De Ellendigen (Deel 2 van 5)

Part 15

Chapter 153,922 wordsPublic domain

Hier nu bevond zich Jean Valjean.

Wij hebben gezegd, dat hij terugtrad, toen hij de donkere, wachtende gestalte aan den hoek der straten Droit-Mur en kleine Picpus zag. Deze gestalte sloeg hem gade.

Wat moest hij doen? Hij had den tijd niet meer om terug te keeren.--Wat hij een oogenblik te voren op eenigen afstand achter zich had zien bewegen, was ontwijfelbaar Javert met zijn mannen, en dezen bevonden zich waarschijnlijk reeds aan den ingang der straat, aan welker einde Jean Valjean was. Javert was vermoedelijk met dezen kleinen doolhof bekend en had zijn maatregelen genomen door het zenden van een zijner mannen, om den uitgang te bewaken. Deze gissingen, die schier zekerheid waren, vielen, als stof, dat de wind opheft, terstond smartelijk op Valjeans hoofd. Hij onderzocht de blinde steeg; zij liep dood. Hij onderzocht de kleine Picpusstraat; er stond een schildwacht. Hij zag deze sombere gestalte op de door de maan verlichte straat donker uitkomen. Zoo hij achteruitging, stiet hij op Javert. Hij gevoelde zich als in een net gevangen, dat zich langzaam dichttrekt. Wanhopend zag hij ten hemel.

VIERDE HOOFDSTUK.

HET RONDTASTEN DER VLUCHT.

Om het volgende te begrijpen, moet men zich een duidelijk denkbeeld vormen van de steeg Droit-Mur en in 't bijzonder van den hoek, ter linkerzijde, als men uit de straat Polonceau deze steeg inging. Ter rechterzijde, tot aan de kleine straat Picpus, stonden grootendeels armoedige huizen; links stond een groot gebouw, uit verschillende woningen bestaande, die hooger werden naarmate zij dichter bij de kleine Picpusstraat stonden; zoodat dit gebouw zeer hoog aan den kant der Picpus-straat en tamelijk laag aan den kant der Polonceau-straat was. Aan den hoek, waarvan wij gesproken hebben, was het zoo laag, dat het slechts een muur vormde. Deze muur liep niet gelijkzijdig met de straat, maar stond naar binnen, en vormde een vierkante ruimte die aan beide hoeken der straat Polonceau en der straat Droit-Mur onzichtbaar was. De gevel van dat groote gebouw had een somber aanzien. Men ontdekte er slechts één vensterraam, of liever, twee met zink beslagen vensterluiken, die steeds gesloten waren.

De inspringende ruimte was schier geheel ingenomen door een onoogelijke, groote deur, samengesteld uit rechtopstaande, ongeschaafde planken, die, boven breeder dan onder, door lange ijzeren dwarslatten werden samengehouden. Daarnaast was een koetspoort van gewone grootte, die blijkbaar later was aangebracht.

Een lindeboom verhief zijn takken over het inspringend vak, en aan den kant der straat Polonceau was de muur met klimop overdekt.

In het dreigend gevaar, waarin Jean Valjean zich bevond, had dit somber gebouw iets verlatens en eenzaams, dat hem aanlokte. Hij liet er haastig zijn oogen over gaan; hij dacht dat, zoo 't hem gelukte er binnen te komen, hij misschien gered was. IJlings kwam een denkbeeld en een hoop bij hem op.

In 't middelgedeelte van den voormuur van het gebouw in de straat Droit-Mur waren aan al de vensters der verschillende verdiepingen oude trechtervormige looden bakken. De verschillende buizen, welke uit een hoofdbuis naar al deze bakken liepen, vormden aan den voorgevel een soort van wijnstok, zooals men die aan de voormuren van oude landhoeven ziet.

Deze wonderlijke wijnstok met ijzeren en looden takken, was het eerste wat Jean Valjean in 't oog viel. Hij zette Cosette met den rug tegen een schampsteen, zei haar zich stil te houden en liep naar de plaats, waar de buis de straat bijna raakte. Er was misschien middel daarlangs op te klimmen en in het huis te komen. Maar de buis was in vervallen staat, werd niet meer gebruikt en hing nauwelijks in haar houvasten. Overigens waren al de vensters van dit stil verblijf, zelfs die van het dak, van dikke, ijzeren traliën voorzien. Ook bescheen de maan den geheelen voorgevel, en de man, die aan het einde der straat op wacht stond, had Jean Valjean kunnen zien opstijgen. En wat met Cosette gedaan? Hoe kon zij op dit drie verdiepingen hooge huis gebracht worden?

