

Niets hebbende om den brief te verzegelen, vouwde hij hem slechts in vieren en schreef er dit adres op:

"Aan mejuffrouw Cosette Fauchelevent, ten huize van den heer Fauchelevent, rue de l'Homme-Armé No. 7."

Na den brief dichtgevouwen te hebben, bleef hij een oogenblik in gedachten, nam weder zijn portefeuille, opende ze en schreef met hetzelfde potlood op de eerste bladzijde deze vier regels:

"Ik heet Marius Pontmercy. Men brenge mijn lijk bij mijn grootvader, den heer Gillenormand, straat Filles-du-Calvaire, No. 6, au Marais."

Hij stak de portefeuille weder in zijn rokzak, en riep Gavroche. Op de stem van Marius ijlde de straatjongen bereidvaardig en vroolijk toe.

"Wilt ge iets voor mij doen?"

"Alles," zei Gavroche. "Mijn lieve Hemel, zonder u was ik om zeep geweest."

"Ge ziet dezen brief?"

"Ja."

"Neem hem. Verlaat dadelijk de barricade (Gavroche begon, verontrust, zich achter 't oor te krabben) en bezorg hem morgenochtend aan 't adres, aan mejuffrouw Cosette, ten huize van den heer Fauchelevent, rue de l'Homme-Armé No 7."

De moedige knaap hernam:

"Heel gaarne! Maar men zal intusschen de barricade innemen, en ik zal er niet bij zijn."

"De barricade zal volgens alle waarschijnlijkheid niet eerder dan met het aanbreken van den dag aangevallen en niet voor morgen-middag ingenomen worden."

Inderdaad lieten de aanvallers de barricaden nog altijd met rust. 't Was een dier pauzen, die in nachtelijke gevechten niet zeldzaam zijn, en die steeds door te geweldiger aanvallen gevolgd worden.

"Zoo ik uw brief nu morgenochtend bracht?" zei Gavroche.

"Dan zal het te laat zijn. Vermoedelijk zal de barricade belegerd en zullen alle straten bewaakt worden, zoodat gij niet meer weg zoudt kunnen komen. Ga dadelijk."

Gavroche wist niets hierop te antwoorden; hij bleef, besluiteloos en treurig zijn oor krabbende, staan. Eensklaps nam hij met een zijner eigenaardige bewegingen, den brief.

"'t Is goed," zeide hij.

Toen liep hij ijlings door de straat Mondétour.

Een gedachte, die bij Gavroche was ontstaan, maar welke hij verzweeg, uit vrees dat Marius er tegenwerping op zou maken, bracht hem tot een besluit. Deze gedachte was:

"'t Is nauwelijks middernacht; de rue de l'Homme-Armé is niet ver, ik ga dadelijk den brief bezorgen en zal bijtijds terug zijn."

BOEK XV.

DE RUE DE L'HOMME-ARMÉ.

EERSTE HOOFDSTUK.

DRINKER, BABBELAAR. [13]

Wat beteekent de onrust eener stad in vergelijking met het oproer der ziel? De mensch is een nog ondoorgrondelijker diepte dan het volk. Jean Valjean was op dit oogenblik ter prooi aan een vreeselijken inwendigen storm. Al de afgronden hadden zich opnieuw in hem geopend. Ook hij sidderde, evenals Parijs, op den drempel van een vreeselijke en duistere revolutie. Eenige uren waren daartoe voldoende geweest. Zijn lot en zijn geweten waren plotseling in schaduwen gehuld. Van hem kon men evenzeer als van Parijs zeggen: de twee beginselen staan tegenover elkander. De witte engel en de zwarte engel waren op 't punt elkander op de brug boven den afgrond aan te grijpen. Wie van beiden zal den andere er in storten? Wie zal overwinnen?

Den avond voor den 5den Juni was Jean Valjean, vergezeld van Cosette en van vrouw Toussaint, een woning in de rue de l'Homme Armé gaan betrekken. Daar wachtte hem een voorval.

Cosette had niet zonder een poging tot wederstand de straat Plumet verlaten. Voor het eerst, sedert zij met elkander leefden, was de wil van Cosette met dien van Jean Valjean in tegenspraak, en waren beiden, zoo niet in botsing, ten minste in wrijving met elkander geweest. Aan de eene zijde had zich tegenwerping, aan de andere onwrikbaarheid bevonden. De plotselinge raad: "Verhuis", Jean Valjean zoo ruw door een onbekende toegeworpen, had hem zoodanig verontrust, dat hij gebiedend was geworden. Hij meende, dat hij ontdekt en vervolgd werd, en Cosette had moeten zwichten.

Beiden waren in de rue de l'Homme Armé aangekomen, zonder den mond te openen of elkander een woord te zeggen, en ieder aan zijn eigen gedachten overgegeven; Jean Valjean zoo ongerust, dat hij Cosettes treurigheid niet zag, Cosette zoo treurig, dat zij Jean Valjeans ongerustheid niet zag.

