De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Part 18

Chapter 183,926 wordsPublic domain

"'t Is iemand, die niets in zijn gewoonten verandert, en die nooit iemand bij zich laat dan 's avonds."

"Van wien spreekt gij?" vroeg Cosette.

"Ik? ik heb niets gezegd."

"Wat hoopt ge dan?"

"Wacht tot overmorgen."

"Ge wilt het?"

"Ja, Cosette."

Zij nam zijn hoofd in haar beide handen, hief zich op de teenen om hem te bereiken, in haar hoop in zijn oogen te lezen.

Marius hernam:

"Gij zult mijn adres moeten weten; er kon iets gebeuren; men weet niet wat; ik woon bij dien vriend, Courfeyrac geheeten, in de straat de la Verrerie No. 16."

Hij tastte in zijn zak, nam er een pennemes uit, en schreef daarmede op de kalk van den muur: 16. straat de la Verrerie.

Intusschen had zich Cosette weder hersteld, door hem in de oogen te zien.

"Zeg mij, waaraan gij denkt, Marius; gij denkt ergens aan; zeg het mij. Och, zeg het mij, opdat ik gerust kunne slapen."

"Wat ik denk, luister: dat het onmogelijk is dat God ons zou willen scheiden. Verwacht mij overmorgen."

"Wat zal ik tot zoolang doen?" zei Cosette. "Gij zijt buiten; ge komt en gaat waarheen ge wilt. Hoe gelukkig zijn de mannen! Ik zal geheel alleen zijn. Ach, hoe treurig zal ik wezen! Wat wilt gij morgenavond doen? zeg het mij."

"Ik zal iets beproeven."

"Dan zal ik bidden en intusschen aan u denken, opdat ge moogt slagen. Ik vraag u nu niets meer; omdat ge 't niet wilt. Ge zijt mijn meester. Ik zal morgen den avond doorbrengen met de Euryanthe te zingen, die gij zoo mooi vindt en waarnaar ge eens op een avond onder mijn vensters geluisterd hebt. Maar overmorgen komt ge vroeg. Ik zal u 's avonds precies te negen uren wachten; dat zeg ik u. Mijn Hemel, hoe treurig, dat de dagen zoo lang zijn. Gij hoort het, met klokslag van negen zal ik in den tuin zijn."

"Ik ook."

Zonder elkander iets te zeggen, door dezelfde gedachten bezield, medegesleept door die electrieke stroomingen, welke twee gelieven in gestadige gemeenschap houden, beiden, zelfs in hun smart, door zaligheid bedwelmd, zonken zij in elkanders armen, zonder op te merken dat hun lippen zich vereenigd hadden, terwijl hun opgeheven oogen, in tranen van verrukking zwemmend, de sterren aanschouwden.

Toen Marius heenging was de straat eenzaam. 't Was op het oogenblik dat Eponine de bandieten tot op den boulevard volgde.

Terwijl Marius peinzend met het hoofd tegen den boom leunde, was een gedachte in zijn geest ontstaan; een gedachte, helaas, welke hij zelf dwaas en onmogelijk achtte. Hij had een besluit genomen.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

HET JONGE EN HET OUDE HART TEGENOVER ELKANDER.

De heer Gillenormand was te dezen tijde ruim een-en-negentig jaar oud. Hij woonde nog altijd met mejuffrouw Gillenormand in de straat des Filles du Calvaire No. 6, in het oude huis, dat hem toebehoorde. Hij was, zooals men zich herinnert, een dier ouden uit den voortijd, die den dood staande verwachten, dien de ouderdom wel drukt, maar niet kromt, en welken zelfs het verdriet niet buigt.