Hij zag er van af, langs de buis op te klimmen en sloop langs den muur weder naar de Polonceau-straat.

Toen hij bij den inspringenden muur was, waar hij Cosette had achtergelaten, merkte hij op, dat hem dáár niemand zien kon. Zooals wij hebben aangeduid, kon geen blik, van welken kant ook, hem bereiken. Bovendien was hij in de schaduw. Er waren twee deuren; misschien konden die opengebroken worden. De muur, waarboven hij den lindeboom, en het klimop zag, kwam waarschijnlijk aan een tuin uit, waarin hij zich, hoewel er geen bladeren aan de boomen waren, ten minste kon verbergen en het overige van den nacht doorbrengen.

De tijd verstreek. Hij moest zich haasten.

Hij drukte tegen de koetspoort en ontdekte terstond, dat zij zoowel van binnen als van buiten vast toegespijkerd was. Met meer hoop naderde hij de andere groote deur. Deze was zeer oud, en haar grootte maakte haar minder stevig; de planken waren vergaan, de ijzeren banden, slechts drie in getal, waren verroest. Er scheen mogelijkheid, deze vermolmde sluiting open te breken.

Bij nadere beschouwing bleek het hem, dat deze deur geen eigenlijke deur was. Zij had noch duimen, noch hengsels, noch slot, noch middelscheiding; de ijzeren banden liepen zonder afbreking van het eene eind tot het andere. Door de reten der planken bespeurde hij een ruw gemetselden muur, welken men er, tien jaren geleden nog kon zien. Hij moest met schrik ontwaren dat deze vermeende deur niets anders was dan de houten schutting om een gebouw. Hij had gemakkelijk een plank kunnen wegrukken, maar dan stond hij voor een muur.

VIJFDE HOOFDSTUK.

'T GEEN BIJ GASVERLICHTING ONMOGELIJK ZOU ZIJN.

In dit oogenblik werd een dof, gelijkmatig gerucht op eenigen afstand gehoord. Jean Valjean waagde het even, om den hoek te zien. Zeven of acht soldaten, tot een peloton gevormd, rukten de straat Polonceau in. Hij zag de bajonetten glinsteren. Zij kwamen op hem af.

Deze soldaten, aan wier spits hij Javerts hooge gestalte herkende, naderden langzaam en behoedzaam. Telkens bleven zij staan. 't Was duidelijk dat zij alle hoeken der muren, de portalen der deuren en gangen doorzochten.

't Was--deze gissing kon niet falen--een patrouille, welke Javert ontmoet en die hij opgeëischt had, hem te vergezellen.

Javerts beide helpers waren bij hem.

Uithoofde der langzaamheid van hun tred en hun veelvuldig stilhouden, hadden zij ongeveer een kwartieruurs noodig om ter plaatse te komen, waar Jean Valjean zich bevond. 't Was een vreeselijk oogenblik. Eenige minuten scheidden Jean Valjean van den schrikbarenden afgrond, die zich ten derden male voor hem opende. En het bagno was nu niet alleen het bagno, maar het was het verlies van Cosette, voor altijd; dat is, een leven als in een graf.

Één ding was nog slechts mogelijk.

Jean Valjean had dit bijzondere, dat men van hem kon zeggen, dat hij twee zakken droeg, in den eenen had hij de gedachten van een heilige, in den anderen de geduchte talenten van een tuchteling. Al naar de omstandigheid was, tastte hij in den eenen of in den anderen.

Ten gevolge zijner talrijke pogingen ter ontvluchting uit het bagno te Toulon, was hij, onder andere, zooals men zich herinnert, een volleerd meester in de ongelooflijke kunst, om zonder ladder, zonder haken, alleen door spierkracht, door de inspanning van nek, schouders, heupen en knieën, en door hier en daar de ruwe steenen tot steunpunt te nemen, desnoods tot een zesde verdieping langs twee muren, die een hoek vormden, op te klimmen; een kunst, die den hoek der binnenplaats van de Conciergerie te Parijs zoo berucht heeft gemaakt, door de ontvluchting van den veroordeelde Battemolle, nu twintig jaren geleden.

