Part 14
Hij droeg nog altijd zijn bruine jas, zwarte broek en ouden hoed. Op de straat hield men hem voor een arme. Soms gebeurde het, dat goedhartige vrouwen omkeerden en hem een sou gaven. Jean Valjean ontving den sou en boog diep. Ook gebeurde het soms, dat hij een arme ontmoette, die zijn milddadigheid inriep; dan schouwde hij rond of iemand hem ook zag, naderde steelswijze den ongelukkige, drukte hem een geldstuk, dikwerf een zilverstuk, in de hand en verwijderde zich haastig. Dit had zijn ongelegenheden. In de wijk begon hij bekend te worden onder den naam van "de bedelaar die aalmoezen geeft."
De oude "hoofd-huurderes", een hatelijk wezen, geheel vervuld met afgunstige opmerkzaamheid, sloeg Jean Valjean, zonder dat hij 't vermoedde, nauwkeurig gade. Zij was een weinig doof, en bijgevolg praatachtig. Er waren haar nog twee tanden overgebleven, een boven- en een ondertand, die zij immer tegen elkander stiet. Zij had Cosette uitgevraagd, die, niets wetende, haar ook niets wist te zeggen, dan dat zij van Montfermeil kwam. Op zekeren ochtend merkte de bespiedster op, dat Jean Valjean, met een gezicht dat haar zonderling voorkwam, een der onbewoonde vertrekken van het huis binnenging. Zij sloop hem na als een oude kat, en zonder gezien te worden, kon zij hem door de reet der deur, die aanstond, opmerken. Waarschijnlijk uit voorzichtigheid was Jean Valjean met den rug naar de deur gaan staan. De oude vrouw zag dat hij in zijn zak tastte, er een koker, een schaar en garen uitnam, toen de voering van een zijner rokspanden lostornde en uit de opening een geelachtig stuk papier nam, dat hij openvouwde. De oude vrouw zag met ontzetting dat 't een bankbriefje van duizend francs was. Het was het tweede of het derde, dat zij in haar leven gezien had. Verschrikt liep zij weg.
Een oogenblik later kwam Jean Valjean bij haar om haar te verzoeken, het bankbriefje van duizend francs te gaan wisselen, dat, voegde hij er bij, zijne halfjarige rente was, welke hij den vorigen dag ontvangen had.--Waar? dacht de oude vrouw. Hij is niet vóór 's avonds te zes uren uitgegaan, en op dat uur zijn de betaalkantoren niet meer open.--De oude vrouw ging om het biljet te wisselen en maakte allerlei gissingen. Dit bankbriefje van duizend francs, besproken en vermenigvuldigd, gaf onder de babbelaarsters der straat des Vignes St.-Marcel stof tot een menigte drukke gesprekken.
De volgende dagen zaagde Jean Valjean, in zijn hemdsmouwen, hout in de gang. De oude vrouw was bezig de kamer in orde te brengen. Zij was hier alleen, want Cosette stond te zien naar het houtzagen. De oude vrouw ontdekte de jas, aan een spijker hangende, en nam ze nauwkeurig op. De voering was weder dichtgenaaid. Zij betastte ze zorgvuldig en meende overal tusschen de voering verborgen papier te voelen. Zonder twijfel andere bankbriefjes van duizend francs.
Zij bevond tevens, dat er allerlei dingen in de zakken waren. Niet alleen naalden, een schaar en het garen, welke zij gezien had, maar een dikke portefeuille, een groot mes, en--wat zeer verdacht was--pruiken van verschillende kleur. Iedere zak van die jas scheen 't een of ander te bevatten, dat bij mogelijke gebeurtenissen dienen kon.
De bewoners van het huis bereikten op die wijze de laatste dagen van den winter.
VIJFDE HOOFDSTUK.
EEN VIJFFRANCSTUK VALT OP DEN VLOER.
