De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Part 26

Chapter 263,728 wordsPublic domain

Marius ging niettemin steeds voort.

TWEEDE HOOFDSTUK.

PARIJS UIT DE UILENVLUCHT GEZIEN.

Een wezen, dat op dit oogenblik boven Parijs had gezweefd, met de vlerken van een vleermuis of de vleugels van een uil, zou een somber tafereel onder zijn oogen hebben gehad.

Deze gansche oude wijk des Halles, die als een stad in een stad is, doorsneden van de straten St. Denis en St. Martin, waarin zich duizend stegen kruisen en waarvan de opstandelingen hun vesting en wapenplaats hadden gemaakt, verscheen hem als een ontzaggelijk groote donkere kuil in het midden van Parijs gegraven. Daar verzonk de blik in een afgrond. Wijl de straatlantaarns er stukgeslagen en de vensters gesloten waren, was er alle licht, alle leven, elk gerucht, iedere beweging geweken. De onzichtbare politie van het oproer, namelijk de nacht, waakte alom en handhaafde de orde. Het kleine getal in groote duisternis te hullen, iederen strijder te verdubbelen, door de kansen welke deze duisternis bevat, dit is de noodzakelijke tactiek van den opstand. Bij 't vallen van den avond had ieder venster, waar licht werd ontstoken, een kogel ontvangen. Het licht werd uitgedaan, soms was de bewoner gedood. Niets bewoog zich dan ook meer. In de huizen was niets dan schrik, rouw, angst; in de straten een soort van heilige ontzetting. Men zag er zelfs niet de lange rijen vensters en verdiepingen, de kanten der schoorsteenen en daken, het onduidelijk schijnsel op de slijkerige, natte straatsteenen.

Het oog, dat uit de hoogte in die donkere massa had geschouwd zou misschien hier en daar op zekere afstanden, onduidelijke lichten hebben gezien, die zonderlinge, afgebroken lijnen deden uitkomen, omtrekken van vreemdsoortige bouwstukken, en als in bouwvallen heen en weder gaande lichten: daar waren de barricaden.

Het overige was een nevelachtig duister, zwaarmoedig, akelig meer, waarboven de sombere, beweginglooze gestalten van den toren St. Jacques en de kerk St. Merry en twee of drie dier groote monumenten zich verhieven, waarvan de mensch reuzen en de nacht schimmen maakt.

In den omtrek van dezen eenzamen en onrustbarenden doolhof, in de wijken waar het Parijsche verkeer niet opgehouden had en nog enkele schaarsche straatlantaarns brandden, had de beschouwer uit de lucht den metaalglans der sabels en bajonetten, het dof gerol der artillerie en het stil gewemel der bataljons, dat met de minuut toenam, kunnen opmerken; een ontzaggelijke gordel, die zich langzaam om het oproer klemde en sloot.

De omsingelde wijk was niets meer dan een soort van vreeselijke spelonk; alles scheen er onbewegelijk of in slaap, en zooals men gezien heeft, heerschte in iedere straat, welke men bereiken kon, slechts duisternis; een beangstigende duisternis, vol hinderlagen, onbekende en schrikkelijke dingen, waar men slechts met angst kon binnendringen en toeven, waar zij, die binnengingen, beefden voor hen die hen wachtten, en dezen voor hen die komen zouden; onzichtbare strijders achter elken hoek der straat verschanst; hinderlagen van het graf in de duisternis des nachts verborgen. Geen ander licht was nu meer te verwachten dan de bliksem der geweren, geen andere ontmoeting dan de ruwe plotselinge verschijning van den dood. Waar? Hoe? Wanneer? Men wist het niet, maar 't was stellig en onvermijdelijk. Daar, op deze voor de worsteling aangeduide plek, zouden het gouvernement en de opstand, de nationale garde en de volksgenootschappen, de burgerij en het oproer in de duisternis rondwarend elkander ontmoeten. Voor de eenen zoowel als voor de anderen bestond dezelfde noodzakelijkheid. Voortaan was geen andere uitkomst mogelijk dan te overwinnen of te sneven. 't Was zulk een uiterste toestand, zulk een machtige duisternis, dat de beschroomdsten door moed werden bezield en de vermetelsten met schrik.

Overigens was van weerszijden de woede, de verbittering, de stoutmoedigheid dezelfde. Voor de eenen was vooruitgaan sneven, en niemand dacht er aan terugwijken; voor de anderen was standhouden sneven, en niemand dacht aan vluchten.

