De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Part 10

Chapter 104,058 wordsPublic domain

De tweede gestalte was recht, stevig en slank. Zij regelde haar stap naar dien van de eerste; maar in de vrijwillige langzaamheid van haar gang erkende men lenigheid en vlugheid. Deze gestalte had, bij iets schuws en verontrustends, de volkomene houding van 't geen men destijds een elegant noemde; de hoed had een goeden vorm, de zwarte jas was van nieuw-modischen snit, waarschijnlijk van goed laken, en sloot net om het lijf. Het hoofd was met een zekere fiere bevalligheid opgericht, en onder den hoed merkte men in het schemerlicht een bleek jongelingsgelaat. Hij had een roos in den mond. Gavroche kende deze tweede gestalte zeer goed; 't was Montparnasse.

Van de andere had hij niets kunnen zeggen, dan dat 't een eenvoudig oud man was.

Gavroche legde zich dadelijk op de loer. De eene dezer twee wandelaars had duidelijk bedoelingen jegens den anderen. Gavroche was goed geplaatst om te zien wat er gebeuren zou. Zijn "bedstede" was zeer van pas een schuilhoek geworden.

Dat Montparnasse op zulk een uur, in zulk een streek, ter jacht ging, was iets gevaarlijks. Gavroche voelde zijn straatjongenshart bewogen van medelijden met den ouden man. Wat te doen? Zou hij tusschenbeide treden? Zou de eene zwakke den anderen zwakke helpen! Montparnasse zou er om lachen. Gavroche verheelde het zich niet, dat beiden, de oude man en de knaap, voor den vreeselijken achttienjarigen bandiet kinderspel waren.

Terwijl Gavroche overlegde, had plotseling de aanval op een afschuwelijke wijze plaats; een aanval van den tijger op het schaap, een aanval der spin op de vlieg. Eensklaps wierp Montparnasse de roos weg, sprong op den grijsaard toe, vatte hem in zijn das en drukte hem met alle kracht. Gavroche had moeite een kreet te bedwingen. Een oogenblik later lag een der mannen onder den anderen, hijgend, reutelend, spartelend, terwijl een marmeren knie zijn borst drukte. Maar 't was niet juist zooals Gavroche verwacht had; want op den grond lag Montparnasse en op hem de oude man. Dat alles gebeurde op slechts korten afstand van Gavroche.

De oude man had den stoot ontvangen en dien teruggegeven, en wel zoo geducht, dat in een oogenblik de aanvaller en de aangevallene van rol veranderd waren.

Dit is een dappere invalide, dacht Gavroche.

En hij kon niet laten in de handen te klappen. Maar deze toejuiching was nutteloos; zij bereikte het oor van geen der beide strijders, die met elkander worstelend en wederzijds verdoofd, beiden hijgden en zwoegden.

Er ontstond een pauze. Montparnasse hield op zich te verweren, en Gavroche vroeg bij zich zelven: "Is hij dood?"

De oude man had geen woord gezegd, geen kreet geslaakt. Hij richtte zich op, en Gavroche hoorde hem tot Montparnasse zeggen:

"Sta op!"

Montparnasse stond op, maar de oude man hield hem vast. Montparnasse had de vernederende, maar woedende houding van een wolf, die door een schaap was gebeten. Gavroche tuurde en luisterde, en deed moeite om zijn gezicht door zijn gehoor te versterken. Hij had een ongelooflijken schik.

Hij werd beloond voor zijn beangste nieuwsgierigheid. Hij kon de volgende samenspraak opvangen, welke in de duisternis iets sombers had. De oude man vroeg, Montparnasse antwoordde:

"Hoe oud zijt ge?"

"Negentien jaar."

"Gij zijt sterk en gezond. Waarom werkt ge niet?"

"Dit verveelt mij."

"Wat is uw beroep?"

"Nietsdoener."

"Spreek ernstig. Kan er iets voor u gedaan worden? Wat wilt ge zijn?"

"Dief!"

Er ontstond een pauze. De grijsaard scheen diep in gedachten. Hij stond bewegingloos en hield Montparnasse steeds vast. Ieder oogenblik deed de sterke, vlugge, jonge bandiet zijsprongen, als een in den strik gevangen dier. Hij stiet, trok, beproefde den ouden man een been te lichten en poogde te ontsnappen. De grijsaard scheen er geen acht op te slaan en hield hem met ééne hand vast, met de onbezorgde overtuiging van een overwegende kracht.

De oude man bleef eenigen tijd in gedachten, en aanschouwde Montparnasse met strakken blik; toen verhief hij zacht de stem in de duisternis, waarin zij zich bevonden, en sprak de volgende plechtige woorden, van welke Gavroche geen woord ontging:

"Mijn zoon, gij treedt uit luiheid in het moeielijkste leven dat bestaat. Ha! gij zegt een nietsdoener te zijn! bereid u liever tot den arbeid. Hebt ge ooit dit vreeselijk werktuig gezien, dat men een pletmolen noemt? Men moet er zich wel voor in acht nemen, 't is een geniepig, wreed ding; zoo het slechts een punt van uw rok vat, gaat ge er geheel in. Deze machine is de ledigheid. Keer terug, terwijl het nog tijd is, en red u! 't Is anders te laat! spoedig zult ge door het raderwerk gevat zijn. Zoo ge eenmaal gegrepen zijt, is er geen hoop meer. Aan 't werk dus, luiaard, geen rust! De wreede hand van den onverbiddelijksten arbeid tast naar u. Den kost te verdienen, een taak, een plicht te vervullen, dit wilt ge niet; te zijn als de anderen, verveelt u. Nu, ge zult anders zijn. De arbeid is wet; die hem afwijst uit verveling, zal hem tot straf krijgen. Gij wilt geen arbeider zijn, gij zult slaaf wezen. De arbeid laat u slechts aan de eene zijde los, om u aan de andere te grijpen; gij wilt zijn vriend niet zijn, gij zult zijn neger wezen. Ha! gij hebt de vermoeidheid van den eerlijken man niet gewild; gij zult het zweet der verdoemden vinden. Waar anderen zingen, zult gij reutelen. Gij zult in de verte, uit de laagte, de andere menschen zien arbeiden; gij zult meenen, dat zij rusten. De landbouwer, de maaier, de zeeman, de smid zullen voor u in 't licht verschijnen van gelukkigen in 't paradijs. Welke helderheid omgeeft het aanbeeld! Den ploeg besturen, de garven binden, is vreugde. Welk een feest! de boot in den wind te doen schommelen! Gij, nietsdoener, delf, sleep, stuw, wroet! Draag uw halster, gij zijt een lastdier in het span der hel. Ha! het was uw plan niets te doen. Welnu, geen week, geen dag, geen uur zal er voor u zijn, zonder dat uw hart bezwaard is. Ge zult u slechts met angst kunnen bewegen. Iedere minuut die voorbijgaat zal uw spieren doen kraken. Voor u zal 't een rots zijn, wat voor anderen een veder is. Het eenvoudigste zal moeielijk worden. Het leven zal u gedrochtelijk zijn. Gaan, komen, ademen, dit alles zal u zwaar vallen. Uw longen zullen u als van lood voorkomen. Of ge aan dezen of genen kant zult gaan, zal een gewichtig vraagstuk voor u zijn. Ieder ander, die wil uitgaan, opent zijn deur en hij is buiten. Zoo gij wilt uitgaan, moet gij uw muur doorbreken. Wat doet ieder, die op de straat wil gaan? Hij gaat de trap af; gij zult uw beddelakens scheuren, draad voor draad zult ge er een touw van vlechten; dan zult ge u uit het venster aan dien draad boven een afgrond hangen, en 't zal des nachts zijn, in storm, in regen, in onweder; en zoo het touw te kort is, zal er slechts één middel zijn om beneden te komen, u van een hoogte te laten vallen, in een diepte, op iets dat onder is, onverschillig wat, op het onbekende. Of gij zult door een schoorsteen moeten klimmen, op gevaar af van u te branden; of gij zult door een riool kruipen, op gevaar af van te stikken. Ik spreek niet van de gaten, welke moeten worden verborgen, van de steenen welke losgebroken en twintigmaal daags weer op hun plaats gesteld moeten worden, van den kalk die in den stroozak moet worden verborgen. Daar is een slot; iedereen neemt daarvoor den sleutel, door een smid gemaakt, dien hij bij zich draagt. Gij, zoo gij het wilt openen, moet eerst een kunststuk vervaardigen; gij neemt een koperen sousstuk, dat ge aan twee plaatjes snijdt; met welk werktuig? gij moet het uitvinden. Dat is uw zaak. Dan holt ge deze twee plaatjes uit, zorgende het uitwendige niet te beschadigen, en maakt om den rand een schroefdraad, zoodat beide juist op elkander passen als een doosje en deksel. Zoo nu het bovenste op het onderste is geschroefd, is er niets van te ontdekken. Voor de bewakers, want ge zult bewaakt worden, zal 't een stuiverstuk zijn; voor u zal 't een doosje wezen. Wat zult ge in dit doosje leggen? Een stukje staal. De veer van een horloge, welke gij getand hebt en die nu een zaagje zal zijn. Met dit kleine zaagje, dat in een sousstuk is verborgen, zult gij den schoot van het slot, den grendel, het hengsel van het hangslot, de tralies van uw venster, den boei aan uw been moeten doorsnijden. Na dit meesterstuk, dit wonder te hebben volbracht, na al deze mirakelen van kunst, vaardigheid, behendigheid, geduld uitgevoerd te hebben, wat zal uw loon zijn, zoo men komt te weten dat gij de bewerker er van zijt? het cachot. Ziedaar uw toekomst! Welke afgronden zijn niet de luiheid en de rust! Niets doen, weet ge wel, dat het een treurige keus is? Werkeloos in de maatschappij leven, nutteloos zijn, is schadelijk zijn! Dit voert regelrecht tot de diepste ellende. Wee hem, die een parasiet wil zijn! hij wordt ongedierte. Ha! gij hebt geen lust om te werken? Gij hebt slechts ééne gedachte: Goed te drinken, goed te eten, goed te slapen! Gij zult water drinken, gij zult zwart brood eten, gij zult op een plank slapen, met een ijzer aan uw leden geklonken, waarvan gij 's nachts de kilheid op uw vleesch zult voelen! Gij zult dat ijzer verbreken, ge zult vluchten. Goed. Op uw buik zult ge door doornheggen kruipen, en als de dieren des wouds gras eten. Maar ge zult weder gevat worden. Dan zult ge jaren in een onderaardschen kelder doorbrengen, aan den muur geketend, tasten naar de kruik om te drinken, in de duisternis op het afschuwelijk brood bijten, dat geen hond zou willen, en boonen eten, welke voor u reeds door de wormen zijn doorgeknaagd. Ge zult zijn als een duizendpoot in een kelder. Heb medelijden met u zelven, rampzalig kind, nog zoo jong, dat geen twintig jaren geleden nog een zuigeling waart, en waarschijnlijk nog een moeder hebt. Ik zweer u, hoor mij aan. Gij wilt fijn, zwart laken, verlakte laarzen dragen, gekapt en geparfumeerd zijn, de vrouwen behagen, bekoorlijk zijn? Men zal u het hoofd kaal scheren; gij zult een rood buis en klompen dragen. Gij begeert een ring aan den vinger, gij zult een ring aan den hals hebben. En zoo ge een vrouw aanziet, krijgt ge stokslagen. Gij zult op twintigjarigen leeftijd deze wereld intreden en haar op vijftigjarigen verlaten. Ge zult er jong, blozend, frisch, met schitterende oogen en al uw witte tanden binnen gaan, en haar gebroken, gekromd, gerimpeld, tandeloos, afzichtelijk, met wit haar verlaten. Ach, mijn arme jongen, ge volgt een verkeerden weg, de lediggang geeft u slechten raad. De zwaarste arbeid is de diefstal. Geloof mij, wijd u niet aan het moeielijk werk, een luiaard te zijn. 't Is niet gemakkelijk, een schurk te worden. Veel lichter is het, een eerlijk man te zijn. Ga nu en denk aan 't geen ik u gezegd heb. Maar.... wat wildet gij van mij? Mijn beurs? Ziedaar!"

En terwijl de oude man Montparnasse losliet, stelde hij hem zijn beurs ter hand, welke Montparnasse even woog, waarna hij ze, met dezelfde werktuiglijke behoedzaamheid, als had hij ze gestolen, zacht in den achterzak van zijn jas liet glijden.

Na dit gezegd en gedaan te hebben, keerde de oude man om en hervatte bedaard zijn wandeling.

"Malle vent!" mompelde Montparnasse.

Wie was deze oude man? De lezer heeft het zekerlijk geraden. In de grootste verbazing zag Montparnasse hem na, terwijl hij in de avondschemering verdween. Dit nazien was hem noodlottig.

Terwijl de grijsaard zich verwijderde, naderde Gavroche.

Gavroche had zich door een schuinschen blik vergewist, dat de oude Mabeuf, die misschien in slaap was gevallen, nog altijd op de bank zat. Daarop was de straatjongen uit de heg gekomen en was in de duisternis achter Montparnasse geslopen, die bewegingloos stond. Dus naderde hij Montparnasse zonder gezien of gehoord te worden, stak zacht zijn hand in den achterzak van de fijne zwartlakensche jas, greep de beurs, trok de hand terug en kroop als een vluchtende adder weder in de duisternis. Montparnasse, die geen reden had om op zijn hoede te zijn en voor het eerst zijns levens nadacht, merkte hiervan niets. Gavroche, ter plaatse teruggekeerd, waar de oude Mabeuf zat, wierp de beurs over de heg en liep, zoo snel als hij loopen kon, weg.

De beurs viel op den voet van vader Mabeuf. Deze schok wekte hem. Hij bukte en raapte de beurs op. Hij begreep er niets van, en opende ze. 't Was een beurs met twee vakken; in het eene vak was eenig klein geld, in het andere zes gouden Napoleons.

Verbaasd bracht Mabeuf dit aan zijn huishoudster.

"'t Is uit den hemel gevallen," zei moeder Plutarchus.

BOEK V.

WELKS EINDE HET BEGIN NIET GELIJKT.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE EENZAAMHEID EN DE KAZERNE.

De smart van Cosette, vier of vijf maanden geleden zoo grievend en levendig, begon, zelfs zonder dat zij het wist, te verzachten. De natuur, de lente, de jeugd, de liefde voor haar vader, de vroolijkheid der vogels en bloemen, dit alles deed allengs, dag aan dag, druppel voor druppel, in de zoo maagdelijke, jeugdige ziel iets zijpelen, dat veel van vergetelheid had. Werd er het vuur geheel in uitgedoofd? bleef er enkel asch over? Genoeg is het, dat zij schier geen smart of gloed meer gevoelde.

Op zekeren dag dacht zij eensklaps aan Marius. Zie, zeide zij, ik denk niet meer aan hem! In dezelfde week zag zij voorbij het tuinhek een zeer fraaien officier der lansiers gaan, met een wespenlijf, schitterende uniform, meisjeswangen, een sabel onder den arm, glimmenden knevel, geverniste chapska. Hij had overigens blond haar, blauwe, uitkomende oogen, een rond, ijdel, onbeschaamd en mooi gezicht; in alles het tegendeel van Marius. Hij rookte een sigaar.--Cosette meende, dat deze officier zekerlijk tot het regiment behoorde, dat in de kazerne der Babelstraat lag.

Den volgenden dag zag zij hem weder voorbijgaan. Zij merkte het uur op.

Van dien tijd af--was het toeval?--zag zij hem schier iederen dag voorbijgaan.

De kameraden van den officier bespeurden, dat in dien slecht onderhouden tuin, achter dat leelijke rococo-hek, een zeer mooi meisje was, dat er zich schier altijd bevond, wanneer de fraaie luitenant voorbijging, die den lezer niet onbekend is en Theodule Gillenormand heette.

"Zie," zeiden zij tot hem. "Dat meisje slaat een oog op u! Kijk toch."

"Heb ik den tijd, op al de meisjes acht te geven, die het oog op mij slaan?" antwoordde de lansier.

't Was in denzelfden tijd, dat Marius ernstig aan den dood dacht, en zeide: Zoo ik haar slechts kon wederzien vóór te sterven! Zoo zijn wensch verwezenlijkt ware geworden, zoo hij gezien had dat Cosette haar blik op een lansier sloeg, zou hij geen woord hebben kunnen spreken en van smart gestorven zijn.

Wie droeg de schuld er van? Niemand.

Marius behoorde tot die karakters, welke zich in het verdriet verdiepen en er in blijven; Cosette behoorde tot degenen, die er zich in dompelen, maar er uitkomen.

Overigens was Cosette in dat gevaarlijk tijdperk der aan zich zelve overgelaten vrouwelijke droomerijen, wanneer het hart van een jong meisje op de ranken van den wijngaard gelijkt, welke zich, naar het valt aan het kapiteel van een marmeren kolom of aan den deurpost van een kroeg hechten. 't Is een snel, beslissend oogenblik, gevaarlijk voor een weeze, zij moge arm of rijk zijn, want rijkdom belet geen slechte keus; men sluit ongelukkige huwelijken in de hoogste kringen; de ongelukkigste vereeniging is die van niet voor elkaar geschikte zielen. Evenals meer dan één onbekend jonkman, zonder naam, zonder geboorte, zonder fortuin, een marmeren kapiteel kan zijn, dat een tempel van verhevene gevoelens en grootsche denkbeelden kan schragen, evenzoo kan een man van de wereld, rijk en met zich zelven tevreden, die glimmende laarzen en gladde woorden heeft, zoo men hem niet uitwendig, maar inwendig beschouwt, dat wil zeggen hetgeen voor de vrouw bestemd is, niets meer dan een gemeene paal kan zijn, een voorwerp van de dierlijkste, geweldigste hartstochten, de deurpost van een kroeg.

Wat was in Cosettes ziel? Een tot rust gebrachte of ingeslapen hartstocht, de liefde in vluchtigen toestand; iets dat helder, glinsterend is, op zekere diepte troebel, lager somber.

Dit beeld van den fraaien officier spiegelde zich af op de oppervlakte. Was op den bodem--diep op den bodem--een herinnering?--Misschien. Cosette wist het niet.

Er had iets zonderlings plaats.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VREES VAN COSETTE.

In de eerste helft van April ging Jean Valjean op reis. Men weet, dat hij dit van tijd tot tijd, met zeer lange tusschenpoozen, deed. Hij was dan ten hoogste twee of drie dagen afwezig. Waarheen hij ging wist niemand, zelfs Cosette niet. Slechts eens had zij hem bij zijn vertrek in een huurrijtuig tot aan den hoek van een blinde steeg begeleid, op welken hoek zij gelezen had "Slop Planchette". Daar was hij uitgestegen en de huurkoets had Cosette naar de Babelstraat teruggevoerd. 't Was gewoonlijk, wanneer in de huishouding geld ontbrak dat Jean Valjean deze korte reizen deed.

Jean Valjean was dus afwezig. Hij had gezegd: "Binnen drie dagen zal ik terug zijn."

Des avonds was Cosette alleen in het salon. Om zich niet te vervelen had zij zich aan haar piano gezet en met begeleiding hiervan het koor gezongen van Euryanthe Chasseurs, égarés dans les bois! (Jagers, in het bosch verdoold!), misschien het schoonste wat in de muziek bestaat. Toen zij uitscheidde, bleef zij in gedachten verdiept.

Eensklaps meende zij voetstappen in den tuin te hooren.

't Kon haar vader niet zijn, want hij was afwezig; ook niet vrouw Toussaint; deze was te bed. 't Was tien uren 's avonds.

Zij ging naar het vensterluik, dat gesloten was, en hield er haar oor tegen.

't Kwam haar voor, dat het de tred van een man was, die zeer zacht ging.

IJlings ging zij naar boven, naar haar kamer, opende een kijkgaatje in het vensterluik en zag in den tuin. 't Was volle maan. Men zag even duidelijk als op den dag.

Er was niemand.

Zij opende het venster. In den tuin was het volkomen stil, en wat men van de straat kon zien was even eenzaam als altijd.

Cosette meende zich vergist te hebben. Zij had zich verbeeld gerucht te hooren. 't Was een zinsbegoocheling, veroorzaakt door het somber, wonderbaar koor van Weber, dat voor den geest duizelingwekkende diepten ontsluit, dat voor den blik siddert als een huiverend woud, en waarin men onder den schuwen voetstap der jagers, die men in de avondschemering ziet, de dorre takken hoort kraken.

Zij dacht er niet meer aan.

Cosette, trouwens, was van aard niet vreesachtig. In haar aderen was iets van het bloed der heidin en der avonturierster die blootsvoets gaat. Men herinnere zich, dat zij meer leeuwerik dan duif was. In den grond was zij moedig en stout.

Den volgenden dag wandelde zij, niet zoo laat, tegen het vallen van den avond, in den tuin. Bij de verwarde gedachten, die haar bezig hielden, meende zij nu en dan wel een gerucht te hooren als dat van den vorigen avond, als van iemand, die in de duisternis, niet ver van haar, onder het geboomte ging, maar zij zeide bij zich zelve, dat niets beter gelijkt naar voetstappen in het gras, dan de schuring van twee takken die zich vanzelf bewegen, en zij lette er niet verder op. Overigens zag zij niets.

Zij verliet het bosschage, en moest een klein grasperk overgaan om de stoep te bereiken. De maan, die achter haar was opgestegen, wierp, toen Cosette uit het boschje kwam, op dat grasperk haar schaduw voor haar uit.

Cosette stond verschrikt stil.

Naast de hare, teekende de maan duidelijk op het gras een andere zonderlinge, schrikbarende en vreeselijke schaduw, een schaduw met een ronden hoed.

't Was als de schaduw van een man, die aan den kant van het bosschage eenige schreden achter Cosette stond.

Een oogenblik kon zij noch spreken, noch schreeuwen, noch roepen, noch zich verroeren, noch het hoofd wenden.

Eindelijk verzamelde zij al haar moed en keerde stoutmoedig om.

Er was niemand.

Zij zag naar den grond. De schaduw was verdwenen.

Zij trad weder in het bosschage, doorsnuffelde onversaagd alle hoeken, ging tot aan het hek en vond niets.

Zij voelde een ijzige huivering. Was 't nogmaals een zinsbegoocheling? Hoe? twee dagen achtereen. Één zinsbegoocheling, goed; maar twee zinsbegoochelingen? 't Was meest verontrustend dat de schaduw zekerlijk geen spook was; spoken dragen gewoonlijk geen ronde hoeden.

Den volgenden dag kwam Jean Valjean terug. Cosette verhaalde hem wat zij meende gehoord en gezien te hebben. Zij had verwacht gerustgesteld te zullen worden, en dat haar vader de schouders zou ophalen en zeggen: "Ge zijt een kleine zottin!"

Maar Jean Valjean werd bekommerd.

"'t Is misschien niets!" zeide hij.

Onder een voorwendsel verliet hij haar en ging naar den tuin, en zij merkte toen op, dat hij zeer nauwkeurig het hek onderzocht.

Des nachts werd zij wakker; ditmaal was zij er zeker van; duidelijk hoorde zij dicht bij de stoep onder haar raam voetstappen. Zij ijlde naar het raam en opende het luikje in het blind. Er was inderdaad iemand in den tuin, met een dikken stok in de hand. Juist toen zij wilde schreeuwen, bescheen de maan het gezicht van den man. 't Was haar vader.

Zij legde zich weder te bed en zeide: "Hij is dus wel zeer ongerust!"

Jean Valjean bezocht dien nacht en de twee volgende nachten den tuin. Cosette zag hem door de opening van het luik.

Den derden nacht nam de maan af en ging later op. Het kon één uur na middernacht zijn geweest, toen zij een luiden lach hoorde en de stem van haar vader, die haar riep:

"Cosette!"

Zij sprong uit het bed, schoot een kamerjapon aan en opende het venster.

Haar vader stond beneden op het grasperk.

"Ik wek u om u gerust te stellen," zeide hij. "Ziedaar de schaduw met den ronden hoed, die ge gezien hebt."

En hij toonde haar op het grasperk een schaduw, door de maan geteekend, en die tamelijk goed de gestalte geleek van een man met een ronden hoed. 't Was de slagschaduw van een ijzeren schoorsteenpijp met een kap, die zich op een naburig dak verhief.

Cosette lachte hartelijk; al haar angstige vermoedens verdwenen, en toen zij den volgenden dag met haar vader aan het ontbijt zat, schertste zij over den spookachtigen tuin, die door schaduwen van kachelpijpen onveilig werd gemaakt.

Jean Valjean werd weder volkomen gerust; wat Cosette betreft, deze dacht er weinig over na, of de kachelpijp wel juist in de richting der schaduw was, welke zij gezien had of meende gezien te hebben, en of de maan toen wel op dezelfde plaats aan den hemel stond. Zij verwonderde zich niet over het zonderlinge van een kachelpijp, die vreest op heeter daad betrapt te worden en verdwijnt wanneer men haar schaduw opmerkt; immers de schaduw was verdwenen, toen Cosette was omgekeerd, en Cosette had gemeend hier wel zeker van te zijn. Cosette stelde zich volkomen gerust. De verklaring scheen haar duidelijk, en dat er iemand kon zijn, die des avonds of des nachts in den tuin kwam, hieraan dacht zij niet meer.

Eenige dagen later echter deed zich een nieuw geval voor.

DERDE HOOFDSTUK.

OPMERKINGEN VAN VROUW TOUSSAINT.

Dicht bij het hek aan de straat stond in den tuin een steenen bank, die voor het oog der nieuwsgierigen achter struikgewas verborgen was, doch welke desnoods de arm van een voorbijganger door het hek en het struikgewas heen had kunnen bereiken. Op een avond derzelfde maand April was Jean Valjean uitgegaan; Cosette had zich, toen de zon was ondergegaan, op deze bank neergezet. De wind ruischte door het geboomte. Cosette mijmerde; een droefgeestigheid, zonder bepaalde oorzaak, had haar allengs bevangen, die onverwinbare droefgeestigheid, welke de avond veroorzaakt, en welke, wie weet? misschien uit de verborgenheid van het op dat uur geopende graf komt.

Misschien was Fantine in deze schaduw.

Cosette stond op, wandelde langzaam door den tuin, over het met dauw bevochtigd gras, en zeide in de soort van treurig somnambulisme, waarin ze gedompeld was:

"Wanneer men op dezen tijd in den tuin wandelt, heeft men waarlijk wel klompen noodig. Men wordt er verkouden."

Zij keerde naar de bank terug.