De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Part 25

Chapter 253,908 wordsPublic domain

J'étais mendiant, et toi charitable. Je baisais au vol tes bras frais et ronds. Dante in-folio nous servait de table Pour manger gaîment un cent de marrons.

La première fois qu'en mon joyeux bouge, Je pris un baiser à ta lèvre en feu, Quand tu t'en alias décoiffée et rouge, Je restai tout pâle et je crus en Dieu!

Te rappelles-tu nos bonheurs sans nombre, Et tous ces fichus changés en chiffons! Oh! que de soupirs, de nos coeurs pleins d'ombre, Se sont envolés dans les cieux profonds! [10]

Het uur, de plaats, deze herinneringen der jeugd, eenige sterren die aan den hemel begonnen te fonkelen, de doodsche stilte op de eenzame straten, de nabijheid van het onvermijdelijke avontuur, dat zich voorbereidde, dit alles gaf een opwekkende bekoorlijkheid aan deze halfluid in de avondschemering gefluisterde verzen door Jean Prouvaire, die, zooals gezegd is, een teeder dichter was.

Men had intusschen in de kleine barricade een lampion ontstoken, en in de groote een dier dikke wasflambouwen, zooals men ze op vastenavond voor de rijtuigen ontmoet, welke met gemaskerden beladen naar de Courtille gaan. Men weet, dat deze flambouwen uit de voorstad St. Antoine kwamen.

Deze toorts stond in een soort van kooi, van straatsteenen gemaakt, die aan drie zijden gesloten was, om ze tegen den wind te beschutten, en ze was zoodanig geplaatst, dat al haar licht op de vlag viel, terwijl de straat en de barricade in de duisternis bleven, zoodat men niets zag dan de roode vlag, die als door een groote dievenlantaarn verlicht scheen.

Dat licht gaf aan de roode vlag een onbeschrijfelijk vreeselijken purpergloed.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE MAN, DIEN MEN IN DE BILLETTES-STRAAT HAD ONTMOET.

De nacht was nu gedaald, maar niets kwam. Men hoorde slechts verwarde geluiden, en nu en dan eenig geweergeknetter, dat echter niet aanhield en op verren afstand was.

Dit lang toeven was een bewijs dat het gouvernement den tijd gebruikte om zijn krachten te verzamelen. Deze vijftig mannen wachtten er zestig-duizend af.

Enjolras was door dat ongeduld bevangen, 't welk sterke zielen aangrijpt voor den aanvang van gewichtige gebeurtenissen. Hij begaf zich tot Gavroche, die bezig was in het benedenvertrek patronen te maken, bij het flauwe licht van twee kaarsen, die hij voorzichtigheidshalve op de toonbank had gezet, dewijl het buskruit op de tafels lag. De twee kaarsen wierpen niet den minsten schijn naar buiten. Bovendien hadden de opstandelingen gezorgd geen licht op de bovenverdiepingen te ontsteken.

Gavroche had op dit oogenblik zijn gedachten op iets anders dan wel op zijn patronen gevestigd.

De man van de straat des Billettes was binnengekomen en had zich aan het minst verlichte tafeltje geplaatst. Er was hem een munitie-geweer van groot model uitgereikt, dat hij tusschen de knieën hield. Gavroche, die tot hiertoe aan honderd "aangename" dingen had gedacht, had den man niet eens gadegeslagen.