Jean Valjean mat den muur, waarboven hij den lindeboom zag, met zijn oogen. Deze was ongeveer achttien voet hoog. De hoek, dien hij met den gevel van het groote gebouw vormde, was van onder, in den vorm van een driehoek, dicht gemetseld, waarschijnlijk om dien hoek voor de onreinheden van sommige voorbijgangers te beveiligen. Deze voorzorg, om de hoeken dicht te metselen, is zeer algemeen in Parijs.

Dat metselwerk was bijna vijf voet hoog; om nu van die hoogte op den muur te komen moest men nog ongeveer veertien voet hooger klimmen.

Op den muur lagen platte steenen zonder uitstekende randen.

De zwarigheid was Cosette; want zij kon geen muur beklimmen. Haar te verlaten? Hieraan dacht Jean Valjean niet. Haar mee te nemen was onmogelijk. Een man heeft al zijn kracht noodig om zulk een buitengewone opstijging te volbrengen. De geringste last zou hem zijn zwaartepunt doen verliezen en ternederstorten.

Hij had een touw noodig. Jean Valjean had er geen. Waar, te middernacht, in de straat Polonceau, een touw te vinden? Had Jean Valjean een koninkrijk gehad, hij zou het op dat oogenblik voor een touw hebben gegeven.

In alle uiterste omstandigheden zijn het bliksems, die ons òf verblinden òf verlichten.

De wanhopende blik van Jean Valjean zag den paal der straatlantaarn in het slop Genrot. In dien tijd waren er geen gasbranders in de straten van Parijs. Zoodra de donker viel ontstak men, op zekere afstanden geplaatste, lantaarns, die, door middel van een touw, dat van den eenen naar den anderen kant over de straat was gespannen, en in de gleuf van een paal hing, op en neer werden gelaten. De schijf, om welke het touw liep, bevond zich onder de lantaarn in een klein ijzeren kastje, waarvan de lantaarnopsteker den sleutel had, terwijl het touw zelf door een ijzeren koker beschermd werd.

Met de geestkracht van een strijd op dood en leven sprong Valjean over de straat, liep het slop in, brak het slot van 't kastje met de punt van zijn mes open, en een oogenblik later was hij weder bij Cosette. Hij had een touw. Zij die, tegen het noodlot worstelend, naar hulpmiddelen zoeken, handelen snel.

Wij hebben reeds gezegd, waarom de lantaarns dien nacht niet ontstoken waren. De lantaarn in de blinde steeg Genrot brandde mitsdien evenmin als de andere, en men kon er voorbij gaan zonder op te merken, dat zij niet als gewoonlijk hing.

Het nachtelijk uur, de duisternis, de onrust van Jean Valjean, zijn zonderlinge bewegingen, zijn heen- en weer gaan, dit alles begon Cosette te beangstigen. Een ander kind zou reeds lang geschreeuwd hebben. Zij trok Jean Valjean slechts bij den slip van zijn jas. Men hoorde steeds duidelijker het gerucht der naderende patrouille.

"Ik ben bang, vader," zeide zij zacht. "Wat komt daar?"

"Stil!" antwoordde de ongelukkige man, "'t is vrouw Thénardier."

Cosette schrikte. Hij hernam:

"Wees stil. Laat mij begaan. Zoo ge schreeuwt, zoo ge weent zal vrouw Thénardier 't hooren. Zij komt om u te halen."

Toen, zonder overijling en met volkomen juistheid en zekerheid, die te opmerkelijker waren in een oogenblik dat de patrouille en Javert ieder oogenblik konden komen, ontdeed hij zich van zijn das, bond dien Cosette onder de armen, en wel zoodanig dat hij 't kind niet kon bezeeren, maakte aan den das een eind van het touw vast met een zoogenaamden weversknoop, nam het andere einde tusschen de tanden, trok zijn kousen en schoenen uit, welke hij over den muur wierp, klom op het metselwerk in den hoek, en schoof zich toen langs den hoek die de beide muren vormden met evenveel zekerheid en vastheid naar boven, alsof hij sporten onder de voeten en ellebogen had gehad. Binnen een halve minuut was hij boven op den muur op zijn knieën.

Cosette zag verstomd tot hem op, zonder een woord te zeggen. Jean Valjeans vermaning en de naam van vrouw Thénardier hadden haar doen verstommen.

Eensklaps hoorde zij de stem van Jean Valjean, die haar zacht toeriep:

"Ga tegen den muur staan."

Zij gehoorzaamde.

"Spreek geen woord en wees niet bang," hernam Jean Valjean.

