De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Part 23

Chapter 233,938 wordsPublic domain

Kwam men uit de straat St. Denis in de straat de la Chanvrerie, dan zag men haar allengs enger worden, als ware men in een langen trechter. Aan het einde der straat zag men den doorgang aan de zijde des Halles versperd door een rij hooge huizen, en men zou gemeend hebben in een slop te zijn, zoo men niet rechts en links twee donkere gleuven gezien had, door welke men verder kon gaan. 't Was de straat Mondétour, die zich aan de eene zijde met de Predikerstraat, aan de andere met de Zwanenstraat en de kleine Truanderie vereenigde. Aan het einde van dit soort van slop, aan den hoek der rechter insnijding, zag men een minder hoog huis dan de overige, dat een soort van voorgebergte in de straat vormde.

In dat huis van slechts twee verdiepingen bestond sedert driehonderd jaren een vermaarde, veel bezochte herberg. In deze herberg heerschte immer een luidruchtige vroolijkheid en wel op dezelfde plek, welke de oude Theophilus in deze twee verzen aanduidt:

Là branle le squelette horrible D'un pauvre amant qui se pendit [6].

De stand was goed; de herberg ging van vader op zoon over.

In de vorige eeuw had de verdienstelijke Natoire, een der phantastische schilders, die door de tegenwoordige stijve school veracht zijn, zich in deze herberg vaak bedronken en uit dankbaarheid een tros krenten (druiven van Corinthe) op 't venster geschilderd. Uit blijdschap had de herbergier zijn uithangbord veranderd, en boven den druiventros in vergulde letters doen zetten: "In de druif van Corinthe." Vandaar de naam Corinthe.

Een benedenvertrek met buffet, een kamer op de eerste verdieping met een biljart, waarheen een wenteltrap leidde, wijn op de tafels, berookte muren, kaarslicht op klaarlichten dag, zóó was de herberg. Een trap met valluik in het benedenvertrek voerde naar den kelder. Op de tweede verdieping huisde de familie Hucheloup. De trap, waarlangs men naar deze verdieping ging, was veeleer een ladder dan een trap, die een blinde deur had in de groote kamer op de eerste verdieping. Onder het dak waren twee zolderkamertjes voor de dienstmeiden. Het benedenhuis bevatte de keuken en de gelagkamer.

De oude Hucheloup was misschien voor chemist in de wieg gelegd, maar zeker is 't, dat hij kok werd; men dronk niet alleen in zijn herberg, men at er ook. Hucheloup had iets keurigs uitgevonden, 't geen men slechts bij hem at; 't waren gelardeerde karpers, welke hij karpers in het vet noemde (carpes au gras). Men at ze bij het licht van een vetkaars of van een lamp uit den tijd van Lodewijk XVI, op tafels met gewast linnen bekleed, in plaats van tafellaken. Men kwam hier van verre en wijd. Op zekeren morgen had Hucheloup bedacht de voorbijgangers met zijn "specialiteit" bekend te maken, een penseel in een pot schoensmeer gedoopt en, vermits hij een even eigenaardige spelling als kookkunst had, op den muur van zijn huis dit merkwaardig opschrift geschilderd:

CARPES HO GRAS.

Des winters hadden regen- en sneeuwbuien de S aan het einde van het eerste woord en de G, waarmede het derde begon, uitgewischt, zoodat overbleef:

CARPE HO RAS.

Alzoo was door tijd en regen een eenvoudige gaarkoks-aankondiging een diepzinnige raadgeving, en Hucheloup, die het Fransch niet kende, een latinist geworden [7].

Van dat alles bestaat tegenwoordig niets meer. De doolhof was reeds in 1847 verruimd en is waarschijnlijk op dit oogenblik geheel verdwenen.

Zooals gezegd is, was Corinthe een der vereenigingsplaatsen van Courfeyrac en zijn vrienden. Grantaire had Corinthe ontdekt. Uit hoofde van het Carpe Horas was hij er 't eerst binnengegaan, en om de Carpes au Gras was hij er meermalen teruggekeerd. Men at, dronk en tierde er; men betaalde er weinig, betaalde slecht, soms in 't geheel niet, en was er altijd welkom.