Bij de St. Medardus-kerk zat op den rand van een ouden onbruikbaren put een arme, wien Jean Valjean gaarne een aalmoes gaf. Zelden ging hij dien man voorbij zonder hem een sou te geven. Vaak sprak hij met hem. De afgunstigen op dezen arme zeiden, dat hij "tot de politie" behoorde. 't Was een vijf-en-zeventigjarig man, die gestadig gebeden prevelde.
Op zekeren avond, dat Jean Valjean hier langs ging--hij had Cosette niet bij zich--zag hij den bedelaar op zijn gewone plaats onder de straatlantaarn, die juist ontstoken was. De man scheen als gewoonlijk te bidden en zat diep gebogen. Jean Valjean naderde hem en gaf hem de gewone aalmoes. De bedelaar sloeg snel de oogen op, staarde Jean Valjean strak aan, en boog toen schielijk weder het hoofd. Deze beweging was bliksemsnel. Jean Valjean ontroerde. Het scheen hem, dat hij bij het licht der lantaarn niet het rustig en vroom gelaat van den ouden bedelaar, maar een vreeselijk en bekend gezicht had gezien. Hij voelde de gewaarwording van iemand, die eensklaps in de duisternis een tijger voor zich ziet. Verschrikt en als versteend deinsde hij terug, niet wagende te ademen, te spreken, te blijven, te vluchten,--den bedelaar aanstarende, die zijn hoofd weder gebogen had en niet meer scheen te weten dat hij er nog was. Een instinct, misschien het geheimzinnige instinct van zelfbehoud, weerhield Jean Valjean in dit oogenblik een woord te spreken. De bedelaar had dezelfde grootte, dezelfde lompen, hetzelfde voorkomen als alle dagen.--Och! dacht Jean Valjean, ik ben mal! ik droom! 't is onmogelijk! Hij kwam echter in de grootste ontsteltenis te huis.
Nauwelijks durfde hij 't zich zelven bekennen, dat hij Javerts gezicht had meenen te zien.
Toen hij des nachts er over nadacht, speet het hem, den man niet te hebben aangesproken, ten einde hem te noodzaken het hoofd nogmaals op te heffen.
Den volgenden dag, tegen den avond, ging hij weder derwaarts. De bedelaar was op zijn gewone plaats.--Goeden avond, vriend, zei Jean Valjean onverschrokken, hem een sou gevende. De bedelaar zag op en zeide met jammerlijke stem: "Ik dank u, mijn goede heer."--'t Was wel de oude bedelaar.
Jean Valjean voelde zich volkomen gerustgesteld. Hij glimlachte.--"Hoe drommel, heb ik dáár Javert kunnen zien? dacht hij. Zouden mij mijn oogen beginnen te foppen?" Hij dacht er niet verder over.
Eenige dagen later, 't kon acht uren 's avonds zijn, was hij in zijn kamer en hoorde, terwijl hij Cosette luid liet spellen, de voordeur van het huis openen en weder sluiten. Dit kwam hem vreemd voor. De oude vrouw, de eenige welke met hem het huis bewoonde, ging steeds met het donker naar bed, om geen licht te branden. Jean Valjean wenkte Cosette te zwijgen. Hij hoorde iemand de trap opgaan. 't Is waar, 't kon de oude vrouw zijn, die, ongesteld geworden, naar den apotheker was gegaan. Jean Valjean luisterde. De tred was zwaar en klonk als die van een man; maar de oude vrouw droeg zware schoenen, en niets gelijkt meer naar den tred van een man, dan die van een oude vrouw. Jean Valjean blies intusschen zijn kaars uit.
Hij had Cosette naar bed gebracht en zacht tot haar gezegd: "Ga heel stil naar bed," en terwijl hij haar op het voorhoofd kuste, hadden de voetstappen opgehouden. Jean Valjean bleef stil, bewegingloos, met den rug naar de deur gekeerd, op zijn stoel, welken hij niet verlaten had, met ingehouden adem, in 't donker zitten. Na een tamelijk geruime poos niets meer hoorende, keerde hij zich om zonder eenig gerucht te maken, en zijn oogen toen naar de kamerdeur slaande, zag hij licht door het sleutelgat. Dit licht vormde een onheilspellende ster in 't donker van deur en muur. Blijkbaar was er iemand die met een licht in de hand luisterde.