Toen voelde zij zich van den grond opheffen.

Vóór zij den tijd had tot bezinning te komen, was zij op den muur.

Jean Valjean vatte haar, nam haar op zijn rug, hield haar handjes in zijn linkerhand, legde zich plat op den buik en kroop over den muur tot aan de deur, waar, zooals hij vermoed had, een gebouw stond, welks dak, ter hoogte van het planken beschot, zeer laag bij den grond, met een zachte glooiing en langs den lindeboom afliep.

't Was een gelukkige omstandigheid, want aan die zijde was de muur veel hooger dan aan de straat.

Jean Valjean ontdekte den grond eerst zeer diep onder hem. Hij was op het schuine dak gekomen en had den rand van den muur nog niet losgelaten, toen een luid gerucht de komst der patrouille aankondigde. Men hoorde Javerts donderende stem roepen:

"Doorzoekt het slop! De straat Droit-Mur is bewaakt, de kleine Picpus-straat insgelijks. Ik sta er voor in, dat hij in 't slop is."

De soldaten stormden het slop Genrot in.

Jean Valjean liet zich langs het dak glijden, Cosette steeds vasthoudende; hij bereikte den lindeboom en sprong naar beneden. Cosette was, hetzij uit angst of uit moed, doodstil geweest. Haar handjes waren een weinig geschaafd.

ZESDE HOOFDSTUK.

BEGIN VAN EEN RAADSEL.

Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten tuin, die een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke bestemd schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te worden. Deze tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge populieren aan het einde, tamelijk hooge heesters in de hoeken en een schaduwlooze ruimte in het midden, waar men een enkelen zeer grooten boom, eenige kromme, lage vruchtboomen, moesbedden, een meloenenbed, welks klokken in den maneschijn blonken, en een ouden waterput zag. Hier en daar stonden steenen banken, die met mos waren bedekt. De paden waren met kleine, donkere struiken afgezet. De helft der paden was met gras begroeid, het overige was met groen-schimmel bedekt.

Naast zich zag Jean Valjean het gebouw, langs welks dak hij naar beneden was gekomen, een hoop takkebossen, en achter de takkebossen, dicht tegen den muur, een steenen beeld, welks geschonden gezicht nog slechts een vormloos masker vertoonde, dat in de duisternis onduidelijk te voorschijn kwam.

Dit gebouw was een soort van ruïne, waarin men vervallen kamers onderscheidde, van welke eene tot schuur of bergplaats scheen te dienen.

Het groote gebouw der straat Droit-Mur, dat in de kleine Picpus-straat uitkwam, had in den tuin twee gevels, die een rechten hoek vormden. Deze achtergevels waren nog ellendiger dan de buitengevel. Al de vensters waren met tralies. Men zag er volstrekt geen licht. Voor de vensters der bovenverdiepingen waren koekoeken, als aan de gevangenissen. De eene dier gevels wierp zijn schaduw op den anderen, die op den tuin terugviel als een groot, zwart laken.

Men zag geen andere huizen. De achtergrond van den tuin verloor zich in nevel en duisternis. Men onderscheidde echter onduidelijk muren, als van andere tuinen, en de lage daken der straat Polonceau.

Men kon zich niets somberder en eenzamer voorstellen dan dezen tuin. Er was niemand, 't geen in dit uur niet vreemd was; maar de plaats zag er uit, alsof er nooit iemand kwam, zelfs niet op klaarlichten dag.

De eerste zorg van Jean Valjean was geweest zijn schoenen te zoeken en ze weder aan te trekken, en vervolgens met Cosette in de bergplaats te gaan. Een vluchteling acht zich nooit genoeg verborgen. Het kind dacht nog altijd aan vrouw Thénardier, en deelde dus in Jean Valjeans zucht om zich zoo goed mogelijk te verschuilen.

Cosette beefde en drong zich tegen hem aan. Men hoorde het gerucht der patrouille, die het slop en de straat doorzocht, het stooten der kolven op de straatsteenen, het geroep van Javert tot zijne op wacht gestelde lieden, en zijn vervloekingen, vermengd met woorden, welke men niet verstaan kon.

Na een kwartieruurs scheen dit onweder allengs af te trekken. Jean Valjean hield zijn adem in.

Zacht had hij zijn hand op den mond van Cosette gelegd.

