De Ellendigen (Deel 2 van 5)

Part 12

Chapter 123,952 wordsPublic domain

"Wel, van onze kleine Cosette. Wilt ge dit niet van ons wegnemen? Nu, ik spreek openhartig; zoo waar als ik een eerlijk man ben, ik kan er niet in bewilligen. Ik zou het kind missen. Ik heb ze van jongs af bij mij gehad. 't Is waar, dat ze ons veel kost; 't is waar, dat ze haar gebreken heeft; 't is waar, dat wij niet rijk zijn; 't is waar dat, toen ze ziek was, ik meer dan vierhonderd francs aan artsenijen betaald heb. Maar men moet iets voor den lieven God doen. Zij heeft noch vader noch moeder, ik heb haar grootgebracht. Ik heb brood voor mij en voor haar. Kortom, ik ben aan 't kind gehecht. Ge begrijpt, men kan zich ergens aan hechten; ik ben een eenvoudige goede kerel; ik redeneer niet, en houd van de kleine; mijn vrouw is driftig, maar houdt ook van haar. 't Is als ware het ons kind. Ik moet haar in huis hooren keuvelen."

De vreemde bleef hem strak aanzien. Thénardier voer voort:

"Vergeving, verschooning, mijnheer, men geeft zoo maar zijn kind niet aan den eerste den beste. Niet waar, heb ik geen gelijk? 't Is zoo, gij zijt rijk, gij schijnt een zeer goed man, en zoo het tot haar geluk was? Maar wie weet dat? Ge begrijpt dat, zoo ik haar liet gaan en dit offer bracht, ik zou willen weten waar zij bleef, ik zou haar niet uit het oog willen verliezen, zou moeten weten bij wien zij is, om haar nu en dan te bezoeken, opdat zij zou weten dat haar goede pleegvader nog altijd over haar waakt. Er zijn voorwaar maar al te veel onmogelijke zaken. Ik weet zelfs uw naam niet. Zoo ge haar medenaamt, zou ik moeten vragen: waar is de Leeuwerik toch gebleven? Ik zou ten minste een stukje papier, een paspoort of iets van dien aard moeten zien.

Zonder op te houden den herbergier met dien blik aan te zien, die, om zoo te spreken, tot in het diepst der ziel dringt, antwoordde de vreemde met ernstige, vaste stem:

"Mijnheer Thénardier, men neemt geen pas om zich vijf uren van Parijs te verwijderen. Zoo ik Cosette medeneem, neem ik haar mede, dit is alles. Ge zult noch mijn naam, noch mijn woonplaats vernemen; ge zult haar verblijf niet vernemen, en 't is mijn bedoeling dat zij u nooit wederzie. Ik breek den draad, dien zij aan den voet heeft, en zij vliegt weg. Wilt gij dit, ja of neen?"