Toen hij binnenkwam, volgde Gavroche hem werktuiglijk met de oogen en bewonderde zijn geweer; toen hij was gaan zitten, sprong de straatjongen eensklaps overeind. Zij, die tot dat oogenblik den man hadden bespied, zouden ontdekt hebben, dat hij met bijzondere opmerkzaamheid alles in de barricade en in den troep muitelingen had opgenomen; sedert hij echter 't vertrek was binnengetreden, had hij zich aan een soort van stille overpeinzing overgegeven en scheen niets te zien van 't geen gebeurde. De straatjongen naderde dien mijmerenden persoon en draaide op de teenen om hem heen, evenals men om iemand gaat, dien men vreest te wekken. Tegelijkertijd vertoonden zich op zijn kinderlijk gelaat, dat zoo onbeschaamd en zoo ernstig tevens, zoo lichtzinnig en zoo diep, zoo vroolijk en zoo treurig was, achtereenvolgens al de trekken, die uitdrukken: "Haha!--niet mogelijk!--ik ben blind!--ik droom!--zou hij het zijn?--neen, hij is 't niet!--maar toch!--maar neen!" enz. enz. Gavroche wipte op zijn teenen, balde zijn handen in zijn zakken, bewoog den hals als een vogel, en stak de onderlip vooruit. Hij was verbaasd, onzeker, twijfelend, overtuigd, begoocheld. Hij had het voorkomen van den chef der gesnedenen op de slavenmarkt, die onder een tal logge vrouwen een Venus ontdekt, of van een kunstkenner, die onder een hoop kladwerk een Raphaël vindt. Alles was in hem werkzaam, het instinct, dat opspoort, en het verstand, dat verbindt. Het was duidelijk, dat Gavroche iets op zijn hart had.

't Was te midden dezer bezigheid, dat Enjolras hem naderde.

"Gij zijt klein," zei Enjolras. "Men zal u niet zien. Ga uit de barricade, sluip langs de huizen: neem de straten een weinig op en kom mij zeggen wat er geschiedt."

Gavroche hief zich op de teenen.

"Ha! de kleinen zijn dan toch tot iets goed! 't Is zeer gelukkig. Ik ga! Vertrouw intusschen de kleinen en wantrouw de grooten...."

Hij richtte het hoofd op en voegde er op gesmoorden toon bij, terwijl hij op den man der Billettes-straat wees:

"Ziet ge dien groote?"

"Nu?"

"'t Is een stille verklikker."

"Zijt ge er zeker van?"

"Nog geen veertien dagen geleden, trok hij mij bij het oor van de kornis der Koningsbrug, waar ik een luchtje schepte."

Enjolras verwijderde zich haastig van den straatjongen en fluisterde zeer zacht een dichtbij staanden werkman van de Wijnhaven eenige woorden toe. De werkman verliet het vertrek, en kwam zeer spoedig weder binnen, vergezeld van drie anderen. De vier mannen, sjouwers met breede schouders, plaatsten zich, zonder iets te doen dat de aandacht van den man der Billettes-straat kon trekken, achter de tafel waaraan hij zat. Zij waren blijkbaar gereed zich op hem te werpen.

Toen naderde Enjolras den man en vroeg hem:

"Wie zijt gij?"

Bij deze plotselinge vraag, richtte de man zich verschrikt op. Hij boorde zijn blik tot in het diepst van Enjolras' eerlijk oog en scheen er zijn gedachte in uit te vorschen. Met een glimlach, die de verachtelijkste, krachtigste en stoutmoedigste uitdrukking der wereld had, antwoordde hij met trotschen ernst:

"Ik zie wat het is... Nu, ja!"

"Gij zijt een spion?"

"Ik ben agent van het gezag."

"Hoe heet gij?"

"Javert."

Enjolras gaf dezen vier mannen een teeken. In een oogwenk, vóór dat Javert den tijd had zich om te keeren, werd hij bij den kraag gevat, op den grond geworpen, gekneveld en onderzocht.

Men vond bij hem een klein rond kaartje, tusschen twee glazen gevat, waarop aan de eene zijde het wapen van Frankrijk met dit opschrift: "Toezicht en waakzaamheid" (surveillance et vigilance) en aan de andere zijde deze woorden: "Javert, inspecteur van politie, oud twee-en-vijftig jaar;" met de handteekening van den toenmaligen prefect van politie Gisquet.