De eenzaamheid, waarin hij zich bevond, was overigens zoo zonderling rustig, dat dit vreeselijke rumoer, zoo heftig en zoo nabij, er niet de minste stoornis bracht. Het scheen alsof deze muren gebouwd waren met de doove steenen, waarvan de bijbel spreekt.

Eensklaps, te midden dier diepe stilte, ontstond een nieuw geluid; een hemelsch, goddelijk, onbeschrijfelijk geluid, even verrukkelijk als het andere gruwelijk geweest was. 't Was een gezang, dat uit de duisternis kwam, een verheven harmonisch gebed, in de schaduw en de vreeselijke stilte van den nacht; een gezang van vrouwenstemmen, die den reinen klank der maagden en den natuurlijken toon der kinderen hadden, stemmen, welke niet tot de aarde behooren, maar aan die gelijken, welke de pasgeborenen nog in de ooren klinken en de stervenden reeds beginnen te vernemen. Dit gezang kwam uit het sombere gebouw, 't welk aan den tuin uitkwam. Juist toen het leven der duivelen verdween, scheen een engelenkoor in de schaduw te naderen.

Cosette en Jean Valjean knielden.

Zij wisten niet wat het was, zij wisten evenmin waar zij waren; maar beiden, de man en het kind, de boeteling en de onschuldige, gevoelden dat zij moesten knielen.

Het zonderlinge was, dat, in weerwil dezer stemmen, het gebouw eenzaam scheen. 't Was als een bovennatuurlijk gezang in een onbewoond huis.

Terwijl deze stemmen zongen, dacht Jean Valjean aan niets meer. Hij zag geen nacht meer, maar een blauwen hemel. 't Was hem, alsof die vleugels zich uitbreidden, welke wij allen in ons hebben.

Het gezang zweeg. Jean Valjean had niet kunnen zeggen, of het lang geduurd had. De uren van verrukking duren immer slechts één minuut.

Alles was weder stil geworden. Men hoorde niets meer in de straat, niets meer in den tuin. Zoowel wat hem bedreigde als wat hem geruststelde was verdwenen. De wind bewoog het dorre gras op den muur, dat een zacht, treurig geritsel voortbracht.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

VERVOLG VAN HET RAADSEL.

De nachtwind verhief zich, 't geen aanduidde, dat het tusschen één en twee uren des nachts was. De arme Cosette zeide niets. Daar zij naast Jean Valjean zat, met het hoofd tegen hem geleund, meende hij dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar in 't gezicht. Cosette had de oogen wijd open en een peinzend gelaat, 't geen Jean Valjean leed deed.

Zij beefde nog altijd.

"Hebt ge slaap?" vroeg Jean Valjean.

"Ik ben koud," antwoordde zij.

Een oogenblik later hernam zij:

"Is zij er nog?"

"Wie?" vroeg Jean Valjean.

"Madame Thénardier."

Jean Valjean was reeds vergeten, welk middel hij aangewend had, om Cosette stil te doen zijn.

"O," zeide hij, "zij is weg. Vrees niet meer."

Het kind zuchtte, alsof een zware last van haar hart was genomen.

De grond was vochtig, de schuur aan alle zijden open, en de nachtwind werd met ieder oogenblik kouder. Valjean trok zijn jas uit en wikkelde er Cosette in.

"Voelt ge u nu minder koud?" vroeg hij.

"O, ja, vader."

"Nu, wacht mij een oogenblik. Ik kom spoedig terug."

Hij verliet de schuur en ging langs het groote gebouw, om een betere schuilplaats te vinden. Hij vond deuren, maar zij waren gesloten. Voor al de benedenvensters waren ijzeren tralies.

Toen hij voorbij den binnenhoek van het gebouw was, bespeurde hij boogvensters en een flauw lichtschijnsel. Hij verhief zich op de teenen en schouwde door een dier vensters. Door alle zag men in een zeer ruime zaal, die met groote zerken geplaveid en met bogen en pilaars voorzien was, en waarin men niets onderscheidde dan een flauw licht en breede schaduwen. Het licht kwam van een nachtlampje in een hoek. Deze zaal was eenzaam en niets bewoog er zich. Evenwel, na lang staren, meende Jean Valjean op den grond, op de zerken iets te zien, dat met een lijkkleed overdekt scheen en een menschelijk lichaam geleek. Het lag plat op den buik met het gezicht op de steenen, met uitgebreide armen, bewegingloos als een doode. Te oordeelen naar iets, dat een slang geleek en op den grond lag, zou men gezegd hebben dat deze akelige gestalte een touw om den hals had.

