De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Part 24

Chapter 243,762 wordsPublic domain

Grantaire was nog niet in dien somberen toestand geraakt; verre van daar. Hij was wonderbaarlijk vroolijk, en Bossuet en Joly bleven hem niets schuldig. Zij klonken. Grantaire paarde aan de zonderlinge uitdrukking van woorden en denkbeelden de wonderlijkste gebaren; vol waardigheid liet hij zijn linkerhand op zijn knie rusten, zijn arm vormde een rechthoek, zijn das was los, en met een vol glas in zijn rechterhand schrijlings op een bankje zittende, sprak hij tot Matelotte, de dikke dienstmeid, deze plechtige woorden:

"Dat men de poorten van het paleis opene! dat iedereen lid der Fransche academie zij en het recht hebbe madame Hucheloup te kussen! laat ons drinken."

En zich tot madame Hucheloup wendende, voegde hij er bij:

"Antieke, door het gebruik gewijde vrouw, nader, opdat ik u aanschouwe!"

Joly riep:

"Matelotte en Gibelotte, geeft Grantaire niet meer te drinken. Hij verteert schrikkelijk veel geld. Sedert van morgen heeft hij reeds aan allerlei uitspattingen twee francs vijf-en-negentig centimes verspild."

Grantaire hernam:

"Wie heeft zonder mijn verlof de sterren afgerukt om ze als kaarsen op de tafel te zetten?"

Bossuet, hoewel zeer dronken, had zijn bedaardheid behouden.

Hij zat op den rand van het open venster, liet zijn rug nat regenen en zag zijn beide vrienden aan.

Eensklaps hoorde hij achter zich rumoer, haastige voetstappen en de kreten "te wapen!" Hij wendde het hoofd om en zag in de straat St. Denis, aan het einde der straat Chanvrerie, Enjolras met een karabijn, Gavroche met zijn pistool, Feuilly met zijn sabel, Courfeyrac met zijn degen, Jean Prouvaire met zijn musket, Combeferre met zijn geweer, Bahorel met zijn snaphaan voorbijgaan, benevens de geheele gewapende onstuimige hoop die hen volgde.

De straat de la Chanvrerie was niet langer dan een karabijn droeg. Bossuet bracht zijn beide handen als een spreektrompet voor den mond en riep:

"Courfeyrac! Courfeyrac! hohee!"

Courfeyrac hoorde dien roep, bespeurde Bossuet, deed eenige schreden in de straat Chanvrerie, roepende: "wat wilt ge?" dat gekruist werd met: "waar gaat ge heen?"

"Een barricade maken," antwoordde Courfeyrac.

"Nu! hier is een goede plaats! maak ze hier."

"Inderdaad, Arend," zei Courfeyrac.

En op een teeken van Courfeyrac stormde de troep de straat Chanvrerie in.

DERDE HOOFDSTUK.

DE NACHT DAALT OP GRANTAIRE.

De plaats was inderdaad uitmuntend voor een barricade geschikt, aangezien de straat aan den ingang wijd, aan 't einde nauw was, en als een blinde steeg op Corinthe toeliep. De straat Mondétour was rechts en links gemakkelijk te versperren, en geen aanval was mogelijk dan van de straat Saint-Denis; namelijk in het front en ongedekt.

De dronken Bossuet had waarlijk den veldheersblik van den nuchteren Hannibal gehad.

Toen de troep aanstormde, kwam de geheele straat in verschrikking. Geen voorbijganger, die zich niet uit de voeten had gemaakt. In een oogwenk waren links en rechts winkels, uitstallingen, deuren, vensters, zonneschermen, blinden en vensterluiken van allen aard, van beneden tot aan de daken gesloten. Een bevreesde oude vrouw had voor haar venster aan twee droogstokken een matras gebonden, om de geweerkogels af te weren. Alleen de herberg was open gebleven, en wel om de goede reden, dat de troep er was binnengedrongen.

"Ach, mijn God, mijn God!" zuchtte madame Hucheloup.

Bossuet was naar beneden Courfeyrac tegemoet gegaan.

Joly, die zich aan het venster had geplaatst, riep:

"Courfeyrac, gij hadt een parapluie moeten nemen. Ge zult verkouden worden."

