De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Part 27

Chapter 273,911 wordsPublic domain

Een schrikkelijk geknal klonk tegen de barricade. De roode vlag viel. De kogelregen was zoo geweldig en dicht geweest, dat hij den vlaggestok, dat is de punt van den boom van den omnibus, had omgeworpen. Kogels, welke van de huizen waren teruggekaatst, sprongen in de barricade en kwetsten verscheidene mannen.

De indruk van dit eerste geweervuur was verstijvend. De aanval was ruw, en geschikt om de moedigsten te doen nadenken. 't Was duidelijk, dat men ten minste met een geheel regiment te doen had.

"Makkers!" riep Courfeyrac, "laat ons geen kruit verliezen. Wachten wij met vuren tot zij in het bereik zijn."

"Maar laat ons voor alles de vlag weder oprichten," zei Enjolras.

Hij raapte de vlag op, die juist voor zijn voeten was gevallen.

Men hoorde het klinken der laadstokken in de geweren buiten de barricade; de soldaten laadden weder.

Enjolras hernam:

"Wie heeft hier moed? Wie wil de vlag weder op de barricade planten?"

Niemand antwoordde. Op de barricade te klimmen, op het oogenblik, dat men er ongetwijfeld weder op aanlegde, dit was evengoed als in den dood gaan. De moedigste aarzelt, zich er toe te veroordeelen. Zelfs Enjolras sidderde. Hij hernam:

"Biedt niemand zich aan?"

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE VLAG: TWEEDE BEDRIJF.

Sedert men te Corinthe aangekomen en begonnen was de barricade op te richten, had men weinig meer op den ouden Mabeuf gelet. De heer Mabeuf had evenwel den troep niet verlaten. Hij was het benedenvertrek der herberg binnengegaan en had zich naast de toonbank neergezet. Daar zat hij, om zoo te spreken, als vernietigd. Hij scheen niet meer te zien, noch te denken. Courfeyrac en anderen hadden hem twee of driemaal aangesproken, hem voor het gevaar gewaarschuwd en vermaand zich te verwijderen, zonder dat hij hen scheen te hooren. Wanneer men niet tot hem sprak, bewogen zich zijn lippen alsof hij iemand antwoordde, maar richtte men het woord tot hem, dan werden zijn lippen bewegingloos en zijn oogen hadden niets levendigs meer. Eenige uren voor dat de barricade werd aangevallen, had hij een houding aangenomen, welke hij niet meer had verlaten; hij zat met beide handen op zijn knieën, met voorover gebogen hoofd, als schouwde hij in een afgrond. Niets had hem uit deze houding kunnen trekken; het scheen alsof zijn geest elders dan in de barricade was. Toen ieder zijn post voor het gevecht had ingenomen, was niemand in het benedenvertrek der herberg gebleven, dan Javert, die aan den paal was gebonden, een opstandeling, die met bloote sabel Javert bewaakte, en Mabeuf. Toen de aanval plaats had en het geweervuur knalde, had de schok zijn lichaam als 't ware wakkergeschud. Haastig had hij zich opgericht, was het vertrek binnengegaan en juist toen Enjolras zijn vraag herhaalde: "Biedt niemand zich aan?" zag men den grijsaard op den drempel der herberg verschijnen.

Zijn verschijning veroorzaakte in de groepen eene opschudding. Een kreet ging op:

"'t Is de stemmer! 't is het conventielid! 't is de volksrepresentant!"

Waarschijnlijk hoorde hij niet.

