De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Part 11

Chapter 114,056 wordsPublic domain

Toen zij wilde gaan zitten, zag zij op de plaats, welke zij verlaten had, een tamelijk grooten steen, die er stellig het oogenblik te voren niet geweest was.

Cosette beschouwde dien steen en vroeg bij zich zelve, wat hij beteekenen moest.

Eensklaps rees bij haar de gedachte op, dat deze steen niet vanzelf op de bank was gekomen, dat iemand er hem had neergelegd, dat een arm door het hek was gestoken; deze gedachte beangstigde haar. Ditmaal was het wezenlijke angst; want de steen was er. Twijfel was niet mogelijk. Zij raakte den steen niet aan, vluchtte zonder om te zien, vlood het huis in en sloot dadelijk de glazen deur aan de stoep met luik, grendel en keten. Toen vroeg zij aan vrouw Toussaint:

"Is mijn vader te huis gekomen?"

"Nog niet, mejuffrouw."

(Wij hebben reeds gezegd, dat vrouw Toussaint stotterde. Men veroorlove ons er niet op terug te komen. Het stuit ons de wanklanken van een menschelijk spraakgebrek terug te geven).

Jean Valjean, een denker en nachtelijk wandelaar, kwam vaak 's avonds zeer laat te huis.

"Vrouw Toussaint," hernam Cosette, "gij zorgt er immers wel voor, des avonds de vensters aan de tuinzijde zorgvuldig te sluiten en er behoorlijk de grendels en knippen voor te schuiven?"

"O, wees gerust, mejuffrouw!"

Vrouw Toussaint verzuimde dit niet, en Cosette wist het, evenwel kon zij 't niet laten er bij te voegen:

"Want het is hier in den omtrek zeer eenzaam."

"Inderdaad," zei vrouw Toussaint, "'t is waar. Men zou vermoord zijn, zonder hulp te hebben kunnen roepen! Daar komt bij, dat mijnheer niet in het huis slaapt. Maar vrees niet, mejuffrouw, ik sluit de vensters als een vesting. Vrouwen alleen! ik geloof wel, dat men dan een weinig angstig mag zijn! Stel u eens voor, 's nachts mannen in uw kamer te zien komen, die tot u zeggen: "Zwijg," en u den hals afsnijden. 't Is niet om het sterven, men sterft, en daarmee afgedaan, men weet dat men sterven moet, maar 't is een gruwel zich door zulke lieden aangeraakt te voelen. En dan hun messen; ach God! zij moeten wel slecht snijden!"

"Zwijg," zei Cosette. "Sluit alles goed."

Cosette, verschrikt door het tooneel, 't welk vrouw Toussaint haar voorstelde en misschien ook door de herinnering aan de verschijningen der vorige week, durfde zelfs niet zeggen: "Ga den steen eens zien, dien men op de bank heeft gelegd," uit vrees van de tuindeur te openen, en de mannen te zien binnenkomen. Zij liet overal zorgvuldig de deuren en vensters sluiten, het huis, van den kelder tot den zolder, door vrouw Toussaint onderzoeken, sloot zich op in haar kamer, grendelde haar deur, keek onder het bed, legde zich ter rust, maar sliep slecht. Den ganschen nacht zag zij den steen, zoo groot als een berg en vol akelige holen.

Bij zonsopgang--het eigenaardige der opkomende zon is, dat zij ons over al onze angsten van den nacht doet lachen, en dit lachen is steeds in evenredigheid van de vrees, welke men gehad heeft--bij zonsopgang dus beschouwde Cosette, toen zij ontwaakte, haar angst als een benauwden droom, en zeide bij zich zelve: "Hoe kon ik toch zoo beangst zijn? 't Is eveneens als met de voetstappen, welke ik verleden week des nachts in den tuin meende te hooren! eveneens als met de schaduw van de kachelpijp! Zou ik nu lafhartig worden?" De zon, die door de reten der vensterluiken haar stralen schoot en de gordijnen rosé kleurde, stelde haar zoozeer gerust, dat alles, zelfs de steen, uit haar gedachte verdween.