Noodzakelijk moest den volgenden dag alles geëindigd zijn, moest de triumf aan deze of aan gene zijde, moest de opstand een revolutie of een oproer zijn. Dit begreep het gouvernement zoowel als de partijen; de geringste burger gevoelde het. Hierdoor ontstond een angstgevoel, 't welk zich bij de ondoordringbare duisternis dezer wijk mengde, waar alles beslist zou worden; vandaar een vermeerdering van angst rondom deze stilte, waaruit een ontknooping zou ontstaan. Men hoorde er slechts één geluid, hartverscheurend als een doodsgalm, dreigend als een vervloeking,--de alarmklok van Saint-Merry. Niets was ijzingwekkender dan de klank van dit woest, wanhopig gelui, dat in de duisternis jammerde.

Zooals vaak gebeurt, scheen de natuur samen te werken met hetgeen de menschen wilden doen. Niets stoorde de heillooze harmonie van het geheel. De sterren waren verdwenen; zware wolken bedekten den geheelen horizont met haar treurige plooien. Een donkere hemel lag op de doodsche straten, alsof een onmetelijk lijklaken over dit onmetelijk graf was gespreid.

Terwijl een nog geheel politiek gevecht op deze zelfde plek werd voorbereid, die reeds zoovele revolutionnaire gebeurtenissen had gezien, terwijl de jongelingschap, de geheime genootschappen, de scholen, in naam der beginselen, en de middelklasse, in naam der stoffelijke belangen, naderden om elkander aan te vallen, te omstrengelen en neder te werpen; terwijl ieder het laatste en beslissende uur der crisis verhaastte en riep, zoowel binnen als buiten deze noodlottige wijk, in het diepst der onpeilbare holen van dit oude, ellendige Parijs, 't welk verdwijnt onder den glans van het gelukkige weelderige Parijs, hoorde men dof de sombere stem des volks brommen.

Een vreeselijke, heilige stem, gevormd uit het gebrul van het dier en het woord Gods, die de zwakken verschrikt en de wijzen waarschuwt, die tegelijkertijd van onder komt als de stem van den leeuw, en van boven als de stem des donders.

DERDE HOOFDSTUK.

DE UITERSTE RAND.

Marius was aan de Halles gekomen.

Daar was alles nog stiller, donkerder en onbewegelijker dan in de naburige straten. 't Was alsof de ijskoude rust van het graf uit de aarde was gekomen en zich onder den hemel had verspreid.

Evenwel scheen een roode gloed op den zwarten grond van de hooge daken der huizen, die aan de zijde van St. Eustache de straat Chanvrerie sloten; 't was de weerschijn der toorts, die in de barricade van Corinthe brandde. Marius had zich naar dien rooden gloed gericht, die hem naar de Perenmarkt had gevoerd, waar hij den donkeren ingang der Predikerstraat bespeurde. Hij ging er in. De schildwacht der opstandelingen, die aan het andere einde stond, zag hem niet. Hij voelde zich in de nabijheid van hetgeen hij kwam zoeken en ging op de teenen voorwaarts. Dra bereikte hij den elleboog van het kortste gedeelte der straat Mondétour, zooals men zich herinnert, de eenige uitgang, dien Enjolras naar buiten behouden had. Om den hoek van het laatste huis, links, stak hij het hoofd vooruit en schouwde in dat gedeelte der straat Mondétour.

Even voorbij den donkeren hoek der steeg en der straat Chanvrerie, die een breede schaduw wierp, waarin hij zelf verscholen was, zag hij op de straat een lichtschijnsel, op weinig afstand van de herberg, en daarachter een lampion, die in een soort van ruwen muur flikkerde, en gehurkte mannen met geweren op hun knieën. Dat alles was op tien ellen afstands van hem.

't Was het binnenste der barricade.

De huizen ter rechterzijde der steeg verborgen hem het overige der herberg, de groote barricade en de vlag.

Marius had nog slechts één schrede te doen.

Toen zette de ongelukkige jongeling zich op een straatpaal, sloeg de armen over elkander en dacht aan zijn vader.