Hucheloup was een gaarkok met knevel; een kluchtige verscheidenheid. Hij zag er altijd stuursch uit; 't was alsof hij zijn klanten in ontzag wilde houden, hij gromde tegen de lieden die bij hem kwamen, en scheen eerder geneigd twist met hen te zoeken dan hun soep op te disschen. Evenwel was men, wij herhalen het, altijd welkom. Deze grilligheid had hem zelfs vele klanten bezorgd, vooral jongelieden die zich met zijn knorrigheid vermaakten. Hij was schermmeester geweest. Soms lachte hij eensklaps luidkeels. Een ruwe stem is vaak het teeken van een goed hart; inderdaad was hij een komieke kerel met een somber gezicht. Niets was hem liever dan de lieden schrik aan te jagen, evenals snuifdoozen in den vorm van een pistool doen.

Moeder Hucheloup, zijn vrouw, was een zeer leelijk, gebaard wezen.

Omstreeks 1830 stierf Hucheloup. Met hem verdween het geheim der "karpers in het vet". Zijn ontroostbare weduwe zette de herberg voort. Maar de gaarkeuken ontaarde en werd slecht, de wijn, die altijd slecht was geweest, werd afschuwelijk. Courfeyrac en zijn vrienden kwamen echter nog altijd in Corinthe--uit medelijden, zei Bossuet.

De weduwe Hucheloup was kortademig en wanstaltig, zij sprak gaarne van haar landelijke herinneringen, waaraan haar tongval steeds eenige bekoorlijkheid verleende.

Het vertrek op de eerste verdieping, waar de "restauratie" werd gehouden, was ruim en langwerpig, vol banken, krukjes, stoelen, tafeltjes en een oud waggelend biljart. Men kwam er langs de wenteltrap, die in den hoek van het vertrek tegen een vierkante opening als die van een scheepsluik uitkwam.

Deze kamer, die slechts door een enkel smal venster licht kreeg en waar dus altijd eene lamp brandde, had een gemeen voorkomen. Al de meubels van vier pooten schenen er slechts drie te hebben. De gewitte muren hadden geene andere versiering dan dit vierregelig vers ter eere van vrouw Hucheloup:

Elle étonne à dix pas, elle épouvante à deux. Une verrue habite en son nez hasardeux; On tremble à chaque instant qu'elle ne vous la mouche, Et qu'un beau jour son nez ne tombe dans sa bouche. [8]

Dit was met houtskool op den muur geschreven.

Madame Hucheloup ging van 's morgens tot 's avonds in de volmaaktste kalmte voorbij dit vierregelig vers. Twee dienstmaagden, Matelotte en Gibelotte genoemd, die nooit andere namen schenen gehad te hebben, hielpen madame Hucheloup op de tafeltjes de kruiken met blauwen wijn en de spijzen te plaatsen, welke den hongerigen in grof aardewerk werden voorgezet. Matelotte was dik, rond, ros en had een gillende stem, zij was de sultane favorite van wijlen Hucheloup geweest en leelijker dan een mythologisch monster; evenwel, dewijl de dienstmaagd altijd achter de meesteres moet blijven, was zij minder leelijk dan madame Hucheloup. Gibelotte was lang, tenger, smachtend, bleek, met blauwe kringen om de oogen, en half neergeslagen oogleden, immer bedrukt en afgemat, iets als een chronische vermoeidheid; zij was het eerste bij de hand, de laatste te bed, bediende iedereen, zelfs de andere dienstmaagd, stil en zacht, glimlachende onder haar vermoeidheid met een dommelig lachje.

Er was een spiegel boven de toonbank.

Voor dat men de "zaal" der restauratie binnentrad, las men dit vers, hetwelk Courfeyrac met krijt op de deur geschreven had:

Régale si tu peux et mange si tu l'oses! [9]

TWEEDE HOOFDSTUK.

