Part 17
Het was den volgenden dag de 3 Juni, de 3 Juni 1832, een merkwaardige datum, uit hoofde der gewichtige gebeurtenissen, welke destijds boven den horizont van Parijs hingen, in den vorm van met onweer bezwangerde wolken. Marius ging dien dag tegen het vallen van den avond denzelfden weg als den vorigen dag en met dezelfde verrukking in het hart, toen hij tusschen de boomen van den boulevard Eponine zag naderen. Twee dagen achtereen, dat was te veel. Hij keerde haastig om, verliet den boulevard, sloeg een anderen weg in, en ging door de straat Monsieur naar de straat Plumet.
Eponine volgde hem tot aan de straat Plumet, iets dat zij nog niet gedaan had. Zij had zich tot hiertoe tevreden gesteld met hem te zien, wanneer hij over den boulevard ging, zonder dat zij trachtte hem te ontmoeten. Alleen den vorigen dag had zij beproefd hem te spreken.
Eponine volgde hem dus, zonder dat hij het vermoedde. Zij zag hem de tralie van het hek uitnemen en weder inzetten en den tuin binnensluipen.
"Zie," zeide zij, "hij gaat het huis binnen!"
Zij naderde het hek, bevoelde de tralies de een na de andere, en vond spoedig die, welke Marius den toegang bezorgd had.
Halfluid en met treurige stem prevelde zij:
"Dat niet, Lizette!"
Zij zette zich op het voetstuk van het hek, bezijden de tralie, als om ze te bewaken. 't Was ter plaatse waar het hek tegen den naastgelegen muur uitkwam, een donkere hoek waar Eponine geheel onzichtbaar was. Zij bleef er langer dan een uur zonder zich te verroeren of gerucht te maken, geheel in haar gedachten verdiept.
Tegen tien uren 's avonds hoorde een der twee of drie personen, die door de straat Plumet gingen, oude burgerluidjes, die zich verlaat hadden en nu haastig door deze eenzame en slecht befaamde wijk naar huis keerden, toen hij voorbij het hek ging en aan den hoek was gekomen, door het hek en den muur gevormd, een doffe en dreigende stem zeggen:
"'t Zou mij niet verwonderen, zoo hij alle avonden komt!"
De voorbijganger sloeg een blik om zich, zag niemand, waagde het niet in den donkeren hoek te zien en was zeer ontrust. Hij verhaastte zijn schreden.
De man had gelijk zich te haasten, want weinige oogenblikken daarna, slopen zes mannen, op eenigen afstand van elkander gaande, en welke men voor een patrouille had kunnen houden, dicht langs de huizen, in de straat Plumet.
De eerste die aan het tuinhek kwam bleef staan en wachtte de anderen; een oogenblik later waren alle zes vereenigd.
Deze mannen begonnen zacht in de dieventaal te spreken.
"'t Is hier," zei een hunner.
"Is er een hond in den tuin?" vroeg een andere.
"Ik weet niet. In alle gevalle heb ik een vleeschballetje bij mij, dat wij hem zullen toewerpen."
"Hebt ge mastik bij u om de vensterruiten stuk te breken." [3]
"Ja."
"Het hek is oud," zei een vijfde, die de stem van een buikspreker had.
"Des te beter," hernam de tweede, die gesproken had; "het zal dan niet onder de zaag krassen en niet moeilijk zijn door te snijden."
De zesde, die nog niets gezegd had, onderzocht het hek, evenals Eponine een uur vroeger had gedaan, betastte de eene tralie na de andere en beproefde ze voorzichtig. Eindelijk kwam hij aan de tralie, welke Marius losgewrongen had. Toen hij deze tralie greep, kwam eensklaps een hand uit de schaduw en viel op zijn arm. Terzelfder tijd voelde hij zich hevig tegen de borst geduwd en een schorre stem zeide hem, zonder te schreeuwen:
"Er is een hond."
En hij zag een bleek meisje voor zich staan.
De man gevoelde dien schrik, welken het onverwachte steeds veroorzaakt. Hij richtte zich verwilderd op; niets is zoo afschuwelijk als het gezicht van een wild dier, dat schrikt. Hij deinsde achteruit en stamelde:
"Wie is die deern?"