Sedert eenigen tijd zeide evenwel zijn dochter: mijn vader neemt af. Hij gaf zijn dienstmeiden geen oorvegen meer; sloeg niet meer met zijn stok zoo forsch tegen de leuning van de trap, wanneer Basque draalde de deur voor hem te openen. De Juli-omwenteling had hem nauwelijks vertoornd gedurende zes maanden. Schier met kalmte had hij in den Moniteur deze woorden gelezen Humblot-Conté, pair van Frankrijk. Werkelijk was de grijsaard door droefheid verslagen. Hij zwichtte niet, gaf zich niet over; dit lag evenmin in zijn lichamelijken als in zijn zedelijken aard; maar inwendig voelde hij zich verzwakken. Sedert vier jaren wachtte hij met vasten voet Marius, stellig overtuigd dat deze kleine deugniet den een of anderen dag weder bij hem zou aanschellen. Nu was hij in treurige oogenblikken soms zoover gekomen van tot zichzelven te zeggen: "Zoo Marius zich nog lang laat wachten, dan...." 't Was niet de gedachte aan den dood, die hem ondragelijk was, maar wel die, dat hij Marius misschien niet zou wederzien. Marius niet weder te zien, dit was tot hiertoe volstrekt niet in zijn gedachte gekomen; maar nu begon dit denkbeeld allengs in zijn geest op te rijzen en deed hem verstijven. De afwezigheid, zooals altijd bij natuurlijke en ware gevoelens het geval is, had zijn liefde als grootvader voor het ondankbaar kind, dat zich van hem verwijderd had, slechts doen toenemen. In Decembernachten, bij tien graden koude, denkt men het meest aan de zon. 't Was Gillenormand volstrektelijk onmogelijk, of hij achtte zulks althans, als grootvader zijn kleinzoon één stap te gemoet te gaan;--"Ik zou liever sterven," zeide hij. Hij had zich niets te beschuldigen, meende hij; hij dacht echter aan Marius met innige teederheid en met de stille wanhoop van een eenvoudig oud man, die den dood nadert.

Hij begon zijn tanden te verliezen, 't geen zijn droefheid vermeerderde. Gillenormand had, zonder het zichzelven nochtans te bekennen, want hij zou er woedend en beschaamd over zijn geweest, nooit van eene minnares zooveel gehouden als hij van Marius hield. Hij had in zijn kamer, naast zijn bed, als iets dat hij het eerst wenschte te zien wanneer hij ontwaakte, een oud portret zijner andere dochter, de overledene mevrouw Pontmercy, doen plaatsen, een portret, dat haar op achttienjarigen leeftijd voorstelde. Zijn oog was hier bestendig op gericht. Eens zeide hij, terwijl hij het aanschouwde:

"Ik vind er veel gelijkenis in."

"Met mijn zuster?" hernam juffrouw Gillenormand. "O, gewis!"

De grijsaard voegde er bij:

"En met hem ook."

Eenmaal, toen hij met de knieën over elkander en schier met gesloten oogen in een zwaarmoedige houding zat, waagde zijn dochter te zeggen:

"Vader, zijt ge nog altijd op hem verstoord?...."

Zij zweeg, daar ze niet verder durfde gaan.

"Op wien?" vroeg hij.

"Op den armen Marius?"

Hij hief zijn oud hoofd op, legde zijn magere, gerimpelde hand op de tafel en riep op zijn verbitterdsten, scherpsten toon:

"Den armen Marius, zegt gij! Hij is een schoft, een deugniet, een ijdele, ondankbare knaap, zonder hart, zonder ziel, een hoogmoedig, slecht mensch!"

En hij wendde het hoofd om, opdat zijn dochter den traan niet in zijn oog zou zien.

Drie dagen later verbrak hij een stilzwijgen, 't welk reeds vier uren geduurd had, om tot zijn dochter kortaf te zeggen:

"Ik had mejuffrouw Gillenormand verzocht, mij nooit van hem te spreken."

Tante Gillenormand zag van verdere pogingen af en maakte deze schrandere opmerking: "Vader heeft nooit veel van mijn zuster gehouden sedert haar dommen streek. Het is duidelijk, dat hij Marius haat."

"Sedert haar dommen streek" beteekende: sedert zij met den kolonel was gehuwd.

