Part 16
Moet men bij voortduring de oogen ten hemel slaan? Is het lichtpunt, dat men er onderscheidt, een derzulke die uitgaan? 't Is vreeselijk, het ideaal alzoo in de diepte te zien verzinken, klein, nauwelijks zichtbaar schitterend, maar omgeven door al die samengepakte, groote, donkere, monsterachtige bedreigingen. En evenwel is het in geen grooter gevaar dan een ster tusschen de wolken.
BOEK VIII.
VERRUKKING EN DROEFHEID.
EERSTE HOOFDSTUK.
HELDERHEID.
De lezer zal begrepen hebben, dat Eponine, nadat zij door het hek de bewoonster van het huis in de straat Plumet had herkend, waarheen zij door Magnon was gezonden, de bandieten ervan afgehouden en Marius er heen gevoerd had; dat Marius, na verscheidene dagen in verrukking voor dat hek te hebben doorgebracht, aangetrokken door de kracht, welke het ijzer naar den zeilsteen trekt en den minnaar naar de steenen van het huis der geliefde, eindelijk Cosettes tuin was binnengegaan, gelijk Romeo den tuin van Juliette. 't Was hem zelfs lichter geweest dan Romeo; Romeo moest over een muur klimmen; Marius behoefde slechts een der tralies van het oude hek weg te nemen, die waggelend in haar verroeste holten stonden, gelijk de tanden van oude lieden. Marius was tenger en gleed gemakkelijk door de opening.
Wijl er nooit iemand op de straat was, en Marius bovendien alleen des nachts den tuin binnendrong, liep hij geen gevaar gezien te worden.
Sinds dit gezegend en heilig uur, toen een kus deze beide zielen verloofde, kwam Marius er alle avonden. Zoo Cosette op dat oogenblik haars levens een gewetenloos en lichtzinnig man had bemind, zou zij verloren zijn geweest; want er zijn edelmoedige naturen die zich geheel overgeven, en Cosette was zulk een natuur. Het behoort tot de grootmoedigheid der vrouw, dat zij zwicht. Zoodra de liefde haar hoogsten graad heeft bereikt, wordt haar maagdelijk gevoel op zonderlinge wijze bedwelmd. Maar aan welke gevaren stelt ge u bloot, edele zielen! Gij geeft dikwerf het hart, wij nemen het lichaam. Uw hart blijft u over, en gij aanschouwt het bevend in de duisternis. De liefde kent geen middelweg; òf zij richt ten verderf, òf zij redt. In dit dilemma ligt het geheele menschelijke lot. Dit dilemma, verderf of geluk, wordt door geen andere omstandigheden zoo onverbiddelijk gesteld, als door de liefde. De liefde is het leven, zoo zij niet de dood is. Een wieg of een doodkist. Hetzelfde gevoel zegt ja! en neen! in het menschelijk hart. Van alle dingen, die God heeft geschapen, ontwikkelt het menschelijk hart het meeste licht, maar, helaas! ook de meeste duisternis.
God wilde dat de liefde, welke Cosette vond, een reddende liefde was.
Zoolang de maand Mei van het jaar 1832 duurde, bevonden zich alle nachten in dien woesten tuin, in dit dagelijks geuriger en dichter wordend struikgewas, twee wezens vol kuischheid en onschuld, overstroomd van hemelsche zaligheid, meer engelen dan menschen, rein, eerlijk, verrukt, schitterend voor elkander in de duisternis. Het kwam Cosette voor, als had Marius een kroon, en het scheen Marius alsof Cosette een stralenkrans had. Zij raakten, aanschouwden elkaar, klemden zich tegen elkander en drukten elkaars handen, maar er bleef een afstand, dien zij niet overschreden. Niet wijl zij dien eerbiedigden; maar wijl zij hem niet kenden. Marius voelde een hinderpaal: de reinheid van Cosette; en Cosette voelde een steun: de edelheid van Marius. De eerste kus was ook de laatste geweest. Sedert was Marius niet verder gegaan dan zacht met zijn lippen de hand, het halsdoekje of een haarlok van Cosette aan te raken. Cosette was voor hem een geur, geen vrouw. Hij ademde haar. Zij weigerde niets, hij vroeg niets. Cosette was gelukkig en Marius was tevreden. Zij leefden in dien verrukten toestand, welken men de begoocheling van een ziel door een andere ziel zou kunnen noemen. 't Was de eerste onbeschrijfelijke omhelzing van twee maagdelijke zielen in het ideale. Twee zwanen, die elkander op de Jungfrau ontmoetten.
