De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Part 12

Chapter 123,827 wordsPublic domain

"Ik heet Marius," zeide hij. "En gij?"

"Ik heet Cosette."

BOEK VI.

DE KLEINE GAVROCHE.

EERSTE HOOFDSTUK.

ONDEUGENDE STREEK VAN DEN WIND.

Terwijl sedert 1823, de kroeg te Montfermeil allengs verzonk, niet in den afgrond van een bankroet, maar in het moeras van kleine schulden, hadden de echtelieden Thénardier nog twee kinderen, beiden knaapjes, gekregen; zoodat zij nu twee dochters en drie jongens hadden. Dit was veel.

Vrouw Thénardier had zich van de twee laatsten, toen zij nog zeer jong en klein waren, op gelukkige wijze ontslagen.

Ontslagen is het eigenlijke woord. Deze vrouw had nog slechts een klein overblijfsel van natuur--een verschijnsel, waarvan trouwens meer voorbeelden zijn. Evenals de maarschalksvrouw de Lamothe-Houdancourt, was vrouw Thénardier slechts moeder voor haar dochters. Daar eindigde haar moederschap. Haar haat tegen het menschelijk geslacht begon bij haar zoons. Haar boosaardigheid tegen haar zoons had den hoogsten top bereikt en voor hen had haar hart een ongenaakbare steilte. Men heeft gezien, dat zij den oudsten haatte; zij verfoeide de beide anderen. Waarom? Daarom. Het vreeselijkste aller motieven, en het onwederlegbaarste aller antwoorden is: dáárom.--Ik heb geen troep kinderen noodig, zei de moeder.

Verklaren wij, hoe het den Thénardiers gelukt was, zich van hun twee laatste kinderen te ontlasten en er zelfs voordeel van te trekken.

De ongetrouwde Magnon, van wie reeds vroeger gesproken is, was dezelfde, die van den ouden heer Gillenormand een geldelijke toelage voor haar twee kinderen had weten te verkrijgen. Zij woonde op de kade des Célestins, op den hoek der oude straat du Petit-Musc (Kleine Muskusstraat), welke deed wat zij kon om aan haar slechten naam een goeden reuk te geven. Men herinnere zich de groote kroep-epidemie, welke vijf-en-dertig jaren geleden de wijken aan den oever der Seine te Parijs teisterde, en waarvan de wetenschap gebruik maakte om op groote schaal de inblazingen met aluin te beproeven, welke thans zoo doelmatig door uitwendige inwrijving van jodium vervangen worden. In deze epidemie verloor Magnon haar beide nog zeer jonge knaapjes, het eene des morgens, het andere des avonds. 't Was een harde slag. Deze kinderen waren voor hun moeder kostbaar, zij vertegenwoordigden tachtig francs 's maands. Deze tachtig francs werden prompt uitbetaald namens den heer Gillenormand, door zijn rentmeester, den heer Barge, oud-deurwaarder in de straat du Roi de Sicile.

Met de kinderen zou ook de rente begraven zijn. Maar Magnon zocht een redmiddel. In deze geheimzinnige vrijmetselarij van het kwaad, waartoe zij behoorde, weet men alles, bewaart men elkanders geheimen, en helpt elkander. Magnon had twee kinderen noodig, vrouw Thénardier had er twee, van hetzelfde geslacht, van denzelfden leeftijd. Voor de eene was 't een goed redmiddel, voor de andere een goede plaatsing. De kleine Thénardiers werden kleine Magnons. Vrouw Magnon verhuisde van de kade des Celestins naar de straat Cloche Perce. Te Parijs wordt men, door de verhuizing van de eene straat naar de andere, een geheel ander mensch.

Aan den burgerlijken stand werd van niets bericht, hij vroeg dus niets en de vervanging der kinderen ging op de eenvoudigste wijze in haar werk.