Evenals goede en kwade geesten aan sommige teekenen de tegenwoordigheid van een hoogeren geest erkennen, zoo begreep Thénardier, dat hij met een zeer sterk man te doen had. Dit werd hem als ingegeven; hij begreep het dadelijk met zijn gewone scherpzinnigheid. Hij had reeds den vorigen avond, terwijl hij met de voerlieden dronk, rookte en zong, den vreemdeling oplettend gadegeslagen, hem als een kat beloerd en hem als een wiskunstenaar bestudeerd. Uit eigen beweging, voor zijn pleizier en uit instinct had hij hem gadegeslagen, en hem bespied als werd hij er voor betaald. Geen gebaar, geen beweging was hem van dezen man in de bruine jas ontsnapt. Zelfs vóór de onbekende zijn belangstelling in Cosette deed blijken, had Thénardier hem geraden. Hij had de doordringende blikken van den ouden man verrast, die zich immer op het kind richtten. Wat was de reden dezer belangstelling? Wie was deze man? Waarom zulk een armoedige kleeding, met zooveel geld in den zak? Deze vragen, welke hij zich deed en niet kon oplossen, kwelden hem. Hij had er den ganschen nacht over gedacht. 't Kon Cosettes vader niet zijn. Misschien een grootvader? maar waarom zich dan niet dadelijk kenbaar gemaakt? Zoo men recht op iets heeft, bewijst men het. 't Was duidelijk, dat deze man geen recht op Cosette had. Wie was hij dan? Thénardier verloor zich in gissingen. Hij meende alles te zien, en zag niets. Hoe het zij, toen hij met den man een gesprek begon, voelde hij zich sterk, in de overtuiging dat er een geheim onder schuilde, dat de man er belang bij had onbekend te blijven; doch bij het duidelijk en stellig antwoord van den vreemde, en toen hij zag van dit geheimzinnig personage zoo eenvoudig geheimzinnig was, gevoelde hij zich zwak. Iets dergelijks had hij niet verwacht. Al zijn gissingen vielen nu in duigen. Hij zamelde zijn gedachten. In een seconde overwoog hij dit alles. Thénardier was een dier menschen, die in een oogenblik over een toestand oordeelen. Hij begreep dat 't nu het oogenblik was om regelrecht en snel door te tasten. Hij handelde als de groote veldheeren op het beslissend oogenblik, dat zij alleen weten te erkennen; hij ontblootte eensklaps zijn batterij.

"Mijnheer," zeide hij, "ik moet vijftienhonderd francs hebben."

De vreemde nam uit zijn zak een oude, zwart lederen portefeuille, opende ze en haalde er drie bankbriefjes uit, welke hij op de tafel legde. Toen hield hij zijn grooten duim op de briefjes en zeide tot den herbergier:

"Haal Cosette."

Wat deed Cosette, terwijl dit plaats had?

Cosette was terstond bij haar ontwaken naar haar klompje geloopen, en had daarin het goudstuk gevonden. 't Was geen gouden Napoleon, maar een dier nieuwe twintig-francstukken der restauratie, waarop de kleine Pruisische staart den lauwerkrans aan het borstbeeld vervangen had. Cosette was als verblind. Haar lot begon haar te bedwelmen. Zij wist niet wat een goudstuk was; nooit had zij er een gezien; zij bergde het haastig in haar zak alsof zij het gestolen had. Evenwel gevoelde zij, dat het haar behoorde; zij begreep, van waar dit geschenk kwam, maar haar vreugd was met vrees vermengd. Zij was tevreden; maar bovenal verbaasd. Deze heerlijke, schoone dingen schenen haar niet wezenlijk. De pop joeg haar vrees aan, het goudstuk beangstigde haar. Deze heerlijkheden deden haar onwillekeurig beven. Alleen de vreemde man baarde haar geen vrees; integendeel, hij stelde haar gerust. Sinds den vorigen avond dacht zij, bij al haar verbazing, in haar slaap, in haar kleinen kinderlijken geest aan den man, die zulk een oud, armoedig en treurig aanzien had en die zoo rijk en goed was. Sinds zij dien goeden man in het bosch had ontmoet was alles voor haar veranderd. Cosette, minder gelukkig dan de geringste zwaluw in de lucht, had nooit geweten wat het is, in de moederlijke hoede als onder een vleugel beschermd te zijn. Sedert vijf jaren, dat is zoo ver haar geheugen reikte, rilde en beefde het arme kind. Steeds was zij naakt geweest in den guren wind des ongeluks; nu scheen het haar, dat zij gekleed was. Vroeger was haar ziel koud, nu was zij warm.--Cosette had zooveel vrees niet meer voor Thénardier. Zij was niet meer alleen; er was iemand bij haar.

Haastig had zij haar ochtendwerk begonnen. De louisd'or, welken zij bij zich had, in 't zelfde zakje van haar voorschoot, waaruit den vorigen avond het vijftien-sousstuk was gevallen, maakte haar verstrooid. Zij durfde het niet aanraken, maar beschouwde het elke vijf minuten, waarbij zij, wij moeten 't zeggen, de tong uitstak. Terwijl zij de trap veegde, hield zij stil, vergat haar bezem en de geheele wereld, en staarde bewegingloos naar de schitterende ster in haar zak.