Op dit uur der liefde, waarin de wellust volkomen zwijgt onder het alvermogen der verrukking, zou Marius, de reine, engelachtige Marius, eerder in staat zijn geweest bij een publieke vrouw te gaan dan Cosettes kleed tot den enkel op te heffen. Eens, bij maanschijn, bukte Cosette om iets van den grond op te rapen; het lijfje van haar kleed opende zich daarbij een weinig en liet het onderste van haar hals zien; toen wendde Marius de oogen af.
Wat gebeurde er tusschen deze beide wezens? Niets. Zij beminden elkander met heilige liefde.
Wanneer zij des nachts in den tuin waren, scheen deze hun een levend en heilig oord. Al de bloemen om hen heen openden zich en zonden hun haar geuren; maar zij openden hun zielen en stortten ze in de bloemen uit. De krachtige, weelderige plantengroei trilde vol sap en dronkenschap in de omgeving dezer twee onschuldigen, die liefdewoorden spraken, welke de boomen deden ritselen.
Welke waren deze woorden? Niets dan ademtochten. Deze ademtochten waren voldoende om de geheele natuur te treffen en te bewegen. 't Is de toovermacht, welke moeielijk te begrijpen zou zijn, zoo men in een boek dezen kout las, die bestemd is, om door den wind als damp van tusschen de bladeren weggeblazen en verstrooid te worden. Ontneem aan dit gefluister van twee gelieven deze welluidendheid, die uit de ziel voortkomt en het als een lier accompagneert, en wat overblijft is slechts een schaduw, en men zegt: O, is 't anders niet! Gewis, kinderachtigheden, herhalingen, gelach om niets, nietigheden, dwaasheden, maar ook al wat in de wereld het verhevenste en innigste is, de eenige zaken die der moeite waard zijn gezegd en gehoord te worden!
De man, die zulke dwaasheden, zulke beuzelarijen nooit gehoord of gesproken heeft, is een ongevoelige en een slecht mensch.
Cosette zeide tot Marius:
"Weet ge?..."
(Niettegenstaande deze hemelsche maagdelijkheid, spraken zij op zeer gemeenzamen toon met elkander, zonder dat een van beiden had kunnen zeggen, hoe ze er toe gekomen waren.)
"Weet ge? Ik heet Euphrasie."
"Euphrasie? Neen, ge heet Cosette."
"O, Cosette is een leelijke naam, dien men mij gegeven heeft toen ik klein was. Maar mijn eigenlijke naam is Euphrasie. Houdt ge niet van den naam Euphrasie?"
"Ja... Maar Cosette is niet leelijk."
"Vindt ge dien mooier dan Euphrasie?"
"Nu... ja."
"Dan vind ik hem ook mooier. 't Is waar, Cosette is lief. Noem mij Cosette."
En de glimlach, dien zij aan deze woorden paarde, maakte van deze samenspraak een idylle, waardig voor een bosch in den hemel.
Een anderen keer zag zij hem strak aan en riep:
"Mijnheer, ge zijt schoon, ge zijt lief, ge hebt verstand, ge hebt geest, ge zijt veel geleerder dan ik; maar ik durf u tarten wat betreft dit woord: ik bemin u!"
En Marius meende zich als in den hemel opgenomen en deze woorden door een ster te hooren zingen.