Bovendien had hij zijn horloge en zijn beurs, welke eenige goudstukken bevatte. Men liet hem horloge en beurs. In het horlogezakje voelde men en nam er een briefje in een omslag uit, dat Enjolras opende en waarop hij deze regels las, die eigenhandig door den prefect van politie geschreven waren:

"De inspecteur van politie Javert zal, zoodra hij zijn staatkundigen last vervuld heeft, zich door een bijzonder toezicht overtuigen of het waar is, dat kwaadwilligen op den rechteroever der Seine bij de Jenabrug iets uitvoeren."

Na het onderzoek liet men Javert weder opstaan, bond hem met de armen op den rug in het midden van het benedenvertrek aan een kolom, die vroeger haar naam aan de herberg had gegeven.

Gavroche, die het gansche tooneel bijgewoond en met stillen hoofdknik alles goedgekeurd had, naderde Javert en zeide hem:

"Zoo heeft de muis de kat gegrepen."

Dit alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat het gedaan was eer men er buiten de herberg iets van gemerkt had. Javert had geen kreet gelaten. Toen men Javert aan de kolom zag gebonden, kwamen Courfeyrac, Bossuet, Joly, Combeferre en de mannen, die zich tusschen de barricaden bevonden, toeloopen.

Javert, die zoodanig met touwen aan den paal was gebonden, dat hij zich niet verroeren kon, richtte het hoofd op, met de deemoedige gerustheid van iemand, die nooit gelogen heeft.

"'t Is een spion," zei Enjolras.

En zich tot Javert wendende:

"Gij zult doodgeschoten worden, twee minuten voor de barricade ingenomen wordt."

Javert antwoordde op zijn meest barschen toon:

"Waarom niet dadelijk?"

"Wij moeten zuinig zijn met het kruit."

"Maak er dan met een mes een einde aan."

"Spion," zei de schoone Enjolras, "wij zijn rechters en geen moordenaars."

Toen riep hij Gavroche...

"Gij, ga aan uw werk! Doe wat ik u gezegd heb."

"Ik ga," riep Gavroche.

En op het punt van heen te gaan, zeide hij:

"Apropos, geef mij zijn geweer! Ik laat u den muzikant, maar geef mij de klarinet."

De straatjongen sloeg als militair aan en ijlde vroolijk door de snijding der groote barricade.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

VERSCHEIDENE VRAAGTEEKENS BETREFFENDE EEN ZEKEREN LE CABUC, DIE MISSCHIEN NIET LE CABUC HEETTE.

De treurige schildering, welke wij ondernomen hebben, zou niet volledig zijn en den lezer niet in de juiste en ware omtrekken deze grootsche oogenblikken van maatschappelijk zieltogen en revolutionnaire worsteling vertoonen, waar stuiptrekking aan kracht is gepaard, zoo wij in deze schets een voorval oversloegen, vol epische afgrijselijkheid en woestheid, dat schier onmiddellijk na Gavroches vertrek plaats had.

Zooals men weet vormen de samenscholingen een soort van sneeuwbal, die in haar voortrollen hoopen onrustige mannen medesleept. Deze vragen elkander niet van waar zij komen. Onder de voorbijgangers, die zich gevoegd hadden bij den troep welken Enjolras, Combeferre en Courfeyrac aanvoerden, was iemand in 't buis van een sjouwer, dat aan de ellebogen versleten was, die allerlei gebaren maakte, vloekte en het voorkomen van een woesten dronkaard had. Deze man, Le Cabuc genoemd, of bijgenaamd, overigens geheel onbekend aan hen die beweerden hem te kennen, zeer dronken of veinzende het te zijn, had zich met anderen aan een tafel geplaatst, welke zij buiten de herberg hadden gehaald. Terwijl deze Cabuc de bij hem zittenden tot drinken aanspoorde, scheen hij nauwkeurig het groote huis achter de barricade te beschouwen, welks vijf verdiepingen de geheele straat tegenover de straat Saint Denis bestreken. Eensklaps riep hij:

"Luistert, kameraads, uit dat huis moeten wij schieten! Zoo wij aan deze vensters zijn, zal geen duivel zich in de straat wagen!"