"Uw dochter."
't Was inderdaad Eponine, die tot Thénardier sprak.
Bij de verschijning van Eponine waren de vijf anderen, namelijk Claquesous, Gueulemer, Babet, Montparnasse en Brujon zachtkens genaderd, zonder overijling, zonder een woord te spreken, met de heillooze behoedzaamheid, die dezen mannen van den nacht eigen is.
Men kon in hun handen afschuwelijke werktuigen onderscheiden. Gueulemer had een soort van kromme tang in de hand.
"Wat doet ge hier? Wat wilt ge? Zijt ge dol?" riep Thénardier, zoo luid als men, zacht sprekende, zeggen kan. "Waarom wilt ge ons in ons werk hinderen?"
Eponine lachte en viel hem om den hals:
"Ik ben hier, vadertje, wijl ik er ben. Is het tegenwoordig niet geoorloofd op de steenen te gaan zitten? Gij moest eigenlijk niet hier zijn. Wat doet ge hier, wijl het een beschuit is? Ik had aan Magnon gezegd, dat er niets te maken is. Maar geef mij nu een kus, goed, lief vadertje. Hoe lang is 't wel geleden, dat ik u niet gezien heb! Ge zijt er dus uit?"
Thénardier poogde zich uit de armen van Eponine los te maken, en bromde:
"Goed, goed. Ge hebt mij gekust. Ja, ik ben er uit. Ik ben er niet in. Maar ga nu."
Eponine liet hem echter niet los en verdubbelde haar liefkoozingen.
"Hoe hebt ge het toch aangelegd, vadertje? Ge moet wel heel slim zijn geweest om er uit te komen. Vertel het mij. En moeder? Waar is moeder? Geef mij toch eenig bericht van moeder."
Thénardier antwoordde:
"Zij is wel; ik weet niet; laat mij met rust; ik zeg u dat ge moet heengaan."
"Nu wil ik niet gaan," zei Eponine met het gebaar van een bedorven kind; "ge zendt mij weg, hoewel 't vier maanden geleden is dat ik u niet gezien heb en ik nauwelijks den tijd heb gehad u te kussen."
"O, 't is waarachtig dom," zei Babet.
"Haast u," zei Gueulemer, "de patrouille kan voorbij komen."
De buikspreker neuriede:
"Wij hebben nu geen nieuwe jaar, Om pa en ma te kussen."
Eponine wendde zich tot de vijf bandieten.
"Zie, 't is mijnheer Brujon.--Goeden avond, mijnheer Babet.--Dag, mijnheer Claquesous.--Herkent ge mij niet, mijnheer Gueulemer?--Hoe gaat het, Montparnasse?"
"Of men u herkent!" zei Thénardier. "Maar maak voort met uw goedendag, goedenavond! laat ons met rust."
"'t Is nu het uur der vossen en niet der kippen," zei Montparnasse.
"Ge ziet wel, dat wij hier werken moeten," voegde Babet er bij.
Eponine nam de hand van Montparnasse.
Deze zeide: "Wees voorzichtig, ge zult u snijden, ik heb een open mes."
"Mijn lieve Montparnasse," antwoordde Eponine heel zacht, "men moet de menschen vertrouwen. Ik ben misschien toch wel de dochter van mijn vader. Mijnheer Babet, mijnheer Gueulemer, men heeft mij gelast de zaak te onderzoeken."
't Verdient opmerking, dat Eponine geen dieventaal sprak. Sinds zij Marius kende, was haar deze leelijke taal onmogelijk geworden.
Zij drukte in haar knokige, zwakke hand, als van een geraamte, de grove ruwe vingers van Gueulemer en hernam:
"Ge weet dat ik niet dwaas ben. Men gelooft mij gewoonlijk. Bij gelegenheid heb ik u een dienst bewezen. Nu, ik heb onderzoek gedaan en ge zoudt u nutteloos aan gevaar blootstellen, weet ge. Ik zweer u, dat er in dit huis niets te maken is."