Middelerwijl waren in weinige minuten twintig ijzeren spijlen van de tralievensters der herberg gerukt, en tien ellen der straat opgebroken. Gavroche en Bahorel hadden in 't voorbijgaan de kar van een kalkbrander, Anceau geheeten, omvergeworpen. Op deze kar lagen drie tonnen met kalk, welke zij onder hoopen straatkeien hadden begraven; Enjolras had het kelderluik opgelicht, en al de ledige fusten van madame Hucheloup waren naast de tonnen met kalk gelegd; Feuilly had met zijn vingers, gewoon de fijne waaiers te schilderen, de tonnen en de kar met zware brokken steen vastgezet, die eensklaps, men weet niet van waar, te voorschijn waren gekomen. Schoorbalken waren van den gevel van een naburig huis genomen en op de fusten gelegd. Toen Bossuet en Courfeyrac zich omkeerden, was de helft der straat reeds versperd, met een wal van meer dan manshoogte. Niets kan beter door de hand des volks gebouwd worden dan 't geen door afbreken wordt vervaardigd.

Matelotte en Gibelotte hadden zich bij de werklieden gevoegd. Gibelotte ging beladen met puin en gruis heen en weer. In haar vermoeidheid hielp zij aan de barricade. Zij bediende de barricade van steen, zooals zij de drinkers van wijn zou hebben bediend, steeds met slaperig gezicht.

Een omnibus met twee witte paarden reed aan 't einde der straat voorbij.

Bossuet sprong over de steenen, liep, hield den koetsier staande, deed de personen uit het rijtuig gaan, gaf de hand aan de "dames," zond den koetsier weg, en keerde met het rijtuig terug, de paarden bij den toom leidende.

"Omnibussen mogen niet voorbij Corinthe," zeide hij. "Non licet omnibus adire Corynthum."

Een oogenblik later gingen de ontspannen paarden op het toeval af door de straat Mondétour, en de op zijde liggende omnibus voltooide de versperring der straat.

Madame Hucheloup was in de grootste ontsteltenis naar de eerste verdieping gevlucht.

Zij staarde met strakken blik rond, zonder te zien, en schreeuwde zacht. Haar verschrikte kreten durfden haar keel niet verlaten.

"'t Is het einde der wereld," stamelde zij.

Joly drukte een kus op den dikken, rooden, gerimpelden hals van madame Hucheloup, en zeide tot Grantaire: "Mijn vriend, ik heb den hals eener vrouw altijd als iets bij uitnemendheid teers beschouwd."

Intusschen had Grantaire een steeds hoogere gedachtenvlucht genomen. Matelotte was naar de eerste verdieping teruggekeerd, Grantaire hield haar middel omvat en lachte luidkeels aan het venster.

"Matelotte is leelijk!" riep hij, "Matelotte is het leelijkste wat men droomen kan. Matelotte is een fabelachtig gedrocht. Ik zal u het geheim harer geboorte zeggen: Een gothische Pygmalion, die figuren voor dakgoten van cathedralen maakte, werd op een ochtend op een der leelijkste ervan verliefd. Hij bad de liefde haar te bezielen, en zoo ontstond Matelotte. Kijkt, burgers, zij heeft bloedrood haar, als de minnares van Titiaan, en ze is een goede meid. Ik verzeker u, dat zij goed zal vechten. In ieder goed meisje zit een held. En moeder Hucheloup, o die is een oude dappere. Ziet, welk een baard zij heeft; zij heeft hem van haar man geërfd. Ja, zij is een huzaar en zal ook vechten. Twee zooals zij jagen de geheele voorstad op de vlucht. Kameraden, wij zullen het gouvernement omverwerpen, zoo waar als er vijftien middelzuren zijn tusschen het margarische en mierenzuur; overigens is het mij volkomen onverschillig. Mijne heeren, mijn vader heeft mij immer gehaat, wijl ik de wiskunde niet kon leeren. Ik begrijp niets dan de liefde en de vrijheid. Ik ben Grantaire, de goede jongen. Wijl ik nooit geld heb gehad, heb ik er mij niet aan gewoon gemaakt; zoodat het mij bijgevolg nooit ontbroken heeft. Zoo ik rijk ware geweest, zouden er geen armen meer zijn! Men zou 't gezien hebben! O, zoo goede harten volle beurzen hadden, hoe goed zou alles gaan. Verbeeld u Jezus Christus zoo rijk als Rothschild! Hoeveel goed zou hij doen! Kus mij, Matelotte! Ge zijt liefderijk en bedeesd; ge hebt koontjes die den zusterkus wachten en lippen die den liefdekus willen."

"Zwijg, vat!" riep Courfeyrac.

Grantaire antwoordde:

"Ik ben meester in de minnekunst."