Of zij gaf hem, wanneer hij hoestte, een tikje en zeide:
"Hoest niet, mijnheer. Ik wil niet, dat men bij mij zonder mijn verlof hoest. 't Is zeer leelijk te hoesten en mij te verontrusten. Ik wil dat ge heel gezond zijt, omdat ik in de eerste plaats, zoo gij ongesteld waart, zeer ongelukkig zou zijn. Wat kan ik er aan doen?"
En dit alles was louter goddelijk.
Eens zeide Marius tot Cosette:
"Denk eens, dat ik eenigen tijd geloofd heb, dat ge Ursula heette."
Daarover lachten zij een ganschen avond.
Bij een ander gesprek ontvielen hem eens toevallig de woorden:
"O, op zekeren dag had ik in het Luxembourg grooten lust een invalide den hals te breken."
Maar daarbij liet hij het en sprak er niet verder over. Hij zou dan Cosette iets van haar kouseband hebben moeten zeggen, en dat was hem onmogelijk. Hij raakte daarmede iets onbekends aan, het stoffelijke, waarvoor zijn onuitsprekelijke liefde met een soort van heiligen eerbied terugweek.
Marius stelde zich het leven met Cosette niet anders voor dan alle avonden naar de straat Plumet te gaan, de oude ijzeren gewillige staaf van het hek des presidents uit te lichten, naast elkander op de bank te zitten, door het geboomte den sterren-helderen nacht te aanschouwen, met de knieplooien van zijn broek het wijde kleed van Cosette aan te raken, den nagel van haar duim te streelen, met haar dezelfde bloem te ruiken, en zoo altijd en in 't oneindige. Middelerwijl dreven de wolken boven hun hoofden. Iedere ademtocht van den wind voert meer droomen van den mensch weg dan wolken van den hemel.
Deze kuische, schier schuwe liefde was echter niet geheel zonder galanterie. Haar, die men bemint, "complimenten te maken," is de eerste wijze van liefkoozen, een eerste vermetelheid welke men waagt. Een compliment is iets als een kus door een sluier heen. De wellust, hoewel zich verbergend, laat er zich zacht in gevoelen. Het hart deinst terug voor den wellust, om beter te beminnen. De liefkoozingen van Marius, vervuld van hersenschimmen, waren, om zoo te spreken, hemelsblauw. De vogels, wanneer zij omhoog nabij de engelen zweven, moeten dergelijke woorden hooren. Daarbij mengde zich echter leven, menschelijkheid, al het werkelijke waartoe Marius in staat was. 't Was een lyrische ontboezeming, de liefelijke hyperbolen van duivengekir, al de verfijningen der aanbidding tot een ruiker verzameld en een fijnen hemelschen geur ontwikkelend, een onbeschrijfelijk gefluister van het eene hart tot het andere.
"O," lispelde Marius, "hoe schoon zijt gij! ik durf u niet aanzien. Daarom aanschouw ik u. Ge zijt een gratie. Ik weet niet, hoe 't mij is. De zoom van uw kleed, wanneer de punt van uw schoen er uit komt, brengt mij in verwarring. En welk een betooverende glans, wanneer uw gedachte zich voor mij opent. Gij spreekt wonderbaarlijk verstandig. Soms komt het mij voor, dat ge een droom zijt. Spreek, ik luister, ik bewonder u. O Cosette, hoe zonderling en bekoorlijk is het! ik ben waarlijk zinneloos. Gij zijt aanbiddelijk, mejuffrouw. Ik bestudeer uw voeten met den microscoop en uw ziel met den telescoop."
Cosette antwoordde:
"Ik bemin u reeds meer in den tijd, die sinds van ochtend verstreken is."
Vragen en antwoorden gingen in die samenspraak heen en weder, en kwamen als vanzelf steeds op de liefde terecht, evenals de vlierpopjes steeds op de voeten komen.