"Ja, maar het huis is gesloten," zei een der drinkers.

"Laat ons aankloppen."

"Men zal niet openen."

"Breken wij de deur open."

Le Cabuc liep naar de deur, die van een zwaren klopper was voorzien en klopte. De deur ging niet open. Hij klopt nogmaals. Niemand antwoordt. Een derde klop. Dezelfde stilte.

"Is hier iemand?" roept Le Cabuc.

Niets verroerde zich.

Toen greep hij een geweer en begon met den kolf tegen de deur te stooten. 't Was een oude, lage, nauwe, sterke, eikenhouten gangdeur, die van binnen met ijzer was beslagen, een ware vestingpoort. De kolfslagen deden het huis dreunen, maar schokten de deur niet.

't Scheen echter dat de bewoners ongerust werden, want eindelijk zag men een klein vierkant venster op de derde verdieping verlicht en opengaan, en aan dat venster een brandende kaars en het ontsteld gezicht van een man met grijs haar verschijnen, zijnde de portier.

De man, die tegen de deur klopte, hield op.

"Mijnheeren," vroeg de portier, "wat begeert gij?"

"Open," zei Le Cabuc.

"Dat kan niet, mijnheeren."

"Open, open!"

"Onmogelijk, mijnheeren!"

Le Cabuc nam zijn geweer en legde op den portier aan, maar wijl hij beneden en 't zeer donker was, zag de portier hem niet.

"Wilt ge openen, ja of neen?"

"Neen, mijnheeren!"

"Ge zegt neen?"

"Ik zeg neen, goede...."

De portier kon niets meer zeggen. Het geweer was afgeschoten; de kogel was onder de kin ingegaan en in den nek uitgekomen, na den halsader doorsneden te hebben. Zonder een kreet te slaken zonk de grijsaard ineen. De kaars viel en ging uit, en toen zag men niets meer dan een bewegingloos hoofd op den rand van het venster en een weinig lichten rook, die naar het dak opsteeg.

"Zoo!" zei Le Cabuc, den kolf van zijn geweer weder op de straatsteenen latende vallen.

Hij had dit nauwelijks gezegd, toen hij een hand voelde, die zwaar als de klauw eens arends op zijn schouder viel, en een stem hoorde, die zeide:

"Kniel."

De moordenaar wendde zich om en zag het bleeke, koele gelaat van Enjolras. Deze hield een pistool in de hand.

Op het geweerschot was hij toegeschoten.

Hij had met de linkerhand den kraag, den kiel, het hemd en den draagband van Le Cabuc gegrepen.

"Kniel!" herhaalde hij.

En met een onweerstaanbare beweging boog de zwakke twintigjarige jongeling als een riet den forschen vierkanten werkman, en deed hem in het slijk knielen. Le Cabuc poogde zich te verzetten, maar 't was, als ware hij door een bovenmenschelijke hand aangegrepen.

Bleek, met blooten hals, verward haar, had Enjolras op dit oogenblik, met zijn vrouwelijk gelaat, iets van de Themis der Ouden. Zijn opgezette neusvleugels, zijn nedergeslagen oogen gaven aan zijn streng grieksch gelaat die vertoornde en verheven uitdrukking, welke, volgens de zienswijze der oude wereld, aan de gerechtigheid betaamt.

De geheele barricade was toegesneld, en allen hadden zich op een afstand in een kring geschaard, beseffende dat 't onmogelijk was, een woord te zeggen bij 't geen zij zien zouden.

Le Cabuc, verwonnen en geen poging tot verzet meer beproevende, beefde over al zijn leden. Enjolras liet hem los en zag op zijn horloge.

"Keer in tot u zelven," zeide hij. "Bid of denk. Gij hebt nog een minuut."

