Part 6
Evenals in den staat invloedrijke ambtenaren, zijn in de kerk invloedrijke prelaten. 't Zijn de bisschoppen, die bij het hof gezien, rijk, sluw en in de groote wereld gezocht zijn; die ongetwijfeld kunnen bidden, maar ook verzoeken; die er geen gewetensbezwaar in vinden om een geheel bisdom in hun persoon vertegenwoordigd in een antichambre te laten wachten; die zeer goed de sacristie met de diplomatie weten te vereenigen; die veeleer abten dan priesters, veeleer kerkvorsten dan bisschoppen zijn. Gelukkig degenen, die hen naderen mogen! Als lieden van invloed laten zij op de dienstvaardigen en begunstigden, op deze geheele jongelingschap die zich beminnelijk weet te maken, een zegen van rijke pastorieën, vette prebenden, aarts-priesterdommen, en allerlei waardigheden regenen, in afwachting van de bisschoppelijke waardigheid. Zelf vooruitgaande, laten zij hun satellieten mede voortgaan; 't is een soort van vooruitgaand zonnestelsel. Hun stralen deelen het purper aan hun gevolg mede. Hun geluk strooit zich over hun aanhangers, in kleine gunsten en bevorderingen, uit. Hoe grooter het bisdom van den patroon, des te vetter pastorie voor den gunsteling. En bovendien is er Rome! Een bisschop, die aartsbisschop; een aartsbisschop, die kardinaal weet te worden, voert den gunsteling mede naar het conclave, hij komt dan in de rota, bekomt het pallium, wordt uditore, cameriere, monsignore; van hoogwaardig heer tot eminentie is er slechts één schrede, en tusschen eminentie en Zijne Heiligheid ligt slechts een verkiezing. Elk priesterkapje kan van de drievoudige kroon droomen. De priester is in onze dagen de eenige, die langs een geregelden weg koning kan worden. En welk een koning! de hoogste koning! Welk een kweekschool van hoop en verwachting is dan ook niet een seminaire! Hoevele blozende koorknapen, hoevele jonge abten dragen, evenals Perrette uit de fabel, de kan met melk op 't hoofd! En hoe licht noemt zich de eerzucht roeping? Misschien te goeder trouw, en zich zelven bedriegende, vroom als zij is.
De ootmoedige, arme, eenvoudige Monseigneur Bienvenu behoorde niet onder de invloedrijke kerkvorsten. Dit was duidelijk aan de volstrekte afwezigheid van jonge priesters in zijn omgeving. Men heeft gezien, dat hij te Parijs "geen opgang had gemaakt." Daarom trachtte ook geen enkele toekomst zich op dien eenzamen grijsaard te enten. Geen ontluikende eerzucht was zoo dwaas, in zijn schaduw te willen groeien. Zijn kanunniken en groot-vicarissen waren goede, oude lieden, eenigszins burgerlijk evenals hij, in het bisdom vastgegroeid, zonder uitzicht op het kardinaalschap, en die op hun bisschop geleken, met dit verschil, dat zij minder en hij beter af was. Men gevoelde zoozeer de onmogelijkheid om bij Monseigneur Bienvenu eenigszins vooruit te komen, dat de nauwelijks door hem gewijde seminaristen zich bij de aartsbisschoppen van Aix of van Auch deden aanbevelen en zoo schielijk mogelijk weggingen. Want, wij herhalen het: ieder wil vooruit! Een vroom man die in groote afzondering leeft, is een gevaarlijke buurman; hij zou u kunnen besmetten met een ongeneselijke armoede, de verstijving van de ter bevordering noodzakelijke leden, kortom: met meer zelfverloochening dan gij wenscht; en daarom ontvlucht men die aanstekende deugd. Vandaar de verlatenheid van Monseigneur Bienvenu. Wij leven in een treurige maatschappij. Vooruitkomen! ziedaar de leer, die uit het boven haar zwevende verderf nederdroppelt.