Hij dacht aan den heldhaftigen kolonel Pontmercy, die zulk een fier soldaat was geweest, die onder de Republiek Frankrijks grenzen bewaakt, en onder den Keizer de grenzen van Azië betreden had; die Genua, Alexandrië, Milaan, Turijn, Madrid, Weenen, Dresden, Berlijn, Moskou had gezien; die op al de zegerijke slagvelden van Europa droppels van hetzelfde bloed had gestort, dat hij, Marius, in zijn aderen had; die vóór den tijd grijs was geworden in de krijgstucht en het bevelhebberschap; die met vastgegespten gordel, afhangende epauletten, door kruitdamp zwart geworden kokarde, door den helm gerimpeld voorhoofd, in de barak, in het kamp, op het bivouak, in de hospitalen geleefd had, en na verloop van twintig jaren uit de groote oorlogen terug was gekeerd met naden in de wang, glimlachende oogen, eenvoudig, rustig, bewonderenswaardig, rein als een kind, die alles voor, en niets tegen Frankrijk had gedaan.

Hij zeide bij zich zelven, dat thans ook zijn dag was gekomen, zijn uur eindelijk had geslagen, dat ook hij, na zijn vader, dapper, onversaagd, stoutmoedig zou zijn, de kogels te gemoet gaan, de bajonetten zijn borst tegenhouden, zijn bloed vergieten, den vijand, den dood zoeken, op zijn beurt strijden, en het slagveld betreden, en dat het slagveld, 't welk hij ging betreden, de straat, en dat de strijd, dien hij aanging, de burgeroorlog was!

Hij zag den burgeroorlog als een gapenden afgrond voor zich en hij zou er zich instorten.

Toen overviel hem een huivering.

Hij dacht aan den degen zijns vaders, dien zijn grootvader aan een uitdrager verkocht en dien Marius zoo smartelijk betreurd had. Hij zeide tot zich, dat deze dappere, onbezoedelde degen wel had gedaan hem te ontkomen en vertoornd in de duisternis te verzinken; dat die degen verstandig was geweest door aldus te ontvluchten, en de toekomst voorzien had; dat hij een voorgevoel had gehad van het oproer, den oorlog der goten, der straatsteenen, het schieten door keldergaten, de aanvallen van achter; dat, van Marengo en Friedland gekomen, hij niet naar de straat de la Chanvrerie wilde gaan; dat, na 't geen hij met den vader had gedaan, hij dezen oorlog met den zoon niet wilde doen. Hij zeide tot zich, dat, zoo deze degen hier was, zoo hij hem aan de sponde zijns stervenden vaders ontvangen had en hij hem voor dit nachtelijk gevecht tegen Franschen in een blinde steeg had durven vatten, hij hem zekerlijk de handen branden en als het zwaard des engels voor hem vlammen zou. Hij zeide tot zich, dat hij zich gelukkig mocht achten, dat hij dien degen niet had, dat dit goed, billijk was; dat zijn grootvader de werkelijke bewaarder van den roem zijns vaders was geweest, en het beter was, dat de degen van den kolonel in 't openbaar geveild, aan een uitdrager verkocht, onder het oud roest geworpen was, dan dat hij heden het vaderland deed bloeden.

Toen weende hij bitterlijk.

't Was afschuwelijk. Maar wat zou hij doen? Zonder Cosette leven kon hij niet. Wijl zij vertrokken was, moest hij immers sterven! Had hij haar zijn woord van eer niet gegeven, dat hij sterven zou? Zij was vertrokken, terwijl zij dit wist; zij vond het dus goed, dat Marius stierf. 't Was overigens duidelijk, dat zij hem niet meer beminde, wijl zij vertrokken was zonder hem te berichten, zonder een woord, zonder een brief, hoewel zij zijn verblijf wist! Waarom en waarvoor zou hij thans nog leven? En daarbij, kon hij terugkeeren, na hier gekomen te zijn? Nu het gevaar genaderd was, zou hij het nu ontvluchten? na de barricade te hebben gezien, zich uit de voeten maken, bevend wegloopen en zeggen: "Waarlijk, ik heb er genoeg van; ik heb gezien en dat is genoeg; 't is de burgeroorlog, ik ga heen." Hij zou zijn vrienden verlaten, die hem wachtten; die hem misschien noodig hadden; die een handvol tegen een leger waren. Hij zou tegelijkertijd een verrader aan de liefde en aan de vriendschap zijn! Zijn lafhartigheid onder het voorwendsel van vaderlandsliefde verbergen! Dat was onmogelijk, en zoo de schim van zijn vader daar in die duisternis was en hem zag terugdeinzen, zou hij hem met het plat zijns degens slaan en hem toeroepen: "Voorwaarts, lafaard!"

Ter prooi aan den stroom zijner gedachten boog hij het hoofd.

