Part 10
In 't bosch gekomen, ging hij langzamer en begon oplettend al de boomen te beschouwen, stap voor stap, als zocht en volgde hij een geheimen, hem alleen bekenden weg. Een oogenblik scheen hij verdwaald en stond besluiteloos stil. Eindelijk kwam hij zoekende en tastende op een onbegroeide plek, waar een hoop groote witachtige steenen lag. Haastig naderde hij deze steenen en in de nachtschemering onderzocht hij ze nauwkeurig en met de grootste aandacht. Een dikke boom, bedekt met die uitwassen, welke de wratten van 't plantenrijk zijn, stond op eenige schreden van den hoop steenen. Hij ging naar dien boom en bevoelde met zijn hand den stam, alsof hij de uitwassen poogde te herkennen en te tellen.
Tegenover dezen boom, een els, stond een kastanjeboom, wiens schors beschadigd was, en waarop men als verband een reep zink had gespijkerd. Hij tilde zich op de teenen en betastte die reep.
Daarop ging hij een poos tusschen den boom en de steenen heen en weer, als iemand die onderzocht of de grond kortelings is omgegraven.
Dit gedaan hebbende, nam hij zijn richting en zette zijn tocht door het bosch voort.
't Was deze man, dien Cosette ontmoet had.
Toen hij het kreupelhout naar den kant van Montfermeil doorging, had hij deze kleine schim gezien, welke zich zuchtend bewoog, die een last nederzette, dien weder opnam en haar weg vervolgde. Hij was nader gekomen en had gezien, dat 't een zeer jong kind was, een grooten emmer water torsende. Toen was hij tot het kind gegaan en had zwijgend het hengsel van den emmer gevat.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
COSETTE IN HET DONKER MET DEN ONBEKENDE.
Wij hebben gezegd, dat Cosette voor den man niet bevreesd was geweest.
Hij sprak haar aan en zeide met ernstige, zachte stem:
"De vracht die ge draagt, is te zwaar voor u, mijn kind!"
Cosette hief het hoofd op en antwoordde:
"Ja, mijnheer."
"Geef hem mij," hernam de man, "ik zal voor u dragen."
Cosette liet den emmer los. De man ging naast haar voort.
"'t Is inderdaad zwaar," zeide hij binnensmonds. En hij hernam:
"Hoe oud zijt ge, kleine?"
"Acht jaar, mijnheer."
"En zijt ge hiermede reeds ver gekomen?"
"Van de bron in het bosch."
"En moet ge nog ver?"
"Een goed kwartier van hier."
De man zweeg een oogenblik en hernam toen eensklaps:
"Hebt ge geen moeder?"
"Ik weet niet," antwoordde het kind.
Vóór de man den tijd had te spreken, hernam zij:
"Ik geloof 't niet. Anderen hebben er een. Ik niet."
Wederom na eenig zwijgen, zeide zij:
"Ik geloof, dat ik er nooit een gehad heb"
De man hield stil, zette den emmer neder, boog zich, legde zijn beide handen op de schouders van 't kind, en deed een poging om haar in 't gezicht te zien.
Het mager kwijnend gezicht van Cosette was onduidelijk zichtbaar bij het bleeke licht des hemels.
"Hoe heet ge?" vroeg de man.
"Cosette."
't Was of de man door een electrieken schok getroffen werd. Hij zag haar nogmaals aan, nam zijn handen van Cosettes schouders, greep den emmer en ging weder voort.
Na een poos, vroeg hij:
"Waar woont ge, kleine?"
"Te Montfermeil; zoo ge 't kent."
"Gaan wij daarheen?"
"Ja, mijnheer."
Wederom ontstond een pauze, toen hernam hij:
"Wie heeft u toch op dit uur water in 't bosch laten halen?"
"Vrouw Thénardier."
De man vroeg op een gedwongen onverschilligen toon, doch die echter op eene zonderlinge wijze beefde:
"Wie is dat, vrouw Thénardier...?"