Overigens, zooals men heeft kunnen gissen, was mejuffrouw Gillenormand in haar pogingen niet geslaagd om haar gunsteling, den officier der lansiers, in Marius' plaats te dringen. Theodule had als plaatsvervanger geen geluk gehad. Gillenormand had hem niet willen aannemen. De ledigheid des harten wordt niet door een plaatsvervanger gevuld. Theodule, van zijn kant, hoewel hij op een erfenis aasde, kon zich niet dwingen om den ouden man te behagen. De oude man verveelde den lansier en de lansier hinderde den ouden man. De luitenant Theodule was ongetwijfeld vroolijk, maar babbelachtig; lichtzinnig, maar gemeen; een vermaakzoeker, maar in slecht gezelschap; hij had minnaressen, 't is waar, en sprak er veel van, dit is ook waar; maar hij sprak er kwaad van. Al zijn hoedanigheden hadden een gebrek. Het walgde mijnheer Gillenormand, hem zijn liefdeavonturen te hooren verhalen, welke hij in den omtrek zijner kazerne in de Babelstraat had. En daarbij kwam de luitenant Gillenormand soms in uniform met de driekleurige kokarde. Dit was genoeg om hem ondragelijk te maken. Eindelijk had vader Gillenormand tot zijn dochter gezegd: "Ik heb genoeg van Theodule. Ik heb weinig op met krijgslieden in vredestijd. Laat hem bij u komen, als ge wilt. Ik weet niet of ik nog niet meer houd van hen, die werkelijk de sabel gebruiken, dan van hen die er alleen mee sleepen. Het gekletter der zwaarden in den slag is in allen geval minder nietig, dan het gerammel der scheeden op de straatsteenen. En dan een houding aan te nemen als een held en zich te rijgen als een meisje, een corset onder een harnas te dragen, dat is dubbel bespottelijk. Wanneer men een degelijk man is, onthoudt men zich evenzeer van pocherij als van verwijfdheid. Noch bramarbas, noch flauwhartige. Behoud uw Theodule voor u zelve."

Zijn dochter mocht al zeggen: "'t Is toch uw achterneef," 't bleek echter dat mijnheer Gillenormand, schoon van top tot teen grootvader, evenwel volstrekt geen oudoom was.

Trouwens, wijl hij zijn verstand gebruikte en vergelijkingen maakte, had Theodule tot niets anders gediend dan om hem Marius te meer te doen betreuren.

Op een avond, 't was den 4 Juni, ('t geen evenwel niet belette, dat vader Gillenormand een goed vuur in den haard brandde), had hij zijn dochter heengezonden, die in het belendend vertrek naaide. Hij was alleen in zijn kamer met de herderstafereelen, zijn voeten op de haardijzers latende rusten, ten halve ingesloten door zijn groot coromandelsch tochtscherm van negen bladen, met de ellebogen op de tafel, waarop twee waskaarsen onder een groen lichtscherm brandden, verzonken in zijn warm bekleeden armstoel en met een boek in de hand, schoon hij niet las. Hij was, naar zijn gewoonte, als incroyable gekleed en geleek op een oud portret van Garat. Men zou hem in die kleeding op de straat met de vingers hebben nagewezen, maar zijn dochter hulde hem, wanneer hij uitging, in een ruimen gewatteerden overjas, waaronder zijne overige kleeding verborgen was. Hij droeg te huis nooit een kamerjapon, behalve wanneer hij opstond of te bed ging.--Dat geeft een oud voorkomen, zeide hij.

Vader Gillenormand dacht aan Marius met liefde en bitterheid, en, als gewoonlijk, had de bitterheid de overhand. Zijn gekwetste liefde eindigde steeds in heftigheid en verontwaardiging. Hij was thans tot dat punt gekomen, wanneer men een besluit tracht te nemen en alles aanneemt om het te vernietigen. Hij begon in te zien, dat er nu geen reden meer was, waarom Marius zou terugkomen; dat zoo hij had willen terugkeeren, hij dit reeds gedaan zou hebben; dat hij van die hoop moest afzien. Hij poogde zich met het denkbeeld gemeenzaam te maken, dat het gedaan was, en hij zou sterven zonder dien "mijnheer" weder te zien. Maar geheel zijn natuur verzette er zich tegen; zijn oude bloedverwantschap kon er zich niet in schikken. "Hoe 't zij!" herhaalde hij steeds in zijn droefheid, "hij zal niet wederkomen!" Zijn kaal hoofd was op zijn borst gezonken, en hij staarde strak in de asch van den haard, met een droevigen, vergramden blik.