Maar Thénardier eischte voor deze kinderleening tien francs 's maands, welke Magnon beloofde en ook betaalde. Het spreekt vanzelf, dat de heer Gillenormand voortging met betalen. Iedere zes maanden ging hij de kinderen eens zien. Hij merkte de verwisseling niet op, en Magnon zeide: "Wat gelijken ze sprekend op u, mijnheer!"

Thénardier, voor wien veranderingen gemakkelijk waren, maakte van deze gelegenheid gebruik om Jondrette te worden. Zijn twee dochters en Gavroche hadden nauwelijks den tijd gehad op te merken, dat zij twee broertjes hadden. In een zekeren graad van armoede wordt men voor alles onverschillig en men ziet wezens voor larven aan. De naaste verwanten zijn als onduidelijke schaduwgestalten, die nauwelijks in de nevelen des levens te onderscheiden zijn en zich gereedelijk met het onzichtbare vermengen.

Den avond van den dag, toen zij aan Magnon de twee kinderen had afgeleverd, met den bepaalden wil er voor altijd van af te zien, had vrouw Thénardier gewetensbezwaar gevoeld, of geveinsd te gevoelen. Zij had tot haar man gezegd: "Maar 't is zijn kinderen te verlaten!" Op een meesterachtigen en koelen toon brandde Thénardier dit bezwaar uit, door te zeggen: "Jean Jacques Rousseau heeft niet minder gedaan!" Van het gewetensbezwaar was de moeder nu tot ongerustheid overgegaan. "Maar zoo de politie ons kwam lastig vallen? Spreek, Thénardier, is 't geen wij gedaan hebben geoorloofd?"--Thénardier antwoordde: "Alles is geoorloofd. Niemand zal er iets van vernemen. Bovendien heeft er niemand eenig belang bij, nauwkeurig toe te zien bij kinderen, die niets in de wereld bezitten."

Magnon was eenigerwijs een elegante misdadigster. Zij kleedde zich naar de mode, en deelde haar woning, die met een kale bluf gemeubeld was, met een sluwe Engelsche dievegge, die française was geworden. Deze Engelsche genaturaliseerde Parijsche vrouw, aanbevelenswaard wegens zeer rijke betrekkingen, innig verbonden met de medailles der bibliotheek en de diamanten van Mlle Mars, werd later berucht in verscheidene processen. Men noemde haar mamselle Miss.

De twee aan Magnon toegevallen kinderen hadden zich niet te beklagen. Uit hoofde der tachtig francs werden zij ontzien, zooals alles waarvan men voordeel heeft, niet slecht gekleed, niet slecht gevoed, schier als jongeheeren, en beter door de valsche dan door de ware moeder behandeld. Magnon speelde de dame en sprak de dieventaal niet in hunne tegenwoordigheid.

Zoo verstreken eenige jaren. Thénardier verwachtte er alles goeds van. Op zekeren dag zeide hij tot Magnon, die hem de zesmaandelijksche tien francs ter hand stelde: "De "vader" zal hun toch een opvoeding moeten geven."

Maar deze twee arme kinderen, tot hiertoe, zelfs door hun slecht lot, vrij goed beschermd, werden plotseling in het leven geworpen en gedwongen het te beginnen.

Eene inhechtenisneming op groote schaal van booswichten als die in Jondrettes verblijf, welke noodwendig navorschingen en verdere gevangennemingen ten gevolge moest hebben, is een wezenlijke ramp voor deze afschuwelijke geheime maatschappij die onder de openbare maatschappij woont; zulk een avontuur sleept allerlei instortingen in die donkere wereld mede. Het ongeluk van Thénardier veroorzaakte Magnons ongeluk.