"Zij is mijn meesteres," zei het kind. "Zij houdt een herberg."
"Een herberg?" zei de man. "Welnu, dan zal ik er van nacht gaan logeeren. Breng er mij heen."
"Wij gaan er heen," hernam het kind.
De man stapte tamelijk snel voort. Cosette volgde hem zonder moeite. Zij voelde geen vermoeidheid meer. Nu en dan hief zij haar oogen tot dien man op, met een onbeschrijfelijke gerustheid en onbezorgdheid. Nooit had men haar geleerd zich tot de Voorzienigheid te wenden en te bidden. Evenwel voelde zij iets in zich, dat naar hoop en blijdschap geleek en tot den hemel opsteeg.
Er verliepen eenige minuten. De man hernam:
"Heeft vrouw Thénardier geen dienstmeid?"
"Neen, mijnheer."
"Zijt ge alleen?"
"Ja, mijnheer."
Wederom een tusschenpoos. Cosette nam het woord:
"Maar er zijn twee meisjes."
"Hoe heeten die meisjes?"
"Ponine en Zelma."
Het kind vereenvoudigde aldus de beide voor vrouw Thénardier zoo dierbare romaneske namen.
"Wie zijn Ponine en Zelma?"
"De jongejuffrouwen Thénardier, de dochtertjes mijner meesteres."
"En wat doen die meisjes?"
"O!" zei het kind, "zij hebben fraaie poppen, dingen met goud en allerlei moois. Zij spelen, zij vermaken zich."
"Den geheelen dag?"
"Ja, mijnheer."
"En gij?"
"Ik werk."
"Den geheelen dag?"
Het kind hief haar groote oogen op, waarin een traan stond, dien men in de duisternis niet zag, en antwoordde zacht:
"Ja, mijnheer."
Na een pauze hernam zij:
"Soms, wanneer ik mijn werk gedaan heb en men 't mij vergunt, vermaak ik mij ook."
"Hoe vermaakt ge u?"
"Zooals ik kan, men laat mij begaan. Ik heb weinig speelgoed. Ponine en Zelma willen niet, dat ik met haar poppen speel. Ik heb niets dan een klein blikken sabeltje, niet langer dan zoo."
Het kind wees haar pink.
"Dat niet snijdt?"
"Ja, zeker, mijnheer," zei het kind, "het snijdt salade en vliegenkoppen."
Zij kwamen aan het dorp; Cosette voerde den vreemdeling door de straten. Zij gingen voorbij den bakkerswinkel, maar Cosette dacht niet aan het brood, dat zij moest medebrengen. De man had opgehouden met haar te spreken en bewaarde nu een somber zwijgen. Toen zij de kerk achter zich hadden, vroeg hij, op 't gezicht der kramen, aan Cosette:
"Is 't hier jaarmarkt?"
"Neen, mijnheer, 't is Kerstmis."
Toen zij de herberg naderden, nam Cosette hem bedeesd bij den arm en zeide:
"Mijnheer?"
"Wat, mijn kind."
"Wij zijn dicht bij huis."
"Nu?"
"Wilt ge mij nu weder den emmer laten dragen?"
"Waarom?"
"Omdat, als vrouw Thénardier ziet, dat een ander hem voor mij heeft gedragen, zij mij slaan zal."
De man gaf haar den emmer. Een oogenblik later waren zij aan de deur der kroeg.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
HET ONAANGENAME VAN EEN ARME BIJ ZICH TE ONTVANGEN, DIE MISSCHIEN RIJK IS.
Cosette kon zich niet bedwingen een schuinschen blik naar de groote pop te slaan, die nog altijd in de prachtige kraam stond uitgestald; daarna klopte zij aan. De deur werd geopend. Vrouw Thénardier verscheen met een kaars in de hand.
"Ha, zijt gij 't, kleine deugniet! God vergeef me, ge hebt er wel den tijd toe genomen, gij hebt zeker gespeeld!"
"Madame," zei Cosette bevend, "hier is een heer die komt logeeren."