In het diepst zijner overdenkingen trad zijn oude knecht Basque binnen, zeggende:

"Mijnheer, daar is mijnheer Marius om u te spreken!"

De grijsaard richtte zich schielijk op, bleek en als een lijk, dat zich door een galvanischen schok opheft. Al zijn bloed was naar zijn hart teruggestroomd. Hij stamelde:

"Welke mijnheer Marius?"

"Ik weet niet," antwoordde Basque, verschrikt en in verwarring gebracht door de houding zijns meesters. "Ik heb hem niet gezien. Nicolette heeft mij gezegd: Daar is een jong mensch, zeg, dat het mijnheer Marius is."

Vader Gillenormand stamelde zacht:

"Laat hem binnenkomen."

Hij bleef in dezelfde houding, met waggelend hoofd en op de deur gerichten blik. De deur werd weder geopend. Een jonge man trad binnen. 't Was Marius.

Marius bleef aan de deur staan, als wachtte hij, dat men hem zou zeggen binnen te komen.

Zijn schier armoedige kleeding was niet te zien in de duisternis, welke het lichtscherm veroorzaakte. Men onderscheidde slechts zijn rustig, ernstig, maar zonderling treurig gezicht.

Vader Gillenormand, als door verbazing en blijdschap verstomd, zag eenige oogenblikken niets dan een helderheid als die eener verschijning. Hij was op 't punt in onmacht te vallen; hij zag Marius als door een schittering heen. Ja, hij was het, 't was wel degelijk Marius!

Eindelijk! na vier jaren! Hij greep hem, om zoo te spreken, geheel en al met een oogopslag. Hij vond hem schoon, edel, voornaam, groot geworden, een volwassen man, met een goede houding en innemend voorkomen. Hij had veel lust om zijn armen uit te breiden, hem tot zich te roepen, hem te omhelzen. Zijn hart smolt van verrukking; vriendelijke woorden deden het zwellen en overstroomden zijn boezem; eindelijk gaf zich zijn geheele liefde lucht en bereikte zijn lippen, maar door de tegenstrijdigheid, die den grond zijner natuur was, kwam er een ruwheid uit.

Norsch zeide hij:

"Wat komt ge hier doen?"

Marius antwoordde verlegen:

"Mijnheer...."

De heer Gillenormand had gewenscht, dat Marius zich in zijn armen had geworpen. Hij was ontevreden, zoowel op Marius als op zich zelven. Hij gevoelde dat hij barsch, en dat Marius koel was. 't Was voor den goeden man een onverdragelijke, tergende foltering, zich inwendig zoo teeder en weemoedig te gevoelen en uiterlijk slechts ruw te kunnen zijn. De bitterheid keerde in hem terug. Op barschen toon viel hij Marius in de rede:

"Waarom komt ge dan?"

Dit "dan" beteekende: Zoo ge mij niet omhelst. Marius aanschouwde zijn grootvader, wiens gezicht de bleekheid als van marmer deed schijnen.

"Mijnheer!"...

De grijsaard hernam op strengen toon:

"Komt ge mij vergeving vragen? Hebt ge uw ongelijk erkend?"

Hij meende Marius hiermede op den weg te brengen, en dat "het kind" zou zwichten. Marius beefde: 't was de verloochening zijns vaders, welke men hem vroeg; hij sloeg de oogen neder en antwoordde:

"Neen, mijnheer."

"Wat wilt ge dan van mij?" riep de grijsaard, onstuimig, met vlijmende smart en vol toorn.

Marius vouwde de handen samen, naderde een schrede en zeide met zwakke, bevende stem:

"Heb medelijden met mij, mijnheer."