De voorspoed heeft, in 't voorbijgaan gezegd, een zeer onaangename zijde. De valsche gelijkenis, welke hij met de ware verdienste heeft, bedriegt de menschen. Voor de groote menigte heeft de fortuin schier hetzelfde voorkomen als de wijsheid. Door het geluk, die wederga van het talent, laat zich ook de geschiedenis bedriegen. Alleen Juvenalis en Tacitus onderscheiden ze. In onze dagen is een bijna officieele wijsbegeerte in zijn dienst getreden, draagt de livrei van het geluk en wacht in zijn voorkamer. Voorspoed wordt voor theorie gehouden, en doet bekwaamheid veronderstellen. Wie in de loterij wint, is een schrander man. De overwinnaar wordt altijd vereerd. Men moet met een helm zijn geboren! dat is alles! Men hebbe slechts geluk en al 't overige komt vanzelf; den gelukkige beschouwt men als een groot man. Op vijf of zes uitzonderingen na, die den roem eener eeuw uitmaken, is de hedendaagsche bewondering niet veel meer dan kortzichtigheid. Verguldsel heet goud. Hoe men er komt, maakt niets uit, mits men er slechts "kome." Het gemeen is een oude Narcissus, die zich zelven aanbidt en toejuicht. De buitengewone begaafdheid, door welke men een Mozes, een Eschylus, een Dante, een Michel-Angelo of een Napoleon is, schrijft de menigte onnadenkend en als bij acclamatie toe aan ieder die, in welk opzicht ook, zijn doel bereikt. Een notaris herscheppe zich in een afgevaardigde, een valsche Corneille make een treurspel, een gesnedene kome in 't bezit van een harem, een gewoon man winne toevallig een beslissenden slag, een apotheker vinde bordpapieren zolen uit voor het leger van Sambre-en-Maas en make zich uit dit voor leder verkochte bordpapier een rente van vierhonderd duizend francs; een pakkedrager huwe met de woekerzucht en doe haar van zeven of acht millioen bevallen, waarvan hij de vader en zij de moeder is; een prediker worde bisschop wegens zijn eigenaardig neusorgaan en het draaien zijner oogen; een rentmeester eener voorname familie zij, wanneer hij zijn dienst verlaat, zoo rijk, dat men hem minister van financiën maakt: dat alles noemen de menschen genie, evenals zij versiering schoonheid en omvangrijkheid majestueus noemen. De sterrenbeelden des uitspansels verwarren zij met de sterachtige afdruksels van eendepooten in het slijk van een modderpoel.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
WAT HIJ GELOOFDE.
Uit het oogpunt der orthodoxie hebben wij den bisschop van Digne niet te onderzoeken. Voor een ziel als de zijne kunnen wij slechts eerbied gevoelen. Het geweten van den rechtvaardige laat zich niet door woorden beoordeelen. Voor 't overige nemen wij de mogelijke ontwikkeling van alle volkomenheden der menschelijke natuur bij sommige karakters aan, zelfs al verschillen ze ook met ons in godsdienstig geloof.