De geheele persoon van Cosette was onbevangenheid, natuurlijkheid, onschuld, doorzichtigheid, blankheid, oprechtheid en licht. Men had van Cosette kunnen zeggen, dat zij helder was. Op ieder die haar zag maakte zij den indruk van een Meischen morgenstond. In haar oogen lag dauw. Cosette was een verlichamelijking van het morgenlicht in den vorm eener vrouw.
Het was natuurlijk, dat Marius haar beminde, haar aanbad. Inderdaad, deze kortelings uit het klooster gekomene pensionnaire sprak met uitnemende scherpzinnigheid en zei bij gelegenheid allerlei ware en uitgezochte woorden. Haar kout was een wezenlijk onderhoud. Zij bedroog zich in niets en had een juisten blik. De vrouw gevoelt en spreekt met het fijne instinct van het hart, dat onfeilbaar is. Niemand weet tegelijk zachte en ernstige zaken te zeggen zooals een vrouw dat kan. Zachtheid en diepte is de vrouw; is de hemel.
In die volkomen zaligheid kwamen hun telkens tranen in de oogen. Een vertreden insect, een uit een nestje gevallen veder, een gebroken tak wekte hun medelijden, en hun verrukking, met een zachte droefgeestigheid gemengd, scheen zich gaarne in tranen lucht te geven. Het verhevenste verschijnsel der liefde is een verteedering, die soms schier ondragelijk is.
En bij dat alles--al deze tegenstrijdigheden zijn het bliksemspel der liefde--schertsten zij gaarne en met bekoorlijke vrijmoedigheid, en zoo vertrouwelijk, dat het vaak scheen alsof zij twee knapen waren. Maar, hoewel het van kuischheid dronken hart zich vergeet, de natuur is er steeds en vergeet zich niet. Zij is er met haar tevens laag en verheven doel; en hoe groot de onschuld der zielen zijn moge, men gevoelt in het meest kuische vertrouwelijk bijeenzijn, het wonderbaar en geheimzinnig onderscheid tusschen een paar gelieven en een paar vrienden.
Zij aanbaden elkander.
Het gestadige en onveranderlijke blijft. Men bemint, glimlacht, schertst, raakt elkander even met de lippen aan, spreekt gemeenzaam, en meent dat het eeuwig duren zal. Twee gelieven verbergen zich in den avond, in de schemering, in het onzichtbare, met de vogels, met de rozen; zij betooveren elkander in de schaduw met hun harten, welke zij in hun oogen leggen; zij fluisteren en zuchten, en middelerwijl wentelen de sterren rustig in het onmetelijke over hen heen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE BEDWELMING VAN HET VOLMAAKTE GELUK.
Zoo leefden zij, zich zelven onbewust, in het geluk. Zij merkten niets op van de cholera, die juist in deze maand Parijs teisterde. Zij hadden elkander alles toevertrouwd wat zij konden, doch dit was niet veel meer geweest dan hun namen. Marius had aan Cosette gezegd, dat hij een wees was en Marius Pontmercy heette, dat hij advocaat was en van het schrijven voor de drukpers leefde, dat zijn vader kolonel, en een held, was geweest, en dat hij, Marius, in onmin leefde met zijn grootvader, die rijk was. Hij had haar ook terloops te kennen gegeven, dat hij baron was; maar dit had op Cosette niet den minsten indruk gemaakt. Marius, een baron? Dat had zij niet begrepen. Zij wist niet, wat dit woord beteekende. Marius was Marius. Van haar kant had zij hem medegedeeld, dat zij in het klooster van Klein Picpus was opgevoed, dat haar moeder overleden was, evenals de zijne, dat haar vader Fauchelevent heette, dat hij zeer goed was, dat hij veel aan de armen gaf, hoewel zelf arm zijnde, en hij zich van alles onthield, ten einde haar niets te onthouden.