Eensklaps richtte hij het op. In zijn geest was een schitterende helderheid ontstaan. 't Is aan de nabijheid van het graf eigen, dat zij de gedachten verruimt. Bij de nadering van het graf ziet men helderder. De handeling, waartoe hij misschien gereed was over te gaan, verscheen hem niet meer erbarmelijk, maar grootsch. Plotseling, door eene geheime werking der ziel, herschiep zich de straatoorlog voor het oog van zijn geest. Al de levendige vraagteekens zijner mijmering kwamen in menigte terug, doch zonder hem in verwarring te brengen. Hij liet er geen enkele onbeantwoord.

Laat ons bedenken, waarom zou zijn vader zich vertoornen? Zijn er geen gevallen, dat de opstand zich tot de waardigheid van den plicht verheft? Welke vernedering was er voor den zoon van kolonel Pontmercy in het gevecht dat beginnen zou? 't Is niet meer Montmirail of Champaubert; 't is iets anders. 't Geldt niet een gewijd gebied, maar een heilige idée. Het vaderland treurt; 't zij zoo; maar de menschheid juicht. Is het overigens wel waar, dat het vaderland treurt? Frankrijk bloeit, maar de vrijheid glimlacht; en tegenover den glimlach der vrijheid vergeet Frankrijk zijn wonde. En zoo men de zaak uit een hooger gezichtspunt beschouwt, wat is er dan van een burgeroorlog te zeggen?

Burgeroorlog? Wat bedoelt men? Is er een buitenlandsche oorlog? Is niet elke oorlog tusschen menschen een oorlog tusschen broeders? 't Is alleen het doel, dat den oorlog een naam geeft. Er is geen buitenlandsche of burger-oorlog; er is alleen een onrechtvaardige en rechtvaardige oorlog. Tot den dag wanneer het groote menschelijke verdrag zal zijn gesloten, kan de oorlog noodzakelijk zijn, althans die, welke ontstaat door de zich haastende toekomst tegen het terugwijkende verleden. Wat heeft men dien oorlog te verwijten? De oorlog wordt dan eerst schande, de degen dan eerst dolk, wanneer hij het recht, den vooruitgang, de rede, de beschaving, de waarheid vermoordt. Dan is hij, 't zij buitenlandsche of burger-oorlog, onrechtvaardig en heet misdaad. Met welk recht zou, behalve om deze heilige zaak, de rechtvaardigheid, de eene vorm van den oorlog den anderen verachten? met welk recht zou de degen van Washington de piek van Camille Desmoulins verachten? Wie is de grootste, Leonidas tegen den vreemde, of Timoleon tegen den dwingeland? De een is de verdediger, de ander de bevrijder. Zal men, zonder naar het doel te vragen, iederen binnenlandschen strijd veroordeelen? Men veroordeele dan Brutus, Marcellus, Arnold van Blankenheim, Coligny. Guerilla-oorlog? straatoorlog? Waarom niet? 't Was de oorlog van Ambiorix, van Artevelde, van Marnix, van Pelagius. Maar Ambiorix streed tegen Rome, Artevelde tegen Frankrijk, Marnix tegen Spanje, Pelagius tegen de Mooren; allen tegen den vreemdeling. Welnu, de monarchie is vreemdeling, de verdrukking is vreemdeling; de "gratie Gods" is vreemdeling. Het despotisme overweldigt de zedelijke grenzen, gelijk de vijandelijke inval de geographische grenzen overweldigt. Den dwingeland of den Engelschman wegjagen, is, in beide gevallen, zijn grond hernemen. Er komt een uur, waarin protesteeren niet meer baat; na de rede, moeten daden volgen; de levende kracht voltooit wat de idée ontworpen heeft; de geketende Prometheus begint, Aristogiton voltooit; de encyclopedie verlicht de geesten, de 10 Augustus electriseert ze. Na Eschylus, Thrasybules; na Diderot, Danton. De massa's nemen gaarne een meester aan, haar eigen wicht drukt haar. De menigte vereenigt zich lichtelijk tot een gehoorzaam geheel. Men moet de menschen aansporen, aandrijven, ruw voortstuwen, door de weldaad zelve hunner bevrijding, hun oogen door de waarheid zeer doen, hun het licht met geduchte handen toewerpen. Zij moeten tot hun eigen belang eenigszins door een bliksemstraal opgewekt worden, de schok maakt hen wakker. Vandaar de noodzakelijkheid der stormklokken en der oorlogen. De groote strijders moeten opstaan, de natiën door moedige daden verlichten en deze jammerende menschheid wakkerschudden, welke de "gratie Gods", het geweld, het fanatisme, het onverantwoordelijk gezag en de absolute majesteit met schaduw bedekken; een domme troep, die in zijn halve blindheid den flauwen glans dezer donkere overwinningen van den nacht bewondert. Weg met den dwingeland! Maar hoe? Van wien spreekt ge? Noemt ge Lodewijk Filips een dwingeland? Neen; evenmin als Lodewijk XVI. Zij zijn beiden, wat de geschiedenis gewoonlijk goede koningen noemt. Maar de beginselen laten zich niet kneeden, de logica van het ware is rechtlijnig, het eigenaardige der waarheid is, dat haar toegevendheid ontbreekt; dus geen concessiën; alle overmacht op den mensch moet tegengegaan worden; in Lodewijk XVI heerscht de "gratie Gods"; in Lodewijk Filips iets er van, wijl hij "Bourbon" is, beiden vertegenwoordigen in zekere mate de verbeurdverklaring van het recht, en ten einde de algemeene overheersching tegen te gaan, moeten zij bestreden worden; het moet, Frankrijk is altijd de eerste die begint. Wanneer in Frankrijk de meester valt, valt hij overal. Kortom, welke zaak is rechtvaardiger en bijgevolg welke oorlog grootscher dan de maatschappelijke waarheid te herstellen, haar troon aan de vrijheid, het volk aan het volk, de souvereiniteit aan den mensch weder te geven, op Frankrijks hoofd het purper terug te brengen, de rede en de gerechtigheid in haar volle recht te herstellen, alle kiemen van vijandschap te verstikken, door ieder het zijne te geven, den hinderpaal weg te nemen, welke het koningschap de algemeene eendracht in den weg stelt, het recht voor het menschelijk geslacht gelijk te maken? Zulke oorlogen stichten den vrede. Een ontzaggelijke vesting van vooroordeelden, voorrechten, bijgeloovigheden, logens, knevelarijen, misbruiken, gewelddadigheden, ongerechtigheden en duisternis staat nog in de wereld, met haar torens van haat. Zij moet vernietigd worden. Dit monsterachtig gewrocht moet ingenomen en gesloopt worden. De overwinning van Austerlitz is roemrijk, de inneming der Bastille is verheven.