Enjolras, die op de barricade stond met het geweer in de hand, richtte zijn schoon, ernstig gezicht op. Enjolras had, zooals men weet, iets van den Spartaan en den Puritein. Hij zou met Leonidas in de Thermopylen gesneuveld zijn, en met Cromwell Drogheda verbrand hebben.

"Grantaire!" riep hij, "ga uw roes ergens elders uitslapen. 't Is hier de plaats der geestvervoering, niet der dronkenschap. Onteer de barricade niet."

Dit toornig woord maakte op Grantaire een zonderlingen indruk.

't Was alsof hem een glas koud water in 't gezicht was geworpen. Hij scheen plotseling nuchter te zijn geworden. Hij zette zich met de ellebogen op een tafeltje, bij het venster, aanschouwde Enjolras met onuitsprekelijke zachtheid en zeide:

"Laat mij hier slapen."

"Slaap elders!" riep Enjolras.

Maar Grantaire steeds zijn doffe, teedere oogen op hem gericht houdende, antwoordde:

"Laat mij hier slapen--tot ik sterve."

Enjolras beschouwde hem met verachtenden blik:

"Grantaire, ge zijt onbekwaam te gelooven, te denken, te willen, te leven en te sterven."

Grantaire antwoordde met ernstige stem:

"Ge zult zien."

Hij stamelde nog eenige onverstaanbare woorden, toen zonk zijn hoofd zwaar op de tafel, en, zooals gewoonlijk het gevolg is in het tweede tijdperk der dronkenschap, waarin Enjolras hem ruw en plotseling gestort had, sliep hij een oogenblik later in.

VIERDE HOOFDSTUK.

POGINGEN VAN TROOST OP DE WEDUWE HUCHELOUP.

Bahorel, wegens de barricade in verrukking, riep:

"Nu ligt de straat bloot, dat staat haar goed!"

Terwijl Courfeyrac bezig was met een weinig de herberg af te breken, poogde hij de weduwe herbergierster te troosten.

"Beklaagdet ge u niet onlangs, moeder Hucheloup, toen men procesverbaal tegen u opmaakte, wijl Gibelotte uit het venster een bedkleedje had uitgeschud?"

"Ja, mijn goede mijnheer Courfeyrac. Ach, goede God, wilt ge mij ook deze tafel op dat leelijke ding zetten? Niet alleen wegens het bedkleedje, maar ook wegens een bloempot, die uit het dakvenster op de straat viel, heeft het gouvernement mij met honderd francs beboet. Is 't geen schandelijkheid?"

"Nu, moeder Hucheloup, wij zullen u wreken."

Moeder Hucheloup scheen niet goed te begrijpen, wat zij bij deze wijze van schadevergoeding winnen zou. Zij was tevreden, op de wijze dier Arabische vrouw, welke van haar man een klap hebbende ontvangen, zich bij haar vader beklaagde, wraak eischte en zeide: "Vader, ge zijt mijn man een beleediging voor zijn beleediging schuldig." De vader vroeg: "Op welke wang hebt ge den klap ontvangen?"--"Op de linkerwang." De vader gaf haar een slag op de rechterwang zeggende: "Nu zijt ge voldaan. Ga uw man zeggen, dat hij mijn dochter een klap heeft gegeven, maar dat ik zijn vrouw terug heb geslagen."

De regen had opgehouden. Er was versterking aangekomen. Werklieden hadden onder hun kielen een tonnetje buskruit, een mand met flesschen vitriool, twee of drie flambouwen en een menigte lampions, de overblijfsels van het feest des Konings, gebracht, welk feest onlangs, namelijk den 1sten Mei, gevierd was. Men zeide, dat deze amunitie vanwege een kruidenier uit de voorstad St. Antoine, genaamd Pepin, kwam. Men verbrak de eenige lantaarn in de straat Chanvrerie, de daarop volgende lantaarn in de straat St. Dénis en al de lantaarns in de omliggende straten: Mondétour, du Cygne, des Prêcheurs, en der groote en kleine Truanderie.

Enjolras, Combeferre en Courfeyrac bestuurden alles. Nu werden twee barricaden tegelijkertijd opgeworpen, die beide tegen het huis Corinthe steunden en een rechthoek vormden; de grootste sloot de straat Chanvrerie, de andere de straat Mondétour aan de zijde van de Zwanestraat. Deze laatste, zeer smalle barricade was slechts uit tonnen en straatsteenen samengesteld. Er waren omstreeks vijftig werklieden; waarbij een dertigtal met geweren gewapend; want onderweg hadden zij al wat een zwaardvegerswinkel bevatte, geleend.