VOORLOOPIGE VROOLIJKHEID.

Men weet dat Laigle de Meaux veeleer bij Joly dan elders te huis was. Hij had een woning, zooals de vogel een tak heeft. De twee vrienden woonden, aten, sliepen samen. Alles hadden zij in gemeenschap, zelfs een weinig Musichetta. Den 5 Juni gingen zij 's morgens naar Corinthe ontbijten. Joly had een zware verkoudheid, welke Laigle met hem begon te deelen. De rok van Laigle was kaal, maar Joly was goed gekleed.

't Was omstreeks negen uren 's morgens, toen zij de deur van Corinthe openden.

Zij gingen naar de eerste verdieping.

Matelotte en Gibelotte ontvingen hen.

"Oesters, kaas en ham," zei Laigle.

Zij gingen aan een tafeltje zitten.

De herberg was ledig, er was niemand dan zij.

Gibelotte, die Joly en Laigle kende, zette een flesch wijn op de tafel.

Terwijl zij met de eerste oesters bezig waren, verscheen een hoofd boven het trapluik, en een stem zeide:

"Ik kwam voorbij en rook op de straat een heerlijken geur van Briekaas, en daarom kom ik."

't Was Grantaire.

Grantaire nam een tabouret en zette zich.

Toen Gibelotte Grantaire zag, zette zij nog twee flesschen wijn op de tafel.

Dit maakte te zamen drie.

"Wilt gij dan twee flesschen ledigen?" vroeg Laigle aan Grantaire.

Grantaire antwoordde: "Allen zijn schrander, gij alleen zijt onnoozel. Nooit hebben twee flesschen een man verschrikt."

De anderen waren begonnen met eten. Grantaire begon met drinken. Spoedig was een halve flesch geledigd.

"Hebt ge een gat in de maag?" vroeg Laigle.

"Gij hebt er ten minste een aan den elleboog," zei Grantaire.

En na zijn glas geledigd te hebben, voegde hij er bij:

"Nu, arend der lijkredenen, uw rok wordt oud."

"Het doet mij genoegen," hernam Laigle. "Daarvan komt het, dat mijn rok en ik zoo goed voor elkaar passen. Hij heeft al mijn kanten en vormen aangenomen, hij hindert mij nergens en heeft zich zelfs naar mijn wanstaltigheden gevoegd; hij is zeer beleefd voor al mijn bewegingen; ik voel niet anders van hem dan dat hij mij warm houdt. Oude kleederen zijn hetzelfde als oude vrienden.--Apropos, Grantaire, komt ge van den boulevard?"

"Neen."

"Wij, Joly en ik, hebben het hoofd van den lijkstoet gezien."

"'t Was een heerlijk schouwspel," zei Joly.

"Hoe stil is 't in deze straat!" riep Laigle. "Wie zou zeggen, dat Parijs het onderst boven ligt? Men ziet duidelijk, dat hier eertijds alles klooster was! Du Breuil en Sauval en de abbé Leboeuf geven er de lijst van. Overal in den omtrek waren er, het wemelde van geschoeiden en ongeschoeiden, van geschorenen en gebaarden, van grijzen, zwarten, witten, van Franciscanen, Minderbroeders, Capucijnen, Karmelieten, kleine Augustijners, groote Augustijners, oude Augustijners... Het krioelde."