't Was in zulk een beschouwing, dat vrouw Thénardier haar vond.

Op 't bevel van haar man kwam deze haar zoeken. Vreemd! zij gaf haar geen klap en schold haar niet.

"Cosette, kom dadelijk," zei zij schier vriendelijk.

Een oogenblik later trad Cosette de gelagkamer binnen.

De vreemde nam het pakje, dat hij had medegebracht, en ontknoopte het. Het bevatte een wollen jurkje, een schortje, een onderrok, een halsdoek, wollen kousen, schoenen, kortom de volledige kleeding voor een zevenjarig meisje. Alles was zwart.

"Neem dit, mijn kind," zei de man, "en kleed u spoedig."

't Begon te dagen toen de inwoners van Montfermeil, die hun deuren allengskens openden, in de Parijsche straat een armoedig gekleed man zagen voorbijgaan, die een in den rouw gekleed meisje met een groote pop in de armen, aan de hand hield. Zij gingen in de richting van Livry.

't Was onze man met Cosette.

Niemand kende hem; en wijl Cosette geen lompen meer droeg, herkenden velen haar niet.

Cosette ging heen. Met wien? waarheen? dit wist zij niet. Al wat zij begreep was, dat zij Thénardier's kroeg verliet. Niemand had er aan gedacht haar vaarwel te zeggen, evenmin als zij om van iemand afscheid te nemen. Zij verliet dat huis, gehaat en hatende.

Arm, zacht wezen, welks hart tot hiertoe immer onderdrukt was geweest.

Cosette ging ernstig voorwaarts, met groote oogen den hemel aanschouwende. Zij had den louisd'or in het zakje van haar nieuwen boezelaar gestoken. Nu en dan boog zij 't hoofd en sloeg er een blik op, daarna zag zij telkens naar den man. Zij gevoelde iets, als ware zij bij den goeden God.

TIENDE HOOFDSTUK.

WIE HET BESTE ZOEKT, VINDT SOMS HET SLECHTSTE.

Vrouw Thénardier had, als gewoonlijk, haar man laten handelen. Zij verwachtte iets gewichtigs. Toen de vreemde en Cosette weg waren, liet Thénardier een groot kwartier voorbijgaan. Toen ging hij tot haar en toonde haar de vijftienhonderd francs.

"Meer niet?" zeide zij.

Dit was de eerste keer, sedert het begin van hun echtelijke samenleving, dat zij een daad van den meester durfde berispen.

De slag trof.

"Inderdaad, ge hebt gelijk," zeide hij, "ik ben een ezel. Geef mijn hoed."

Hij vouwde de drie bankbriefjes samen, stak ze in zijn zak en verwijderde zich haastig. Hij vergiste zich echter in den weg en ging rechts. Eenige buren, bij wie hij onderzoek deed, brachten hem op het rechte spoor; de Leeuwerik en de vreemde waren den weg naar Livry gegaan. Hij volgde deze aanwijzing, en ging snel voort, in zich zelven sprekende.

"Die man is blijkbaar een in 't bruin gekleede millionair, en ik ben een ezel. Eerst gaf hij twintig sous, toen vijf francs, vervolgens nog vijftig francs, eindelijk vijftienhonderd francs en alles zonder eenige moeielijkheid. Hij zou ook vijftienduizend francs hebben gegeven. Maar ik zal hem inhalen.

Ook het vooraf gereed gemaakte pakje voor de kleine was iets zonderlings, daar schuilt een geheim achter. Wanneer men geheimen heeft, laat men ze niet spoedig los. De geheimen der rijken zijn met goud gevulde sponsen, die men moet weten uit te persen." Al deze gedachten woelden hem in 't hoofd.--"Ik ben een ezel," herhaalde hij.