"Er zijn alleen vrouwen in," zei Gueulemer.
"Neen. De lieden zijn verhuisd."
"De kaarsen ten minste niet!" zei Babet.
En hij wees Eponine door de toppen der boomen heen een licht, dat zich voor het zoldervenster van het huis bewoog. 't Was vrouw Toussaint, die op was gebleven om linnen te drogen te hangen.
Eponine deed een laatste poging.
"Nu," zeide zij, "'t zijn zeer arme lieden en 't is een krot, waarin geen cent te vinden is."
"Loop naar den duivel!" riep Thénardier. "Zoodra wij het huis van den kelder tot den zolder doorzocht hebben, zullen wij u zeggen wat er in is, en of het francs, sous of centimes zijn."
En hij duwde haar weg, om voort te gaan.
"Mijn goede, lieve vriend Montparnasse," zei Eponine, "gij, die een goede jongen zijt, ik bid u, ga niet binnen."
"Wees voorzichtig, ge zult u snijden!" antwoordde Montparnasse.
Thénardier hernam op dien beslissenden, hem eigenaardigen toon:
"Maak dat ge weg komt, meisje, en laat de lieden hun zaken verrichten."
Eponine liet de hand van Montparnasse los, welke zij weder gevat had, en zeide:
"Ge wilt dan dit huis binnengaan?"
"Even!" zei de buikspreker met een grijnslach.
Toen plaatste zij zich met den rug tegen het hek, bood het hoofd aan zes gewapende bandieten, aan wie de nacht wezenlijke duivelsgezichten gaf, en zeide met vaste, doch zachte stem:
"En ik zal 't niet toestaan."
Zij bleven versteld staan. De buikspreker echter lachte voort. Zij hernam:
"Luistert, vrienden! Dat is het niet. Nu spreek ik. Vooreerst, zoo ge den tuin binnengaat, zoo ge dit hek aanraakt, schreeuw ik, klop aan de deuren, wek de menschen, ik laat u alle zes vatten en roep de stadssergeanten."
"Zij zou het wezenlijk doen," zei Thénardier zacht tot Brujon en den buikspreker.
Zij richtte het hoofd op en voegde er bij:
"Met mijn vader te beginnen!"
Thénardier naderde.
"Niet zoo dicht bij mij, goede man!" zeide zij.
Hij trad achteruit, binnensmonds brommende: "Maar hoe heb ik 't met haar?" en hij liet er op volgen:
"Teef."
Zij lachte op vreeselijke wijze:
"Zeg wat ge wilt, maar ge komt niet binnen. Ik ben geen jong van een hond, maar van een wolf. Ge zijt met u zessen, 't is mij onverschillig! Ge zijt mannen; nu, ik ben een vrouw. Ge kunt mij geen vrees aanjagen, weet ge. Ik zeg u, dat ge dit huis niet zult binnengaan, omdat ik dit niet verkies. Zoo ge nader komt, blaf ik. Ik heb 't u gezegd, dat ik de hond ben. Ik lach u uit. Gaat weg, ge verveelt mij. Gaat waarheen ge wilt, maar komt niet hier, ik verbied het u. Ge hebt messen, ik heb mijn klomp, 't is mij om 't even; nadert dus, als ge durft!"
Zij trad vreeselijk tartend op de bandieten toe, en hernam lachend: "Voor den drommel, ik ben niet bang. Des zomers kan ik honger, des winters kou lijden. Die domme kerels zijn koddig; te gelooven, dat zij een meisje bang kunnen maken. Waarvoor zou ik bang zijn? Wijl ge lafhartige minnaressen hebt, die zich onder het bed verbergen, zoodra ge de stem verheft; is 't zoo niet? Ik ben voor niets bevreesd!" Zij sloeg een vasten blik op Thénardier en voegde er bij: "Zelfs niet voor u, vader."
Toen hernam zij, haar bloedige spookachtige oogen over de bandieten latende gaan:
"Wat geef ik er om, of men mij morgen in de straat Plumet opraapt, door den dolk van mijn vader vermoord, of dat men mij binnen een jaar in de netten van Saint Cloud of bij het Zwaneneiland tusschen oud verrot hout en verdronken honden vindt!"