Vrouw Thénardier trok spoedig haar norsch gezicht tot een vriendelijken glimlach, een bij herbergiers zeer gewone verandering van tooneel, en zag begeerig naar den nieuw aangekomene.
"Gij, mijnheer?" zeide zij.
"Ja, madame," antwoordde de man, de hand aan zijn hoed brengende.
De rijke reizigers zijn niet zoo beleefd. Dit gebaar en 't gezicht van het kostuum en de bagage van den vreemdeling, die vrouw Thénardier met een oogwenk had opgenomen, deden den vriendelijken glimlach weder verdwijnen en het norsche gezicht opnieuw voor den dag komen. Zij hernam droogjes:
"Kom binnen, vriend."
De "vriend" trad binnen. Vrouw Thénardier sloeg opnieuw een blik op hem, beschouwde nauwkeurig zijn jas, die geheel kaal en zijn hoed die eenigszins gedeukt was en raadpleegde, hoofdschuddend, den neus optrekkend en knipoogend, haar man, die nog altijd met de voerlieden dronk. De man antwoordde met die onmerkbare beweging van den voorvinger, gepaard aan de uitzetting der lippen, welke in dergelijke gevallen beteekende: "niets aan te verdienen." Waarop vrouw Thénardier sprak:
"'t Spijt mij, beste vriend, maar er is geen plaats meer."
"Plaats mij waar ge wilt," zei de man, "op den zolder, in den stal. Ik zal betalen alsof ik een kamer had."
"Twee francs."
"Twee francs. Goed."
"Twee francs," zei een voerman zacht tot vrouw Thénardier, "en 't is slechts één franc."
"'t Is voor hem twee francs," antwoordde vrouw Thénardier op denzelfden toon. "Ik logeer geen armen minder."
"Dit is waar," voegde de echtgenoot er gemoedelijk bij; "'t geeft een huis een slechten naam, zulk volk te logeeren."
Intusschen had de man, na zijn pakje en stok op een bank te hebben gelegd, aan een tafeltje plaats genomen, waarop Cosette haastig een flesch wijn en een glas had gezet. De koopman, die den emmer water had gevraagd, was zelf het zijn paard gaan brengen. Cosette had haar plaats onder de keukentafel weder ingenomen en ook haar breiwerk gezocht.
De man, die nauwelijks zijn lippen had bevochtigd met den wijn, dien hij zich had ingeschonken, aanschouwde het kind met zonderlinge oplettendheid.
Cosette was leelijk. Ware zij gelukkig, dan zou ze misschien mooi zijn geweest. Wij hebben bereids deze sombere figuur geschetst. Cosette, bijna acht jaren oud, was mager en bleek; men zou haar nauwelijks op zes jaren hebben geschat. Haar groote oogen, als in schaduw verzonken, waren schier van 't weenen uitgedoofd. De hoeken van haar mond hadden gewoonlijk dien angstigen plooi, welken men bij veroordeelden en bij hopelooze zieken opmerkt. Zij had winterhanden, zooals haar moeder geraden had. Het vuur, dat haar op dit oogenblik bescheen, deed de hoeken van haar beenderen uitkomen en liet op schrikbare wijze zien hoe mager zij was. Wijl zij aanhoudend van koude bibberde, had zij de gewoonte aangenomen, beide knieën tegen elkander te drukken. Haar kleeding bestond uit lompen, en zou des zomers medelijden hebben verwekt, terwijl ze 's winters deed ijzen. Zij had niets aan, dan versleten katoen, geen lapje wol. Hier en daar scheen haar vel door, en overal bespeurde men blauwe of blonde plekken, welke de plaatsen aanduidden, waar vrouw Thénardier haar geslagen had. Haar naakte beenen waren rood en mager. De holte om hare schouderbladen was om van te schreien. De geheele persoon van het kind, haar gang, haar houding, de klank harer stem, haar afgebroken woorden, haar blik, haar stilte, haar minste beweging drukten een enkele gedachte uit: vrees.