Zoodra men buiten Montfermeil den hoek van den weg naar Livry bereikt heeft, ziet men den weg zeer ver voor zich uit, in de hoogte. Hier gekomen, zou hij, naar zijn berekening, den man en het kind kunnen zien. Hij tuurde zoo ver zijn oogen reikten, maar bespeurde niets. Hij deed weder onderzoek. Hiermede verloor hij tijd. Voorbijgangers zeiden hem, dat de man en het kind, welke hij zocht, naar 't bosch, op den weg van Gagny, waren gegaan. Hij spoedde zich in deze richting voort.

Zij waren hem een goed eind vooruit, maar een kind gaat langzaam en hij liep snel. Bovendien waren hem de omstreken bekend.

Eensklaps bleef hij stil staan en sloeg zich voor 't hoofd, als iemand, die het voornaamste heeft vergeten en wil terugkeeren

"Ik had mijn geweer moeten medenemen!" dacht hij.

Thénardier was een dier dubbele naturen, welke vaak in ons midden verschijnen, zonder dat wij 't weten, en die verdwijnen, zonder dat men ze gekend heeft, wijl het lot er slechts ééne zijde van heeft getoond. Thénardier bezat in zijn gewonen rustigen toestand al wat er noodig is een eerlijk man van zaken, een "goed burger" genoemd te worden, wij zeggen niet--te zijn. Terzelfdertijd had hij, in zekere omstandigheden, wanneer zekere schokken zijn onderste natuur deden bovenkomen, alles wat noodig is om een schurk te zijn. Hij was een herbergier, in wien iets gedrochtelijks verborgen lag. Satan moest zich zeker nu en dan in een hoek der kroeg, waarin Thénardier huisde, neerzetten en over dit meesterstuk van het afschuwelijke nadenken.

Na een korte aarzeling dacht hij:

"Zij zouden den tijd hebben mij te ontkomen."

Hij zette met snelle schreden, schier met een voorkomen van zekerheid en met de sluwheid van den vos, die een troep patrijzen riekt, regelrecht zijn weg voort.

Toen hij voorbij de vijvers was, de groote vlakte ter rechterzijde van den weg naar Bellevue schuins overgegaan, en gekomen was aan het met gras begroeide pad, dat bijna om den geheelen heuvel loopt en den boog der oude waterleiding van de abdij van Chelles overdekt, bespeurde hij inderdaad boven het struikgewas een hoed, nopens welken hij reeds verscheidene gissingen had gemaakt. 't Was de hoed van den man. Het struikgewas was laag. Thénardier begreep, dat de man en Cosette dáár zaten. De kleinheid van het kind belette, dat men het kon zien, maar men zag het hoofd der pop.

Thénardier bedroog zich niet. De man had zich dáár neergezet om Cosette een weinig te laten rusten. De herbergier ging om het kreupelhout heen en verscheen eensklaps voor de oogen van hen, welke hij zocht.

"Vergeving, verschoon mij, mijnheer," zeide hij hijgend, "maar neem uw vijftienhonderd francs terug."

Dit zeggende reikte hij den vreemde de drie bankbriefjes.

De man sloeg de oogen op en vroeg:

"Wat beteekent dat?"

"Het beteekent, dat ik Cosette terugneem, mijnheer," antwoordde Thénardier heel onderdanig.

Cosette beefde en klemde zich tegen den ouden man.

Deze antwoordde, terwijl hij Thénardier strak in de oogen zag en op ieder zijner woorden drukte:

"Ge neemt Cosette terug?"