Zij was gedrongen op te houden, daar zij door een drogen hoest werd overvallen, die haar adem reutelend uit haar enge, zwakke borst deed hijgen.
Zij hernam:
"Ik behoef slechts te schreeuwen en men ijlt toe. Gij zijt met uw zessen; ik ben alleen."
Thénardier wilde haar naderen.
"Nader niet!" riep zij.
Hij stond stil en zeide op zachten toon:
"Nu, ik zal niet naderen; maar spreek zoo luid niet, mijn kind. Ge wilt ons dus beletten te werken? Wij moeten toch iets verdienen om van te leven. Ge hebt dus geen vriendschap meer voor uw vader?"
"Ge verveelt mij," zei Eponine.
"Wij moeten toch leven, eten..."
"Krepeer!"
Dit gezegd hebbende, zette zij zich op het voetstuk van het hek en neuriede:
Mon bras si dodu, Ma jambe bien faite, Et le temps perdu.
Zij liet haar elleboog op de knie en haar kin op haar hand rusten, terwijl zij onachtzaam met haar been schommelde. Door haar gescheurd kleed kon men haar magere schouderbladen zien. De naaste straatlantaarn bescheen haar gezicht en gestalte. Men kon niets stoutmoedigers en zonderlingers aanschouwen.
De zes moordenaars, verwonderd en wrevelig, dat zij door een meisje werden tegengehouden, traden in de schaduw achter de lantaarn en raadpleegden, terwijl zij vernederd en verwoed de schouders ophaalden.
Zij beschouwde hen met een kalmen, woesten blik.
"Zij moet een of andere reden hebben," zei Babet. "Zou zij verliefd zijn op den hond? 't Is toch jammer, dat wij de zaak moeten opgeven. Twee vrouwen, een oude kerel, die op een achterplaats woont; er zijn fraaie gordijnen voor de vensters. De oude is gewis een jood. Ik geloof, dat 't een goede zaak was."
"Nu, gaat dan binnen," riep Montparnasse; "doet de zaak; ik zal hier bij het meisje blijven, en zoo zij durft..."
Hij liet in het licht der lantaarn zijn mes glinsteren, dat hij open in zijn mouw had.
Thénardier zeide niets en scheen tot alles bereid.
Brujon, die min of meer voor orakel diende, en, zooals men weet, de zaak aan de hand had gedaan, had nog niet gesproken. Hij scheen in gedachten verdiept. Men wist, dat hij voor niets terugdeinsde en eens, alleen voor de bluf, een politiepost beroofd had. Bovendien maakte hij verzen en liedjes, 't geen hem een hoog aanzien gaf.
Babet vroeg hem:
"Zegt gij niets, Brujon?"
Brujon zweeg nog een oogenblik, toen schudde hij het hoofd op verschillende wijzen en besloot eindelijk te spreken.
"Luistert," zeide hij, "ik heb van morgen twee vechtende musschen ontmoet; van avond ben ik een twistende vrouw tegen gekomen. Dat alles is kwaad. Laat ons heengaan."
Zij gingen.
Voortgaande mompelde Montparnasse:
"Om 't even; zoo men gewild hadde, zou ik gaarne mijn mes hebben gebruikt."
Babet antwoordde:
"Ik niet. Ik dood geen vrouw!"
Op den hoek van de straat hielden zij stil en wisselden deze raadselachtige woorden:
"Waar zullen wij van nacht slapen?"
"Onder Pantin." (Parijs.)
"Hebt gij den sleutel van het hek bij u, Thénardier?"
"Zeker."
Eponine, die hen niet uit het oog verloor, zag hen den weg inslaan, dien zij gekomen waren. Zij stond op en sloop hen langs de muren en de huizen na, en volgde hen tot op den boulevard. Daar scheidden zij en zij zag de zes mannen in de duisternis verdwijnen en er zich als in oplossen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DES NACHTS.
Toen de bandieten zich verwijderd hadden, keerde in de straat Plumet alles weder tot nachtelijke stilte terug.