Wat dacht hij over dit of dat leerstuk, over deze of gene verborgenheid? Deze geheimen der ziel zijn slechts aan het graf bekend, waarin de zielen naakt en bloot nederdalen. Zeker is het, dat geloofsbezwaren zich nooit bij hem in geveinsdheid oplosten. De diamant is aan geen verderf onderworpen. Hij geloofde zooveel hij kon. Ik geloof in den Vader! zeide hij dikwijls. Overigens putte hij uit de goede werken genoegzame zelfvoldoening om het geweten te bevredigen, terwijl 't hem zacht toefluisterde: God is met u! Wij moeten hierbij nog opmerken, dat de bisschop buiten, en om zoo te spreken, boven zijn geloof, vervuld was van liefde. Om deze reden, omdat hij "veel bemind had", achtten sommige "ernstige, verstandige lieden" hem kwetsbaar. "Ernstige, verstandige lieden," geliefkoosde uitdrukkingen onzer treurige wereld, waarin de zelfzucht het wachtwoord van de waanwijsheid ontvangt. Waarin bestond nu deze overvloed van liefde? In een opgeruimde welwillendheid, die, gelijk reeds gezegd is, zich over menschen, ja soms over zaken uitbreidde. Hij kende geen verachting. Hij was toegevend jegens al wat God geschapen had. Ieder mensch, zelfs de beste, heeft een soort van onwillekeurige hardheid in zich, welke hij voor het dier bewaart. Maar de bisschop van Digne had deze hardheid niet, die evenwel velen priesters zoo eigen is. Hij ging niet zoo ver als de brahmin, maar scheen de woorden van Salomo's Prediker ter harte te hebben genomen: "Weet men waarheen de ziel der dieren gaat?" Een leelijk gezicht en aangeboren onvolmaaktheden verstoorden noch verontwaardigden hem. Hij gevoelde er zich door aangedaan, schier verteederd. Hij scheen er over te peinzen om aan gene zijde van het aardsche leven de oorzaak, de verklaring of de verschooning er voor te zoeken. 't Scheen of hij soms God om verzachting van hun lot bad. Zonder toorn, en met het oog van een taalvorscher, die een oud handschrift ontcijfert, onderzocht hij de schijnbare tegenstrijdigheden, die de natuur nog bevat. Deze bespiegelingen ontlokten hem dikwijls zonderlinge woorden. Op zekeren morgen dat hij meende alleen in zijn tuin te zijn, en hij zijn zuster niet zag, die achter hem ging, stond hij plotseling stil en aanschouwde iets op den grond; 't was een groote, zwarte, harige, afschuwelijke spin. Zijn zuster hoorde hem zeggen:--Arm dier! 't is zijn schuld niet.
Waarom zouden wij deze beuzelingen van schier hemelsche goedhartigheid niet vertellen? Beuzelingen wel is waar, maar van die verheven beuzelingen, als van een St. Franciscus van Assissi en van Marcus Aurelius. Op zekeren dag verwrikte hij den voet, wijl hij een mier niet wilde vertreden.
Aldus leefde deze rechtvaardige. Soms was hij in den tuin ingeslapen, en dan kon men niets eerwaardigers zien.
Monseigneur Bienvenu was vroeger, volgens 't geen van zijn jeugd en zelfs van zijn verderen leeftijd verhaald werd, een hartstochtelijk, ja heftig man geweest. Zijn tegenwoordige kalmte en zachtmoedigheid was minder zijn natuurlijk karakter dan het gevolg eener diepe overtuiging, die gedurende zijn leven langzaam en door overdenking in zijn hart gedroppeld was; want een karakter kan evenals een steen, door waterdroppels worden aangedaan. Deze uithollingen zijn onuitwischbaar; deze vormen onverstoorbaar.
In 1815, zooals wij meenen gezegd te hebben, had hij den ouderdom van vijf-en-zeventig jaar bereikt, doch scheen niet ouder dan zestig. Hij was niet groot, eenigszins zwaarlijvig, en om dit te bestrijden deed hij groote wandelingen te voet; hij ging met vasten tred en slechts een weinig gebogen. Uit deze omstandigheid willen wij echter geen gevolgtrekking afleiden. Gregorius XVI ging, toen hij tachtig jaren oud was, nog rechtop, en had een vriendelijk voorkomen, 't geen niet belette, dat hij een slecht bisschop was. Monseigneur Bienvenu had, wat het volk "een fraaien kop" noemt; maar die was zoo vriendelijk, dat men de fraaiheid er van voorbij zag.