Hij trad regelrecht naar Enjolras; de opstandelingen verwijderden zich van hem met godsdienstige vrees; hij ontrukte de vlag aan Enjolras, die als versteend achteruit trad, en toen, zonder dat iemand hem durfde tegenhouden, of helpen, beklom deze tachtigjarige grijsaard, met waggelend hoofd en vasten voet, langzaam de in de barricade van straatsteenen gemaakte trap. 't Was zoo ontzettend en zoo grootsch, dat allen om hem heen riepen: "Hoeden af!" Iedere trede, welke hij opging, was vreeselijk; zijn grijs haar, zijn ingevallen gezicht, zijn groot, kaal, gerimpeld hoofd, zijn holle oogen, zijn verbaasde, open mond, zijn oude arm, die de roode banier ophief, traden uit de schaduw en schenen grooter te worden in het bloedroode licht der toorts; men waande het spooksel van 't jaar 93 uit de aarde te zien verrijzen, met de vlag van het schrikbewind, in de hand. Toen hij op de laatste trede was, toen deze bevende vreeselijke schim op dit getimmerte van afbraak stond, tegenover twaalfhonderd onzichtbare geweren, in 't aangezicht van den dood en als ware hij sterker dan deze, had de geheele barricade in de duisternis een bovennatuurlijk en colossaal voorkomen.

Er ontstond een stilte, zooals die alleen bij wonderwerken heerscht.

Te midden van deze stilte zwaaide de grijsaard de roode vlag en riep:

"Leve de revolutie! leve de republiek! broederschap! gelijkheid! en de dood!"

Men hoorde buiten de barricade een zacht, vluchtig geprevel, als dat eens priesters, die haastig een gebed spreekt. 't Was waarschijnlijk de commissaris van politie, die aan 't andere einde der straat de wettelijke sommatiën deed.

Toen riep dezelfde luide stem, die werda! geroepen had:

"Verwijdert u!"

Bleek, verwilderd, met oogen die door de akelige vlammen van den waanzin verlicht werden, hief de heer Mabeuf de vlag boven zijn hoofd en herhaalde:

"Leve de republiek!"

"Vuur!" riep de stem.

Een tweede salvo, een schrootvuur gelijkende, werd tegen de barricade gelost.

De grijsaard zonk op de knieën, liet de vlag los en viel als een plank achterover op de straat, zoo lang hij was, met uitgebreide armen.

Stroomen bloeds kwamen onder hem te voorschijn. Zijn grijs, bleek en treurig hoofd scheen den hemel te aanschouwen.

Een dier verheven aandoeningen van den mensch, die hem zelfs doen vergeten zich te verdedigen, beving de opstandelingen en zij naderden het lijk met eerbiedige ontzetting.

"Wat mannen waren die koningsmoorders!" zei Enjolras.

Courfeyrac fluisterde Enjolras in 't oor:

"Ik zeg 't alleen aan u; ik wil de opgetogenheid niet verzwakken; maar hij was niets minder dan een koningsmoorder. Ik heb hem gekend. Hij heette vader Mabeuf. Ik weet niet, hoe 't heden met hem was. Hij was altijd een eenvoudige sukkel. Bezie zijn hoofd eens."

"Het hoofd van een ouden sukkel en het hart van Brutus," antwoordde Enjolras.

Met verheffing van stem vervolgde hij:

"Burgers! Dit is een voorbeeld, 't welk de ouden den jongeren geven. Wij aarzelden, hij kwam! wij deinsden terug, hij trad vooruit! Ziedaar wat zij, die van ouderdom beven, leeren aan hen die van angst beven! Deze oude man stierf met roem voor het vaderland. Hij heeft een lang leven en een verheven dood gehad. Beschermen wij thans het lijk, en dat ieder onzer dien dooden grijsaard verdedige, zooals hij zijn levenden vader zou verdedigen, en dat zijn tegenwoordigheid in ons midden, de barricade onoverwinbaar make!"

Een dof, maar krachtig gemurmel van toestemming beantwoordde deze toespraak.

Enjolras bukte, lichtte het hoofd van den grijsaard op en kuste zijn voorhoofd, toen zijn armen uitbreidende en den doode met die teedere bezorgdheid behandelende, als vreesde hij hem zeer te doen, trok hij hem zijn rok uit, wees allen op de bloedende openingen en zeide:

"Dit is thans onze vlag!"

DERDE HOOFDSTUK.