Wat in die straat gebeurd was, zou in een bosch geen verwondering hebben gebaard. In bosschen en kreupelhout vormen de ruw ineen gekronkelde takken een somber gewelf boven het hooge gras; het wilde gewemel ziet daar de plotselinge verschijningen van het onzichtbare; wat beneden den mensch is, onderscheidt er door den nevel heen wat boven den mensch is; en wat ons levend onbekend is, mengt er zich in den nacht. De woeste wilde natuur schrikt bij de nadering van iets, waarin zij het bovennatuurlijke meent te voelen. De krachten der duisternis kennen elkander en hebben onderling een geheimzinnig evenwicht. Tanden en klauwen vreezen het onvatbare. De van bloed dronken dierlijkheid, de verslindende vraatzucht loerend op haar prooi, de met nagels en muilen gewapende neigingen, wier oorsprong en doel de buik is, begluren en ruiken angstig de ongevoelige spookgedaante onder het lijkkleed, en meenen dat zij een doodelijk en vreeselijk leven heeft. Deze woestheden, welke slechts stof zijn, vreezen onduidelijk in de dichte duisternis met een onbekend wezen in aanraking te komen. Een zwarte gestalte, die den doortocht verspert, houdt plotseling het wilde dier tegen. Wat van het kerkhof komt verbijstert en beangst wat uit het hol komt; het wreede vreest het akelige; de wolven deinzen achteruit voor een aardmannetje!
ZESDE HOOFDSTUK.
MARIUS KEERT IN ZOOVERRE TOT DE WERKELIJKHEID TERUG, DAT HIJ AAN COSETTE ZIJN ADRES GEEFT.
Terwijl deze soort van hond met menschelijk gezicht voor het hek de wacht hield en de zes bandieten voor een meisje terugtrokken, was Marius bij Cosette.
Nooit was de hemel meer gesternd en schooner geweest, nooit hadden de boomen zoo geritseld, de planten zoo gegeurd, nooit waren de vogels met zoeter geruisch in het loof ingeslapen, nooit was de harmonie der natuur beter met de inwendige muziek der liefde in overeenstemming geweest; nooit had zich Marius opgetogener, verrukter, gelukkiger gevoeld. Maar hij had Cosette treurig gevonden. Cosette had geschreid. Zij had roode oogen.
't Was de eerste wolk van dien bekoorlijken droom.
Het eerste woord van Marius was geweest:
"Wat deert u?"
En zij had geantwoord:
"Luister."
Toen had zij zich op de bank bij de stoep gezet en terwijl hij bevend aan haar zijde plaats nam, vervolgde zij:
"Mijn vader heeft mij van morgen gezegd, dat ik mij gereed moest houden, dat hij zaken had en wij misschien zouden vertrekken."
Marius beefde van het hoofd tot de voeten.
Wanneer men aan het einde des levens is, heet sterven vertrekken; wanneer men aan het begin ervan is, heet vertrekken sterven.