Na verloop van eenige minuten verdween het licht.
Maar hij hoorde geen gerucht van voetstappen, 't geen scheen aan te duiden dat degeen, die aan de deur luisterde, zijn schoenen had uitgetrokken.
Jean Valjean wierp zich geheel gekleed op het bed, maar sloot den geheelen nacht geen oog.
Bij 't aanbreken van den dag, juist toen hij van vermoeidheid insluimerde, wekte hem het knarsen eener deur die aan 't einde van de gang geopend werd; vervolgens hoorde hij denzelfden manstred, die den vorigen avond de trap was opgegaan. De tred naderde. Hij sprong uit het bed en bracht zijn oog voor het sleutelgat, dat tamelijk groot was, in de hoop in 't voorbijgaan dengene te zien, die des nachts in 't huis was gekomen en aan zijn deur geluisterd had. 't Was werkelijk een man, die ditmaal, zonder zich op te houden, Jean Valjeans kamer voorbijging. De gang was nog te donker om zijn gezicht te kunnen onderscheiden; maar toen de man aan de trap was gekomen, vertoonde het invallend daglicht zijn schaduwbeeld, en Jean Valjean zag hem volkomen van achter. De man was hoog van gestalte, droeg een lange jas en een stok onder zijn arm. 't Waren de forsche omtrekken van Javert.
Jean Valjean zou hem gaarne door zijn venster op den boulevard hebben nagezien. Maar hij zou dan het raam hebben moeten openen, en dit durfde hij niet.
't Was duidelijk dat deze man met een sleutel en alsof hij te huis was, was binnengekomen. Wie had hem dien sleutel gegeven? Wat moest dat beteekenen?
Te zeven uren 's ochtends, toen de oude vrouw de kamer kwam in orde brengen, sloeg Jean Valjean een vorschenden blik op haar, maar vroeg haar niets. Zij was als gewoonlijk.
Terwijl zij de kamer veegde, zeide zij:
"Mijnheer heeft misschien van nacht iemand hooren binnenkomen."
Op dien leeftijd en op dien boulevard is 't om acht ure reeds nacht.
"Ja, inderdaad," antwoordde hij op onverschilligen toon. "Wie was het?"
"Een nieuwe inwoner," zei de oude vrouw.
"Hoe heet hij?"
"Ik weet niet recht, Dumont of Daumont, of zoo iets."
"En wat is die mijnheer Daumont?"
De oude vrouw gluurde hem aan met haar kleine bunsing-oogen, en antwoordde:
"Een rentenier, evenals gij."
Zij zeide dit misschien zonder eenige bedoeling. Jean Valjean meende er die echter in te ontdekken.
Toen de oude vrouw zich verwijderd had, maakte hij een rol van een honderdtal francs die hij in eene kast had, en stak ze in zijn zak. Hoe voorzichtig hij hierbij te werk ging, om het geld niet te doen rammelen, schoot hem echter een vijffrancstuk door de vingers en rolde luid over den vloer.
Tegen de avondschemering ging hij naar buiten en zag nauwkeurig naar alle zijden van den boulevard. Hij zag niemand. De boulevard scheen volkomen eenzaam. 't Is waar, dat men er zich achter een boom kon verbergen.
Hij ging weder naar boven.
"Kom," zeide hij tot Cosette.
Hij nam haar bij de hand en zij gingen heen.
BOEK V.
EEN JACHT IN DEN NACHT MET STILLE HONDEN.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE ZIGZAGS DER STRATEGIE.
Voor de bladzijden, welke men nu lezen en nog later ontmoeten zal, is hier een opmerking noodig.