't Was zonderling, dat in de soort van symphonie, waarin Marius leefde, sedert hij Cosette zag, het verledene, zelfs het jongst verledene, zoo verward en verwijderd voor hem scheen, dat, wat Cosette hem verhaalde, hem volkomen bevredigde. Hij dacht er zelfs niet aan, haar van het nachtelijk avontuur in de woning van Thénardier te spreken, van de branding met het gloeiend ijzer en van de vreemde houding en zonderlinge vlucht haars vaders. Marius had dit alles voor het oogenblik vergeten; hij wist zelfs 's avonds niet wat hij 's morgens gedaan had, noch waar hij ontbeten, noch met wie hij gesproken had, er klonken tonen in zijn oor, die hem voor alle andere gedachten doof maakten; hij leefde slechts in de uren dat hij Cosette zag. Wijl hij dan in den hemel was, vergat hij natuurlijk de aarde. Beide torsten smachtend den onbeschrijfelijken last van den onstoffelijken wellust. Zóó leven die slaapwandelaars, welke men verliefden noemt.
Helaas! wie heeft niet al deze dingen ondervonden? Waarom komt er een uur, dat men dezen hemel verlaat; en waarom duurt het leven dan nog langer?
Beminnen vervangt bijna het denken. De liefde is een vurige vergetelheid van al het overige. Vraag dus geen logica van den hartstocht. Er is evenmin een logische samenhang in het menschelijk hart als er een volkomen geometrische figuur in den bouw van het heelal bestaat. Voor Cosette en Marius bestond niets anders dan Marius en Cosette. De wereld om hen was in een kuil verzonken. Zij leefden in een gouden minuut. Niets was er vóór of achter hen. Nauwelijks dacht Marius er aan, dat Cosette een vader had. De bedwelming had in zijn hersens alles uitgewischt. Waarover spraken dan deze gelieven? Men heeft het gezien, over bloemen, over zwaluwen, over de ondergaande zon, over de opgaande maan, over dergelijke gewichtige dingen. Zij hadden elkander alles gezegd, behalve alles. Het alles der minnenden is het niets. Maar de vader, de wezenlijkheid, dat hol, die bandieten, dat avontuur, wat zou dat alles? was het wel zeker dat deze nachtmerrie bestaan had? Zij waren met hun beiden, zij beminden elkander, niets was er meer noodig. Al het overige bestond niet. 't Is duidelijk, dat deze verdwijning der hel achter ons, onafscheidelijk is van de intrede in het paradijs. Heeft men duivelen gezien? zijn er die? heeft men gebeefd? heeft men geleden? Men weet er niets meer van. Er ligt een rozige wolk over.
Alzoo leefden deze twee wezens in het zeer verhevene, met al de onwaarschijnlijkheid, welke in de natuur is; noch in het toppunt, noch in het voetpunt, tusschen den mensch en den seraf, boven het slijk, onder den ether, in de wolken; nauwelijks vleesch en been, ziel en verrukking van het hoofd tot de voeten, reeds te verhemeld om op aarde te gaan, nog met te veel menschelijks beladen om in het azuur te verdwijnen, zwevende als stofdeeltjes; schijnbaar buiten bereik, onbezorgd om het gisteren, het heden en het morgen; in verrukking, verbleekend, zwevend, soms vluchtig genoeg voor het oneindige; schier gereed voor de eeuwige vlucht.
Zij sliepen wakend in deze dommeling. O heerlijke sluimering van het wezenlijke, geheel in het ideale!
Hoe schoon Cosette ook was, sloot Marius soms de oogen voor haar. Met gesloten oogen aanschouwt men de ziel het best.
Marius en Cosette vroegen zich niet, waarheen dit hen voeren zou. Zij achtten zich reeds aangekomen. 't Is een zonderlinge begeerte der menschen, te willen, dat de liefde naar iets voeren zal.
DERDE HOOFDSTUK.
BEGIN DER SCHADUW.
Jean Valjean vermoedde zijnerzijds niets.