"Spreken wij niet van monniken," viel Grantaire hem in de rede; "men voelt lust zich te krabben."--Daarop riep hij uit: "Ha, welk een leelijke oester; ik word er akelig van. De oesters zijn bedorven, de dienstmeiden zijn leelijk. Ik haat het menschelijk geslacht. Zoo aanstonds ging ik in de straat Richelieu voorbij de groote openbare bibliotheek. De hoop oesterschelpen, welken men een bibliotheek noemt, maakt mij afkeerig van het denken. Hoeveel papier! hoeveel inkt! hoeveel gekrabbel! Hoeveel heeft men al geschreven! Welk domoor heeft toch gezegd, dat de mensch een ongevederd tweevoetig dier is? En toen ontmoette ik een meisje dat ik kende, schoon als de lente en waardig Flora te heeten; zij was verrukt, verheugd, gelukkig als in den hemel, de rampzalige, wijl gisteren een schrikkelijk leelijke, pokdalige bankier zich verwaardigd heeft haar aan te nemen. Ach, de vrouw loert evenzeer op den ouden rijkaard als op den jongen pronker; de katten maken zoowel jacht op de muizen als op de vogels. Geen twee maanden geleden was dit juffertje nog zeer deugdzaam op haar vlieringkamertje, zij maakte koperen vetergaten in corsetten; hoe heet dat ook? Zij naaide, had een matras tot bed, woonde met een bloempot en was tevreden. Nu is zij bankierster. Deze herschepping is van nacht volbracht. Ik heb dit slachtoffer dezen morgen ontmoet; ze was heel vroolijk. 't Is jammer, dat het meisje heden even mooi was als gisteren. Men kan 't haar niet aanzien, dat zij een bankier behoort. De rozen hebben dit boven of beneden de vrouwen, dat men op de rozen de sporen zien kan, welke de rupsen op haar achterlaten. Ach! er is op aarde geen zedelijkheid: ik neem de myrth, het symbool der liefde, den laurier, het symbool des oorlogs, den olijftak, dat malle symbool des vredes, den appelboom, die met zijn pippeling Adam tot den val bracht, en den vijgeboom, den grootvader der onderrokken, tot getuigen. En het recht, vraagt ge naar het recht? O! in de wereld heerscht slechts het geweld. Hoeveel roofdieren, hoeveel arenden zijn er! Er gaat mij een huivering van door de leden!"

Hij reikte Joly zijn glas, die het vulde; hij dronk, en zonder zich zelfs door dit glas wijn in zijn rede te laten afbreken, ging hij voort:

"Brennus, die Rome neemt, is een arend; de bankier, die de grisette neemt, is een arend. Hier is evenmin schaamte als daar. Wij gelooven dus aan niets: dit ééne slechts is waar: het drinken. Welke uwe meening zijn moge, om 't even of gij met het kanton Uri voor den mageren haan of met het kanton Glaris voor den vetten haan zijt, drink. Ge spreekt mij van den boulevard, van den lijkstoet, en zoo voorts. Welzoo, er zal dus weder een revolutie zijn? Deze behoefte aan hulpmiddelen verwondert mij vanwege den goeden God. Hij moet elk oogenblik weder het raderwerk der gebeurtenissen smeren. Het haakt, het loopt niet. Spoedig een revolutie! De goede God heeft immer zwarte handen van dat vuile wagensmeer. In zijn plaats zou ik de zaak eenvoudiger behandelen en niet telkens mijn machine opwinden; ik zou regelrecht het menschdom bestieren, en de mazen doorbreien, zonder den draad te breken; ik zou geen buitengewone hulpmiddelen aanwenden. Wat gijlieden den vooruitgang noemt, beweegt zich door twee drijfveeren, de menschen en de gebeurtenissen. Maar, 't is treurig, telkens zijn buitengewone tusschenkomsten noodig. Zoowel voor de gebeurtenissen als voor de menschen is het gewone niet voldoende; de menschen hebben genieën, de gebeurtenissen revolutiën noodig. De groote toevalligheden zijn wet; de orde der dingen kan ze niet missen; en bij de verschijning der kometen, zou men haast gelooven, dat de hemel zelf buitengewone acteurs noodig heeft. Onverwachts, zonder dat men het vermoedt, plakt God een luchtverschijnsel aan den zolder van het firmament; er komt hier of daar een wonderbare ster met een ontzaggelijken staart te voorschijn, en dan sterft Cesar. Brutus geeft hem een dolksteek en God een komeetslag. Ha! ziedaar een noorderlicht, een revolutie, een groot man, 93 in kapitale letters, Napoleon als schildwacht, de komeet van 1811 boven op het affiche. O, welk een fraai blauw aankondigingsbiljet vol met plotselinge vonken gesternd! Bom, bom! Buitengewone voorstelling. Slaat op de oogen, gapers! Alles loopt in 't wild; de ster zoowel als het drama. Goede God! 't is te veel en niet genoeg. Deze buitengewone hulpmiddelen schijnen heerlijk en zijn armzalig. Mijn vrienden, de Voorzienigheid moet reeds tot hulpmiddelen haar toevlucht nemen. Wat bewijst een revolutie? Dat God ten einde raad is. Hij doet een staatsgreep, wijl de draad van het tegenwoordige en toekomstige afgebroken is en wijl hij, God, de beide einden niet heeft kunnen samenknoopen. Dit trouwens bevestigt mij in mijn gissingen nopens den toestand van Jehova's vermogen; ziet men boven en onder zooveel misnoegdheid, zooveel ongerijmdheid, laagheid, gemeenheid en nood in den hemel en op aarde, van den vogel af, die geen graankorreltje heeft, tot mij, die geen honderd duizend francs rente bezit, ziet men het menschelijk lot, dat zeer versleten, zelfs het koninklijk lot, dat armzalig is, getuige den gehangen prins van Condé; ziet men den winter, die niets anders is dan een scheur in het Zenith, door welke de wind blaast, ziet men zoovele lompen zelfs in het geheel nieuwe ochtendpurper op de heuveltoppen; ziet men de dauwdroppels, die valsche paarlen; ziet men den rijp, dat valsche edelgesteente; ziet men de gescheurde menschheid en de gelapte gebeurtenissen en zooveel vlekken in de zon en zooveel gaten in de maan, overal zooveel ellende, dan veronderstel ik, dat God niet rijk is. 't Is waar, hij maakt vertoon, maar ik zie er armoede in. Hij geeft een revolutie, gelijk een koopman wiens geldkist ledig is een bal geeft. Men moet de goden niet naar den schijn beoordeelen. Onder het verguldsel des hemels onderken ik een arm heelal. De schepping maakt bankroet. Daarom ben ik ontevreden. Zie, 't is heden de 5 Juni en schier nacht; sinds van ochtend wacht ik of het licht wordt; 't wordt niet licht en ik wed dat het den geheelen dag niet licht zal worden. 't Is de achteloosheid van een slecht bezoldigd bediende. Ja, alles is slecht geregeld, niets past op elkander, deze oude wereld is geheel uit de naden; ik ga over tot de oppositie. Alles gaat verkeerd; het heelal is kibbelend. 't Is als met de kinderen; zij die ze willen, hebben ze niet; zij die ze niet begeeren, krijgen ze. Kortom: ik ben kwaad. Bovendien verdriet mij het gezicht van den arend van Meaux, dien kaalkop. De gedachte, dat ik van denzelfden ouderdom ben als die bloote knie! Overigens critiseer ik, maar beleedig niet. Het heelal is wat het is. Ik spreek zonder kwade bedoelingen en om mijn geweten te bevredigen. Ontvang, eeuwige vader, de verzekering mijner bijzondere hoogachting. O, bij alle heiligen van den Olymp en bij alle goden van het Paradijs, ik was niet geschapen om Parijzenaar te zijn, dat wil zeggen, om eeuwig als een bal tusschen twee raketten van den groep der straatslijpers naar den groep der rumoermakers te worden geworpen. Ik was geboren om Turk te zijn, om den geheelen dag oostersche schoonen die weelderige Egyptische dansen te zien uitvoeren, welke veel van de droomen eens kuischen mans hebben; of een boer van Beauce, of een Venetiaansch edelman, omgeven van een aantal edele jonkvrouwen, of een Duitsch vorstje, die de helft van een infanterist aan den Duitschen bond levert en zijn ledigen tijd verdrijft met zijn sokken op zijn heg, dat wil zeggen op zijn grenzen, te laten drogen. Dat was de bestemming waarvoor ik geboren ben. Ja, ik heb Turk gezegd en ik blijf er bij. Ik begrijp niet, waarom men gewoonlijk aan het woord Turk een slechten zin geeft; Mahomet heeft veel goeds; alle achting voor den uitvinder der serails met houri's en der paradijzen met odalisken! Hoonen wij het Mahomedisme niet, den eenigen godsdienst, die met een kippenhok prijkt! Ik houd het overigens met het drinken. De wereld is een groote malligheid. Naar 't schijnt gaan al die ezels vechten, laten zich klappen geven, midden in den zomer, in de maand Juni, zich doodslaan, terwijl zij met een meisje aan den arm op het veld de liefelijke geuren van het gemaaide hooi konden gaan inademen! Waarachtig, men doet al te veel dwaasheden. Een oude gebroken lantaarn, welke ik zoo even bij een uitdrager zag, brengt mij op een denkbeeld: Het zou tijd zijn het menschelijk geslacht te verlichten. Ja, nu word ik weer treurig. Dat komt ervan, als men zich aan een oester en een revolutie verslikt. Ik word weder akelig. O! die leelijke oude wereld! Men werkt er zich lam, men verlaagt er zich, men prostitueert er zich, men doodt er zich, en men maakt er zich aan gewoon!"