"Er was zeker evenmin een steen op de bank, als een man met een ronden hoed in den tuin; ik heb van den steen gedroomd, zoowel als van het overige."

Zij kleedde zich, ging naar den tuin, liep naar de bank, en voelde het klamme zweet. De steen lag er.

Maar 't was slechts voor een oogenblik. Wat des nachts vrees is, is des daags nieuwsgierigheid.

"Welaan," zeide zij, "laat ons zien."

Zij nam den tamelijk grooten steen op. Daar onder lag iets dat een brief geleek.

't Was een omslag van wit papier. Cosette nam hem; er was geen adres aan de eene, noch cachet aan de andere zijde. De omslag, hoewel open, was echter niet ledig. Men zag er papieren in.

Cosette tastte er in. 't Was nu geen vrees, geen nieuwsgierigheid meer, maar een begin van angst.

Cosette nam uit den omslag, wat er in lag, een klein katern papier, waarvan iedere bladzijde genommerd was, en beschreven met eenige regels fraai--zoo vond Cosette--fijn schrift.

Cosette zocht een naam,--zij vond er geen; een handteekening, ook deze niet. Aan wie was dit gericht? Waarschijnlijk aan haar, wijl een hand het pakje op haar bank had gelegd. Van wien kwam het? Een onweerstaanbare begoocheling overweldigde haar. Zij poogde haar oogen van deze bladen, die in haar hand beefden af te wenden, zij zag naar den hemel, naar de straat, naar de door de zon verlichte acacia's, naar de boven een naburig dak vliegende duiven; maar haar blik viel telkens weder op het geschrift, en zij zeide bij zich zelve, dat zij moest weten, wat het bevatte.

Zij las het volgende:

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN HART ONDER EEN STEEN.

De liefde is de samentrekking der wereld in een eenig wezen; de uitzetting van een eenig wezen tot God.

De liefde is de engelengroet aan de starren.

Hoe treurig is de ziel als zij treurig door de liefde is!

Welk een ledigheid is de afwezigheid van het wezen, dat alleen de wereld vervult. O, hoe waar is het, dat het beminde wezen God wordt. Men zou kunnen meenen, dat God ijverzuchtig op haar zou zijn, zoo de Vader van alles niet blijkbaar de schepping voor de ziel, en de ziel voor de liefde had bestemd.

Een glimlach, die men in de verte onder een wit krippen hoed met lilabanden heeft gezien, is voldoende om de ziel het paleis der droomen binnen te voeren.

God is achter alles, maar alles verbergt God. De voorwerpen zijn zwart, de schepselen ondoorschijnend. Wanneer men een wezen bemint, maakt men het doorschijnend.

Sommige gedachten zijn gebeden. Er zijn oogenblikken, dat de ziel knielt, in welke houding het lichaam ook zij.

De gelieven, die gescheiden zijn, vervullen de afwezigheid door duizend hersenschimmen, die toch haar werkelijkheid hebben. Men belet hen elkander te zien, zij kunnen elkander niet schrijven; maar zij vinden een menigte geheime middelen om met elkander in aanraking te zijn. Zij zenden elkander den zang der vogelen, den geur der bloemen, het gelach der kinderen, het licht der zon, de zuchten van den wind, de stralen der sterren, de geheele schepping. Waarom ook niet? Alle werken Gods zijn bestemd om de liefde te dienen. De liefde is machtig genoeg om de gansche natuur met haar boodschappen te belasten.

O lente, ge zijt een brief, dien ik haar schrijf.

De toekomst behoort veel meer aan het hart dan aan den geest. Beminnen is het eenige, dat de eeuwigheid kan bezig houden en vullen. Het oneindige behoeft het onuitputtelijke.