Jean Valjean had vrouw Toussaint medegenomen, 't geen hij nooit bij zijne vorige afwezigheden gedaan had. Hij vermoedde, dat hij misschien niet meer naar de straat Plumet zou wederkeeren, en kon evenmin vrouw Toussaint er achterlaten als haar zijn geheim zeggen. Bovendien hield hij haar voor trouw en eerlijk. Het verraad van den dienstbode jegens den meester begint met de nieuwsgierigheid. En vrouw Toussaint, als ware zij voorbestemd om Jean Valjeans dienstmeid te zijn, was niet nieuwsgierig. Zij zeide, met haar hakkelende tong en boersche taal: "Zoo ben ik, ik doe mijn werk; het overige gaat mij niet aan."

Bij het verlaten der straat Plumet, dat schier een vlucht was geweest, had Jean Valjean niets medegenomen dan het kleine welriekend valies, 't welk Cosette met den naam van "onafscheidelijke" had gedoopt. Volle koffers hadden kruiers vereischt en kruiers zijn getuigen. Men had een huurrijtuig voor de deur in de Babelstraat doen komen en daarmede was men vertrokken.

Met veel moeite had vrouw Toussaint verlof verkregen om eenig lijnwaad, kleederen en lijfsbehoeften in te pakken, Cosette had niets dan haar schrijfgereedschap en schrijfportefeuille medegenomen.

Ten einde de eenzaamheid en het duistere dezer verdwijning te vermeerderen, had Valjean het zoo geschikt, dat hij niet eerder dan tegen het vallen van den avond het huis der straat Plumet verliet, 't geen aan Cosette den tijd had gelaten Marius een briefje te schrijven. Eerst toen het geheel donker was, kwam men in de rue de l'Homme-Armé.

Zwijgend was men te bed gegaan.

De woning in de rue de l'Homme-Armé was op een achterplaats gelegen, op de tweede verdieping, en bestond uit twee slaapkamers, een eetkamer, en daarnaast een keuken met opkamertje, waar een bed stond, dat vrouw Toussaint ten deel viel. De eetkamer was tevens de voorkamer en scheidde de twee slaapvertrekken. De woning was van het noodige huisraad voorzien.

Men stelt zich schier even onverstandig weder gerust als men zich verontrust: zóó is de menschelijke natuur. Nauwelijks was Jean Valjean in de rue de l'Homme-Armé, of zijn angst verminderde en verdween allengskens geheel. Er zijn plaatsen van rust, die om zoo te spreken onwillekeurig op den geest werken. Een afgelegen straat heeft gewoonlijk vreedzame bewoners. Jean Valjean ondervond als 't ware de aanstekelijke kalmte dezer steeg van het oude Parijs, welke zoo nauw is, dat ze voor de rijtuigen met een boom is afgesloten, die doof en stom te midden der woelige stad, duister op den middag en, om zoo te spreken, onvatbaar is voor aandoeningen, tusschen haar twee rijen hooge honderdjarige huizen, die zwijgen als grijsaards. In deze straat heerscht een terughoudende vergetelheid. Jean Valjean ademde er gerust. Hoe zou men hem daar vinden?

Zijn eerste zorg was zijn "onafscheidelijke" nabij zich te nemen.

Hij sliep gerust. De nacht brengt raad; men kan er bijvoegen: de nacht brengt kalmte. Den volgenden ochtend ontwaakte hij schier vroolijk. Hij vond de eetzaal fraai, die leelijk was en gemeubeld met een oude ronde tafel, een laag buffet, waar boven een spiegel, een vermolmden armstoel en eenige stoelen, waarop vrouw Toussaint haar pakken had gelegd. In een dier pakken zag men door een opening Jean Valjeans uniform van nationale garde.

Cosette had zich door vrouw Toussaint een kom bouillon in haar kamer laten brengen, en kwam eerst des avonds te voorschijn.

Tegen vijf ure had vrouw Toussaint, die, zeer druk met deze kleine verhuizing, heen en weder liep, in de eetkamer een koud hoen opgezet. Uit liefde voor haar vader, hield Cosette hem aan tafel gezelschap.

Daarna had zij echter, onder voorwendsel van hevige hoofdpijn, Jean Valjean goedennacht gezegd en zich naar haar slaapkamer begeven. Jean Valjean had met smaak een hoenderboutje genuttigd en werd allengs geruster, zoo zelfs, dat hij nu, behagelijk met de ellebogen op de tafel geleund, zich geheel veilig achtte.

Terwijl hij dit sober maal deed, had hij twee of driemalen vrouw Toussaint stamelend hooren zeggen: "Mijnheer, er is wat te doen, men vecht in Parijs." Maar in zijn overleggingen verdiept, had hij er geen acht op geslagen. Om de waarheid te zeggen, had hij 't niet recht verstaan.