GAVROCHE HAD BETER GEDAAN DE KARABIJN VAN ENJOLRAS TE NEMEN.

Men wierp op den heer Mabeuf een langen zwarten omslagdoek van de weduwe Hucheloup. Zes mannen maakten van hun geweren een draagbaar, waarop het lijk werd gelegd, en men droeg het met ontbloote hoofden, plechtig, langzaam naar de groote tafel in het benedenvertrek.

Deze mannen, geheel vervuld met de ernstige en heilige zaak, welke zij verrichtten, dachten niet meer aan den gevaarlijken toestand, waarin zij zich bevonden.

Toen het lijk dicht voorbij den onbewegelijken Javert ging, zeide Enjolras tot den spion:

"Gij, zoo aanstonds!"

Ondertusschen meende de kleine Gavroche, de eenige die zijn post niet had verlaten en op verkenning gebleven was, mannen zachtkens de barricade te zien naderen. Eensklaps riep hij:

"Weest op uw hoede!"

Courfeyrac, Enjolras, Jean Prouvaire, Combeferre, Joly, Bahorel, Bossuet--allen verlieten haastig de herberg. Er was schier geen tijd meer. Men zag een glinsterenden, dichten hoop bajonnetten boven de barricade golven. Municipale garden van hooge gestalte drongen voorwaarts, eenigen klommen over den omnibus, anderen gingen door de opening, den straatjongen voor zich uitdrijvende, die achteruit ging, maar niet vluchtte.

Het was een kritiek oogenblik. 't Was die eerste vreeselijke minuut der overstrooming, wanneer de rivier tot aan den top des oevers stijgt en door de scheuren van den dijk begint te kwellen. Nog een seconde en de barricade was genomen geweest.

Bahorel wierp zich op den eersten municipalen garde, die binnentrad, en doodde hem met een karabijnschot; een tweede garde doorstak Bahorel met zijn bajonnet. Een andere had Courfeyrac reeds op den grond geworpen, die hulp riep. De grootste van allen, een soort van reus, liep met gevelde bajonnet op Gavroche toe. De straatjongen nam het groote geweer van Javert in zijne kleine armen, legde moedig op den reus aan en drukte af. Geen schot! Javert had zijn geweer niet geladen. De municipale garde lachte luidkeels en stak met zijn bajonnet naar den knaap.

Doch vóór de bajonnet Gavroche kon raken, ontviel het geweer aan de handen van den soldaat; een kogel had den municipalen garde midden tegen 't voorhoofd getroffen en hij zonk achterover. Een tweede kogel trof den anderen garde, die Courfeyrac had aangevallen, in de borst en wierp hem neer.

't Was Marius, die zooeven in de barricade was gekomen.

VIERDE HOOFDSTUK.

HET VAATJE BUSKRUIT.

Besluiteloos en huiverend had Marius, in den hoek der straat Mondétour verscholen, het begin van het gevecht aanschouwd. Lang kon hij echter aan die geheimzinnige, machtige aandrift geen weerstand bieden, welke een roepstem uit den afgrond kan worden genoemd. Tegenover het dreigend gevaar, tegenover den dood van den heer Mabeuf, dit somber raadsel, tegenover den gesneuvelden Bahorel, terwijl Courfeyrac om hulp riep, tegenover den bedreigden knaap, en zijn vrienden, welke hij of te hulp komen of wreken moest, was alle weifeling verdwenen, en met zijn twee pistolen in de hand had hij zich in het gewoel gestort. Met het eerste schot had hij Gavroche gered, met het tweede Courfeyrac bevrijd.

Onder het geweervuur en de kreten der gekwetste garden hadden de aanvallers de verschansing beklommen, waarop men nu te halver lijve een menigte municipale garden, soldaten en nationale garden uit de voorsteden met het geweer in de hand zag. Zij bedekten reeds meer dan twee derden der versperring, maar sprongen niet in de ruimte, alsof zij weifelden en een hinderlaag vreesden. Zij schouwden in de donkere barricade, zooals men in een leeuwenhol ziet. Het licht der toorts bescheen slechts de bajonnetten, de berenmutsen, en het bovenste der ontstelde en vertoornde gezichten.