Sedert vele jaren is de schrijver van dit boek, die tot zijn leedwezen van zich zelven moet spreken, uit Parijs afwezig. Sinds hij die stad verlaten heeft, is zij geheel veranderd. Er is een nieuwe, een hem schier onbekende stad opgerezen. Hij behoeft niet te zeggen, dat hij Parijs liefheeft, zij is de geboortestad van zijn geest. Ten gevolge van sloopingen en herbouwingen is het Parijs zijner jeugd, het Parijs, 't welk hij met zulk een innige verkleefdheid in zijn geheugen heeft medegenomen, thans een Parijs van vroeger tijd. Men veroorlove hem van dit Parijs te spreken, als bestond het nog. 't Is mogelijk, dat, ter plaatse waar de schrijver den lezer zal voeren met de woorden: "In deze straat is dit huis," thans noch huis noch straat meer is, de lezers mogen dit onderzoeken, zoo zij zich die moeite willen geven. Hij kent het nieuwe Parijs niet en schrijft met het oude Parijs voor zijn oogen in een illusie, die hem dierbaar is. Hij vermeidt zich in gedachte, dat er toch wat is overgebleven van 't geen hij zag, toen hij in zijn vaderland was, en dat niet alles is verdwenen. Zoo lang men zich in zijn geboorteland beweegt, verbeeldt men zich, dat ons de straten onverschillig zijn, dat deze vensters, deze daken en deze deuren ons niet aangaan, dat deze muren ons vreemd, dat deze boomen niets meer dan andere zijn, dat deze huizen, waar men niet binnengaat, geen belang voor ons hebben, dat deze straatsteenen, welke men betreedt, niet anders dan steenen zijn. Later, wanneer wij er niet meer zijn, zien wij, dat deze straten ons dierbaar zijn, dat wij deze daken, deze vensters en deze muren missen, dat ons deze muren noodzakelijk, deze boomen ons dierbaar zijn, dat wij deze huizen, welke wij nooit binnen gingen, toch dagelijks binnen konden gaan en wij op deze straatsteenen iets van onze ingewanden, van ons bloed en van ons hart hebben achtergelaten. Al deze plaatsen, die men niet meer ziet, die men misschien nimmer zal wederzien, verkrijgen een smartelijke bekoorlijkheid, herrijzen telkens in het geheugen als een treurige verschijning, vertoonen ons het beloofde land en zijn, om zoo te zeggen, geheel Frankrijk voor ons; men bemint ze en herinnert ze zich zooals ze zijn, zooals zij waren, men houdt er aan vast, en wil er niets aan veranderen, want men is aan het voorkomen van het vaderland gehecht, evenals aan de trekken eener dierbare moeder. 't Zij ons dus geoorloofd van het verledene te spreken alsof het tegenwoordig ware, en na den lezer verzocht te hebben hiervan aanteekening te nemen, gaan wij voort.
Jean Valjean had dadelijk den boulevard verlaten en was de straten ingegaan. Hij keerde en wendde zich zoo dikwijls mogelijk en ging vaak op zijn schreden terug om zeker te zijn dat hij niet gevolgd werd.
Een dergelijke handelwijze is ook die van het gejaagde hert. Op een bodem, waar de voet indruksels achterlaat, heeft zij onder andere het nut, dat de jagers en honden, door de tegen elkander inloopende voetsporen, in verwarring worden gebracht.
't Was volle maan. Dit was Jean Valjean niet onaangenaam. Daar zij bij haar opkomst nog dicht aan den horizon stond, wierp zij op de straten breede vakken van schaduw en licht. Hij kon dus aan de schaduwzijde langs de huizen en muren sluipen en de lichtzijde in 't oog houden. Hij dacht er misschien niet genoeg aan, dat de donkere zijde aldus aan zijn opmerkzaamheid ontging. Hij meende zich echter verzekerd te mogen houden, dat niemand hem in de eenzame stegen, in den omtrek der straat Poliveau, zou volgen.