De vrees had haar geheel ingenomen; zij was er om zoo te spreken mede overdekt; de vrees bracht haar ellebogen tegen haar heupen, trok haar hielen onder haar rokjen, deed haar de kleinst mogelijke plaats beslaan, liet haar slechts zooveel ademen als noodig was, en was om zoo te spreken haar lichaamsgewoonte geworden, die voor geene verandering dan alleen toeneming vatbaar was. In haar oogappel was een plekje, dat verschrikking uitdrukte.
Deze vrees was zoo sterk, dat, hoe nat Cosette ook was, zij zich niet aan 't vuur had durven drogen, maar stil weder aan haar werk was gegaan.
Het uitzicht van dit achtjarig kind was gewoonlijk zoo somber, en vaak zoo wanhopig, dat het soms scheen, alsof zij op 't punt was een idiote of een duivelin te worden.
Nooit, hebben wij gezegd, had zij geweten wat bidden is, nooit had zij den voet in een kerk gezet. Is daar tijd voor? zei vrouw Thénardier.
De man met de bruine jas sloeg geen oog van Cosette.
Eensklaps riep vrouw Thénardier:
"Waar hebt ge het brood?"
Cosette, zooals zij gewoon was wanneer vrouw Thénardier haar stem verhief, haastte zich van onder de tafel te komen.
Zij had het brood geheel en al vergeten. Zij nam haar toevlucht tot het gewone hulpmiddel van beangste kinderen. Zij loog.
"De bakkerij was gesloten, madame."
"Dan moest ge geklopt hebben."
"Ik heb geklopt, madame."
"En?"
"Er werd niet geopend."
"Morgen zal ik weten of 't waar is," zei vrouw Thénardier, "en zoo ge liegt, zult ge er van lusten. Geef mij intusschen het vijftienstuiversstuk terug."
Cosette stak haar hand in 't zakje van haar voorschoot en werd bleek. Het vijftienstuiversstuk was er niet meer.
"Nu," zei vrouw Thénardier, "hebt ge mij verstaan?"
Cosette keerde den zak om; er was niets in. Waar kon dat geld gebleven zijn? Het ongelukkige kind kon geen woord uitbrengen. Zij was versteend.
"Hebt ge het vijftienstuiversstuk verloren?" gilde vrouw Thénardier, "of wilt ge mij bestelen?"
Tezelfder tijd stak zij den arm uit naar de karwats in den hoek van den haard.
Dit schrikkelijk gebaar gaf Cosette de kracht om uit te roepen:
"Genade, madame, madame, ik zal 't niet weer doen."
Vrouw Thénardier nam de karwats.
Ondertusschen had de man met de bruine jas in zijn vestzakje getast, zonder dat men deze beweging had opgemerkt. Bovendien dronken of speelden de overige reizigers kaart en letten op niets.
Cosette kroop angstig in den hoek van den haard ineen, en poogde haar halfnaakte leden bijeen te trekken en te beveiligen. Vrouw Thénardier lichtte den arm op.
"Vergeving, madame," zei de man; "ik heb zoo aanstonds iets uit 't voorschootzakje der kleine zien rollen. Dat zal 't misschien zijn."
Tezelfder tijd bukte hij en scheen een oogenblik op den vloer te zoeken.
"Juist--hier heb ik 't," hernam hij, zich oprichtende.
En hij reikte het geldstuk aan vrouw Thénardier.
"Ja, dat is het," zeide zij.
Dat was het niet, want 't was een vijffrancstuk, maar vrouw Thénardier had er winst bij. Zij stak het geldstuk in haar zak en vergenoegde zich een vasten blik op het kind te slaan en te zeggen:--"Pas op, dat het niet weer gebeurt!"
Cosette keerde terug naar 't geen vrouw Thénardier "haar nest" noemde, en haar groote oogen, op den onbekenden reiziger gericht, namen een uitdrukking aan, welke zij nooit gehad hadden. 't Was slechts een naïeve verbazing, maar er paarde zich iets aan als een verwonderd vertrouwen.