"Ja, mijnheer, ik neem haar terug. Ik moet u zeggen, dat ik heb nagedacht. Ik heb eigenlijk het recht niet haar aan u af te staan. Weet ge, ik ben een eerlijk man. Het kind behoort mij niet; het behoort aan haar moeder. Haar moeder heeft het mij toevertrouwd; ik mag het aan niemand dan aan haar moeder wedergeven. Ge zult mij zeggen, dat haar moeder dood is. Goed, maar in dat geval kan ik het kind niet overgeven dan aan dengene, die mij een door de moeder onderteekend geschrift brengt, krachtens 't welk ik het kind aan dien persoon moet overgeven. Dat is duidelijk."

Zonder te antwoorden tastte de man in zijn zak, en Thénardier zag wederom de portefeuille met bankbriefjes te voorschijn komen.

De kroeghouder trilde van blijdschap.

"Ha!" dacht hij, "laat ik mij goed houden. Hij wil mij omkoopen."

Vóór de reiziger de portefeuille opende, sloeg hij een blik rondom zich. De plaats was volkomen eenzaam; geen sterveling was in het bosch noch op de vlakte te zien. De man opende de portefeuille en nam er, niet een handvol bankbriefjes, zooals Thénardier verwacht had, maar een klein papiertje uit, dat hij losvouwde en den herbergier aanbood, zeggende:

"Ge hebt gelijk. Lees dus."

Thénardier nam het papier en las:

M. sur M. den 25 Maart 1823.

"Mijnheer Thénardier,

"Geef Cosette aan brenger dezes over. Men zal u alle kleinigheden betalen.

"Met achting heb ik de eer u te groeten.

"Fantine."

"Ge kent deze handteekening?" hernam de man.

't Was wel degelijk Fantines handteekening. Thénardier herkende haar. Er was niets tegen in te brengen. Hij gevoelde een dubbele, hevige spijt, vooreerst dat zijn hoop op buit verijdeld was, en ten tweede van geslagen te zijn. De man voegde er bij:

"Ge moogt dit papier te uwer verantwoording behouden."

Thénardier trok in goede orde terug:

"Deze handteekening is tamelijk goed nagemaakt," mompelde hij tusschen zijn tanden. "Welnu, het zij zoo."

Toen beproefde hij nog een wanhopige poging.

"'t Is goed, mijnheer," zeide hij. "Wijl gij de brenger zijt. Maar men moet mij "alle kleinigheden" betalen. Men is mij nog veel schuldig."

De man stond op en zeide, terwijl hij met zijn vingers het stof van zijn kale mouw knipte:

"Mijnheer Thénardier, in Januari berekende de moeder, dat zij u honderd-twintig francs schuldig was; in Februari zondt ge haar een rekening van vijf-honderd francs; in het laatst van Februari hebt ge driehonderd francs en in 't begin van Maart nogmaals driehonderd francs ontvangen. Sinds zijn negen maanden verloopen, 't geen, tegen den bepaalden prijs van vijftien francs, honderd-vijf-en-dertig francs bedraagt. Gij hadt honderd francs te veel ontvangen. Dus hebt ge nog vijf-en-dertig francs tegoed. Ik heb u nu laatstelijk vijftienhonderd francs gegeven."

Thénardier ondervond nu, wat een wolf ondervindt op het oogenblik dat hij zich door den stalen muil van de val gebeten en gegrepen voelt.

"Wie is deze duivel van een kerel?" dacht hij.

Hij deed wat de wolf doet: hij schudde zich. De vermetelheid was hem reeds eenmaal gelukt.

"Mijnheer onbekend," zeide hij stoutmoedig en alle beleefdheid ter zijde stellende, "ik zal Cosette terugnemen zoo ge mij geen duizend kronen geeft."

De vreemde zeide bedaard:

"Kom, Cosette."

Hij nam Cosette met de linkerhand en met de rechterhand zijn stok, die op den grond lag.

Thénardier lette op de dikte van den knuppel en de eenzaamheid der plaats.

De man ging met het kind het bosch in, en liet den herbergier verbluft staan.

Terwijl zij voortgingen, beschouwde Thénardier de breede eenigszins gewelfde schouders en de grove vuisten van den man.