Men kan zich niets grilliger en bonter voorstellen dan dezen troep. De een droeg een buis, een sabel en twee ruiterpistolen; een ander was in hemdsmouwen en had een ronden hoed op en een kruithoorn op zijde; een derde was met negen vel grauw papier geharnast en met een zadelmakersels gewapend. Een schreeuwde: "Verdelgen wij allen en sneven wij op de punt onzer bajonnetten!" deze had geen bajonnet. Een ander droeg over zijn jas den koppel en de patroontasch van een nationale garde, op het foudraal van welke patroontasch in roode wol dit opschrift stond: "Openbare orde." Er waren veel geweren met de nummers der legioenen, weinig hoeden, geen dassen, veel naakte armen, eenige pieken, lieden van allerlei ouderdom, allerlei gezichten; bleeke, kleine jongelingen, bronskleurige kaaiwerkers. Allen haastten zich; en terwijl men elkander hielp, sprak men van de mogelijke kansen; dat men tegen drie uren 's morgens hulp zou hebben, dat men van een regiment zeker was; dat geheel Parijs in opstand zou komen. Vreeselijke gesprekken, waaronder zich een soort van hartelijke vroolijkheid mengde. Men zou gezegd hebben, dat het broeders waren; maar zij kenden zelfs elkanders namen niet. De groote gevaren hebben dit schoone, dat zij de broederschap van onbekenden in het licht stellen.

In de keuken was een vuur ontstoken, en men goot in een vorm kogels van tinnen potten, lepels, vorken en van al het tinwerk, dat in de herberg voorhanden was. Onder dit alles dronk men. De knalhoedjes en kogels lagen op de tafels tusschen de wijnglazen. In de biljartkamer waren vrouw Hucheloup, Matelotte en Gibelotte, ieder op verschillende wijze door den schrik bevangen, de eene versuft, de andere hijgend, de derde levendig, bezig oud linnen te scheuren en pluksel te maken, hierbij geholpen door drie opstandelingen, harige, gebaarde snaken, die met naaistershanden het linnen plozen en de vrouwen deden beven.

De man met de rijzige gestalte, dien Courfeyrac, Combeferre en Enjolras hadden opgemerkt, juist toen hij zich aan den hoek der Billettes bij den hoop voegde, werkte aan de kleine barricade en maakte er zich nuttig. Gavroche werkte aan de groote. De knaap, die Courfeyrac in diens woning gewacht en naar mijnheer Marius gevraagd had, was omstreeks het oogenblik verdwenen, toen men den omnibus omver had geworpen.

Gavroche, die geheel opgewekt en verheugd was, liep heen en weder, naar boven, naar beneden, juichte en zong. Hij scheen er te zijn om allen aan te moedigen. Had hij een prikkel? ja, gewis, zijn blijdschap. Men zag, men hoorde Gavroche immer. Hij vervulde de lucht en was overal tegelijk. Stilstand was voor hem onmogelijk. De groote barricade voelde hem op haar rug. Hij plaagde de gapers, spoorde de luiaards aan, wekte de vermoeiden op, maakte de denkers levendig, vervroolijkte dezen, bracht genen tot adem, anderen in toorn, allen in beweging; hier spotte hij met een student, daar tergde hij een werkman; vloog, stond stil, ijlde door het gewoel en den arbeid, sprong van het een op het ander, floot, gonsde en plaagde allen; hij was de vlieg van de revolutionnaire koets.

De eeuwigdurende beweging was in zijn kleine armen en het eeuwigdurend geschreeuw in zijn kleine longen.

"Moedig! nog meer keien! nog meer tonnen! nog meer voorwerpen! waar zijn ze? Hier met een mand gruis om deze opening te dichten. Ze is klein, uw barricade. Ze moet hooger zijn. Legt en werpt er alles op, steekt er alles in. Breekt het huis af. Ha! zie hier een glazen deur!"

Dit deed de werklieden uitroepen:

"Een glazen deur! wat zullen wij met een glazen deur uitvoeren, knaap?"

"Een glazen deur is uitmuntend voor een barricade. Het belet wel niet dat men ze aanvalt, maar hindert om ze te nemen. Zijt ge dan nooit over een muur, waarop glasscherven lagen, geklauterd, om appels te kapen. Een glazen deur snijdt de likdoorns der nationale garde af, wanneer zij de barricade wil beklimmen. Verduiveld! het glas is verraderlijk. Uw verbeelding, kameraads! is niet zeer sterk; ge begrijpt niets."