Sedert zes weken nam Marius allengs, trapswijze, iederen dag meer en meer bezit van Cosette. Een ideaal, maar volkomen bezit. Zooals wij reeds hebben verklaard, heeft in de eerste liefde de ziel veel meer deel dan het lichaam; later neemt het lichaam meer deel dan de ziel; somtijds blijft de ziel geheel vreemd; de Faublas en Prudhommes zeggen: omdat er geen ziel is; maar gelukkig is deze spotternij een lastering. Marius dus bezat Cosette, zooals geesten bezitten; maar hij omhulde haar met zijn geheele ziel en was ijverzuchtig met ongelooflijke overtuiging. Hij bezat haar glimlach, haar adem, haar geur, de diepe schittering harer blauwe oogen, de zachtheid van haar huid, wanneer hij haar hand raakte, het bekoorlijk teeken aan haar hals, al haar gedachten. Zij hadden beloofd niet te slapen, zonder aan elkaar te denken; en zij hadden woord gehouden. Hij bezat dus alle droomen van Cosette. Hij aanschouwde haar steeds en raakte soms met zijn adem het korte haar, dat zij in den nek had, en verklaarde dat er geen dier haartjes was, 't welk hem niet behoorde. Hij aanschouwde en aanbad wat zij droeg, haar strikken, haar handschoenen, haar manchetten, haar laarsjes, als heilige voorwerpen waarvan hij de meester was. Hij meende, dat hij de heer was dier fraaie schildpadden kammen, welke zij in 't haar had, en zelfs zeide hij bij zich zelven--als een gesmoorde en zachte stameling van den wellust die zich openbaarde--dat er geen koordje van haar kleed, geen maas harer kousen, geen plooi van haar corset was, dat hem niet behoorde. Naast Cosette gevoelde hij zich bij zijn goed, bij zijn eigendom, bij zijn despoot en bij zijn slaaf. Het scheen hem, dat hun zielen zoodanig vermengd waren, dat het onmogelijk zou geweest zijn ze nauwkeurig te scheiden, zoo ieder de zijne had willen terugnemen.--Dit is de mijne.--Neen, 't is de mijne.--Ik verzeker u dat ge u, bedriegt. Ik ben 't.--Wat ge als u zelven beschouwt ben ik.--Marius was iets dat tot Cosette, en Cosette iets dat tot Marius behoorde. Marius voelde Cosette in zich leven. Cosette te hebben, te bezitten, was voor hem hetzelfde als te ademen. 't Was te midden van dit geloof, van deze bedwelming, van dit maagdelijk, ongehoord, volstrekt bezit, van deze souvereiniteit, dat deze woorden: "Wij gaan misschien vertrekken," eensklaps nedervielen, en de ruwe stem der werkelijkheid hem toeriep: Cosette behoort u niet!
Marius ontwaakte. Sedert zes weken leefde Marius, zooals wij gezegd hebben, buiten het leven; dit woord: vertrekken! deed er hem ruw in terugkeeren.
Hij vond geen woorden. Cosette gevoelde slechts, dat zijn hand zeer koud was. Zij zeide van haar kant tot hem:
"Wat deert u?"
Hij antwoordde zoo zacht, dat Cosette hem nauwelijks hoorde:
"Ik begrijp niet, wat gij gezegd hebt."
Zij hernam:
"Hedenmorgen zeide mij mijn vader, dat ik al mijn goed in orde moest brengen en mij gereed houden; dat hij mij zijn linnengoed zou geven om het in een koffer te pakken; dat hij verplicht was een reis te doen; dat wij zouden vertrekken; dat er een groote koffer voor mij en een kleine voor hem moest zijn; dat dit alles in een week gereed moest wezen, en wij misschien naar Engeland zouden gaan."
"Maar dit is verschrikkelijk!" riep Marius.
't Is zeker, dat op dit oogenblik, in de schatting van Marius, geen misbruik van gezag, geen gewelddadigheid, geen schandelijkheid der grootste dwingelanden, geen daad van Busiris, van Tiberius of van Hendrik VIII, in wreedheid en willekeur, gelijk stond met die van den heer Fauchelevent, welke zijn dochter mede naar Engeland nam, omdat hij er zaken had.
Met flauwe stem vroeg hij:
"En wanneer zult ge vertrekken?"
"Hij heeft niet gezegd wanneer!"
"En wanneer zult ge terugkomen?"
"Hij heeft niet gezegd wanneer."
Marius stond op en zeide koel:
"Zult ge gaan, Cosette?"
Cosette sloeg haar schoone oogen vol droefheid op hem en antwoordde als in verwarring:
"Waarheen?"
"Naar Engeland? zult ge gaan?"
"Wat zal ik doen?" zeide zij de handen wringende.
"Ge zult dus gaan?"
"Zoo mijn vader gaat."
"Ge zult dus gaan?"
Cosette nam de hand van Marius en drukte die zonder te antwoorden.
"'t Is goed," zei Marius. "Ik zal dan ergens anders gaan."
Cosette voelde den zin van dit woord, meer nog dan zij het begreep. Zij verbleekte zoodanig, dat haar gelaat in de duisternis wit werd. Zij stamelde:
"Wat bedoelt ge?"