Cosette, iets minder mijmerend dan Marius, was vroolijk, en dit was voor Jean Valjeans geluk voldoende. De gedachten, welke Cosette bezig hielden, haar liefdebekommeringen, de beeltenis van Marius welke haar hart vervulde, ontnamen niets aan de onvergelijkbare reinheid van haar schoon, kuisch en glimlachend voorhoofd. Zij was in die jaren dat de maagd haar liefde draagt, gelijk de engel zijn lelie. Jean Valjean was dus gerust. Trouwens, wanneer twee gelieven elkander verstaan, gaat alles steeds goed, een derde persoon, die hun liefde zou kunnen storen, wordt in de volkomenste blindheid gehouden door enkele, weinige voorzorgen, die voor alle gelieven steeds dezelfde zijn. Ook maakte Cosette Jean Valjean nimmer tegenwerpingen. Wilde hij wandelen? Goed, vadertje. Wilde hij te huis blijven? Best. Wilde hij den avond bij Cosette doorbrengen? Het verheugde haar. Wijl hij zich dan immer te tien uren 's avonds verwijderde, kwam Marius niet dan na dit uur in den tuin, wanneer hij, op de straat, Cosette de glazendeur hoorde openen. Het spreekt vanzelf dat men des daags Marius nooit zag. Jean Valjean dacht er zelfs niet meer aan, dat Marius bestond. Maar eens op een morgen zeide hij tot Cosette: "Zie, ge zijt geheel wit op den rug!" Den vorigen avond had Marius in zijn verrukking Cosette tegen den muur gedrukt.
Vrouw Toussaint, die gewoon was vroeg ter rust te gaan, dacht, zoodra haar werk verricht was, aan niets dan om te slapen, en wist evenmin iets als Jean Valjean.
Nooit zette Marius den voet in het huis. Wanneer hij bij Cosette was, verscholen beiden zich in een hoek bij de stoep, ten einde van de straat noch gezien noch gehoord te worden, en daar zetten zij zich neder. In plaats van te spreken stelden zij zich vaak tevreden met elkander twintigmalen in de minuut de hand te drukken, terwijl ze naar de takken der boomen zagen. Indien op zulk een oogenblik de bliksem dertig voeten van hen gevallen ware, zouden zij het niet opgemerkt hebben, zoozeer was de eene in de mijmering van den ander verzonken.
Doorschijnende helderheid. Sneeuwwitte uren; schier alle gelijk! Zulk een liefde is een mengsel van leliebladeren en duivenvederen.
De geheele tuin lag tusschen hen en de straat. Telkens wanneer Marius in- en uitging, zette hij zorgvuldig de tralie van het hek weder terecht, zoodat niets merkbaar was.
Gewoonlijk verwijderde hij zich tegen middernacht en keerde tot Courfeyrac terug. Deze zeide tot Bahorel:
"Kunt ge het gelooven? Marius komt tegenwoordig te een uur 's morgens te huis."
Bahorel antwoordde:
"Wat zal ik zeggen! men kan de vromen nooit vertrouwen."
Soms sloeg Courfeyrac de armen over de borst en zeide met een ernstig gebaar tot Marius:
"Gij wordt een losbol, jongmensch!"
Courfeyrac, een practisch mensch, nam dien weerschijn van een onzichtbaren hemel bij Marius niet in een goeden zin op; hij was aan dergelijke hartstochten niet gewoon; hij werd er ongeduldig om en vermaande Marius dikwijls tot het wezenlijke weder te keeren. Op zekeren morgen hield hij deze toespraak tot hem:
"Mijn waarde, 't schijnt mij alsof ge tegenwoordig in de maan zijt, in het koninkrijk Droomen, provincie Hersenschimmen, hoofdstad Zeepbel. Kom, biecht eens eerlijk op; hoe heet zij?"