Op zekeren dag, korten tijd nadat Magnon aan Eponine het briefje betreffende de straat Plumet had overhandigd, werd onverhoeds door de politie in de straat Cloche Perce huiszoeking gedaan; Magnon werd gevat, insgelijks mamselle Miss, en al de bewoners van het huis, die verdacht waren, vielen in het net. De twee knaapjes speelden ondertusschen op een achterplaats en zagen niets van de overrompeling. Toen zij weder naar binnen wilden gaan, vonden zij de deur gesloten en het huis ledig. De schoenlapper uit een pothuis aan de overzijde riep hen en gaf hun een papier dat "hun moeder" voor hen had achtergelaten. Op dat papier stond het adres: Mijnheer Barge, rentmeester in de straat du Roi de Sicile, No. 8. De schoenlapper zeide tot hen: "Ge woont hier niet meer. Gaat daarheen. 't Is dichtbij. De eerste straat links. Vraag met dit papier naar den weg."

De kinderen gingen, terwijl het oudste het jongste leidde, met het papier in de hand, dat hun gids moest zijn. 't Was koud, en zijn verdoofde vingers konden het papier nauwelijks houden. Aan den hoek der steeg Cloche Perce, ontrukte een windvlaag het hem, en wijl 't donker werd, kon het knaapje het papier niet wedervinden.

Op goed geluk af doolden zij nu door de straten.

TWEEDE HOOFDSTUK.

HOE DE KLEINE GAVROCHE ZICH NAPOLEON DEN GROOTE TEN NUTTE MAAKT.

Te Parijs heerschen in de lente meestal gure, scherpe noordenwinden, die wel niemand doen bevriezen, maar toch vinnig koud zijn; deze noordenwinden, die de schoonste dagen onaangenaam maken, doen volkomen dezelfde uitwerking als de koude tochtwind, die door de reten van een venster of van een slecht gesloten deur een warme kamer binnendringt. Het schijnt, alsof de sombere winterdeur op een reet is gebleven en de wind er door komt. In de lente van 1832, op het tijdstip toen de eerste groote epidemie dezer eeuw in Europa uitbrak, waren deze noordenwinden guurder en scherper dan ooit. Een nog koudere deur dan die van den winter scheen open te zijn. 't Was die van het graf. Men voelde in die noordenwinden den adem der cholera.

Uit het weerkundig gezichtspunt gezien, hadden deze winden het eigenaardige, dat zij van een zeer sterke electrische spanning vergezeld waren. In dien tijd waren stormen met donder en bliksem veelvuldig.

Op zekeren avond, dat het op deze wijze scherp koud was, zoo zelfs dat het scheen of Januari was wedergekeerd, en dat de menschen hun overkleeren weer droegen, stond de kleine Gavroche, steeds vroolijk onder zijn lompen, bibberend, als in verrukking, voor den winkel van een kapper en barbier in den omtrek van l'Orme-Saint-Gervais. Hij was versierd met een wollen sjaal, die hij op de eene of andere wijs gekregen en als een cachenez omgeslagen had. De kleine Gavroche scheen met diepe bewondering een dame van was te begluren, die in een zeer laag uitgesneden kleed en met oranje bloemen gekapt, achter het glasvenster draaide en tusschen twee lampen den voorbijgangers haar glimlach toewierp, maar werkelijk beloerde hij den winkel om te zien, of hij niet van de toonbank een stuk zeep kon kapen, 't welk hij vervolgens voor een sou aan een barbier in de voorstad zou verkoopen. Het gebeurde hem dikwijls, dat hij op deze wijze aan een ontbijt kwam. Hij noemde dit werk, voor hetwelk hij een bijzonder talent had "de barbiers scheren."

Terwijl hij de dame bewonderde en het stuk zeep begluurde, bromde hij binnensmonds: "Dinsdag--'t is immers geen Dinsdag.--Is het Dinsdag?.. 't Is misschien Dinsdag.--Ja, 't is Dinsdag."

Men is nooit te weten gekomen, waarop deze alleenspraak zinspeelde.

Zoo deze woorden soms den laatsten keer aanduidden, dat hij gegeten had, dan was dit drie dagen geleden, want het was nu Vrijdag.

De barbier schoor iemand in zijn door een kachel verwarmden winkel, en sloeg nu en dan een zijdelingschen blik op dien vijand, op dien bibberenden, onbeschaamden straatjongen, die beide handen in zijn zakken had, maar zeker iets anders in het oog.