Toen viel zijn blik op zijn eigen tengere armen en magere handen.--Ik ben toch zeer dom geweest, dacht hij, dat ik mijn geweer niet heb medegenomen, daar ik op de jacht ging.

De herbergier gaf 't echter nog niet op.

"Ik wil weten, waar hij heen gaat," zeide hij bij zich zelven, en hij volgde hen op een afstand. Twee dingen waren hem echter gebleven: eene bespotting, het stuk papier door Fantine onderteekend; en een troost, de vijftienhonderd francs.

De man voerde Cosette in de richting van Livry en Bondy. Hij ging langzaam, met gebogen hoofd, in nadenkende en treurige houding. De winter had het bosch doorzichtig gemaakt, zoodat Thénardier hen in 't oog kon houden, hoewel hij ver achter hen bleef. Van tijd tot tijd wendde de man het hoofd om, ten einde te zien of men hem ook volgde. Eensklaps ontdekte hij Thénardier. Plotseling ging hij met Cosette in dicht kreupelhout, waar beiden onzichtbaar waren.

"Verduiveld!" dacht Thénardier, en hij versnelde zijn schreden.

De dichtheid van het houtgewas had hem genoopt hen meer te naderen. Toen de man in het dichtste hout was, keerde hij zich om. Thénardier trachtte zich vergeefs achter de takken te verbergen, hij kon niet verhinderen dat de man hem zag. De man wierp hem een wrevelen blik toe, schudde het hoofd en zette zijn weg voort. De herbergier volgde hem. Zoo deden zij twee- of driehonderd schreden. Eensklaps keerde de man zich weder om. Hij zag den herbergier. Ditmaal zag hij hem met zulk een dreigenden blik aan, dat Thénardier het "onnoodig" oordeelde verder te gaan. Hij keerde terug.

ELFDE HOOFDSTUK.

NO. 9430 KOMT WEDER TE VOORSCHIJN EN COSETTE TREKT DAT LOT.

Jean Valjean was niet dood.

Toen hij in zee viel, of liever er in sprong, was hij, zooals men gezien heeft, niet geboeid. Hij zwom onder water naar een ten anker liggend schip, waaraan een boot was vastgemaakt. Het gelukte hem zich tot den avond in die boot te verbergen. Des nachts ging hij weder te water en zwom naar de kust, welke hij op korten afstand van kaap Brun bereikte. Daar kon hij zich, aangezien 't hem aan geen geld ontbrak, kleederen verschaffen. Een herberg in den omtrek van Balaguier was destijds het kleedermagazijn der ontvluchtte tuchtelingen, een zeer winstgevend bedrijf. Toen volgde Jean Valjean, zooals al die ongelukkige vluchtelingen, welke de waakzaamheid der wet en de maatschappelijke vervolging van het spoor willen leiden, een donkeren, kronkeligen weg. Hij vond een eerste schuilplaats te Pradeaux, bij Bausset. Vervolgens ging hij naar Grand-Villard bij Briançon in de Opper-Alpen. 't Was tastend en bevond, dat hij zijn weg volgde, die duister en onbekend was, als die van den mol. Later heeft men eenig spoor van zijn tocht gevonden in het departement der Ain op het gebied van Civrieux, in de Pyreneeën te Accons, in een oord genaamd la Grange-de-Doumecq, bij het gehucht van Chavailles, en in de omstreken van Perigueux, te Brunies, kanton van Chapelle-Gonaguet. Eindelijk bereikte hij Parijs. Men heeft hem nu te Montfermeil gezien.

Zijn eerste zorg toen hij te Parijs kwam, was geweest rouwkleederen voor een zeven- of achtjarig meisje te koopen, en zich vervolgens van een verblijf te voorzien. Daarna had hij zich naar Montfermeil begeven.

Men zal zich herinneren, dat hij reeds bij zijn voorgaande ontwijking naar deze streek een geheimzinnige reis had gedaan, waarvan de justitie eenige lucht had gekregen.