"Zeg eens, wilt ge van avond eten?" vroeg vrouw Thénardier den reiziger.
Hij antwoordde niet. Hij scheen in diepe gedachten.
Wie is toch deze man? zeide zij binnensmonds. Een arme drommel. Hij heeft geen geld om te eten. Zal hij mij 't logies wel betalen? 't Is maar gelukkig, dat 't hem niet in 't hoofd is gekomen het geld dat op den grond lag te stelen.
Inmiddels was een deur geopend en Eponine en Azelma kwamen binnen.
't Waren inderdaad twee lieve kleine meisjes, eer juffertjes dan boerinnen; het eene had schitterend kastanjebruine krullen; het andere lange, zwarte vlechten, die op den rug hingen; beide waren levendig, net, mollig, frisch en gezond, oogbekorend. Zij waren warm gekleed, maar met zulk een moederlijke kunst, dat de dikte der stoffen het innemende van den opschik volstrekt niet schaadde. Voor den winter was gezorgd, zonder dat de lente verdreven was. Men zag 't haar aan, dat ze in huis heel wat te zeggen hadden. Uit haar toilet, uit haar vroolijkheid, uit haar luidruchtigheid sprak een soort van heerschappij. Toen zij binnenkwamen, zeide vrouw Thénardier haar op knorrenden, doch tevens liefderijken toon:--Ha! zijt ge daar eindelijk!
Toen trok ze de eene na de andere tusschen haar knieën, streek heur haar glad, knoopte haar linten, en liet ze vervolgens los, met die streeling van welgevallen, welke alleen aan moeders eigen is, zeggende:--Wat hebben zij zich opgeschikt!
Zij zetten zich in den hoek van den haard met een pop, welke ze op heur knieën, onder vroolijk gekeuvel, heen en weer bewogen. Nu en dan sloeg Cosette de oogen van haar breiwerk op, en aanschouwde haar spel met treurigen blik.
Eponine en Azelma zagen niet om naar Cosette. Zij was voor haar niets meer dan een hond. Deze drie meisjes telden te zamen geen vier-en-twintig jaar, en vertegenwoordigden reeds de geheele menschelijke maatschappij; aan de eene zijde afgunst, aan de andere verachting.
De pop der zusters Thénardier was zeer verlept, zeer oud en gebroken; zij scheen Cosette daarom niet minder fraai; want nooit had zij een pop, een "wezenlijke pop", zooals de kinderen zeggen, gehad.
Eensklaps merkte vrouw Thénardier, die gestadig in 't vertrek op en neer ging, dat Cosette verstrooid was, en in plaats van te breien haar oog op de spelende meisjes gevestigd hield.
"Ha, ik betrap u!" riep zij. "Is dat breien? Ik zal u met de karwats leeren breien."
De vreemdeling wendde zich tot vrouw Thénardier, zonder zijn stoel te verlaten. Glimlachend, schier bedeesd zeide hij:
"Och, madame, laat haar spelen."
Van ieder reiziger, die voor zijn avondmaal een schijf lamsbout gegeten, twee flesschen wijn gedronken en niet het voorkomen van een armen drommel gehad had, zou zulk een wensch een bevel zijn geweest. Maar dat een man met zulk een hoed zich een wensch veroorloofde, en dat een man met zulk een jas een begeerte te kennen gaf, dit meende vrouw Thénardier niet te moeten dulden. Zij antwoordde scherp:
"Zij moet werken, wijl zij eet. Ik voed haar niet om niets te doen."
"Wat doet zij dan?" hernam de vreemdeling, met een zachte stem, die zoo zonderling in tegenspraak was met zijn bedelaarskleeding en sjouwermansschouders.
Vrouw Thénardier verwaardigde zich te antwoorden:
"Wel, kousen breien, kousen voor mijn dochtertjes, die er om zoo te spreken geen hebben en welhaast barrevoets zouden gaan."