Hij stond op en wandelde heen en weder van het raam naar de deur, en van de deur naar 't raam, hoe langer hoe meer gerustgesteld.

Met zijn kalmte keerde ook Cosette, zijn eenige zorg, in zijn gedachten terug. Niet dat deze hoofdpijn, deze zenuwachtigheid, een meisjesgril, een voorbijgaande wolk, hem ontstelde; dit alles zou immers binnen een paar dagen over zijn; maar hij dacht aan de toekomst, en als gewoonlijk, dacht hij er met genoegen aan. Alles wel overwogen, zag hij geen verhindering, dat zijn gelukkig leven opnieuw zou beginnen. In sommige uren schijnt alles onmogelijk, in andere alles gemakkelijk; Jean Valjean was in een dier gunstige uren. Zij komen gewoonlijk na de kwade, gelijk de dag na den nacht, ten gevolge dier wet van opvolging en tegenstelling, welke in den aard der natuur ligt en die de oppervlakkigen eenvoudig afwisseling noemen. In de vreedzame straat, waar hij de wijk nam, maakte Jean Valjean zich van alles los wat hem sedert eenigen tijd bekommerd had. Juist wijl hij veel duisters had gezien, begon hij nu eenig licht te bespeuren. Zoo, zonder verwikkeling of ongeval, de straat Plumet te hebben verlaten, dit was reeds een heelen stap verder. 't Zou misschien verstandig zijn, het land te verlaten, al ware het maar voor eenige maanden, en naar Londen te gaan. Nu, men zou gaan. Wat deed het er toe, of hij in Frankrijk of in Engeland was, mits hij slechts Cosette bij zich had? Cosette was zijn natie. Cosette was voldoende voor zijn geluk; het denkbeeld, dat hij voor Cosettes geluk niet genoegzaam was, welk denkbeeld hem vroeger koortsen en slapelooze nachten had bezorgd, kwam zelfs niet in hem op. Hij was in de vergetelheid van al zijn verledene smarten en zag alles rooskleurig. Wijl Cosette bij hem was, scheen zij hem te behooren; een optische misleiding, welke iedereen gevoeld heeft. Hij overlegde bij zich zelven, met de grootste gemakkelijkheid, zijn reis naar Engeland met Cosette, en zag zijn geluk in 't verschiet zijner droomen weder opgebouwd, om 't even waar.

Terwijl hij langzaam heen en weder door de kamer wandelde, viel zijn blik plotseling op iets zonderlings.

Vóór hem zag en las hij in den vooroverhangenden spiegel boven het buffet duidelijk de volgende regels:

"Mijn zeer geliefde! Mijn vader wil, helaas! dat wij terstond vertrekken. Van avond zullen wij in de rue de l'Homme-Armé No. 7 zijn. Binnen acht dagen zijn wij te Londen.--Cosette, 4 Juni."

Jean Valjean bleef verbaasd staan.

Cosette had, bij haar aankomst, haar schrijfportefeuille op het buffet voor den spiegel gelegd, en, geheel met haar smartelijken angst vervuld, die er laten liggen zonder zelfs op te merken dat ze open was, en wel juist ter plaatse waar zij op de door haar geschreven regels had gedrukt, om ze te drogen, en welke zich op het vloeipapier hadden afgedrukt.

De spiegel weerkaatste het geschrevene.

Het gevolg hiervan was, wat men in de meetkunst een gelijkvormige figuur noemt; het op het vloeipapier omgekeerde schrift vertoonde zich recht in den spiegel, zoodat Jean Valjean nu den brief voor zich zag, welken Cosette den vorigen dag aan Marius had geschreven.

't Was zeer eenvoudig en toch verpletterend.

Jean Valjean trad naar den spiegel. Hij herlas de vijf regels, maar kon ze niet gelooven. Zij kwamen hem voor als vertoonden zij zich in een bliksemstraal. 't Was een gezichtsbegoocheling. 't Was onmogelijk. 't Kon niet zijn.

Allengs werd zijn begrip helderder; hij beschouwde Cosettes schrijfportefeuille, en de werkelijkheid vertoonde zich voor hem. Hij nam de portefeuille en zeide: 't Komt hiervan. Koortsachtig beschouwde hij de op het vloeipapier gedrukte regels, de omgekeerde letters vormden een verward gekrabbel, 't geen hij niet kon ontcijferen. Toen dacht hij: Maar dit beteekent niets, daar staat niets geschreven. En onuitsprekelijk verlicht ademde hij ruimer. Wie heeft niet in vreeselijke oogenblikken zulk een domme vreugd gehad? De ziel geeft zich niet aan wanhoop over, zonder alle illusiën uitgeput te hebben.