Men hield hem overigens voor dood, en dit vermeerderde de duisternis die zich om hem gevormd had. Te Parijs kwam een der dagbladen in zijn handen, die van het feit melding maakten. Hij voelde zich gerustgesteld, schier evenzeer als ware hij werkelijk dood geweest.

Den avond van den dag, op welken Jean Valjean Cosette uit Thénardier's klauwen had gerukt, kwam hij te Parijs terug. Hij ging in de avondschemering met het kind door de barrière van Monceaux. Daar nam hij een cabriolet, die hem naar de esplanade van 't Observatorium voerde. Hij steeg uit, betaalde den koetsier, nam Cosette bij de hand, en beiden gingen in den donkeren avond, door de eenzame straten in den omtrek van l'Ourcine en la Glaciere, naar den boulevard de l'Hôpital.

De dag was voor Cosette wonderbaar en vol aandoeningen geweest; zij hadden achter hagen brood en kaas gegeten, die zij in afgelegen herbergen gekocht hadden; zij waren dikwerf van rijtuig veranderd, en hadden een eind weegs te voet afgelegd. Zij klaagde niet, maar zij was vermoeid; Jean Valjean bespeurde dit aan haar hand, waaraan zij zich schier liet voorttrekken. Hij nam haar op zijn rug; Cosette, zonder Kaatje los te laten, legde haar hoofd op Jean Valjeans schouder en viel in slaap.

BOEK IV.

HET OUDE HUIS GORBEAU.

EERSTE HOOFDSTUK.

MEESTER GORBEAU.

Wie zich veertig jaren geleden in de onbekende streken der Salpêtrière waagde en den boulevard tot aan de Italiaansche barrière volgde, kwam op een plek, waar men zou kunnen zeggen, dat Parijs ten einde liep. 't Was geen eenzaamheid, want er waren voorbijgangers; 't was geen veld, want er waren huizen en straten; 't was geen stad, want in de straten waren diepe wagensporen als op de landwegen, en er groeide gras; 't was geen dorp, de huizen waren er te hoog voor. Wat was het dan? 't Was een bewoond oord zonder menschen, een eenzaam oord met menschen; 't was een boulevard der groote stad, een straat van Parijs, vreeselijker des nachts dan een bosch, akeliger des daags dan een kerkhof.

't Was de oude wijk der Paardenmarkt.

Wie zich voorbij de vier vervallen muren dezer paardenmarkt waagde, zelfs zoo hij verder ging dan het straatje du Petit-Banquier, rechts voorbij een met hooge muren omgeven plaats, voorts over een veld, waarop zich stapels run als reusachtige beverhutten verhieven, voorts op een erf vol timmerhout, hoopen boomtronken, zaagsel en spaanders, waarop een groote hond blafte, voorts langs een geheel vervallen lagen, langen muur, met mos begroeid, waaruit in de lente bloempjes opschoten, in welken muur een kleine zwarte deur, voorts in het somberste gedeelte, een leelijk vervallen gebouw, waarop in groote letters te lezen stond: hier mag niets aangeplakt worden,--deze onverschrokken wandelaar bereikte eindelijk den hoek der weinig bekende straat Vignes-Saint-Michel. Dáár zag men destijds nabij een fabriek, tusschen twee tuinmuren, een vervallen huis, dat bij den eersten aanblik klein als een hut scheen, maar inderdaad groot als een cathedraal was. Het stond met den zijgevel naar de straat, waardoor het zoo smal scheen. Schier het geheele huis was verborgen. Men zag er slechts de deur en een venster van.

Het gebouw had slechts één verdieping.

Bij nauwkeurige beschouwing viel het duidelijk in 't oog, dat deze deur nimmer iets anders dan de ingang tot een gering gebouw kon zijn geweest, terwijl het venster, zoo het in hardsteen in plaats van kalk had gezeten, het raam van een hôtel had kunnen zijn.