Maar niets was in staat Marius te "doen spreken." Hij had zich liever de nagels laten ontscheuren dan een der drie geheiligde lettergrepen, waaruit deze onuitwischbare naam Cosette bestond. De ware liefde is lichtend als het morgenrood, en stil als het graf. Courfeyrac vond Marius slechts hierin veranderd, dat hij een schitterende stilzwijgendheid bezat.
Gedurende deze liefelijke maand Mei leerden Marius en Cosette de volgende onmetelijke zaligheden kennen:
Te twisten en elkander mijnheer en mejuffrouw te noemen, alleenlijk om een oogenblik later met te meer genot weder vertrouwelijk met elkander te zijn;
Lang en tot in de kleinste bijzonderheden over lieden te spreken, waarin zij niet het minste belang ter wereld stelden; een bewijs te meer dat in de bekoorlijke opera, welke men de liefde noemt, de tekst bijna niets is;
Voor Marius: Cosette over kleedertooi te hooren praten;
Voor Cosette: Marius over politiek te hooren spreken;
Knie tegen knie, de rijtuigen in de Babelstraat te hooren rollen;
Dezelfde planeet in het uitspansel, of denzelfden glimworm in het gras te aanschouwen;
Samen te zwijgen; een nog grooter genoegen dan te praten;
Enz., enz.
Ondertusschen naderden verscheidene verwikkelingen.
Op een avond begaf Marius zich naar de samenkomst langs den boulevard des Invalides; als gewoonlijk ging hij met gebogen hoofd. Toen hij om den hoek der straat Plumet ging, hoorde hij in zijn nabijheid zeggen:
"Goeden avond, mijnheer Marius."
Hij richtte het hoofd op en herkende Eponine.
Dit maakte een zonderlingen indruk op hem. Hij had geen enkelen keer meer aan dit meisje gedacht sedert den dag dat zij hem naar de straat Plumet had gevoerd; hij had haar niet weder gezien en zij was geheel uit zijn gedachte verdwenen. Hij had alle reden om dankbaar jegens haar te zijn, hij had haar zijn tegenwoordig geluk te danken, en evenwel hinderde 't hem haar te ontmoeten.
Men dwaalt, wanneer men meent dat de liefde, zoo zij gelukkig en zuiver is, den mensch tot een staat van volmaaktheid brengt; zij brengt hem eenvoudig, zooals wij hebben aangetoond, tot een staat van vergetelheid. In dien toestand vergeet de mensch slecht te zijn, maar hij vergeet ook goed te zijn. De dankbaarheid, de plicht, de wezenlijke en onaangename herinneringen verdwijnen. In ieder anderen tijd zou Marius geheel anders voor Eponine zijn geweest. Geheel van Cosette vervuld, had hij zich zelfs niet duidelijk rekenschap gegeven, dat deze Eponine Thénardier heette, en zij een naam droeg, die in het testament zijns vaders stond geschreven, een naam, voor welken hij zich, eenige maanden vroeger, met zooveel vuur zou opgeofferd hebben. Wij schetsen Marius gelijk hij was. Zelfs zijn vader verdween een weinig uit zijn ziel voor den glans zijner liefde.
Hij antwoordde eenigszins verlegen:
"Ha, zijt gij 't Eponine?"
"Hoe zijt gij zoo deftig jegens mij? Heb ik u iets misdaan?"
"Neen," antwoordde hij.
Hij had werkelijk niets tegen haar: integendeel. Maar hij gevoelde, dat hij niet anders doen kon; nu hij zoo gemeenzaam met Cosette sprak, kon hij dit onmogelijk met Eponine doen.
Wijl hij zweeg, riep zij:
"Zeg eens...."
Toen zweeg zij. Het scheen, dat thans de woorden ontbraken aan dit anders zoo onbeschroomde en stoutmoedige meisje. Zij wilde glimlachen, maar kon niet. Zij hernam:
"Nu?"
Toen zweeg zij weder en hield haar oogen nedergeslagen.
"Goeden avond, mijnheer Marius," zeide zij plotseling en ging heen.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE HOND.