De man aanschouwde de naakte, roode beentjes van Cosette en hernam:
"Wanneer zal zij dit paar kousen gereed hebben?"
"Zij heeft er minstens nog drie of vier dagen werk aan, die luie meid."
"En hoeveel is zulk een paar kousen waard als 't klaar is?"
Vrouw Thénardier sloeg een schamperen blik op hem.
"Ten minste dertig sous."
"Zoudt ge het voor vijf francs willen geven?" hernam de man.
"Drommels!" riep luid lachend een voerman, die luisterde, "vijf francs? Dat geloof ik wel!"
Thénardier meende thans te moeten spreken.
"Ja, mijnheer, zoo gij 't wenscht zal men u dat paar kousen voor vijf francs geven. Wij mogen den reizigers niets weigeren."
"Maar ge moet dadelijk betalen," zei vrouw Thénardier op haar gewone korte en gebiedende wijze.
"Ik koop dit paar kousen," antwoordde de man, "en," voegde hij er bij, een vijffrancstuk uit zijn zak nemende, dat hij op de tafel legde--"ik betaal het."
Zich toen tot Cosette wendende:
"Thans behoort uw werk mij. Speel nu, mijn kind."
De voerman was zoo getroffen door het vijffrancstuk, dat hij zijn glas neerzette en nader kwam.
"'t Is waarachtig waar," riep hij, het stuk beziende. "Een mooi stuk geld! en niet valsch!"
Vrouw Thénardier naderde en stak zwijgend het geldstuk in haar zak. Zij kon geen tegenwerpingen maken, maar beet zich op de lip en haar gezicht nam een uitdrukking van haat aan.
Intusschen beefde Cosette. Zij waagde toch te vragen:
"Is 't waar, madame? mag ik spelen?"
"Speel," zei vrouw Thénardier met vreeselijke stem.
"Dank u, madame," zei Cosette.
En terwijl haar mond vrouw Thénardier dankte, dankte haar ziel den reiziger.
Thénardier had zich weder aan 't drinken gezet. Zijn vrouw fluisterde hem toe:
"Wie kan toch deze bruine man zijn?"
"Ik heb millionairs gezien," antwoordde Thénardier met gewicht, "die zulke jassen droegen."
Cosette had haar breiwerk nedergelegd, maar haar plaats niet verlaten. Zij bewoog zich altijd zoo weinig mogelijk. Uit een doosje achter zich had zij eenige oude lapjes en haar klein blikken sabeltje genomen.
Eponine en Azelma letten volstrekt niet op 't geen gebeurde. Zij hadden een gewichtige onderneming volbracht, zij hadden zich van de kat meester gemaakt. Zij wierpen de pop op den vloer. Eponine, de oudste, bakerde de kleine kat, in weerwil van haar gemiauw en gespartel, in een menigte roode en blauwe lappen. Terwijl zij dit ernstig en moeielijk werk verrichtte, zeide zij tot haar zuster, in die lieve bekoorlijke kindertaal, wier bevalligheid, evenals de kleurenpracht der kapel, verdwijnt, wanneer men ze vatten wil:
"Ziet ge, zusje, deze pop is pleizieriger dan de andere. Zij beweegt zich, schreeuwt en is warm. Kom, zusje, spelen wij er meê. Zij zal mijn dochtertje zijn. Ik zal een dame wezen, die u bezoekt, en gij moet haar goed bekijken. Dan moet ge haar snorren zien en u daarover verwonderen. Vervolgens haar ooren en dan haar staart, en dat moet u ook verwonderen. Gij moet dan zeggen: Maar, mijn hemel! en ik zal dan zeggen: Ja, mevrouw, zulk een meisje heb ik. De meisjes zijn tegenwoordig zóó."
Azelma luisterde met bewondering naar Eponine. Ondertusschen zongen de drinkers een vuil lied, en lachten daarbij dat de zoldering dreunde. Thénardier moedigde hen aan en accompagneerde hen.