De liefde is een gedeelte der ziel zelve. Zij is van dezelfde natuur. Evenals de ziel, is zij een goddelijke vonk, onverderfelijk, ondeelbaar, onvergankelijk. Zij is een onsterfelijke, oneindige vuursprank in ons, die niets kan beperken, niets kan uitdooven. Men voelt haar tot in 't merg van 't gebeente branden, men ziet haar diep in den hemel stralen.

O liefde! aanbidding! wellust van twee zielen, die elkander begrijpen, van twee harten die zich tegen elkander uitwisselen, van twee blikken die elkander doordringen! Gij zult tot mij komen, geluk! niet waar? Wandelingen onder vier oogen in de eenzaamheid! zalige, schitterende dagen! Soms droomde ik, dat nu en dan zich uren van het leven der engelen losmaakten en nederdaalden in het lot der menschen.

God kan niets voegen bij het geluk dergenen, die elkander beminnen, dan het eeuwigdurendheid te geven. Na een leven van liefde, is een eeuwigheid van liefde zekerlijk een vermeerdering; maar 't is, zelfs voor God, onmogelijk de innige kracht der onuitsprekelijke zaligheid, welke de liefde reeds in deze wereld aan de ziel geeft, te verhoogen. God is de volheid des hemels; de liefde is de volheid van den mensch.

Men aanschouwt een star om twee redenen, wijl zij licht geeft en wijl zij ondoorgrondelijk is. Men heeft in zijn nabijheid een liefelijker licht en grooter verborgenheid, de vrouw.

Wij allen, wie wij zijn mogen, hebben onze ademende wezens. Zoo zij ons ontbreken, ontbreekt ons lucht, en wij stikken. Dan sterft men. Door gebrek aan liefde te sterven is schrikkelijk. 't Is de stikking der ziel!

Zoodra de liefde twee wezens in een engelachtige en heilige eenheid heeft samengesmolten en gemengd, is voor beiden het geheim des levens gevonden; zij zijn dan slechts de twee eindpunten van hetzelfde lot; slechts de twee vleugels van denzelfden geest. Leeft en zweeft!

Zoo eenmaal een vrouw, die ons voorbijgaat, licht doet uitstralen, zijn wij verloren, wij beminnen. Er blijft ons dan alleen dit over: zoo sterk aan haar te denken, dat zij gedwongen wordt aan ons te denken.

Wat de liefde begint, kan slechts door God voltooid worden.

De ware liefde is troosteloos of verrukt over een verloren handschoen of een gevonden zakdoek, en zij behoeft de eeuwigheid voor haar trouw en hoop. Zij bestaat tegelijkertijd uit het oneindige groote en het oneindige kleine.

Wees zeilsteen, zoo ge steen, kruidje roer-mij-niet, zoo ge bloem, liefde zoo ge mensch zijt.

Niets bevredigt de liefde. Men is gelukkig en men wil het paradijs; men heeft het paradijs en men wil den hemel.

O, gij die bemint, dit alles ligt in de liefde. Weet het slechts te vinden. De liefde bezit evenveel zelfgenot als de hemel, en bezit boven den hemel den wellust.

Komt zij nog in het Luxembourg?--Neen, mijnheer.--Zij komt in deze kerk de mis hooren, niet waar?--Zij komt er niet meer.--Woont zij nog altijd hier?--Zij is verhuisd. Waar woont zij nu?--Zij heeft het niet gezegd.

Welk een treurigheid, niet te weten waar zijn ziel te vinden!

De liefde heeft kinderachtigheden, de andere hartstochten hebben kleinigheden. Schande over de hartstochten, die den mensch klein maken! Eere die, welke van hem een kind maakt!

't Is zonderling, weet ge wat? Ik ben in de duisternis. Er is een wezen, dat toen zij heenging, mijn hemel heeft medegenomen.

O! naast elkander hand in hand in hetzelfde graf te liggen, en nu en dan in de duisternis elkander zacht een vinger te streelen, zou voor mijn eeuwigheid voldoende zijn.

Gij die lijdt omdat gij bemint, bemin nog meer. Van liefde sterven is er van leven.

Bemin. Een schitterende hemelvaart is aan deze kruisiging verbonden. In den doodsstrijd ligt verrukking.

O vreugd der vogelen! Zij zingen, omdat zij een nest hebben.

De liefde is een hemelsche inademing der paradijslucht.

Diepe harten, wijze geesten, neemt het leven zooals God het geschapen heeft; 't is een lange beproeving, een onbegrijpelijke voorbereiding tot een onbekende bestemming. Deze bestemming, de ware, begint voor den mensch bij de eerste trede in het graf. Dan verschijnt hem iets en hij begint het bepaalde te onderscheiden. Overweeg dit woord: het bepaalde. De levenden zien het oneindige, het onbepaalde; het bepaalde vertoont zich slechts aan de dooden. Bemint en lijdt, hoopt en aanschouwt inmiddels. Wee hem, die slechts lichamen, vormen, den schijn heeft bemind! De dood zal hem alles ontnemen. Tracht zielen te beminnen, ge zult ze wedervinden.

Ik heb op de straat een zeer arm jongeling ontmoet, die beminde. Zijn hoed was oud, zijn rok was versleten en met gaten aan de ellebogen, het water drong door zijn schoenen en de sterren drongen in zijn ziel.

Hoe groot is het bemind te worden! Maar grooter is het te beminnen. Het hart wordt door de liefde met heldenmoed vervuld. Het bestaat dan slechts uit reinheid, het steunt op niets dan op het verhevene en groote. Een schandelijke gedachte kan er evenmin in ontkiemen als een distel in een ijsschol. De hooge en heldere ziel, ontoegankelijk voor de gemeene hartstochten en driften, en die de wolken en schaduwen dezer wereld, de dwaasheden, logens, den haat, de ijdelheden en ellenden beheerscht, bewoont het blauw des hemels en voelt de diepe onderaardsche schokken van het lot slechts als de top der bergen de aardbevingen voelt.

Zoo er niemand was die beminde, zou de zon uitdooven.

VIJFDE HOOFDSTUK.

COSETTE NA DEN BRIEF.

Terwijl Cosette las, verzonk zij allengs in mijmering. Juist toen zij, na den laatsten regel van het geschrift gelezen te hebben, haar oogen opsloeg, ging de schoone officier--het was zijn uur--vol inbeelding voorbij het hek. Cosette vond hem afschuwelijk.

Zij beschouwde nogmaals het geschrift. Het was, naar Cosettes meening, zeer fraai geschreven, door één zelfde hand, maar met verschillenden inkt, nu zeer zwart, dan bleek, en bijgevolg op onderscheidene dagen. 't Waren derhalve losse gedachten, invallen, verzuchtingen, onregelmatig, ordeloos, zonder keus, zonder doel, toevallig. Nooit had Cosette zoo iets gelezen. Dit geschrift, waarin zij meer helderheid dan duisternis zag, maakte op haar den indruk van een geopend heiligdom. Ieder dezer geheimzinnige regels schitterde voor haar oogen en overstroomde haar hart met een zonderling licht. De opvoeding, welke zij had ontvangen, had haar altijd van de ziel en nimmer van de liefde gesproken, als sprak men van een brandend hout en niet van de vlam. Dit manuscript van vijftien bladzijden openbaarde haar plotseling en zacht de geheele liefde, de smart, de bestemming, het leven, de eeuwigheid, het begin, het einde. 't Was als een hand die haar eensklaps een bundel stralen had toegeworpen. Zij gevoelde in deze weinige regels een hartstochtelijke, vurige, edelmoedige, eerlijke natuur, een heiligen wil, een onmetelijke smart en een onmetelijke hoop, een beklemd hart, een ontloken verrukking. Wat was dit manuscript? Een brief. Een brief zonder adres, zonder naam, zonder dagteekening, zonder handteekening, dringend en onbaatzuchtig, een uit waarheden bestaand raadsel, een liefdeboodschap, geschikt om door een engel gebracht, door een maagd gelezen te worden; een bovenaardsche samenkomst, een minnebrief van een schim aan een schaduw. 't Was een kalme en zwaarmoedige afwezige, die gereed scheen in den dood zijn toevlucht te zoeken en aan de afwezige het geheim van het lot, den sleutel des levens, de liefde zond. 't Was geschreven met den voet in het graf, met den vinger in den hemel. Deze, een voor een op het papier gevallen regels, waren wat men droppels der ziel zou kunnen noemen.

Van wien konden nu deze bladzijden komen? Wie kon ze geschreven hebben?

Cosette aarzelde geen minuut. Een eenig mensch.

Hij!

Het was weder licht in haar geest geworden: alles was weder te voorschijn gekomen. Zij gevoelde een ongehoorde blijdschap, een innigen angst. Hij was het, die haar schreef; hij, die hier was, hij, die den arm door het hek had gestoken! Terwijl zij hem vergat, had hij haar wedergevonden! Maar had zij hem vergeten? Neen! nooit! Zij was als buiten zich zelve, dit slechts een oogenblik geloofd te hebben. Zij had hem immer bemind, immer aangebeden. Het vuur was wel bedekt geweest en had eenigen tijd gesmeuld, maar zij zag het wel, 't was verder doorgedrongen en nu brak het opnieuw uit en zette haar geheel in vlam. Dit geschrift was als een vonk, uit die andere ziel in de hare gevallen. Zij voelde den brand weder uitbarsten. Ieder woord van het manuscript drong in haar hart. "Ach ja," zeide zij, "dat alles herken ik. Ik had dit alles reeds in zijn oogen gelezen."

Toen zij het ten derdemale gelezen had, kwam de luitenant Theodule terug voor het hek en liet zijn sporen op de straat klinken. Cosette gevoelde zich gedwongen de oogen op te slaan. Zij vond hem laf, dwaas, zot, dom, onbehagelijk, onbeschoft en zeer leelijk. De officier meende tegen haar te moeten glimlachen. Zij keerde zich beschaamd en verontwaardigd om. Zij had hem gaarne iets naar het hoofd geworpen.

Zij vlood, trad het huis weder binnen en sloot zich in haar kamer om het manuscript te herlezen, het van buiten te leeren en te denken. Toen zij het goed gelezen had, kuste zij het en stak het in haar boezem.

't Was zoo, Cosette was weder in de diepte der seraphijnsche liefde verzonken; het paradijs had zich weder geopend.

Den geheelen dag was Cosette in een soort van verbijstering. Zij kon nauwelijks denken, haar gedachten waren als een verward kluwen in haar hersens; zij konde niets bepaalds voornemen, bevende hoopte zij; wat? dit wist zij zelve niet. Zij durfde zich niets beloven, en wilde zich niets weigeren. Zij verbleekte telkens en een rilling liep door al haar leden. Bij wijlen was 't haar, alsof zij in de wereld der hersenschimmen kwam, en zij vroeg zich: is dat alles de wezenlijke waarheid? dan greep zij naar het geliefde papier onder haar kleed, zij drukte het tegen haar hart, zij voelde er de kanten van op haar vleesch, en zoo Jean Valjean haar in dien oogenblik gezien had, zou hij gebeefd hebben voor deze schitterende, onbekende vreugd, die uit haar oogen straalde. "Ach ja," dacht zij; "hij is het gewis! dit komt van hem voor mij!"

En zij zeide tot zich zelve, dat de tusschenkomst van engelen, een hemelsch toeval, hem aan haar had wedergegeven.

O, herscheppingen der liefde! o droomen! Dit hemelsch toeval, deze tusschenkomst van engelen, was het broodkogeltje, dat een dief een anderen dief, van de binnenplaats Charlemagne naar den Leeuwenkuil, over het dak van de gevangenis la Force had toegeworpen.

ZESDE HOOFDSTUK.

DE OUDEN ZIJN BESTEMD OM OP DEN GESCHIKTEN TIJD UIT TE GAAN.

Toen het avond was ging Jean Valjean uit; Cosette kleedde zich. Zij bracht haar kapsel in orde op de wijze, die haar het best stond, en trok een kleed aan, dat van boven ruim uitgesneden was, waardoor de hals tamelijk ver uitkwam, min of meer "indécent" zooals jonge meisjes zouden zeggen. 't Was echter volstrekt niet indécent, maar veeleer bevalliger dan anders. Zij kleedde zich zoo, zonder te weten waarom.

Wilde zij uitgaan? neen.

Verwachtte zij bezoek? neen.

Bij de avondschemering ging zij naar den tuin. Vrouw Toussaint was in de keuken bezig, die op de achterplaats uitzag.

Cosette ging onder de takken, die ze nu en dan met de hand ter zijde boog, wijl sommige zeer laag hingen.

Aldus kwam zij aan de bank.

De steen was er gebleven.

Zij ging zitten en legde haar zachte, witte hand op dien steen, als wilde zij hem streelen en bedanken.

Eensklaps had zij dien onbeschrijfelijken indruk, welken men gevoelt, zelfs zonder te zien, wanneer iemand achter ons staat.

Zij wendde het hoofd en richtte zich op.

Hij was het.

Hij was blootshoofds. Hij scheen bleek en mager te zijn geworden. Men kon nauwelijks zijn zwarte kleeding zien. De schemeravond verbleekte zijn fraai hoofd en bedekte zijn oogen met duisternis. Hij had, onder den sluier van onvergelijkbare zachtheid, iets van den dood en van den nacht. Zijn gezicht was verlicht door het schijnsel van den stervenden dag en door de gedachte eener ziel, die heengaat.

Hij scheen nog wel geen schim, maar toch ook geen mensch meer te zijn.

Zijn hoed was op eenigen afstand in de struiken geworpen.

Cosette op 't punt van in onmacht te vallen, slaakte geen kreet. Zij deinsde langzaam achteruit, want zij voelde zich aangetrokken. Hij bewoog zich niet. Aan iets onbeschrijfelijks en treurigs, dat haar omhulde, voelde zij den blik zijner oogen, dien zij niet zag.

Achteruit wijkende, ontmoette Cosette een boom, waartegen zij leunde. Zonder dien boom zou zij gevallen zijn.

Toen hoorde zij zijn stem, die stem, welke zij nooit recht had gehoord en die zich nauwelijks boven het bladerengeritsel verhief, lispelen:

"Vergeving, ik ben het. Mijn hart is overkropt; ik kon niet langer zoo leven, daarom ben ik gekomen. Hebt gij gelezen wat ik daar op die bank gelegd had? Hebt ge geen flauwe herinnering aan mij? Heb geen vrees. 't Is reeds lang geleden; herinnert gij u den dag, toen ge mij gezien hebt? 't Was in den tuin van het Luxembourg, dicht bij den Gladiator. En den dag toen ge mij voorbijgingt? 't Was de 16e Juni en de 2e Juli. 't Zal spoedig een jaar zijn. Sinds lang heb ik u niet weer gezien. Ik heb aan de stoelenzetster naar u gevraagd, maar deze zeide, dat zij u niet meer zag. Ge woondet in de Westerstraat, op de derde verdieping aan de straat, in een nieuw huis; ge ziet, dat ik het weet. Ik volgde u. Wat zou ik doen? En toen zijt gij verdwenen. Eens meende ik u te zien voorbijgaan, toen ik onder de bogen van het Odéon de nieuwspapieren las. Ik volgde u. Maar neen. 't Was een dame die een hoed droeg als de uwe. Des nachts kom ik hier. Vrees niet, niemand ziet mij. Ik aanschouw van dichtbij uwe vensters. Ik ga zeer zacht, opdat ge mij niet zoudt hooren, want ge zoudt misschien beangst zijn. Op zekeren avond was ik achter u, gij keerdet om en ik vluchtte. Eens heb ik u hooren zingen. Ik was gelukkig. Het hindert u immers niet, dat ik u door de blinden hoor zingen? Dat kan u niet schelen, niet waar? Zie, gij zijt mijn engel; vergun mij even hier te komen; ik geloof, dat ik spoedig zal sterven. Zoo ge wist hoe ik u bemin! Vergeef mij, ik spreek met u en weet niet wat ik zeg; ik maak u misschien boos; zijt ge boos op mij?"