"Genade!" stamelde de moordenaar, toen boog hij het hoofd en mompelde eenige onverstaanbare vloeken.

Enjolras wendde den blik niet van zijn horloge; hij liet de minuut voorbijgaan, en stak toen het horloge weder in zijn zak. Daarop nam hij Le Cabuc, die jammerend op de knieën gezonken was, bij de haren en drukte hem den loop van zijn pistool tegen het oor. Velen dezer onverschrokken mannen, die zoo gerust tot de vreeselijkste onderneming waren toegetreden, wendden het hoofd om.

Men hoorde het schot; de moordenaar viel met het hoofd voorover op de straat. Enjolras richtte het hoofd op, en van de gerechtigheid zijner daad overtuigd, sloeg hij een strengen blik om zich.

Toen stiet hij het lijk met den voet en zeide:

"Werpt dat buiten."

Drie mannen hieven het lichaam van den ellendeling op, dat nog de laatste stuiptrekkingen van het scheidend leven vertoonde, en wierpen het over de kleine barricade in de straat Mondétour.

Enjolras stond in gedachten verdiept. Wie weet welk een grootsche duisternis zich langzaam over zijn vreeselijke rust spreidde. Eensklaps verhief hij de stem. Allen zwegen.

"Burgers," zei Enjolras, "wat die man heeft gedaan, is vreeselijk; en wat ik heb gedaan, is afschuwelijk. Hij heeft gemoord, en daarom heb ik hem gedood. Ik moest het doen, want de opstand moet zijn krijgstucht hebben. Hier is moord een nog grooter misdaad dan elders; de revolutie richt haar blik op ons, wij zijn de priesters der republiek, wij zijn de offers van den plicht en onze strijd mag door geen misdaad bezoedeld worden. Ik heb dus dezen man gevonnist en ter dood veroordeeld. Wat mij aangaat, ik was genoodzaakt te doen wat ik gedaan heb, hoezeer ik het verafschuwde; ik heb mijzelven dus ook gericht en gij zult aanstonds zien waartoe ik mij heb veroordeeld." Allen, die hem hoorden, beefden.

"Wij zullen uw lot deelen," riep Combeferre.

"Goed," hernam Enjolras. "Nog één woord. Door dezen man te dooden, gehoorzaamde ik aan de noodzakelijkheid; maar de noodzakelijkheid is een monster der oude wereld; de noodzakelijkheid heet Noodlot. De wet van den vooruitgang nu, is dat de monsters voor de Engelen verdwijnen, en het Noodlot voor de Broederschap wijke. 't Is een slecht oogenblik om het woord liefde uit te spreken. Om 't even, ik noem en verheerlijk het. Liefde, ge zijt de toekomst. Dood, ik bedien mij van u, maar haat u. Burgers, in de toekomst zullen noch donderslagen, noch wreede onwetendheid, noch bloedige wedervergelding zijn. Wanneer er geen Satan meer is, zal er geen Michaël meer zijn. In de toekomst zal niemand een ander meer dooden, de aarde zal gelukkig zijn, het menschelijk geslacht zal beminnen. De dag zal komen, burgers, dat alles eensgezindheid, harmonie, vreugd en leven zal zijn, hij zal komen, en om hem te doen komen, willen wij sterven."

Enjolras zweeg, zijn teedere lippen sloten zich; eenigen tijd bleef hij bewegingloos als marmer op de plek staan, waar hij bloed had vergoten. Zijn strak oog maakte, dat men slechts fluisterend om hem sprak.

Zwijgend drukten Jean Prouvaire en Combeferre elkander de hand en dicht bij elkander in den hoek der barricade staande, aanschouwden zij met bewondering, waaraan zich medelijden paarde, den ernstigen jongeling, die beul en priester, en even als het kristal, licht maar tevens rots was.