Overigens was hij verwoed op zijn pistool zonder haan. Hij ging van den een tot den ander en eischte een geweer: "Ik wil een geweer!" riep hij, "waarom geeft men mij geen geweer?"

"Gij een geweer!" zei Combeferre.

"Waarom niet?" hernam Gavroche; "ik had er een in 1830, toen men met Karel X plukhaarde!"

Enjolras haalde de schouders op en zeide:

"Wanneer de mannen er allen hebben, zal men ze aan de kinderen geven."

Gavroche wendde zich fier om en antwoordde:

"Zoo ge vóór mij sneuvelt, neem ik het uwe."

"Straatjongen!" zei Enjolras.

"Melkmuil!" zei Gavroche.

Een pronker, die, naar hier verdwaald, aan het einde der straat slenterde, gaf een afleiding.

Gavroche riep hem toe:

"Voeg u bij ons, jongmensch. Nu! wilt ge dan niets voor het oude vaderland doen?"

De pronker maakte zich schielijk uit de voeten.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE TOEBEREIDSELEN.

De dagbladen van dien tijd, welke zeiden, dat de barricade der straat Chanvrerie, "dit schier oninneembare gewrocht," zooals zij 't noemden, tot aan de eerste verdieping van een huis reikte, hebben zich vergist. Zij was werkelijk niet hooger dan zes of zeven voet. Zij was zoodanig opgeworpen, dat de strijders of er achter verdwijnen, of de versperring beheerschen konden, en zelfs er den top van bestijgen, langs vier rijen straatsteenen, die van binnen als een trap opeen waren gestapeld. Van buiten had het front der barricade, welke, uit stapels straatsteenen en tonnen samengesteld, door balken en planken verbonden was, die in de wielen der kar van Anceau en den omvergeworpen omnibus waren gestoken, een steil, ontoegankelijk voorkomen.

Een opening, genoegzaam om één persoon door te laten, was tusschen den muur der huizen en het einde der barricade gelaten, waardoor men er kon in- en uitgaan. De boom van den omnibus was met touwen overeind gebonden, en een roode vlag, daaraan vastgehecht, wapperde boven de barricade.

De kleine barricade Mondétour, die achter de herberg was verborgen, viel niet in 't gezicht. Deze beide vereenigde barricaden vormden een wezenlijke redoute. Enjolras en Courfeyrac hadden het onnoodig geoordeeld het ander gedeelte der straat Mondétour te barricadeeren, dat in de straat des Prêcheurs op de Halles uitloopt, vermoedelijk om zoo mogelijk een gemeenschap met buiten te behouden, en weinig beducht van in de gevaarlijke en moeielijke steeg des Prêcheurs aangevallen te worden.

Uitgezonderd dezen opengebleven uitgang, benevens de enge snijding in de straat Chanvrerie, vertoonde het inwendige der barricade, waarin de herberg uitliep, een aan alle zijden gesloten onregelmatig vierkant. Tusschen de groote versperring en de hooge huizen, die den achtergrond der straat vormden, was een ruimte van omstreeks twintig schreden, zoodat de barricade gezegd kon worden tegen deze huizen te leunen, die alle bewoond, doch van onder tot boven gesloten waren.

Dit geheele werk werd zonder eenige belemmering in minder dan een uur voltooid, en zonder dat deze handvol stoutmoedige mannen een berenmuts of bajonnet zagen te voorschijn komen. De weinige burgers, welke zich op dit tijdstip van het oproer nog in de straat St. Denis waagden, sloegen een blik in de straat Chanvrerie, bespeurden de barricade en versnelden hun schreden.

Toen de twee barricaden voltooid waren en de vlag er van woei, droeg men een tafel uit de herberg, en Courfeyrac klom op die tafel. Enjolras bracht het vierkante koffertje en Courfeyrac opende het. Dat koffertje was vol patronen. Toen men de patronen zag, doorliep een rilling zelfs de moedigsten, en er ontstond een oogenblik stilte.

Glimlachend deelde Courfeyrac ze uit.

Ieder ontving dertig patronen. Velen hadden buskruit en maakten er nog meer patronen van, met de kogels, die men goot. Het vaatje buskruit stond ter zijde op een andere tafel bij de deur, en men hield dit in voorraad.

De alarmtrom, die door geheel Parijs werd geslagen, hield niet op, doch eindelijk werd dit voor hen een eentonig geluid, waarop zij geen acht meer sloegen. Nu eens verwijderde het zich, dan kwam het weer nader, met sombere afwisseling van toon.