Marius was nu ongewapend, want hij had zijn pistolen weggeworpen; maar hij had het vaatje kruit in het benedenvertrek bij de deur opgemerkt.

Toen hij zich half omwendde en naar dien kant zag, legde een soldaat op hem aan. Maar terzelfdertijd greep iemand den geweerloop en hield er de hand voor. 't Was de jonge werkman met manchestersche broek, die was komen toeloopen. Het schot ging af, doorboorde de hand en misschien ook den werkman, want hij viel, maar de kogel trof Marius niet. Dit alles gebeurde te midden van den rook en was slechts onduidelijk zichtbaar. Hij had echter verward den tegen hem gerichten geweerloop en de hand, die er zich vóór hield, gezien, en het schot gehoord. Maar in dergelijke oogenblikken vliegt en snelt hetgeen men ziet voorbij, zonder dat men zich aan iets kan hechten. Men voelt zich in nog diepere duisternis voortgestuwd, en alles is nevel.

De opstandelingen, verrast maar niet verschrikt, hadden zich weder vereenigd. Enjolras had geroepen: "Wacht! schiet niet in 't wild!" Inderdaad, in de eerste verwarring hadden zij elkander kunnen raken. De meesten waren naar het venster van de eerste verdieping en naar de zoldervensters gegaan, van waar zij de aanvallers beheerschten. De moedigsten hadden zich met Enjolras, Courfeyrac, Jean Prouvaire en Combeferre tegen de huizen op den achtergrond geplaatst, zonder eenige bedekking en tegenover de gelederen der soldaten en der garden, die op de barricade stonden.

Dit alles gebeurde zonder overijling, met die zonderlinge, dreigende kalmte, welke het gevecht voorafgaat. Aan weerszijden legde men op elkander aan; men was zoo dicht bijeen, dat men elkander verstaan kon. Toen men op 't oogenblik was, dat de vonk zou ontspringen, stak een officier met dikke epauletten den degen op en zeide:

"Velt 't geweer!"

"Vuur!" commandeerde Enjolras.

Aan weerszijden knalden de geweerschoten tegelijkertijd en alles verdween in den rook.

't Was een scherpe en verstikkende rook, waarin, met zwak, dof gekerm, stervenden en gekwetsten zich voortsleepten.

Toen de rook verdween, zag men aan beide zijden de strijders, die, hoewel gedund, echter steeds op dezelfde plaats, weder in stilte hun geweren laadden.

Eensklaps hoorde men een donderende stem, die riep:

"Verwijdert u, of ik laat de barricade in de lucht springen!"

Allen keerden zich naar den kant van waar de stem kwam.

Marius was de benedenkamer binnengegaan, had het kruitvaatje genomen en van den rook en den donkeren nevel gebruik gemaakt, die de verschanste ruimte vulde, om langs de barricade tot aan de opgestapelde steenen te sluipen, waar tusschen de toorts stond. De toorts weg te rukken, het vaatje kruit er neder te leggen, den stapel steenen er op te storten, zoodat er aanstonds de bodem uitviel, dit alles was voor Marius het werk van een oogenblik geweest. Nu aanschouwden hem met ontzetting allen, nationale garden, municipale garden, officieren, soldaten, die aan gene zijde der barricade saamgedrongen stonden, met den voet op de keien, de toorts in de hand, zijn fier gelaat verlicht door een vreeselijk besluit en de vlam der toorts naar dien schrikbarenden steenhoop gewend, waartusschen men het gebroken kruitvaatje zag, terwijl hij den ontzettenden kreet slaakte:

"Verwijdert u, of ik laat de barricade in de lucht springen!"

Marius op deze barricade, na den tachtigjarigen grijsaard, was het visioen der jonge revolutie, na de verschijning der oude.

"De barricade laten springen!" zei een sergeant, "dan springt gij mede!"