De geheele zaal was vervuld van dat nevelachtige van flauw verlichte ruimten, dat het schrikbarende verhoogt.

Jean Valjean heeft later dikwijls gezegd dat, hoeveel akeligs hem in zijn leven ook ontmoet was, hij nimmer iets vreeselijker en ijzingwekkender gezien had dan deze raadselachtige gestalte, in dit sombere oord en in deze nachtelijke duisternis. Schrikkelijk was de onderstelling, dat deze gestalte dood was, maar schrikkelijker nog dat zij leefde.

Hij had den moed zijn gezicht tegen de glasruiten te drukken en te bespieden of 't geen hij zag zich bewegen zou. Hoewel hij, naar zijn meening, een geruime poos gewacht had, bewoog de op den grond liggende gestalte zich niet. Eensklaps voelde hij zich door een onuitsprekelijken schrik aangegrepen en hij vluchtte naar de schuur, zonder te durven omzien. 't Scheen hem dat, zoo hij 't hoofd omwendde, hij de gestalte met snelle schreden en de armen bewegende achter zich zou zien.

Hijgend kwam hij aan de schuur. Zijn knieën knikten; 't zweet brak hem van alle kanten uit.

Waar was hij? Wie had zich ooit iets kunnen verbeelden, als dit soort van graf, te midden van Parijs? Wat was dit zonderlinge huis? dit gebouw vol nachtelijke verborgenheden, dat in de schaduw de zielen met engelenstemmen riep, en wanneer zij kwamen haar plotseling zulk een schrikbarend visioen vertoonde, haar de schitterende poorten des hemels beloofde te openen, maar de vreeselijke poort van het graf ontsloot. 't Was wel degelijk een gebouw, een huis aan de straat met een nummer! 't Was geen droombeeld! Hij moest de steenen betasten, om het te kunnen gelooven.

De koude, de angst, de ongerustheid, de vele aandoeningen van dien avond hadden hem koortsig gemaakt, en zijn gedachten vlogen verward door zijn hoofd.

Hij ging naar Cosette. Zij sliep.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

HET RAADSEL WORDT DUISTERDER.

Het kind had haar hoofdje op een steen gelegd en was in slaap gevallen.

Valjean zette zich aan haar zijde en aanschouwde haar. Allengs, en hoe langer hij haar aanzag, werd hij rustiger en herkreeg zijn tegenwoordigheid van geest.

Duidelijk erkende hij deze waarheid, den grondslag van zijn toekomstig leven, dat zoolang zij er zou zijn en hij haar bij zich zou hebben, hij niets noodig had dan alleen voor haar, noch iets vreesde dan alleen om harentwille. Hij voelde zelfs niet dat hij zeer koud was, wijl hij zijn jas had uitgetrokken om er haar mede te dekken.

Hij hoorde intusschen, door zijn mijmering heen, sedert eenigen tijd een zonderling geluid. 't Was als een schel, die van plaats verandert. Het klonk in den tuin. Men hoorde het duidelijk, hoewel flauw. Het geleek den zachten klank der bellen van koeien, die 's nachts in de weide zijn.

Jean Valjean keerde zich om naar dat gerucht; hij zag dat iemand in den tuin was.

't Scheen een man te zijn, die over het meloenbed tusschen de klokken ging, nu bukkende, dan zich oprichtende, dan weder stilstaande, met regelmatige bewegingen, alsof hij iets over den grond sleepte of uitlegde. De man scheen te hinken.

Jean Valjean schrikte met eene siddering, die ongelukkigen steeds eigen is. Alles is hun vijandig en verdacht. Zij mistrouwen den dag, omdat die hen in 't licht stelt, en den nacht, omdat die behulpzaam is hen te verrassen. Straks huiverde hij, omdat de tuin eenzaam was; nu sidderde hij, omdat er iemand was.

Van een hersenschimmigen angst verviel hij in een wezenlijken. Hij vreesde, dat Javert en de verspieders zich misschien niet verwijderd hadden, dat zij waarschijnlijk lieden in de straat ter bewaking hadden achtergelaten, dat, zoo deze man hem nu in den tuin ontdekte, hij zeker hulp zou roepen en hem overleveren. Behoedzaam nam hij de slapende Cosette in zijn armen en droeg haar achter een hoop oud huisraad in den versten hoek der schuur. Cosette verroerde zich niet.