Terwijl nu Gavroche de wassen dame, de uitstalling en de Windsor-zeep begluurde, draaiden twee knaapjes van ongelijke grootte, tamelijk goed gekleed en veel kleiner dan hij, het eene schijnbaar zeven, het andere vijf jaar oud, bedeesd de deurkruk om en traden den winkel binnen om iets te vragen, misschien een aalmoes, en wel op zulk een jammerenden toon dat het eer een smeeking dan een verzoek geleek. Zij spraken beiden tegelijk, en hun woorden waren onverstaanbaar, wijl het gesnik van den jongsten knaap zijn stem smoorde en de koude de tanden van den oudsten deed klapperen. De barbier wendde zich om met verstoord gezicht, en, zonder zijn scheermes neder te leggen, schoof hij den oudsten met de linkerhand en den jongsten met de knie weder op de straat en sloot zijn deur, zeggende:

"Zij brengen voor niemendal de koude in huis!"

De knaapjes gingen schreiend verder. Intusschen was een bui opgekomen; 't begon te regenen.

De kleine Gavroche liep hen na en vroeg hen:

"Wat deert u, dreumesen?"

"Wij weten niet, waar wij slapen zullen," antwoordde de oudste.

"Is 't niets anders?" zei Gavroche. "Dat is zoo erg niet. Moet gij daarom schreien? Ge zijt immers geen kanarievogeltjes?"

Toen hernam hij, een gewichtige houding aannemende, doch op een toon van teeder gezag en vriendelijke bescherming:

"Komt mede, kleinen!"

"Ja, mijnheer," antwoordde de oudste.

Beide knaapjes volgden hem nu zoo eerbiedig, alsof zij een aartsbisschop volgden. Zij weenden niet meer.

Gavroche voerde hen door de straat St. Antoine naar den kant der Bastille.

Onder 't gaan sloeg Gavroche een vergramden blik op den barbierswinkel terug, en mompelde:

"Hij heeft geen gevoel, die schelvisch. 't Is een Engelschman."

Een meisje, dat hen met hun drieën achter elkaar zag gaan, Gavroche aan 't hoofd, begon luid te lachen. Dat gelach gaf weinig eerbied voor de groep te kennen; en Gavroche zeide tot haar:

"Dag, mamsel Omnibus."

Een oogenblik later kwam de barbier hem weder in de gedachte, en hij voegde er bij:

"Ik vergiste mij in het beest; 't is geen schelvisch, maar een slang. Kapper, ik zal u een ratel aan uw staart laten maken."

De kapper had hem baldadig gemaakt. Over een goot springende, riep hij tot een gebaarde portierster, die waardig was geweest Faust op den Bloksberg te ontmoeten, en een bezem in de hand had:

"Zoo madam, gaat gij op uw paard uit?"

Daarop bespatte hij met slijk de glimmende laarzen van een voorbijganger.

"Kwâjongen!" riep de voorbijganger toornig.

Gavroche stak zijn neus uit de sjaal en zeide:

"Waarover klaagt mijnheer?"

"Over u," was het antwoord.

"Het bureau is gesloten," zei Gavroche. "Ik ontvang geen klachten meer."

Ondertusschen ging hij verder de straat op, en zag, onder een koetspoort, als bevrozen, een dertien- of veertienjarige bedelares, wier rokje zoo kort was, dat men haar knieën zag. Het meisje werd er te groot voor. De groei speelt dergelijke streken. Het onderrokje wordt kort, terwijl de naaktheid onzedelijk wordt.

"Arm meisje," zei Gavroche; "'t heeft niet eens een broek. Hier, neem dit."

En den warmen wollen doek losmakende, dien hij om den hals had, wierp hij dien op de magere blauwe schouders der bedelares, zoodat de cache-nez weder een sjaal werd.

Het meisje zag hem met verbazing aan en ontving zwijgend de sjaal. Tot een zekeren graad van ellende gekomen, klaagt de arme in zijn vertwijfeling niet meer over zijn nood, en dankt niet meer voor het goede.