Dit woord verteederde den heer Gillenormand, of liever gezegd, zou hem verteederd hebben; maar het kwam te laat. De grootvader stond op en steunde met beide handen op zijn stok; zijn lippen waren bleek, zijn hoofd waggelde, maar zijn hooge gestalte beheerschte den gebogen Marius.

"Medelijden met u, mijnheer? 't Is de jongeling die medelijden vraagt van den een-en-negentigjarigen grijsaard! Gij treedt het leven in, ik ga er uit; gij gaat naar den schouwburg, naar het bal, naar het koffiehuis, naar 't biljart; gij hebt geest, behaagt de vrouwen, ge zijt een fraai jongeling; en ik hurk midden in den zomer bij het vuur; gij bezit al de wezenlijke schatten die er zijn; ik heb al de armoede der grijsheid; gebreken, verlatenheid! Gij hebt al uw twee-en-dertig tanden, een goede maag, een levendig oog, kracht, eetlust, gezondheid, vroolijkheid, weelderig zwart haar; ik heb zelfs geen wit haar meer; ik heb mijn tanden verloren; ik verlies mijn beenen, ik verlies mijn geheugen; er zijn drie straten, welke ik telkens met elkaar verwar: de straat Charlot, de straat du Chaume en de straat St. Claude; zoo ver ben ik gekomen; gij hebt voor u de gansche zonnige toekomst; ik begin bijna niets meer te zien, zoo diep ben ik den nacht reeds ingegaan; gij zijt verliefd, dat spreekt vanzelf; ik word door niemand ter wereld bemind, en gij vraagt mij medelijden. Drommels, dit heeft Molière nog vergeten. Indien ge zoo in het paleis van justitie schertst, mijnheeren advocaten, dan maak ik u mijn hartelijk compliment, ge zijt waarlijk koddig."

En de een-en-negentigjarige hernam met vergramde, ernstige stem:

"Maar, wat wilt ge van mij?"

"Mijnheer," zei Marius, "ik weet, dat mijn tegenwoordigheid u mishaagt, maar ik kom slechts om u iets te vragen, en dan zal ik dadelijk weder heengaan."

Dit was de vertaling dezer teedere woorden, welke hij in den grond van zijn hart had: "Maar vraag mij toch vergeving! Werp u toch aan mijn hals!" Mijnheer Gillenormand gevoelde, dat Marius hem in weinige oogenblikken zou verlaten, dat zijn slechte ontvangst hem kwetste, dat zijn hardheid hem wegjoeg; dit alles zeide hij tot zich zelf en zijn smart vermeerderde er door, en wijl zijn smart dadelijk tot toorn overging, vermeerderde ook zijn norschheid. Hij wilde dat Marius hem begreep, en Marius begreep hem niet, 't geen den ouden man woedend maakte. Hij hernam:

"Hoe! ge hebt mij beleedigd, mij, uw grootvader, ge hebt mijn huis verlaten, om, ik weet niet waarheen te gaan; ge hebt uw tante wanhopig gemaakt, ge zijt als een jongeheer gaan leven, dit is gemakkelijker, dat spreekt, om den fat te kunnen spelen, naar believen te huis te komen, u te vermaken ge hebt mij geen teeken van leven gegeven; ge hebt schulden gemaakt, zonder mij zelfs te verzoeken ze te betalen; ge gaat glazen inslaan en straatrumoer maken, en na verloop van vier jaren komt ge bij mij en gij hebt mij verder niets te zeggen."

Deze geweldige wijze om den kleinzoon tot teederheid te bewegen bracht bij Marius niets dan stilzwijgen voort. Mijnheer Gillenormand kruiste de armen op de borst, 't geen bij hem een bijzonder gebiedend gebaar was, en zeide bitter tot Marius:

"Maken wij er een einde aan. Ge zegt, dat ge mij iets komt vragen, nu, wat? wat is het? spreek."

"Mijnheer," zei Marius met den blik van iemand, die voelt dat hij in een afgrond zal storten; "ik kom uw toestemming vragen om te trouwen."