Marius staarde haar aan en toen langzaam zijn oogen ten hemel richtende, antwoordde hij:
"Niets."
Toen hij de oogen weder nedersloeg, zag hij Cosette tot hem glimlachen. De glimlach van een vrouw, die men bemint, heeft een glans, welken men des nachts ziet.
"Hoe dom zijn wij! Marius, daar valt mij iets in."
"Wat?"
"Ga ook op reis, zooals wij op reis gaan! ik zal u zeggen waarheen! Kom bij mij, waar ik ook wezen mag!"
Nu was Marius als geheel uit den droom ontwaakt. Hij was tot de werkelijkheid teruggekeerd. Hij zeide tot Cosette:
"Met u reizen! zijt ge dwaas! Daartoe is geld noodig en dit heb ik niet. Naar Engeland gaan? Maar ik ben, ik weet niet juist, aan Courfeyrac, een mijner vrienden dien gij niet kent, reeds meer dan tien louis schuldig. Ik heb een ouden hoed, die geen drie francs waard is, ik heb een rok waaraan van voren de knoopen ontbreken; mijn overhemd is versleten, mijn ellebogen steken door de mouwen, mijn laarzen zijn lek; sedert zes weken denk ik hier niet meer aan, en ik heb 't u niet gezegd. Ik ben een arme drommel, Cosette. Gij ziet mij slechts des nachts, en schenkt mij uw liefde; maar zoo ge mij des daags zaagt, zoudt ge mij een aalmoes geven. Naar Engeland reizen! Ik bezit zoo veel niet, om een pas te betalen."
Hij wierp zich tegen een boom en stond zoo met beide armen boven zijn hoofd, met het voorhoofd tegen den stam, terwijl hij noch het hout voelde dat zijn vel schramde, noch de koorts welke in zijn hersenen klopte, bewegingloos, op 't punt neêr te zinken, als het beeld der wanhoop!
In deze houding bleef hij een geruime poos. Eeuwig zou men in zulk een afgrond kunnen blijven.
Eindelijk keerde hij zich om. Hij hoorde achter zich een zacht, gesmoord en treurig gerucht.
't Was Cosette, die snikte.
Zij weende langer dan twee uren, nabij Marius die peinsde.
Hij naderde haar, viel op zijn knieën en zich langzaam buigende, nam hij de punt van haar voet die van onder haar kleed kwam en kuste ze.
Zwijgend liet zij hem begaan. Er zijn oogenblikken, dat de vrouw, als een sombere en berustende godin, de hulde der liefde aanneemt.
"Ween niet," zeide hij.
Zij lispelde:
"Omdat ik misschien moet vertrekken, en gij mij niet volgen kunt!"
Hij hernam:
"Bemint ge mij?"
Zij antwoordde hem snikkend, dat hemelsche woord, 't welk nooit bekoorlijker dan in tranen is:
"Ik aanbid u!"
Hij hernam met een stem, die een onuitsprekelijke liefkoozing was:
"Ween niet. Zeg, wilt ge uit liefde voor mij niet meer weenen?"
"Bemint gij mij?" vroeg zij.
Hij nam haar hand:
"Cosette, nooit heb ik mijn woord van eer aan iemand gegeven, wijl mijn woord van eer mij heilig is. Ik gevoel, dat mijn vader aan mijn zijde is. Nu, ik geef u mijn heiligst woord van eer, dat, zoo gij heen gaat, ik sterven zal."
In den klank, waarmede hij deze woorden sprak, lag zulk een plechtige en kalme weemoed, dat Cosette ervan beefde. Zij gevoelde de kilheid van een treurige waarheid, die voorbijgaat. Van ontroering hield zij op met weenen.
"Luister nu," zeide hij, "verwacht mij morgen niet."
"Waarom?"
"Verwacht mij eerst overmorgen."
"O, waarom?"
"Ge zult zien."
"Een dag zonder u te zien, dat is onmogelijk."
"Offeren wij een dag op, om misschien het geheele leven te hebben."
En Marius voegde er halfluid bij, en als tot zich zelven sprekend: