De Ellendigen (Deel 2 van 5)

Part 25

Chapter 252,548 wordsPublic domain

Jean Valjean arbeidde dagelijks in den tuin en was er zeer nuttig. Vroeger was hij boomsnoeier geweest en kreeg opnieuw veel lust in het tuinieren. Men herinnere zich, dat hij allerlei recepten en geheime middelen kende. Hier trok hij partij van. Meest al de boomen van den tuin waren wild, hij entte en veredelde ze en won er heerlijke vruchten van.

Cosette had verlof, alle dagen een uur bij hem door te brengen. Dewijl de zusters gewoonlijk somber waren en hij vriendelijk was, vergeleek het kind hem bij haar, en beminde hem. Op het bepaalde uur ijlde zij naar het huisje en bracht er den hemel in. Valjean was verrukt en opgetogen, en voelde zijn geluk vergroot door het geluk dat hij Cosette bezorgde. De vreugd, welke wij veroorzaken, heeft de eigenschap, dat, in plaats van bij terugkaatsing te verflauwen, zij schitterender tot ons terugkeert. In de uren van uitspanning zag Jean Valjean haar in de verte spelen en loopen, en kon haar gelach van dat der andere meisjes onderscheiden. Want thans lachte Cosette.

Zelfs Cosette's gezicht was eenigermate veranderd. Het sombere was er van verdwenen. De glimlach is de zon; hij jaagt den winter van 's menschen gelaat.

Wanneer Cosette van het uitspanningsuur terugkeerde, staarde Jean Valjean naar de vensters harer school, en des nachts stond hij op, om naar de vensters van haar slaapzaal te zien.

God heeft Zijn wegen; het klooster, zoowel als Cosette, werkten er toe mede om in Jean Valjean het werk van den bisschop levendig te houden en te volmaken. 't Is zeker, dat een der zijden van de deugd aan den hoogmoed grenst. Daar ligt een brug, die door den duivel gebouwd is. Jean Valjean was misschien, zonder dat hij 't zelf wist, tamelijk dicht bij deze zijde en deze brug, toen de Voorzienigheid hem in het klooster van Klein-Picpus wierp. Zoolang hij zich slechts bij den bisschop had vergeleken, had hij zich onwaardig bevonden en was hij nederig en ootmoedig geweest, maar sedert eenigen tijd begon hij zich bij de gewone menschen te vergelijken, en de hoogmoed kwam bij hem op. Wie weet? misschien zou hij allengs weder tot haat gekomen zijn.

Het klooster hield hem op dezen gladden weg tegen.

Het was het tweede gevangenisoord, dat hij zag. In zijn jeugd, en 't geen voor hem het begin des levens was geweest, en later, nog onlangs, had hij er een ander, verschrikkelijker, vreeselijker gezien, welks strengheden hem altijd als het onrecht der gerechtigheid, als de misdaad der wet waren voorgekomen. Thans, na het bagno, zag hij het klooster; en als hij overwoog, dat hij tot het bagno had behoord, en nu, om zoo te spreken, aanschouwer van het klooster was, vergeleek hij beide met belangstelling in zijn geest.

Soms rustte hij op zijn spade en verzonk langzaam in de peillooze diepten der gedachten.

Hij herinnerde zich zijn oude lotgenooten, hun diepe ellende; zij stonden op met den dageraad en werkten tot den nacht; nauwelijks gunde men hun den slaap; zij sliepen op britsen en men stond hun slechts twee duim dikke stroomatrassen toe, en zalen die slechts in de koudste maanden van 't jaar verwarmd werden; zij droegen gelijke roode buizen; men veroorloofde hun als bijzondere gunst in de grootste hitte een linnen broek, en in de strengste koude een wollen deken; zij dronken geen wijn noch aten vleesch, dan wanneer zij van uitputting zouden sterven. Zij hadden geen naam meer, maar werden alleen aangeduid door nommers en werden daardoor eenigermate tot cijfers gemaakt, zij sloegen de oogen neder, spraken zacht, hun haar was afgesneden, en zij leefden onder den stok en in schande.

Vervolgens wendde zich zijn geest naar de wezens, welke hij voor zijn oogen had.

Ook deze wezens gingen met afgesneden haar, met nedergeslagen oogen, spraken zacht, leefden wel niet in schande, maar bespot door de wereld, heur rug werd niet door den stok gekwetst, maar heur schouders door de geeselkoord gestriemd. Ook haar naam was onder de menschen verdwenen; zij bestonden nog slechts onder de namen van heiligen. Nooit aten zij vleesch, noch dronken zij wijn; vaak bleven zij den geheelen dag zonder voedsel; zij waren niet in een rood buis, maar in een zwartwollen gewaad gekleed, dat des zomers zwaar, des winters licht was, zonder daarvan iets af te nemen of er iets bij te voegen, zonder, al naar het jaargetijde, van linnen of wol gebruik te mogen maken; zes maanden van 't jaar droegen zij sergieën hemden, die haar de koorts veroorzaakten. Zij bewoonden in de strengste koude geen verwarmde zalen, maar cellen waarin nooit werd gestookt; zij sliepen niet op twee duim dikke matrassen, maar op stroo; kortom, men liet haar zelfs de nachtrust niet; alle nachten, na een dag van werkzaamheid, moesten zij in de afmatting van den eersten slaap, wanneer men nauwelijks verwarmd is, opstaan en in een ijskoude donkere kapel op een steen geknield bidden.

Op sommige dagen moest ieder dezer wezens beurtelings twaalf uren achtereen op de steenen blijven knielen of met het gezicht ter aarde en met uitgestrekte armen daarop liggen.

De anderen waren mannen, dezen waren vrouwen.

Wat hadden deze mannen gedaan? Zij hadden gestolen, geroofd, gemoord, gewelddadigheden gepleegd; 't waren roovers, falsarissen, giftmengers, brandstichters, moordenaars, vadermoorders. Wat hadden deze vrouwen gedaan? Zij hadden niets gedaan.

Eenerzijds roof, bedrog, geweld, moord, allerlei misdaden; aan de andere zijde slechts onschuld; een volkomen onschuld; schier tot in den hemel verheven; door de deugd nog aan de aarde gehecht, maar door heiligheid reeds tot den hemel behoorende.

Eenerzijds misdaden, die men elkander alleen in 't geheim toevertrouwt. Andererzijds de belijdenis van gebreken, met luide stem. En welke misdaden! en welke gebreken!

Eenerzijds verpestende dampen, andererzijds welriekende geuren. Eenerzijds eene zedelijke pest, waarop het kanon gericht is, die nauw bewaakt wordt en allengs de zieken verslindt; andererzijds een kuische ontvlamming van aller zielen door denzelfden gloed. Daar duisternis, hier schaduw, maar een schaduw vol glans, een schitterende glans.

Twee plaatsen van slavernij, maar in de eerste een mogelijke bevrijding, een wettelijke grens steeds in 't vooruitzicht, en daarbij de ontvluchting. In de andere, eeuwigdurendheid, in 't ver verschiet der toekomst geen andere hoop dan dat schijnsel van vrijheid, 't welk de menschen den dood noemen.

In de eerste was men slechts door ketens geboeid, in de andere was men door zijn geloof geboeid.

Wat verheft zich uit de eerste? Een oneindige vervloeking, tandgeknars, haat, wanhopige boosaardigheid, een kreet van woede tegen de menschelijke maatschappij, de bespotting van den hemel. Wat verspreiden zich uit de tweede? Zegen en liefde.

En in deze zoo overeenkomende en zoo verschillende plaatsen volbrachten deze beide zoo verschillende soorten van wezens hetzelfde werk, boetedoening.

Jean Valjean begreep wel de boetedoening der eersten, de persoonlijke boetedoening, de boetedoening voor zich zelven, maar niet die der anderen, die der vlekkelooze, onschuldige wezens, en bevend vroeg hij zich: Waartoe boetedoening? welke boetedoening?

Een stem in zijn binnenste antwoordde: de verhevenste edelmoedigheid des menschen, de boetedoening voor anderen.

Hier blijven alle persoonlijke theorieën ter zijde gesteld, wij verhalen slechts; wij plaatsen ons op het gezichtspunt van Jean Valjean en vertolken zijn gewaarwordingen.

Hij had den hoogsten trap van zelfverloochening, het toppunt van mogelijke deugd voor zijn oogen; de onschuld, die den menschen hun misslagen vergeeft en er in hun plaats voor boet; de vrijwillig aangenomen dienstbaarheid en pijniging, de straf door onschuldige zielen begeerd om er zondige zielen van te bevrijden; de liefde voor de menschheid in de liefde voor God opgelost, maar hier afgezonderd blijvende, en biddende; zwakke, zachte wezens, die de ellende dragen van hen, welke gestraft worden, met den glimlach van hen die beloond worden.

En hij herinnerde zich, dat hij zich had durven beklagen!

Dikwerf stond hij des nachts op, om naar het dankbaar gezang te hooren dier onschuldige, onder strengheden gebukte wezens; en een koude rilling doorliep zijn leden bij de gedachte, dat degenen die terecht gestraft werden, hun stem slechts tot den hemel verhieven om te lasteren; en dat ook hij zelf de vuist tegen God had opgeheven.

Welk een treffende samenloop van omstandigheden die hem, als ware 't een fluisterende waarschuwing der Voorzienigheid zelve geweest, diep deed nadenken: hij was over muren geklommen, hij had alles, zelfs den dood getart om het andere oord van boetedoening te verlaten, en juist hetzelfde had hij gedaan om in dit te komen. Was dit een zinnebeeld van zijn lot?

Ook dit huis was een gevangenis, en scheen even treurig als het andere, waaruit hij gevlucht was; en evenwel was hier nimmer een gedachte aan ontvluchting bij hem opgekomen.

Hij zag wederom traliën, grendels, ijzeren spijlen--om--wie te bewaren? Engelen.

De hooge muren, waarmede hij tijgers omgeven had gezien, vond hij hier om lammeren.

't Was een plaats van boetedoening en niet van straf; en echter was zij nog strenger, somberder en onmeedoogender dan de andere. Deze maagden werden zwaarder verdrukt dan tuchtelingen. Een kille, gure wind, welke zijn jeugd had verstijfd, woei over het getraliede en gegrendelde hol der gieren; maar een scherper en pijnlijker wind nog woei door de kooi der duiven.

Waarom?

Wanneer hij hieraan dacht, verzonk hij in ootmoed voor deze verheven verborgenheid.

Bij deze overdenkingen verdween zijn trots; hij keerde in zich zelven, gevoelde zijner nietigheid en weende vaak.

Al wat sedert zes maanden in zijn leven gebeurd was, deed hem tot de vermaningen van den bisschop terugkeeren: Cosette deed het door liefde, het klooster door ootmoed.

Soms zag men hem des avonds, in de duisternis, wanneer de tuin verlaten was, geknield op het pad langs de kapel voor het venster, door 't welk hij in den nacht zijner komst gezien had, gericht naar de plek waar hij wist dat de zuster, die de "Verzoening" verrichtte, in gebed was nedergebogen. Ook hij bad geknield voor deze zuster.

Voor God rechtstreeks te knielen scheen hij niet te durven wagen.

Al wat hem omgaf, deze vreedzame tuin, deze geurige bloemen, deze vroolijke kinderen, deze ernstige eenvoudige vrouwen, dit stille klooster--oefende een machtigen invloed op hem uit en allengs vervulde zich zijn ziel met de kalmte als van dit klooster, met geuren als van deze bloemen, met vrede als van dezen tuin, met eenvoud als van deze vrouwen, met blijdschap als van deze kinderen. Dan dacht hij er over na, dat twee huizen Gods hem na elkander in de twee gewichtigste omstandigheden zijns levens hadden opgenomen, het eerste toen alle deuren zich voor hem sloten en de maatschappij hem verstiet; het tweede toen de maatschappij hem wederom vervolgde en het bagno zich opnieuw voor hem opende; en dat hij, zonder het eerste, weder tot misdaad, en zonder het tweede tot straf zou zijn vervallen.

Zijn geheel hart versmolt in dankbaarheid en vervulde zich hoe langer hoe meer met liefde.

Verscheidene jaren verstreken alzoo; Cosette groeide aldus op.

EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.

INHOUD.

Boek I.

Waterloo. Bladz. I. Wat er op den weg van Nivelles gevonden wordt 7 II. Hougomont 8 III. Den 18 Juni 1815 15 IV. A. 17 V. Het "duistere iets" der veldslagen 19 VI. Des namiddags te vier uren 21 VII. Napoleon in goede luim 24 VIII. De Keizer doet den gids Lacoste een vraag 29 IX. Het onverwachte 32 X. Het bergvlak van Mont-Saint-Jean 35 XI. Een slechte gids voor Napoleon, een goede gids voor Bulow 40 XII. De garde 41 XIII. De catastrophe 43 XIV. Het laatste carré 45 XV. Cambronne 46 XVI. Quot Libras in Duce? 48 XVII. Moet men Waterloo goedvinden? 53 XVIII. Uitbreiding van het "Goddelijk recht" 54 XIX. Het slagveld des nachts 57

Boek II.

Het schip de Orion.

I. Nommer 24601 wordt 9430 65 II. Waarin men twee dichtregels zal lezen die misschien van den duivel zijn 68 III. Er moet aan de keten vooraf iets geschied zijn, om met één hamerslag te springen 72

Boek III.