Laat ons hier terstond zeggen, dat later, na het gevecht, toen de lijken naar de Morgue gebracht en onderzocht werden, bij Le Cabuc een kaart van politieagent werd gevonden. De schrijver van dit boek heeft in 1848 het bijzonder rapport te dezer zake aan den prefect van politie van 1832 in handen gehad.

Laat er ons bijvoegen, dat, zoo men de vreemde, maar waarschijnlijk gegronde geruchten gelooven mag, Le Cabuc Claquesous was. Zeker is het, dat na den dood van Le Cabuc nimmer meer van Claquesous gehoord werd. Claquesous heeft geen spoor van zijn verdwijning achtergelaten; het schijnt, dat hij tot het onzichtbare is teruggekeerd. Zijn leven was duisternis, zijn einde nacht.

Geheel de troep opstandelingen was nog onder den indruk van dit zoo spoedig gevoerd en zoo haastig geëindigd proces, toen Courfeyrac in de barricade den kleinen jongen wederzag, die hem dien morgen naar Marius had gevraagd.

Deze jongen, met dit stoutmoedig, onbezorgd voorkomen, had zich bij het vallen van den avond weder bij de opstandelingen gevoegd.

BOEK XIII.

MARIUS TREEDT IN DE SCHADUW.

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN DE STRAAT PLUMET NAAR DE WIJK ST. DENIS.

De stem, die in de schemering Marius naar de barricade der straat Chanvrerie had geroepen, had op hem den indruk der stem van het noodlot gemaakt. Hij wilde sterven, de gelegenheid bood er zich toe aan; hij klopte aan de deur van het graf, een hand reikte hem in de schaduw den sleutel. Die sombere openingen, welke zich in de duisternis aan de wanhoop vertoonen, zijn verleidelijk. Marius nam de staaf uit het hek, welke hem zoo dikwerf doorgang had verleend, ging uit den tuin en zeide: "Welaan!"

Zinneloos van smart, niets bepaalds en zekers meer in zijn hersenen voelende, niet in staat voortaan iets meer van het lot te verwachten, na deze twee, in de dronkenschap der jeugd en der liefde doorgebrachte maanden, tegelijk door al de droomen der wanhoop overweldigd, had hij nog slechts één wensch: er spoedig een einde aan te maken.

Haastig ging hij voort; toevallig was hij gewapend, daar hij de pistolen van Javert bij zich had.

De jongeling, dien hij meende gezien te hebben, was op de straat uit zijn oogen verdwenen.

Marius, die de straat Plumet langs den boulevard had verlaten, ging over de Esplanade, de brug der Invaliden, de Champs-Elysées, het plein Lodewijk XV, tot hij de straat Rivoli bereikte. De magazijnen waren er open; het gas brandde onder de bogen: de vrouwen deden inkoopen in de winkels, men at ijs in het café Laiter, en pasteitjes bij den Engelschen pasteibakker. Echter reden eenige postrijtuigen in galop van het hôtel des Princes en het hôtel Meurice.

Marius ging door de passage Delorme naar de straat St. Honoré. De winkels waren daar gesloten, de bewoners spraken voor hun op een kier staande deuren, de voorbijgangers gingen heen en weder, de lantaarns brandden, en van de eerste verdieping af waren al de ramen als gewoonlijk verlicht. Op het plein van het Palais-Royal stond cavalerie.

Marius ging door de straat St. Honoré. Naar gelang hij zich van het Palais-Royal verwijderde, waren er minder verlichte vensters: de winkels waren geheel gesloten, niemand stond aan de deur te praten, de straat werd somberder, maar tegelijkertijd nam de menigte toe. De voorbijgangers waren nu dichte drommen geworden. Men zag niemand in die menigte spreken, en evenwel ging er een dof, zwaar gegons uit op.

Naar den kant der fontein de l'Arbre-Sec waren "samenscholingen," beweginglooze, sombere groepen, die tusschen de heen en weergaanden als steenen in een stroomend water stonden.