Na deze vlaag van welsprekendheid kreeg Grantaire een welverdiende vlaag van hoest.

"Van revolutie gesproken," zei Joly, "het schijnt bepaald, dat Marius verliefd is."

"Weet men op wie?" vroeg Laigle.

"Neen."

"Niet?"

"Neen, zeg ik."

"Marius verliefd!" riep Grantaire. "Ik zie het van hier. Marius is een nevel en hij zal een damp hebben ontmoet. Marius behoort tot het dichterlijk geslacht. Wie dichter zegt, zegt dwaas. Thymbraeus Apollo. 't Moet een raar paartje zijn, Marius met zijn Marie, of zijn Maria, of zijn Mariëtte, of zijn Marion. Ik kan 't mij verbeelden wat het is. Een verrukking, waarin men het kussen vergeet. Kuisch op de aarde, maar verbonden voor de eeuwigheid. 't Zijn zielen met zintuigen. Zij slapen samen in de sterren."

Grantaire begon zijn tweede flesch en zou misschien een tweede redevoering hebben begonnen, toen een nieuw wezen uit het vierkante luik kwam oprijzen. 't Was een kleine havelooze knaap, van ongeveer tien jaren, met spits gezicht, levendige oogen, ontzaggelijk veel haar op het hoofd, doornat van den regen en een vergenoegd voorkomen.

De knaap ging zonder aarzeling, hoewel hij geen van de drie kende, op den Arend van Meaux toe en vroeg:

"Zijt gij mijnheer Bossuet?"

"'t Is mijn bijnaam," antwoordde Laigle. "Wat wilt ge?"

"Een groote blonde heeft mij op den boulevard gezegd: Kent ge moeder Hucheloup? Ik antwoordde: ja, in de straat Chanvrerie, de weduwe van den oude. Toen zeide hij tot mij: Ga er heen. Gij zult er mijnheer Bossuet vinden en hem van mijnentwege A B C zeggen.--'t Is een grap, die men u speelt, niet waar? Hij heeft mij tien sous gegeven."

"Joly, leen mij tien sous," zei Laigle, en zich tot Grantaire wendende: "Leen mij tien sous, Grantaire."

Dit maakte twintig sous, welke Laigle aan den knaap gaf.

"Ik dank u, mijnheer," zei het jongetje.

"Hoe heet ge?" vroeg Laigle.

"Navet, de vriend van Gavroche."

"Blijf bij ons," zei Laigle.

"Ontbijt met ons," zei Grantaire.

De knaap antwoordde:

"Ik kan niet; ik behoor bij den optocht; ik moet schreeuwen: weg met Polignac!"