"Dat weet ik!" antwoordde Marius.

En hij hield de toorts dicht bij het kruitvaatje. Maar reeds was niemand meer op de versperring. De aanvallers drongen verschrikt en verward, met achterlating van hun dooden en gekwetsten, naar het einde der straat en verdwenen er wederom in de duisternis. 't Was een algemeene vlucht.

De barricade was bevrijd.

VIJFDE HOOFDSTUK.

EINDE VAN JEAN PROUVAIRES GEDICHT.

Allen omringden Marius. Courfeyrac viel hem om den hals.

"Gij hier!"

"Welk een geluk!" zei Combeferre.

"Gij zijt juist van pas gekomen!" zei Bossuet.

"Zonder u was ik doodgeschoten!" hernam Courfeyrac.

"Zonder u was ik doodgestoken!" zei Gavroche.

Marius vroeg:

"Waar is de aanvoerder?"

"Dat zijt gij," zei Enjolras.

't Had Marius den geheelen dag in het hoofd gegloeid; nu was 't een storm. 't Scheen hem, dat deze storm buiten hem woedde en hem medesleepte. 't Scheen hem, alsof hij reeds op een verren afstand van het leven was. Zijn beide van liefde en van vreugd schitterende maanden liepen eensklaps op dien vreeselijken afgrond uit: Cosette, voor hem verloren, deze barricade, de heer Mabeuf, zich voor de republiek latende dooden, hij zelf aanvoerder van opstandelingen, dat alles kwam hem een monsterachtigen droom voor. Hij moest al zijn geestkracht inspannen, om zich te herinneren, dat al wat hem omgaf, werkelijk bestond. Marius had nog te kort geleefd, om te weten, dat niets meer nabij is dan het onmogelijke, en men steeds het onverwachte moet verwachten. Hij was bij zijn eigen drama tegenwoordig, als bij een tooneelstuk dat men niet begrijpt.

In dezen nevel, die zijn geest omhulde, herkende hij Javert niet, die aan den paal gebonden, gedurende den aanval zijn hoofd niet had bewogen en rondom zich de revolutie zag woelen met de onderwerping van een martelaar en de majesteit van een rechter. Marius zag hem zelfs niet.

Inmiddels naderden de aanvallers niet meer; men hoorde ze aan het einde der straat heen en weder gaan, maar zij waagden er zich niet in, hetzij dat zij bevelen wachtten, of dat zij versterking afwachtten, vóór zij een nieuwen aanval tegen deze onneembare sterkte beproefden. De opstandelingen hadden schildwachten geplaatst, en eenigen, die studenten in de geneeskunde waren, waren bezig de gekwetsten te verbinden.

Men had de tafels uit de herberg geworpen, behalve twee, die voor het pluksel en de patronen waren bestemd, en de tafel waarop de oude Mabeuf lag; men had ze voor de barricade gebruikt en ze in het benedenvertrek vervangen door de matrassen der weduwe Hucheloup en der dienstmeiden. Op deze matrassen had men de gekwetsten gelegd. Wat van de drie arme wezens geworden was, die Corinthe bewoonden, wist men niet. Eindelijk vond men ze in den kelder verborgen--als advocaten, zei Bossuet. En hij voegde er bij: "Foei! vrouwen!"

De vreugd over de bevrijding der barricade werd op smartelijke wijze gestoord.

Men hield appèl. Een der opstandelingen ontbrak. En wie? een der meest geliefden, een der dappersten, Jean Prouvaire. Men zocht hem onder de gekwetsten; hij was er niet; men zocht hem onder de dooden; hij was er niet.

Hij was stellig gevangengenomen.

Combeferre zeide tot Enjolras:

"Zij hebben onzen vriend; wij hebben hun spion. Hecht ge aan den dood van den verklikker?"

"Ja," antwoordde Enjolras, "maar minder dan aan het leven van Jean Prouvaire."

Dit gebeurde in de benedenkamer bij den paal van Javert.