Mijnheer Gillenormand schelde. Basque verscheen in de deur.

"Laat mijn dochter hier komen."

Een seconde later werd de deur weder geopend, mejuffrouw Gillenormand trad niet binnen, maar vertoonde zich; Marius stond sprakeloos, met hangende armen en het gezicht van een misdadiger; mijnheer Gillenormand ging heen en weder door de kamer. Hij wendde zich tot zijn dochter en zeide:

"Niets. 't Is mijnheer Marius. Zeg hem goedendag. Mijnheer wil trouwen. Dat is 't. Nu kunt ge heengaan."

De korte, ruwe toon van den grijsaard verried een buitengewone opkropping van toorn. De tante aanschouwde Marius met verschrikten blik, scheen hem nauwelijks te herkennen, liet geen gebaar noch woord ontsnappen, en verdween na de woorden van haar vader sneller dan een stroohalm voor den wind.

Ondertusschen was vader Gillenormand weder tegen den schoorsteen gaan leunen.

"Trouwen! op een-en-twintigjarigen leeftijd! Hebt ge dit in orde gebracht? Ge behoeft nog slechts mijn toestemming! een formaliteit! Zet u, mijnheer. Nu, ge hebt een revolutie ondergaan sedert ik de eer heb gehad u te zien. De Jakobijnen zegevierden. Gij hebt tevreden moeten zijn. Zijt ge geen republikein sedert gij baron zijt? Ge kunt dit met elkaar vereenigen. De republiek geeft een bijsmaak aan 't baronschap. Zijt ge een gedecoreerde van Juli? hebt ge ook een handje aan de inneming van het Louvre geholpen, mijnheer? Hier dichtbij, in de straat Saint Antoine, tegenover de straat des Nonaindières, is een kogel in den muur der derde verdieping van een huis gemetseld met dit opschrift: 28 Juli 1830. Ga dat zien. Het staat goed. O, uw vrienden doen fraaie dingen! Apropos, maken zij geen fontein op de plaats van het monument van den hertog van Berry? Gij wilt dus trouwen? met wie? mag men zonder onbescheidenheid vragen met wie?"

Hij zweeg, maar voor dat Marius den tijd had te antwoorden, voegde hij er heftig bij:

"Ha, zoo! gij hebt dus een bestaan? gij hebt fortuin gemaakt? hoeveel verdient ge met uw advocaatschap?"

"Niets," zei Marius met eene soort van vastheid en schier ruwe beradenheid.

"Niets? hebt ge dan, om te leven, niets meer dan de twaalfhonderd francs, welke ik u geef?"

Marius antwoordde niet. Mijnheer Gillenormand hernam:

"Dan begrijp ik; het meisje is rijk?"

"Evenals ik."

"Hoe! geen vermogen?"

"Neen."

"Uitzichten?"

"Ik geloof niet."

"Alzoo naakt en bloot! en wie is de vader?"

"Ik weet niet."

"Hoe heet zij?"

"Mejuffrouw Fauchelevent."

"Fauche-wat?"

"Fauchelevent."

"Pstt," deed de grijsaard.

"Mijnheer!" riep Marius.

Mijnheer Gillenormand viel hem in de rede, op een toon als iemand, die bij zich zelven spreekt:

"Fraai! een-en-twintig jaar, geen bestaan, twaalfhonderd francs 's jaars, mevrouw de barones Pontmercy zal voor twee sous peterselie bij de groenvrouw gaan koopen."

"Mijnheer," hernam Marius in de vervoering der laatste hoop die vervloog, "ik bid u, ik bezweer u, om 's hemels wil, met gevouwen handen, mijnheer, ik kniel voor u, veroorloof mij met haar te trouwen!"