Hierna liet Gavroche, kouder dan Sint-Marten, die ten minste de helft van zijn mantel behield, een brrr! hooren.

Na dit brrr! nam de regen toe en viel in stroomen neer. Zoo straft een slechte hemel de goede daden.

"Nu," riep Gavroche; "wat moet dit beteekenen? Het regent weder. Goede God, als het zoo voortgaat, zeg ik mijn abonnement op."

En hij ging verder.

"Om 't even," hernam hij, een blik op de bedelares slaande, die zich in de sjaal wikkelde; "zij heeft nu een goede pels."

En naar de wolken ziende, riep hij:

"Gesnapt!"

De twee kinderen volgden hem op de hielen.

Toen zij voorbij een dier getraliede vensters gingen, die een bakkerswinkel aanduiden, want men legt het brood evenals het goud achter ijzeren traliën, keerde Gavroche zich om en vroeg:

"Wel, kabouters, hebt ge gegeten?"

"Mijnheer," antwoordde de oudste, "wij hebben niet gegeten sinds van morgen."

"Gij hebt dus geen vader of moeder?" hernam Gavroche met majesteit.

"Verschooning, mijnheer, wij hebben een papa en mama, maar weten niet, waar zij zijn..."

"Dit is vaak beter dan 't wel te weten," zei Gavroche, die een denker was.

"Wij zijn nu reeds twee uur op straat," hernam de oudste, "wij hebben aan alle hoeken gezocht, maar niets kunnen vinden."

"Ja, ja," zei Gavroche; "de honden verslinden alles."

Na eenig zwijgen hernam hij:

"Ha, gij hebt uw ouders verloren; gij weet niet waar zij zijn; dat mag niet, jongens. 't Is dom, bejaarde lieden verloren te laten gaan. Maar men moet zich overal weten uit te redden."

Hij vroeg hun overigens niets. 't Was voor hem iets zeer eenvoudigs, geen onderkomen te hebben!

De oudste der twee knapen, die schier de onbezorgdheid der kindsheid had teruggekregen, riep:

"'t Is toch raar. Mama had ons beloofd, op Palmzondag gewijde palm met ons te gaan halen."

"Gekheid!" antwoordde Gavroche.

"Mama," hernam de oudste, "is een dame, die met Mamselle Miss woont."

"Falderala," hernam Gavroche.

Intusschen was hij blijven staan en tastte en zocht sinds eenige oogenblikken in alle zakken en gaten, die zijn plunje kon hebben.

Eindelijk richtte hij het hoofd weder op, met een gebaar, dat slechts tevredenheid wilde toonen, maar werkelijk triumfeerend was.

"Weest gerust, mijn jongens. Ik heb hier iets, waarvoor wij alle drie ons avondeten kunnen krijgen."

En uit een zijner zakken haalde hij een sou.

Zonder aan de twee kleinen den tijd te gunnen zich te verbazen, duwde hij ze voor zich uit in den bakkerswinkel, en den sou op de toonbank leggende, riep hij:

"Hola, voor vijf centimes brood."

De bakker nam een brood en een mes.

"In drie stukken, baas," hernam Gavroche, en voegde er deftig bij: "wij zijn met ons drieën."

Toen hij nu zag, dat de bakker, na de drie klanten aanschouwd te hebben, een zwart brood nam, stak hij zijn vinger diep in den neus en snoof zoo sterk, alsof hij het snuifje van Frederik den Groote op zijn duim had gehad, en snauwde den bakker met verontwaardiging toe:

"Wat moet dat beduiden?"

De bakker antwoordde:

"Wel 't is brood, zeer goed brood van de tweede kwaliteit."

"Ge wilt zeggen zwart brood," hernam Gavroche met rustige, koele verachting. "Wit brood, baas! Ik trakteer!"

De bakker glimlachte onwillekeurig, terwijl hij het wit brood sneed, en zag hen met een medelijdenden blik aan, die Gavroche beleedigde.