Hij hield de schrijfportefeuille in de hand en beschouwde ze, dwaselijk verblijd, bijna lachende om het gezichtsbedrog, dat hem misleid had. Eensklaps viel zijn blik weder op den spiegel en hij zag opnieuw de verschijning. Met onverbiddelijke juistheid teekenden er zich de vijf regels op af. 't Was nu geen zinsbegoocheling; de terugkomst eener verschijning is een wezenlijkheid; 't was duidelijk, dat het omgekeerde schrift in den spiegel nu recht stond. Hij begreep.

Jean Valjean waggelde, liet de schrijfportefeuille ontglippen en zonk op den ouden armstoel naast het buffet, met neergezonken hoofd, strak, verwilderd oog. Hij zeide bij zich zelven, dat het duidelijk was, dat het licht der wereld voor altijd verduisterd was, en dat Cosette dit aan iemand geschreven had. Toen hoorde hij zijn ziel, weder woest geworden, in de duisternis een gesmoord gebrul slaken. Ga den leeuw den hond ontnemen, dien hij in zijn hok heeft.

't Was een zonderlinge en treurige omstandigheid; Marius had op dit oogenblik den brief van Cosette nog niet; het toeval had hem verraderlijk aan Jean Valjean gebracht, vóór hem aan Marius ter hand te stellen.

Tot hiertoe was Jean Valjean door geen beproevingen overwonnen. Hij was aan vreeselijke verzoekingen blootgesteld geweest; geen slagen van den tegenspoed waren hem gespaard; de wreedheid van het lot, gewapend met al den haat en al de verachting der maatschappij, had hem tot doel gekozen en aangegrepen. Voor niets was hij teruggedeinsd, voor niets was hij gezwicht. Toen hij moest, had hij zich aan alle uitersten onderworpen; hij had zijn herkregen onschendbaarheid als mensch opgeofferd, zijn vrijheid overgeleverd, zijn hoofd gewaagd, alles verloren, alles geleden, en was onbaatzuchtig en stoïcijnsch gebleven, zelfs in zóóverre, dat men soms zou gedacht hebben, dat hij zich zelven geheel vergat, gelijk een martelaar. Zijn door alle mogelijke aanvallen van den tegenspoed verstaald gemoed scheen onverwinnelijk. Maar wie zijn binnenste had gezien, zou hebben moeten bekennen, dat het thans zwak was.

Immers van al de folteringen, waarmede het lot hem zoolang vervolgd had, was deze de schrikkelijkste. Nimmer had hem zulk een klauw gegrepen. Al zijn geheime gevoelens waren in oproer. Al zijn zenuwen waren pijnlijk aangedaan. Helaas, de grootste beproeving, of liever de eenige beproeving, is het verlies van het beminde voorwerp.

De arme oude Jean Valjean beminde Cosette zekerlijk niet anders dan als een vader; maar in dit vaderlijk gevoel, gelijk wij bereids hebben doen opmerken, had zijn ongehuwd leven alle soorten van liefde gebracht: hij beminde Cosette als zijn dochter, als zijn moeder, als zijn zuster; en wijl hij nooit een minnares of echtgenoot gehad had, en de natuur een schuldeischer is die geen protest wil, had zich ook dit gevoel, het onuitroeibaarste van alle, gevoegd bij de andere, flauw, rein door de reinheid der verblinding, onbewust van zich zelve hemelsch, engelachtig, goddelijk; minder als gevoel dan als instinct, minder als instinct dan als een onmerkbare en onzichtbare, maar wezenlijke bekoorlijkheid; en de eigenlijke liefde, was in zijn overgroote teederheid voor Cosette als de goudader in de donkere en nog niet ontgonnen mijn.

Men herinnere zich den toestand van Valjeans hart, welken wij bereids aangewezen hebben. Geen huwelijk was tusschen hen mogelijk, zelfs niet dat der zielen, en echter was het stellig dat beider lot verbonden was. Uitgezonderd Cosette, namelijk een kind, had Jean Valjean zijn geheele leven lang niets gekend, dat men beminnen kan. De elkander opvolgende hartstocht en liefde hadden bij hem niet dat afwisselend groen-lichtgroen op donkergroen voortgebracht, 't welk men op de bladeren ziet, die den winter doorstaan, en op de menschen, die over de vijftig jaren komen. Kortom, deze inwendige samensmelting, dat geheel, waarvan de uitkomst een verhevene deugd was, had eindelijk van Jean Valjean een vader voor Cosette gemaakt. Een zonderlinge vader, samengesteld uit grootvader, zoon, broeder en echtgenoot, die in Jean Valjean woonden; een vader, waarin zelfs een moeder was; een vader die Cosette beminde en aanbad, en voor wien het kind licht, woonplaats, familie, vaderland en hemel was.