"O mijn moeder!" zeide zij.

En zij zonk ineen, alsof zij zou sterven.

Hij vatte haar; zij viel, hij nam haar in zijn armen, omklemde haar vast, zonder te weten wat hij deed. Zelf wankelend, ondersteunde hij haar. 't Was hem, alsof zijn hoofd vol damp was, bliksems schoten door zijn oogen; zijn gedachten verwarden; hij meende iets godsdienstigs te verrichten en toch een ontheiliging te plegen. Overigens voelde hij geen de minste onedele begeerte jegens deze bekoorlijke vrouw, wier vormen hij aan zijn borst voelde. Hij was dronken van liefde.

Zij nam een zijner handen en legde ze aan haar hart. Hij voelde er het papier en stamelde:

"Gij bemint mij dus?"

Zij antwoordde met zulk een zachte stem, dat ze slechts een adem was, die men nauwelijks hoorde:

"Zwijg! gij weet het!"

En zij verborg haar gloeiend hoofd aan de borst van den hooghartigen en verbijsterden jongeling.

Hij zonk op een bank neer, zij naast hem. Zij hadden geen woorden meer. De starren begonnen te schijnen. Hoe kwam het, dat hun lippen elkander ontmoetten? Hoe komt het, dat de vogel zingt, dat de sneeuw smelt, dat de roos zich opent, dat Mei ontluikt, dat de morgenstond de donkere boomen op den ruischenden top der heuvelen verlicht?

Een kus, dit was alles.

Beiden sidderden, en zij aanschouwden elkander in de schaduw met vlammende oogen.

Zij voelden noch den koelen nacht, noch den kouden steen, noch de vochtige aarde, noch het natte gras; zij aanschouwden elkander, en hun harten waren vol gedachten. Zonder bewustzijn hadden zij elkanders hand gevat.

Zij vroeg hem niet--zij dacht er zelfs niet aan--hoe hij binnengekomen en in den tuin gedrongen was. 't Kwam haar zoo natuurlijk voor dat hij er was.

Nu en dan raakte Marius' knie de knie van Cosette aan, en beiden beefden.

Bij tusschenpoozen stamelde Cosette een woord. Haar ziel beefde op haar lippen, als een dauwdrop op een bloem.

Allengs spraken zij met elkander. De ontboezeming volgde op de stilte, die de opgekroptheid is. De nacht was helder en prachtig boven hun hoofden. Deze twee wezens, zoo rein als engelen, zeiden elkander alles, hun droomen, hun zaligheden, hun verrukkingen, hun hersenschimmen, hun twijfelingen; hoe zij elkander in de verte bemind hadden, hoe zij elkander gewenscht hadden; hun wanhoop, toen zij elkander niet meer zagen.

Zij spraken met elkander in de volkomenste vertrouwelijkheid, welke door niets kon vermeerderd worden, van het verborgenste en het geheimzinnigste dat in hen was. Met een eerlijk geloof in hun illusiën, verhaalden zij elkander al wat de liefde, de jeugd en het overschot van kinderlijkheid, dat zij nog bezaten, hun in de gedachten gaf.

Beider harten stortten zich in elkander uit, zoodat binnen een uur de jongeling het hart van het meisje, het meisje het hart van den jongeling bezat. Zij deelden elkander hun gedachten mede, bekoorden, betooverden elkander.

Toen zij eindigden, toen zij elkander alles hadden gezegd, liet zij haar hoofd op zijn schouder rusten en vroeg hem:

"Hoe heet gij?"