De grijsaard barstte in een scherp, akelig gelach uit, terwijl hij tevens kuchte en sprak:

"Ha! ha! ha! ge hebt gedacht: kom, ik ga dien ouden pruik, dien mallen vent eens opzoeken. 't Is jammer, dat ik geen vijf-en-twintig jaar oud ben! ik zou hem een duchtige acte van eerbied voorleggen! Ik kon hem missen! Om 't even, ik zal hem zeggen: Oude suffer, gij zijt verrukt van blijdschap mij te zien; ik heb lust om te trouwen, ik heb lust met mejuffrouw onbekend te trouwen, dochter van mijnheer onbekend; ik heb geen schoenen aan de voeten, zij heeft geen hemd aan 't lijf; dat past goed bij elkaâr; ik heb plan mijn loopbaan, mijn toekomst, mijn jeugd, mijn leven in 't water te werpen; ik heb lust mij hals over kop in de armoede te storten; dat is zoo mijn idee, gij moet er in bewilligen; en de oude zal bewilligen. Goed, mijn jongen, ga uw gang, hang u een steen om den hals, trouw met uw Pousselevent, met uw Coupelevent... Nooit, mijnheer, nooit!"

"Grootvader!"

"Nooit!"

De toon, waarop dat "nooit" werd uitgesproken, ontnam Marius alle hoop. Met langzame schreden, met gebogen hoofd, wankelend, meer iemand gelijkende die sterft dan die heengaat, ging hij door de kamer. Mijnheer Gillenormand volgde hem met de oogen, en toen de deur geopend werd en Marius wilde heengaan, deed hij vier schreden met de verjaarde levendigheid van driftige en verwende grijsaards, greep Marius bij den kraag, voerde hem met kracht weder in de kamer, wierp hem op een stoel en zeide:

"Verhaal mij!"

't Was het enkele woord "grootvader", aan Marius ontsnapt, dat deze omkeering voortbracht.

Marius zag hem met verbazing aan. Het bewegelijk gezicht van den heer Gillenormand drukte alleen nog een ruwe en onuitsprekelijke goedheid uit; de oude man was door den grootvader vervangen.

"Komaan, spreek, verhaal mij uw liefdehistorie, zeg mij alles. Drommels, hoe dom zijn toch de jongelieden!"

"Grootvader...," hernam Marius.

Het geheele gelaat des grijsaards straalde van een onbeschrijfelijken glans.

"Ja, zoo is 't goed, noem mij grootvader en gij zult zien."

In deze ruwheid lag nu iets goedhartigs, zoo zachts, zoo openhartigs, zoo vaderlijks, dat Marius in dezen plotselingen overgang van moedeloosheid tot hoop, er als door bedwelmd en verward werd. Hij zat aan de tafel, het licht der waskaarsen toonde den slechten staat zijner kleeding, welke de heer Gillenormand met verbazing beschouwde.

"Nu, lieve grootvader...," zei Marius.

"Ge hebt dan waarlijk geen geld?" viel mijnheer Gillenormand hem in de rede. "Ge zijt gekleed als een dief."

Hij schommelde in een lade en nam er een beurs uit, welke hij op de tafel legde.

"Ziedaar honderd louisd'ors, koop u een hoed."

"Grootvader," hernam Marius, "lieve grootvader, zoo ge wist hoe ik haar bemin! Ge kunt het u niet verbeelden; 't was in het Luxembourg dat ik haar den eersten keer zag; zij kwam er; in den beginne lette ik niet veel op haar; maar toen, ik weet zelf niet hoe het kwam, werd ik verliefd op haar. O! hoe ongelukkig heeft mij dat gemaakt! Eindelijk spreek ik haar alle dagen in haar tuin; haar vader weet het niet; verbeeld u; zij gaan vertrekken; 't is in den tuin dat wij elkander spreken, des avonds; haar vader wil haar naar Engeland medenemen; toen zeide ik bij mij zelven: ik ga mijn grootvader bezoeken en hem de zaak verhalen. Ik zou krankzinnig worden, sterven, ziek worden, in 't water springen. Ik moet haar volstrekt trouwen, want ik zou krankzinnig worden. Ziedaar de geheele waarheid. Ik geloof niet, dat ik iets vergeten heb. Zij woont in een tuin met een hek, in de straat Plumet. 't Is aan de zijde der Invaliden."