Wie heeft niet bij zich zelven opgemerkt, dat de ziel--en dit is het wonderbare harer eenheid met veelzijdigheid verbonden--de zonderlinge eigenschap bezit in de uiterste omstandigheden schier koel te redeneeren; en vaak gebeurt het, dat droevige hartstocht en diepe wanhoop, zelfs in hun somberste vlagen, over vreemde onderwerpen peinzen en bijzondere vraagstukken overwegen. De logica mengt zich met de stuiptrekking, en de draad der redeneering zweeft zonder te breken in den woesten storm der gedachten. Zoodanig was de gemoedsgesteldheid van Marius.

Terwijl hij ternedergedrukt, maar vastberaden, en evenwel aarzelend, bevend voor hetgeen hij doen wilde, zich aan deze gedachten overgaf, dwaalde zijn blik in de barricade. De opstandelingen spraken er halfluid, zonder zich te bewegen, en men gevoelde er die zekere stilte, welke den laatsten vorm der verwachting kenmerkt. Boven hen onderscheidde Marius, aan het venster eener derde verdieping, een toeschouwer of getuige, die hem bijzonder oplettend voorkwam. 't Was de door Le Cabuc doodgeschoten portier. Onduidelijk zag men van beneden dit hoofd, door het licht der tusschen de steenen staande toorts. Niets vreemder, bij dit sombere, flikkerende licht, dan dit bleek, bewegingloos, verbaasd gelaat, met opstaand haar, open, strakke oogen en gapenden mond, dat zich in eene nieuwsgierige houding naar de straat boog. 't Scheen, alsof degeen die dood was, hen aanschouwde, die sterven zouden. Een lange bloedstreep, die uit het hoofd was gekomen, liep uit het venster tot aan de hoogte der eerste verdieping, waar zij ophield.

BOEK XIV.

DE GROOTHEID DER WANHOOP.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE VLAG: EERSTE BEDRIJF.