Vervulling van de belofte aan de stervende gedaan.

I. De watertoestand te Montfermeil 83 II. Voltooiing van twee portretten 86 III. De menschen moeten wijn, de paarden water hebben 90 IV. Een pop komt op het tooneel 93 V. De kleine alleen 94 VI. Dat misschien Boulatruelles schranderheid bewijst. 99 VII. Cosette in het donker met den onbekende 103 VIII. Het onaangename van een arme bij zich te ontvangen, die misschien rijk is 106 IX. Thénardier aan 't werk 121 X. Wie het beste zoekt, vindt soms het slechtste 128 XI. No. 9430 komt weder te voorschijn en Cosette trekt dat lot 132

Boek IV.

Het oude Huis Gorbeau.

I. Meester Gorbeau 137 II. Nest voor uil en vleermuis 142 III. Een dubbel ongeluk maakt één geluk 144

Boek V.

Een jacht in den nacht met stille honden.

I. De zigzags der strategie 155 II. Gelukkig dat er rijtuigen over de brug van Austerlitz gaan 158 III. Men zie den platten grond van Parijs in 1727 159 IV. Het rondtasten der vlucht 162 V. 't Geen bij gasverlichting onmogelijk zou zijn 164 VI. Begin van een raadsel 167 VII. Vervolg van het raadsel 169 VIII. Het raadsel wordt duisterder 171 IX. De man met de schel 173 X. Waarin verhaald wordt hoe Javert niets ontdekt 176

Boek VI.

Klein Picpus.

I. Kleine Picpus-straat No. 62 187 II. De regel van Martinus Verga 190 III. Strengheden 196 IV. Vroolijkheid 197 V. Verstrooidheden 200 VI. Het kleine klooster 205 VII. Eenige silhouetten 207 VIII. Post corda lapides 209 IX. Een eeuw onder een nonnen borstdoek 211 X. Oorsprong der eeuwigdurende aanbidding 212 XI. Einde van Klein-Picpus 214

Boek VII.

Parenthesis.

I. Het klooster als abstracte idée 219 II. Het klooster als historisch feit 219 III. Op welke voorwaarden men het verleden kan eerbiedigen 222 IV. Het klooster uit het gezichtspunt van beginselen 224 V. Het gebed 225 VI. Het volstrekt nut van het gebed 227 VII. Voorzorgen tegen berisping 229 VIII. Geloof, wet 229

Boek VIII.

De kerkhoven nemen wat men ze geeft.

I. Hoe men in het klooster komt 235 II. Fauchelevent tegenover een bezwaar 242 III. Moeder Innocentia 244 IV. Jean Valjean heeft het voorkomen alsof hij Austin Castillejo had gelezen 253 V. Dronkenschap is niet voldoende om onsterfelijk te zijn 258 VI. Tusschen vier planken 264 VII. Zich niet van zijn stuk laten brengen 265 VIII. Het goed afgeloopen verhoor 272 IX. Besluit 275

NOTEN

[1] Het opschrift luidt aldus:

D O M CY A ETE ECRASE PAR MALHEUR SOUS UN CHARIOT MONSIEUR BERNARD DE BRYE MARCHAND A BRUXELLE LE (onleesbaar) FEBVRIER 1637.

[2] "Een voleindigden veldslag, een voltooide zaak, verkeerde maatregelen verbeterd, grootere voordeelen voor den volgenden dag verzekerd--alles ging door een oogenblik van panischen schrik verloren."

(Napoleon, "Handschrift van Sint-Helena.")

[3] Die jaarlijks uit Savoie komen en wier hand vaardig de lange kanalen veegt, die door roet gevuld zijn.

[4] Meester Raaf lag over eene portefeuille met papieren gebogen en had een dwangbevel in den bek; meester Vos door den reuk gelokt vertelde hem de volgende geschiedenis: Hé goeden dag enz.

[5] 't Is hier de fabriek van Goblet zoon; men kan er kruiken, kannen uitzoeken, ook bloempotten, buizen, en baksteenen; aan ieder verkoopt het harte ruiten.

[6] Agathe-aux-clefs--(Agatha met de sleutels).

[7] Vacarme, rumoer.

[8] Het kruis staat vast, terwijl de wereld vergaat.

[9] Au bon coing, (kweepeer) dat als coin (hoek) wordt uitgesproken beteekent hier "in den goeden hoek."

End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 2 van 5), by Victor Hugo