"Welaan," hernam Combeferre, "ik zal mijn zakdoek aan mijn stok binden en als parlementair hun de uitwisseling van beide mannen voorstellen."

"Luister!" zei Enjolras, zijn hand op den arm van Combeferre leggende.

Aan het einde der straat klonk een onheilspellend wapengekletter.

Men hoorde een mannelijke stem roepen:

"Leve Frankrijk! leve de toekomst!"

Men herkende de stem van Prouvaire.

Een plotseling weerlicht trof het oog en geweren knetterden.

Het werd weder stil.

"Zij hebben hem gedood!" riep Combeferre.

Enjolras zag Javert aan en zeide tot hem:

"Uw vrienden hebben u doodgeschoten."

ZESDE HOOFDSTUK.

HET ZIELTOGEN DES DOODS NA HET ZIELTOGEN DES LEVENS.

't Is een eigenaardigheid van deze soort van oorlog, dat de barricaden schier altijd van voren worden aangevallen en over 't algemeen de aanvallers zich onthouden de stelling om te gaan, hetzij omdat zij hinderlagen duchten of omdat zij vreezen zich in kromme straten te wagen. De aandacht der opstandelingen was dus uitsluitend op de groote barricade gericht, die blijkbaar het steeds bedreigde punt was en waar onfeilbaar de strijd weder moest beginnen. Maar Marius dacht evenwel aan de kleine barricade en ging er heen. Zij was verlaten en slechts bewaakt door de kleine lampion, die tusschen de straatsteenen flikkerde. In de steeg Mondétour en in de vertakkingen der kleine Truanderie en de Zwanestraat was 't overigens volkomen stil.

Toen Marius, na gedaan onderzoek, zich verwijderde, hoorde hij in de duisternis flauw zijn naam uitspreken:

"Mijnheer Marius!"

Hij ontroerde, want hij herkende de stem, die hem twee uren te voren door het hek in de straat Plumet geroepen had.

Maar nu scheen deze stem nog slechts een ademtocht te zijn.

Hij sloeg een blik om zich, doch zag niemand.

Marius meende zich bedrogen te hebben, en dat 't een zinsbedrog was, 't geen zijn geest bij de buitengewone omstandigheden voegde, welke zich om hem verdrongen. Hij deed een schrede, om uit den afgelegen hoek te komen, waar de barricade was.

"Mijnheer Marius!" herhaalde de stem.

Nu kon hij niet langer twijfelen, hij had duidelijk gehoord: hij schouwde opnieuw rond, doch zag niets.

"Aan uw voeten," zei de stem.

Hij bukte en zag in de schaduw een gestalte, welke over de straatsteenen naar hem toe kroop. 't Was deze gestalte, die tot hem gesproken had.

Het licht der lampion deed een kiel, een gescheurde grof manchestersche broek, bloote voeten en iets dat naar een bloedvlek geleek, onderscheiden. Marius zag een bleek hoofd, dat zich oprichtte en tot hem sprak:

"Herkent ge mij niet?"

"Neen."

"Eponine."

Marius boog zich haastig. 't Was inderdaad het ongelukkig meisje, in manskleederen.

"Waarom zijt ge hier? Wat doet ge daar?"

"Ik sterf," zeide zij.

Er zijn woorden en omstandigheden, welke de diepste mijmering wakker schudden. Marius riep als opspringend:

"Ge zijt gewond! Wacht, ik zal u in huis dragen! Men zal u verbinden! Is 't ernstig? hoe zal ik u nemen, om u niet zeer te doen? Waar hebt ge pijn? Hulp! Mijn God! Maar waarom zijt ge hier gekomen?"

En hij poogde zijn arm onder haar te schuiven om haar op te tillen. Terwijl hij haar ophief, ontmoette hij haar hand.

Zij slaakte een flauwen kreet.

"Heb ik u zeer gedaan?" vroeg Marius.

"Een weinig."

"Maar ik heb slechts uw hand geraakt."