"Nu, bakker," zeide hij, "waarom kijkt ge ons zoo aan?"

Op elkander gezet zouden zij nauwelijks een el groot zijn geweest.

Toen het brood gesneden was, nam de bakker den sou en Gavroche zeide tot de twee kinderen:

"Pruimt nu."

De knaapjes zagen hem verlegen aan.

Gavroche glimlachte, "'t Is waar," zeide hij, "zij zijn nog te klein om het te begrijpen."

En hij hernam: "Eet."

En hij reikte beiden een stuk brood.

Meenende, dat de oudste eenige bijzondere aanmoediging behoefde om zonder verlegenheid zijn honger te bevredigen, gaf hij hem het grootste stuk, zeggende: "Ziedaar, stop dit in de maag."

Van de twee overige stukken hield hij het kleinste voor zich.

De arme kinderen hadden honger, Gavroche niet minder. Terwijl zij smakelijk in het brood beten, bleven zij in den winkel van den bakker, die, nu hij betaald was, hen weg wenschte.

"Laat ons op de straat terugkeeren," zei Gavroche.

Zij gingen voort in de richting der Bastille.

Telkens wanneer zij voorbij helder verlichte winkels kwamen, stond de kleinste stil om op een tinnen horloge, dat aan een touwtje om zijn hals hing, te zien hoe laat het was.

"Hij is nog heel kinderachtig," dacht Gavroche.

En in gedachte mompelde hij:

"Om 't even; zoo ik kleinen had, zou ik ze beter bewaren."

Toen zij hun brood bijna op hadden, kwamen zij aan den hoek der zoo treurige straat des Ballets, aan welker einde men de lage sombere poort der gevangenis la Force ziet.

"He! zijt gij 't, Gavroche?" zei iemand.

"Hé, zijt gij 't, Montparnasse?" hernam Gavroche.

't Was iemand, die den straatjongen naderde, en die iemand was geen ander dan Montparnasse, die hoewel vermomd, en met een blauwen bril op, toch door Gavroche herkend werd.

"Verduiveld!" riep Gavroche, "ge ziet er met uw bruine plunje en uw blauwen bril uit als een dokter. Ge zijt knap, oude jongen."

"Stil," zei Montparnasse, "niet zoo luid!"

En haastig trok hij Gavroche uit het licht der winkels.

De twee knaapjes volgden werktuiglijk, elkander bij de hand houdende.

Toen zij onder den donkeren boog eener koetspoort, uit het gezicht en den regen stonden, vroeg Montparnasse:

"Weet ge waar ik heen ga?"

"Naar de abdij van Monte à Regret" [1], zei Gavroche.

"Spotvogel!" hernam Montparnasse. "Ik ga Babet opzoeken."

"Zoo!" zei Gavroche, "heet zij Babet!"

Montparnasse hernam zacht:

"'t Is geen zij, maar een hij."

"Ha, Babet!"

"Ja, Babet."

"Ik meende, dat hij gestrikt was."

"Hij heeft den strik losgemaakt," antwoordde Montparnasse.

En haastig verhaalde hij den straatjongen, dat Babet, dien zelfden dag naar de conciergerie overgebracht zijnde, op den weg naar den rechter van instructie ontvlucht was, door links in plaats van rechts te gaan.

Gavroche bewonderde deze behendigheid.

Montparnasse voegde er eenige bijzonderheden aangaande de vlucht van Babet bij, en zeide:

"O, dat is nog niet alles."

Gavroche had, onder het luisteren, den wandelstok gevat, dien Montparnasse in de hand hield; werktuiglijk had hij aan het boveneinde getrokken, en een dolkkling was te voorschijn gekomen.

"Ha!" zeide hij haastig, den dolk weder inschuivende, "ge hebt uw gendarm, als een burger verkleed, medegebracht."

Montparnasse knipoogde.

"Drommels!" hernam Gavroche, "ge wilt dus met de politie vechten?"