Cosette ging naast hem zonder iets te vragen. Het lijden der zes eerste jaren van haar leven had aan haar natuur iets lijdelijks gegeven. Bovendien--en tot deze opmerking zullen wij meermalen terugkomen--was zij reeds aan de zonderlingheden van dezen man en aan de grilligheid van haar lot gewoon, zonder daarover veel na te denken. Overigens voelde zij zich bij hem veilig.
Jean Valjean wist evenmin als Cosette, waarheen hij ging. Hij vertrouwde op God, gelijk zij op hem. 't Was hem insgelijks alsof hij iemand, die machtiger was dan hij, bij de hand hield; hij geloofde een onzichtbaar wezen te voelen, dat hem leidde. Overigens had hij volstrekt geen bepaald denkbeeld, geen plan of doel. Hij was zelfs niet volkomen zeker of het Javert was; en 't kon deze zijn, zonder dat Javert wist dat hij Jean Valjean was. Hij was immers geheel anders gekleed; men waande hem dood. Er hadden echter sinds eenige dagen zonderlinge zaken plaats. Meer was voor hem niet noodig; en hij had besloten, niet meer naar het huis Gorbeau terug te keeren. Als een opgejaagd dier, zocht hij een hol, waarin hij zich kon verbergen, tot hij er een vond om in te wonen.
Jean Valjean maakte verschillende doolhof-kronkelingen in de wijk Mouffetard, waar alles reeds sliep, alsof de verordeningen der middeneeuwen en 't gebod van vuur en licht uit te dooven, nog bestaan hadden. Met schrander berekenend overleg doorliep hij verscheidene straten, maar trad geen der zich daar bevindende logementen binnen, wijl zij hem niet geschikt voorkwamen. Hij twijfelde er niet aan, dat, zoo men toevallig zijn spoor had gezocht, men het nu wel verloren zou hebben.
Juist toen het op de kerk van Saint-Etienne-du-Mont elf uren sloeg, ging hij in de straat Pontoise, voorbij het bureau van den commissaris van politie No. 14. Eenige oogenblikken later, deed zijn instinct, waarvan wij vroeger gesproken hebben, hem omzien. Nu zag hij duidelijk drie mannen, die hem op de hielen volgden, achter elkander voorbij de lantaarn van het politiebureau aan de donkere zijde der straat gaan. Een dezer drie mannen trad bij den commissaris binnen. De vooraangaande kwam hem bepaald verdacht voor.
"Kom, kind," zeide hij tot Cosette en hij haastte zich uit de straat Pontoise te komen.
Hij maakte een omweg door verscheiden straten en kwam in de Poststraat. In deze straat loopt eene andere uit, waardoor een soort van pleintje ontstaat.
Dit pleintje werd helder door de maan verlicht. Jean Valjean drong zich tegen een deur, daar hij begreep, dat, zoo deze mannen hem nog volgden, hij hen duidelijk zou kunnen zien, wanneer zij deze heldere plek overgingen.
Inderdaad, geen drie minuten waren verloopen of de mannen verschenen. Zij waren nu met hun vieren; allen forsche gestalten, in lange, bruine jassen, met ronde hoeden op 't hoofd en dikke stokken in de hand. Hun forsch voorkomen en groote vuisten waren niet minder verontrustend dan hun sluipende gang in de duisternis. Zij geleken vier spoken in burgerkleeding.
Op 't midden van 't pleintje bleven zij staan, alsof zij met elkander raadpleegden. Zij schenen besluiteloos. Hij, die blijkbaar de aanvoerder was, keerde zich om en wees levendig met de rechterhand in de richting waar Jean Valjean zich bevond; een ander wees met nadruk naar den tegenovergestelden kant. Toen de eerste zich omkeerde, bescheen het maanlicht zijn gelaat en Jean Valjean herkende duidelijk Javert.
TWEEDE HOOFDSTUK.
GELUKKIG DAT ER RIJTUIGEN OVER DE BRUG VAN AUSTERLITZ GAAN.