Er kwam nog niets. Op Saint-Merry had het tien uren geslagen. Enjolras en Combeferre hadden zich met de karabijn in de hand bij den ingang der groote barricade geplaatst. Zij spraken niet met elkander, maar luisterden en poogden het flauwste en verste gerucht van voetstappen te hooren.

Eensklaps verhief zich te midden van deze akelige stilte een heldere, jonge, vroolijke stem, die uit de straat St. Denis scheen te komen, en zong op de wijs van het oud volkslied: Au clair de la lune, het volgende gerijmsel, dat met een soort hanengekraai eindigde:

Mon nez est en larmes, Mon ami Bugeaud, Prêt' moi tes gendarmes Pour leur dire un mot. En capote bleue, La poule au shako, Voici la banlieue! Co-cocorico! [11]

Zij drukten elkander de hand.

"'t Is Gavroche," zei Enjolras.

"Hij waarschuwt ons," zei Combeferre.

Een snelle loop stoorde de stilte op de eenzame straat; men zag een wezen, nog vlugger dan een clown over den omnibus klauteren, en Gavroche sprong buiten adem in de barricade, zeggende:

"Mijn geweer! Zij komen!"

Een electrieke rilling doorliep de gansche barricade, en men hoorde de beweging der handen die naar de geweren grepen.

"Wilt ge mijn karabijn?" vroeg Enjolras aan den straatjongen.

"Ik wil het groote geweer," antwoordde Gavroche.

En hij nam het geweer van Javert.

Twee schildwachten waren teruggetrokken en bijna tegelijkertijd met Gavroche in de barricade gekomen. 't Waren de schildwachten van het einde der straat en der kleine Truanderie. De schildwacht in de Predikerstraat was op zijn post gebleven, 't geen aanduidde, dat niets van de zijde der bruggen en der Hallen kwam.

De straat Chanvrerie, waarvan nauwelijks eenige straatsteenen bij het schijnsel van het licht, dat de vlag bescheen, zichtbaar waren, vertoonde aan de opstandelingen het gezicht van een lang, open, in rook staand poortgewelf.

Ieder had zijn post voor den strijd ingenomen.

Drie-en-veertig opstandelingen, waarbij Enjolras, Combeferre, Courfeyrac, Bossuet, Joly, Bahorel en Gavroche, lagen geknield in de groote barricade, zoodat hun hoofden, met de kruin er van gelijk waren, terwijl zij hun geweren, als in schietgaten, op de steenen lieten rusten, en aldus oplettend, zwijgend wachtten, gereed om te vuren. Zes hadden zich, onder het commando van Feuilly, met aangelegd geweer voor de vensters der twee verdiepingen van Corinthe geplaatst.

Zoo verstreken nog eenige oogenblikken; toen werd duidelijk in de richting van Saint-Leu het gerucht van afgemeten, zware, talrijke voetstappen gehoord. Dit aanvankelijk flauw, toen duidelijk, vervolgens luid en dreunend gerucht naderde langzaam, onafgebroken, rustig en vreeselijk. Men hoorde niets anders. 't Was de stilte en het gerucht tevens van het standbeeld des commandeurs in Don Juan; maar die steenentred had iets onbeschrijfelijks, ontzettends en verscheidens, dat terzelfder tijd het denkbeeld van een menigte en het denkbeeld van een spookbeeld deed ontstaan. Men meende het schrikbarende beeld "Legioen" te hooren gaan. Deze tred naderde; het naderde dichter, en bleef staan. Het was alsof men aan het einde der straat den adem van vele menschen hoorde. Men zag evenwel niets, maar merkte, geheel op den achtergrond, in de dikke duisternis, een aantal metalen draden, fijn als naalden en schier onzichtbaar, zich bewegen, gelijkende aan die onbeschrijfelijke stralen, welke men vóór het insluimeren onder de gesloten oogleden in de eerste nevelen van den slaap ziet. 't Waren de bajonnetten en geweerloopen, flauw verlicht door den verren weerschijn der toorts.

Wederom ontstond een pauze, als wachtte men van weerszijden. Eensklaps riep uit deze duisternis een stem, die te akeliger klonk, wijl men niemand zag, en 't dus was, alsof de duisternis zelve sprak:

"Werda?"

Terzelfdertijd hoorde men het gekletter der geweren, die werden aangelegd.

Enjolras antwoordde met luide en fiere stem:

"Fransche revolutie!"

"Vuur!" zei de stem.

Een weerlicht kleurde al de gevels der straat rood, als ware een oven plotseling geopend en weder gesloten.