Zij hief de hand op voor Marius' oogen, en Marius zag in 't midden dezer hand een zwarte opening.

"Wat deert u aan de hand?" vroeg hij.

"Zij is doorboord."

"Doorboord?"

"Ja."

"Waarmede?"

"Met een kogel."

"Hoe?"

"Hebt ge een geweer gezien, dat op u was aangelegd?"

"Ja, en een hand, die er zich tegen hield."

"'t Was de mijne."

Marius rilde.

"Welke dwaasheid. Arm meisje! Maar des te beter; wanneer 't zoo is, zal 't geen gevaar hebben; laat mij u op een bed dragen! Men zal u verbinden; men sterft niet van een doorschoten hand."

Zij fluisterde:

"De kogel heeft de hand doorboord, maar is door den rug uitgekomen. 't Is onnoodig mij van hier te verwijderen. Ik zal u zeggen, hoe gij mij, beter dan een wondheeler, verbinden kunt. Zet u naast mij op dezen steen."

Hij gehoorzaamde; zij legde het hoofd op de knieën van Marius, en zonder hem te aanschouwen, zeide zij:

"O, hoe goed! hoe wèl ben ik nu! Zie, nu lijd ik niet meer."

Zij zweeg een oogenblik, toen draaide zij met moeite haar gezicht om en zag Marius aan.

"Weet ge, mijnheer Marius? Het griefde mij, dat ge dien tuin binnengingt; 't was dwaas, want ik had u immers het huis gewezen, en buitendien moest ik toch weten, dat een jongeling als gij..."

Zij zweeg, en van de treurige gedachten, die waarschijnlijk haar geest vervulden, tot iets anders overgaande, vroeg zij met een smartelijken glimlach:

"Gij vindt mij leelijk, niet waar?"

Zij vervolgde:

"Weet ge, ge zijt verloren! Niemand zal thans de barricade kunnen verlaten. Ik ben 't, die u hier heb gevoerd. Ge zult sterven; ik reken er zeker op. Evenwel bracht ik, toen ik zag dat men op u aanlegde, mijn hand voor den loop van het geweer. 't Is waar! maar ik wilde vóór u sterven. Toen ik den kogel ontving, sleepte ik mij hier heen; men heeft mij niet gezien, men heeft mij niet opgepakt. Ik wachtte u, en dacht: Hij zal dus niet komen? O! zoo ge 't wist; ik beet in mijn kiel, zoo'n pijn had ik. Op 't oogenblik ben ik wèl. Herinnert ge u den dag, toen ik uw kamer binnentrad, toen ik mij in uw spiegel spiegelde, en den dag toen ik u op den boulevard ontmoette. Hoe zongen de vogels toen! 't Is nog niet lang geleden. Gij gaaft mij vijf francs en ik zeide tot u: Ik wil uw geld niet. Hebt ge ten minste het geldstuk opgeraapt? Ge zijt niet rijk. Ik dacht er niet aan, u te zeggen het weer op te rapen. De zon scheen, en 't was niet koud. Herinnert ge u, mijnheer Marius? O! ik ben gelukkig! Iedereen moet sterven!"

Zij had een verwilderd, ernstig en smartelijk voorkomen. Haar gescheurde kiel liet haar naakte borst zien. Zij hield, terwijl ze sprak, haar doorschoten hand tegen haar borst gedrukt, waar een andere opening was, en waaruit nu en dan een stroom bloed vloeide als wijn uit een open spongat.

Marius beschouwde het ongelukkig schepsel met innig medelijden.

"O!" riep zij eensklaps uit, "nu komt het weder. Ik stik."

Zij greep haar kiel en beet er in; haar beenen verstijfden op de straatsteenen.

Juist klonk de jonge hanenstem van den kleinen Gavroche in de barricade. De knaap was op een tafel geklommen om zijn geweer te laden en zong vroolijk het toen in de mode zijnde liedje:

En voyant Lafayette, Le gendarme répête: Sauvons nous! sauvons nous! sauvons nous! [12]