Jean Valjeans onzekerheid was ten einde; gelukkig duurde zij nog voort bij de mannen. Hij maakte zich hun aarzeling ten nutte; 't was voor hen verloren tijd, voor hem tijd gewonnen. Hij verwijderde zich van de deur, waar hij zich verscholen had, en ging door de straat des Postes naar den kant van den Plantentuin. Cosette begon vermoeid te worden; hij nam haar op zijn arm en droeg haar. Er was niemand op de straat, en uithoofde der volle maan brandden de lantaarns niet.
Hij versnelde zijn tred, en had spoedig de pottenbakkerij Goblet bereikt, op welker voorgevel duidelijk in den maneschijn het volgend oude opschrift leesbaar was:
De Goblet fils c'est ici la fabrique; Venez choisir des cruches et des brocs. Des pots à fleurs, des tuyaux, de la brique. A tout venant le Coeur vend des Carreaux. [5]
Hij liet achter zich de straat de la Clef, voorts de fontein St. Victor, ging door zijstraten langs den Plantentuin en kwam op de kade. Daar zag hij om. De kade en de straten waren eenzaam. Niemand was achter hem. Hij ademde ruimer.
Vervolgens bereikte hij de brug van Austerlitz.
Toenmaals moest nog bruggeld betaald worden.
Hij ging naar 't brugwachtershuisje en betaalde een sou.
"'t Is twee sous," zei de invalide op de brug. "Ge draagt een kind dat gaan kan. Gij moet voor twee betalen."
Hij betaalde, ontevreden dat zijn voorbijgaan tot een opmerking aanleiding had gegeven. Een vlucht moet een gladde doorsluiping zijn.
Een groote kar reed met hem over de brug en ging als hij naar den rechteroever. Dat diende hem. Hij kon in de schaduw dezer kar de brug overgaan.
Midden op de brug wilde Cosette loopen, daar zij den slaap in haar voeten had gekregen. Hij zette haar neder en nam haar bij de hand.
Over de brug zijnde, bespeurde hij een weinig rechts houttuinen; hij ging er op af. Om ze te bereiken, moest hij over een tamelijk groote, vrije en verlichte ruimte gaan. Hij aarzelde niet. Zij, die hem vervolgden, hadden blijkbaar zijn spoor verloren en Jean Valjean achtte zich buiten gevaar. Hij werd wel gezocht; maar niet gevolgd.
Tusschen twee, door muren omsloten, houttuinen liep de kleine straat du Chemin-Vert-Saint-Antoine, een enge, donkere straat, die opzettelijk voor hem gemaakt scheen. Eer hij er in ging, zag hij om.
Van hier kon hij de brug van Austerlitz over haar geheele lengte zien.
Vier donkere gestalten traden juist op de brug.
Deze gestalten hadden den rug naar den Plantentuin gekeerd en gingen naar den rechteroever.
't Waren de vier mannen.
Jean Valjean rilde als 't weder betrapte wild.
Slechts één hoop bleef hem; namelijk, dat deze mannen misschien nog niet op de brug waren geweest en hem gezien hadden, op 't oogenblik dat hij, met Cosette aan de hand, over de verlichte plek ging.
In dat geval kon hij ontkomen, door de kleine straat, die hij voor zich zag, in te slaan, en, zoo mogelijk, de houttuinen te bereiken en in 't vrije veld te komen.
Hij meende zich in het stille straatje te kunnen vertrouwen en ging er in.
DERDE HOOFDSTUK.
MEN ZIE DEN PLATTEN GROND VAN PARIJS IN 1727.
Na een driehonderd schreden te hebben gedaan, kwam hij ter plaatse, waar de straat zich in twee straten vertakte, de eene rechts, de andere links. Jean Valjean had een soort van Y voor zich. Welken arm zou hij er van kiezen?
Hij aarzelde niet en koos den rechter.
Waarom?