"Men kan niet weten," antwoordde Montparnasse op onverschilligen toon. "'t Is altijd goed, een speld bij zich te hebben."

Gavroche vroeg nu dringender:

"Wat wilt ge dan toch van nacht uitvoeren?"

Montparnasse hernam op ernstigen toon en met nadruk:

"Zaken."

Maar plotseling aan het gesprek een andere wending gevende zeide hij:

"Apropos."

"Wat?"

"Iets dat mij dezer dagen gebeurd is. Verbeeld u; ik ontmoette een burgerman, die mij een preek en een beurs present deed. Ik stak de beurs in mijn zak; een oogenblik later tast ik in mijn zak; er was niets meer in."

"Dan de preek," zei Gavroche.

"Maar waar gaat gij nu toch heen?" vroeg Montparnasse.

Gavroche wees hem op de beide knaapjes, die hij in zijn hoede had genomen, en zeide:

"Ik ga deze kinderen te bed brengen."

"Waar te bed?"

"Bij mij."

"Waar is 't--bij u?"

"Bij mij."

"Ge hebt dus een woning?"

"Ja, ik woon."

"En waar woont ge?"

"In den Olifant," zei Gavroche.

Montparnasse, die uit zijn aard niet licht verwonderd was, riep echter onwillekeurig:

"In den Olifant!"

"Ja, ja, in den Olifant!" hernam Gavroche. "Wat zou dat?"

Deze diepzinnige opmerking van den straatjongen bracht Montparnasse weder tot bedaardheid en overleg. Hij scheen nopens Gavroches woning een betere meening op te vatten.

"Inderdaad," zeide hij, "de Olifant. Is 't er goed?"

"Zeer goed," hernam Gavroche. "Op mijn woord, 't is er prettig. Men heeft er ten minste geen tochtwinden, zooals onder de bruggen."

"Hoe komt ge er?"

"Ik kruip er in."

"Is er dan een gat in?" vroeg Montparnasse.

"Zekerlijk, maar ge moogt er niets van zeggen. 't Is tusschen de voorpooten. De politie-verklikkers hebben 't nog niet gezien."

"En ge klautert omhoog? Ha, nu begrijp ik."

"In een oogwenk is 't gedaan; en niemand is er meer."

Na een pauze, voegde Gavroche er bij:

"Voor deze kleinen moet ik een ladder hebben."

Montparnasse lachte, en vroeg:

"Hoe drommel, komt ge aan die kleinen?"

Gavroche antwoordde eenvoudig:

"'t Zijn snaken, welke een kapper mij present heeft gedaan."

Ondertusschen was Montparnasse ernstig geworden.

"Ge hebt mij dus gemakkelijk herkend?" mompelde hij.

Hij nam uit zijn zak twee kleine voorwerpen, die niets anders dan twee met katoen omwonden penneschachten waren, van welke hij er een in ieder neusgat stak. Dit gaf hem een geheel anderen neus.

"Dat verandert u," zei Gavroche, "nu zijt ge veel minder leelijk; zoo moest ge altijd zijn."

Montparnasse was een mooie, knappe jongen, maar Gavroche was een spotvogel.

"Zonder gekscheren," vroeg Montparnasse, "hoe vindt ge mij?"

Ook zijn stem was veranderd. In een oogenblik was Montparnasse onkenbaar geworden.

"O! nu kunt ge voor Polichinel spelen!" riep Gavroche.

De beide knaapjes, die tot hiertoe niet geluisterd hadden, wijl zij zelf bezig waren hun vingers in den neus te steken, traden op 't hooren van dien naam dichter bij, en zagen Montparnasse met blijdschap en verwondering aan.

Ongelukkig was Montparnasse ongerust.

Hij legde de hand op Gavroches schouder en zeide, op ieder woord drukkende:

"Luister, jongen, naar 't geen ik u zeg: zoo ik op de plaats was met mijn dog, mijn dolk en mijn mes, en men gaf mij drie sousstukken, zou ik niet weigeren er mede te werken, maar 't is heden geen vastenavond."