Evenals de vogels van alles een nestje, zoo maken de kinderen overal een pop van. Terwijl Eponine en Azelma de kat inbakerden, had Cosette van haar kant het sabeltje ingebakerd. Toen zij hiermede gereed was, nam zij het op den arm, en zong zacht om het in slaap te sussen.
De pop is een der dringendste behoeften en terzelfder tijd een der bekoorlijkste instincten van de vrouwelijke kindsheid. Te verzorgen, op te schikken, te kleeden en te ontkleeden, te onderwijzen, een weinig te knorren, in slaap te sussen, te schommelen, zich te verbeelden dat iets iemand is, hierin ligt de geheele toekomst der vrouw. Al droomende en koutende, kleertjes en hoedjes makende, wordt het kind een meisje, het meisje wordt een jongedochter, de jongedochter vrouw. Het eerste kind is een voortzetting der laatste pop.
Een meisje zonder pop is schier even ongelukkig en even onvolkomen als een vrouw zonder kinderen.
Cosette had dus een pop van haar sabeltje gemaakt.
Vrouw Thénardier was den "bruinen man" genaderd. Zij dacht: mijn man heeft gelijk, 't is misschien mijnheer Laffitte. Er zijn zulke zonderlinge rijken!
Zij kwam met den elleboog op zijn tafeltje leunen.
"Mijnheer," zeide zij....
Op het woord "mijnheer" wendde de man zich om. Vrouw Thénardier had hem nog niet anders genoemd dan "vriend" of "man."
"Ge ziet, mijnheer," zeide zij, met haar zoetsappig gezicht, 't welk nog onverdragelijker was dan haar wreed gezicht, "ik wil wel dat het kind eens spele, ik belet het niet; maar 't is goed voor een enkelen keer, omdat ge zoo edelmoedig zijt. Want weet ge, zij heeft niets. Zij moet werken."
"Is dat kind dan niet van u?" vroeg de man.
"Mijn God! neen, mijnheer; 't is een arm kind dat wij uit liefdadigheid hebben aangenomen. 't Is zoo'n half onnoozele. 't Schijnt het water in 't hoofd te hebben. Zie eens, welk een groot hoofd zij heeft. Wij doen voor haar wat wij kunnen, want wij zijn niet rijk. Wij hebben naar haar woonplaats geschreven, doch sedert zes maanden antwoordt men ons niet meer. Wij moeten gelooven, dat haar moeder overleden is."
"Zoo!" zei de man en hij verviel weder in zijn mijmering.
"Aan die moeder was weinig goeds," hernam vrouw Thénardier. "Zij liet haar kind achter."
Gedurende dit gesprek had Cosette, alsof een inwendig gevoel haar had gewaarschuwd dat men over haar sprak, het oor niet van vrouw Thénardier afgewend. Zij luisterde, maar hoorde slechts nu en dan een enkel woord.
Ondertusschen herhaalden de drinkers, die meer dan half dronken waren, met verdubbelde vroolijkheid hun vuil gezang. 't Was iets erg stuitends, waarin de Maagd Maria en het kind Jezus voorkwamen. Vrouw Thénardier had hartelijk met het schaterend gelach ingestemd: Cosette zag, onder de tafel, naar het vuur, dat zich in haar strak oog weerkaatste; zij wiegde weder het gebakerde voorwerp en zong daarbij zacht: Mijn moeder is dood! mijn moeder is dood! mijn moeder is dood!
Op vernieuwd aanzoek der kasteleines, begeerde de bruine man, "de millionair," eindelijk te eten.
"Wat verkiest mijnheer?"
"Brood en kaas," zei de man.
"Zeer zeker een arme drommel," dacht vrouw Thénardier.
De dronkaards zongen nog altijd hun lied, en het kind onder de tafel zong het hare.
Eensklaps zweeg Cosette. Zij had zich omgekeerd en zag nu de pop van de meisjes, welke zij voor de kat hadden verlaten, en die op eenigen afstand der keukentafel op den grond lag.