Wijl de linker tak naar de voorstad, naar bewoonde plaatsen, en de rechter naar het veld, naar het onbewoonde voerde.
Zij gingen echter niet snel meer; want Cosette's schreden vertraagden die van Valjean.
Hij droeg haar nogmaals. Cosette legde haar hoofd op zijn schouder en sprak geen woord.
Nu en dan keerde hij zich om en zag achter zich. Hij zorgde steeds aan de donkere zijde der straat te blijven. De straat liep achter hem rechtuit. Hij keerde zich twee of drie keeren om, doch zag niets, alles was stil, en eenigszins geruster zette hij zijn weg voort. Eensklaps meende hij, juist toen hij zich omkeerde, dat zich iets in de straat, ver achter hem, in de duisternis bewoog.
Hij liep voort, meer dan hij ging, in de hoop een zijstraat te vinden, daar door te ontkomen en nogmaals zijn vervolgers van het spoor te brengen.
Hij kwam aan een muur.
Deze muur belette hem echter niet, verder te gaan; want langs dezen muur liep een dwarsweg, welke zich met de straat verbond, die Jean Valjean volgde.
Hier moest hij wederom rechts of links kiezen.
Hij zag rechts. Aan dien kant verlengde zich de steen tusschen loodsen of schuren en liep blind. Men kon duidelijk aan het einde van die blinde steeg een grooten, witten muur zien. Hij zag links. Aan dien kant was de steeg open, en liep ongeveer tweehonderd schreden ver in een straat uit. Naar dien kant bestond er redding.
Juist toen Jean Valjean links wilde gaan om de straat te bereiken, welke hij aan het einde der steeg zag, bespeurde hij op den hoek der steeg en deze straat iets als een zwart beeld.
't Was iemand, die daar blijkbaar geplaatst was, om op te passen en den doortocht te beletten.
Jean Valjean trad achteruit.
Het punt van Parijs, waar Jean Valjean zich bevond, tusschen de voorstad St. Antoine en la Râpée, is er een van die, welke door de nieuwe verbouwingen geheel en al veranderd zijn, en welke veranderingen volgens sommigen ontsieringen, volgens anderen verfraaiingen zijn. De velden, de werven en oude gebouwen zijn verdwenen. Tegenwoordig zijn er nieuwe, groote straten, circussen, wedrenpleinen, hippodromes, spoorwegstations en de gevangenis Mazas: de vooruitgang en wat er mede in verband staat.
Een halve eeuw geleden heette de plek, welke Jean Valjean bereikt had, in de volkstaal "Klein Picpus."
Klein Picpus, dat overigens nauwelijks bestaan heeft en slechts de poging eener wijk is geweest, had schier het kloosterachtig voorkomen eener Spaansche stad. De wegen waren er slechts gedeeltelijk geplaveid, de straten slechts gedeeltelijk bebouwd. De twee of drie straten uitgezonderd, waarvan wij spreken zullen, zag men er niets dan muren en eenzaamheid. Geen winkels, geen rijtuigen; te nauwernood hier en ginds een licht aan de vensters; na tien uren waren alle lichten uit. Niets dan tuinen, kloosters, werven, moerassen; enkele lage huizen en groote muren, even hoog als de huizen.
Zoodanig was deze wijk in de vorige eeuw. De revolutie had ze reeds ruw aangetast. Het republikeinsch bestuur had ze gesloopt, omvergehaald, doorgebroken. Zij was een bergplaats van puin en steen geworden. Dertig jaren geleden was deze wijk onder den nieuwen bouw nauwelijks meer kenbaar; thans is zij geheel verdwenen.
Klein Picpus was, zooals wij gezegd hebben, een Y van straten, gevormd door den Chemin-Vert-Saint-Antoine, die zich in twee takken splitste en links den naam van kleine Picpusstraat en rechts dien van Polonceau-straat droeg. De twee armen der Y waren aan den top als door een keten verbonden. Deze keten heette rue Droit-Mur.