En strijkvoetend, 't geen de eerbiedigste groet is, ging hij heen.

Toen de knaap weg was, zeide Grantaire: "Dit is een echte straatjongen van Parijs!"

Intusschen peinsde Laigle; hij zeide halfluid:

"A B C beteekent: Begrafenis van Lamarque."

"De groote blonde," merkte Grantaire op, "is Enjolras, die u laat waarschuwen."

"Willen wij gaan?" vroeg Bossuet.

"Het regent," zei Joly. "Ik heb gezworen in 't vuur te gaan, maar niet in 't water. Ik wil niet verkouden worden."

"Ik blijf hier," zei Grantaire. "Ik houd meer van een ontbijt dan van een lijkkoets."

"Dus: wij blijven," hernam Laigle. "Nu, dan gedronken. Men kan overigens aan de begrafenis ontbreken, zonder aan het oproer te ontbreken."

"O! bij het oproer doe ik mee," riep Joly.

Laigle wreef zich de handen:

"Men zal dan nu de revolutie van 1830 gaan verbeteren. Inderdaad zij drukt en knelt het volk."

"Uw revolutie is mij schier onverschillig," zei Grantaire. "Ik haat dit gouvernement niet. 't Is de kroon door de slaapmuts getemperd. 't Is een schepter, die in een parapluie uitloopt. Inderdaad, thans nu ik er aan denk, en bij de tegenwoordige weersgesteldheid, zou Lodewijk Filips zijn koningschap tot tweeërlei einden kunnen gebruiken; het schepter-eind tegen het volk houden, en het parapluie-eind tegen den hemel openen."

De kamer was donker, en de zwaar betrokken lucht vermeerderde nog de donkerheid. Er was niemand in de herberg noch op de straat, iedereen was "naar de gebeurtenissen gaan kijken."

"Is het middag of middernacht?" riep Bossuet. "Men ziet geen hand voor de oogen. Licht, Gibelotte!"

Grantaire was treurig en dronk.

"Enjolras veracht mij," bromde hij. "Enjolras heeft gedacht: Joly is ziek, Grantaire is dronken. Hij heeft Navet dus tot Bossuet gezonden. Zoo hij mij was komen halen, zou ik hem gevolgd zijn. Nu, des te erger voor Enjolras; ik zal niet naar zijn begrafenis gaan."

Ten gevolge van dit besluit, verlieten Bossuet, Joly en Grantaire de herberg niet. Tegen twee uren des namiddags was de tafel, waaraan zij zaten, vol ledige flesschen. Er brandden twee kaarsen, een op een geheel groenkoperen blaker, de andere in den hals van een gebarsten karaf. Grantaire had Joly en Bossuet tot drinken verleid, daarentegen hadden Joly en Bossuet Grantaire weder tot vroolijkheid gebracht.

Sedert den middag was Grantaire reeds over den wijn, een kleine bron van droomerijen. De wijn brengt bij ernstige drinkers slechts een gevoel van achting voort. In de dronkenschap ligt de zwarte en de witte tooverkunst. Grantaire was een wonderbaar droomdrinker. De duisternis van een geduchte dronkenschap, die zich voor hem opende, trok hem aan, in plaats van hem tegen te houden. Hij had van de flesschen afgezien en was tot het slokje overgegaan. Het slokje is de afgrond. Daar hij noch opium, noch haschich bij de hand had, en zijn hersens met schemering wilde vullen, had hij zijn toevlucht genomen tot dat vreeselijk mengsel van brandewijn, stout (Engelsch bier) en bitter, 't welk zulk een vreeselijke slaapzucht veroorzaakt. Van deze drie dampen, bier, brandewijn en bitter, is het lood der ziel gemaakt. 't Zijn drie duisternissen, waarin de hemelsche kapel verdrinkt, en er ontstaan dan, uit een damp, die zich in den vorm van vleermuizenvlerken samentrekt, drie sprakelooze furiën, de nachtmerrie, de nacht en de dood, die boven de slapende Psyché fladderen.