Men laadde de karabijnen en geweren zonder overijling en met ernstige plechtigheid. Enjolras plaatste drie schildwachten buiten de barricade, een in de straat Chanvrerie, de tweede in de Predikerstraat, de derde aan den hoek der kleine Truanderie.

Toen nu de barricades gereed, de posten aangewezen, de geweren geladen, de schildwachten uitgezet waren, wachtten zij gewapend, stoutmoedig, gerust, alleen in deze vreeselijke straten, waar niemand meer kwam, omgeven door deze doodsche, als uitgestorven huizen, waarin geen menschelijk leven vernomen werd, gehuld in de toenemende avondschaduwen, te midden van deze duisternis en stilte, waarin men iets onheilspellends en schrikbarends voelde naderen.

ZESDE HOOFDSTUK.

IN AFWACHTING.

Wat deden zij in deze uren van afwachting?

Wij moeten het zeggen, wijl het tot de geschiedenis behoort.

Terwijl de mannen patronen en de vrouwen pluksel maakten, terwijl een groote ketel vol gesmolten tin en lood, bestemd om er kogels van te gieten, op een gloeiend komfoor rookte, terwijl de schildwachten met het geweer in den arm op de barricade stonden, terwijl Enjolras, dien niets kon afleiden, het oog op de schildwachten hield, gingen Combeferre, Courfeyrac, Jean Prouvaire, Feuilly, Bossuet, Joly, Bahorel en eenige anderen tot elkander en vereenigden zich, als in de zorgelooste dagen van hun studententijd, en in den hoek van deze in een kazemat veranderde herberg, op een paar schreden van de redoute, welke zij hadden opgericht, terwijl hun geladen geweren tegen den rug van hun stoel stonden, begonnen deze zoo schoone jongelingen, zoo nabij hun laatsten oogenblik misschien, liefdesgedichten te reciteeren, als deze:

Vous rappelez-vous notre douce vie Lorsque nous étions si jeunes tous deux, Et que nous n'avions au coeur d'autre envie Que d'être bien mis et d'être amoureux!

Lorsqu'en ajoutant votre âge à mon âge, Nous ne comptions pas à deux quarante ans, Et que, dans notre humble et petit ménage, Tout, même l'hiver, nous était printemps!

Beaux jours! Manuel était fier et sage, Paris s'asseyait à de saints banquets, Foy lançait la foudre, et votre corsage Avait une épingle où je me piquais.

Tout vous contemplait. Avocat sans causes. Quand je vous menais au Prado dîner, Vous étiez jolie au point que les roses Me faisaient l'effet de se retourner.

Je les entendais dire: est-elle belle! Comme elle sent bon! quels cheveux à flots Sous son mantelet elle cache une aile; Son bonnet charmant est à peine éclos.

J'errais avec toi, pressant ton bras souple. Les passants croyaient que l'amour charmé Avait marié, dans notre heureux couple. Le doux mois d'avril au beau mois de mai.

Nous vivions cachés, contents, porte close, Dévorant l'amour, bon fruit défendu; Ma bouche n'avait pas dit une chose Que déjà ton coeur avait répondu.

La Sorbonne était l'endroit bucolique Où je t'adorais du soir au matin. C'est ainsi qu'une âme amoureuse applique La carte du Tendre au pays Latin.

O place Maubert! O place Dauphine! Quand, dans le taudis frais et printanier, Tu tirais ton bas sur ta jambe fine, Je voyais un astre au fond du grenier.

J'ai fort lu Platon, mais rien ne m'en reste Mieux que Malebranche et que Lamennais Tu me démontrais la bonté céleste Avec une fleur que tu me donnais.

Je t'obéissais, tu m'étais soumise. O grenier doré! te lacer! te voir Aller et venir dès l'aube en chemise, Mirant ton front jeune à ton vieux miroir!

Et qui donc pourrait perdre la mémoire De ces temps d'aurore et de firmament, De rubans, de fleurs, de gaze et de moire, Où l'amour bégaie un argot charmant!

Nos jardins étaient un pot de tulipe; Tu masquais la vitre avec un jupon; Je prenais le bol de terre de pipe, Et je te donnais la tasse en japon.

Et ces grands malheurs qui nous faisaient rire Ton manchon brûlé, ton boa perdu! Et ce cher portrait du divin Shakespeare Qu'un soir pour souper nous avons vendu.