Aan den ingang der straat des Prouvaires ging de menigte niet meer voort. Zij vormde hier een tegenstand biedende, aaneen geslotene, saamgedrongene, schier ondoordringbare massa van lieden, die zacht met elkander spraken. Er waren schier geen zwarte kleeren noch ronde hoeden bij. 't Waren kielen, buizen, petten, bloote hoofden met verwilderd haar. Deze massa golfde verward in den nachtelijken nevel. Haar gefluister had een heeschen, trillenden klank. Hoewel niemand ging, hoorde men voetgetrappel in het slijk. Aan gene zijde dezer dichte menigte, in de straat du Roule, in de straat des Prouvaires, en in de verlenging der straat St. Honoré, was geen enkel venster verlicht. Men zag in het verschiet dezer straten de rijen afzonderlijke, steeds kleiner wordende lantaarns. De lantaarns van dien tijd geleken groote roode, aan touwen hangende sterren, die op de straat een schaduw als van een groote spin wierpen. Deze straten waren niet eenzaam. Men onderscheidde er bundels tegen elkander gezette geweren, bajonetten, die zich bewogen, en bivouakeerende troepen. Geen nieuwsgierige overschreed deze grens. Daar hield het verkeer op. Daar eindigde de menigte en begon het leger.

Marius had den wil van iemand, die geen hoop meer heeft. Men had hem geroepen; hij moest gaan. Het gelukte hem door de menigte te dringen, en door de bivouakeerende troepen te sluipen; hij ontging de patrouilles en vermeed de schildwachten. Langs een omweg bereikte hij de straat Béthisy en ging naar den kant der Halles. Aan den hoek der straat des Bourdonnais waren geen lantaarns meer.

Na de streek der volks en die der troepen te zijn voorbijgekomen, bevond hij zich in iets vreeselijks. Geen voorbijganger, geen soldaat, geen licht meer; niemand! De eenzaamheid, de stilte, de nacht; een onbeschrijfelijke huivering overviel hem. Wanneer hij een straat inging, was 't hem, alsof hij in een kelder kwam.

Hij ging steeds verder.

Hij deed eenige schreden. Iemand ijlde hem voorbij. Was 't een man? een vrouw? waren het meer personen? Hij zou het niet kunnen zeggen. 't Was voorbijgegaan en verdwenen.

Langs allerlei omwegen kwam hij in een steeg, welke hij voor de straat de la Poterie hield; omstreeks het midden dier steeg stiet hij tegen een hindernis. Hij stak de handen uit. 't Was een omvergeworpen kar; zijn voet voelde waterplassen, diepten, losse en opgehoopte straatsteenen. 't Was een begonnen, maar verlaten barricade. Hij klom over de steenen en kwam aan de andere zijde der versperring. Hij ging dicht langs de straatpalen en nam de huizen tot richting. Op eenigen afstand voorbij de barricade meende hij iets wits voor zich te zien. Hij naderde en 't nam een vorm aan. 't Waren twee witte paarden, de paarden van den omnibus, welke Bossuet des morgens had uitgespannen en die den geheelen dag van de eene in de andere straat hadden rondgezworven, en eindelijk hier waren blijven staan met het uitgeput geduld der dieren, die evenmin de handelingen van den mensch begrijpen als de mensch de handelingen der Voorzienigheid begrijpt.

Marius ging de paarden voorbij. Toen hij aan een straat kwam, welke hem de straat du Contrat Social scheen te zijn, floot een geweerkogel, in de duisternis in 't wild geschoten, dicht langs hem heen, en doorboorde boven zijn hoofd een scheerbekken, dat aan de deur van een barbierswinkel hing. In 1846 kon men nog in de straat du Contrat Social aan den hoek des Halles dat doorgeschoten scheerbekken zien.

Dat geweerschot was nog leven. Van dien oogenblik ontmoette hij niets meer.

Deze geheele streek scheen een afdaling langs donkere trappen.