Wanneer hij met die kinderlijke opgeruimdheid sprak, welke een zijner beminnelijkste hoedanigheden was, en waarvan wij reeds gewaagd hebben, was het of zijn geheele persoon vroolijkheid om zich verspreidde. Zijn blozende frissche kleur, zijn witte tanden, welke hij alle behouden had en die door zijn glimlach zichtbaar werden, gaven hem dit openhartig en ongekunsteld voorkomen, dat van een man doet zeggen: "er is geen kwaad in hem," en van een grijsaard: "'t is een allerliefst man." Zoo was, gelijk men zich herinnert, de indruk, dien hij op Napoleon had gemaakt. Op 't eerste gezicht, en voor dengene die hem voor de eerste maal ontmoette, was hij misschien niet veel meer dan een goedhartig man. Maar wanneer men eenige uren in zijn gezelschap doorbracht, en hem zag denken, veranderde het goedhartige allengs in iets indrukwekkends: zijn hoog, ernstig voorhoofd, reeds eerbiedwaardig door het witte haar, werd het te meer door de gedachten, welke er zich op afspiegelden; de majesteit kwam uit de goedheid te voorschijn, zonder dat deze laatste ophield te blinken; men gevoelde zich eenigszins aangedaan als door de verschijning van een engel, die langzaam en glimlachend zijn vleugelen uitbreidt. Men werd allengs door achting en eerbied vervuld, en gevoelde, dat men een dier krachtige, beproefde en toegevende zielen voor zich had, wier gedachten zoo verheven zijn, dat zij niet anders dan zachtmoedig kunnen zijn.
Men heeft gezien, dat het gebed, de verrichting der kerkelijke diensten, het uitreiken van aalmoezen, het troosten van bedrukten, het bebouwen van een hoekje gronds; dat broederliefde, matigheid, gastvrijheid, ontbering, vertrouwen, studie, arbeid, elken dag van zijn leven vervulden. "Vervullen" is het juiste woord, en zekerlijk was de dag van den bisschop tot aan den rand vol van goede gedachten, goede woorden en goede werken. Maar de dag was voor hem niet volledig, als het koude, regenachtige weder hem belette des avonds, zoodra de vrouwen zich hadden verwijderd, een paar uren in den tuin door te brengen, vóór hij naar bed ging. 't Scheen hem een soort van eerdienst te zijn, door overpeinzingen in 't gezicht der gesterrende hemellichamen, zich tot den slaap voor te bereiden. Soms hoorden de vrouwen, zoo zij niet sliepen, hem nog zeer laat in den nacht langzaam in den tuin wandelen. Daar was hij alleen, in zich zelven gekeerd, aandachtig, rustig, biddend, de kalmte zijns harten met de kalmte des hemels in overeenstemming brengende, in de duisternis aangegrepen door den zichtbaren luister der sterrenbeelden en den onzichtbaren luister van God, en zijn ziel openende voor de gedachten, die van den Onbekende komen. Wanneer in zulke oogenblikken, als de nachtbloemen haar geuren deden opstijgen, zijn hart als een licht te midden van dezen gesterrenden hemel vlamde en verrukt door de oneindige schepping zweefde, zou hij misschien zelf niet in staat zijn geweest te zeggen, wat in zijn geest omging; 't was hem, alsof iets uit zijn binnenste opsteeg, en iets in hem nederdaalde. Geheimzinnig verkeer tusschen de diepten der ziel en de diepten der Schepping.
Hij dacht aan Gods grootheid en alomtegenwoordigheid; aan de toekomstige eeuwigheid,--een geheimzinnige verborgenheid; aan de doorloopen eeuwigheid,--een nog vreemder verborgenheid; aan al het oneindige, dat zich naar alle zijden voor zijn blik uitbreidde, en zonder het onbegrijpelijke te willen doorgronden, staarde hij het aan. Hij bestudeerde God niet; hij verblindde zich door Zijn glans. Hij aanschouwde die wonderbare ontmoeting van atomen, die aan het stof een vorm geven, de krachten openbaren, de verscheidenheid en de eenheid, de gedaanten en de ruimte, het ontelbare en het oneindige scheppen, en door het licht de schoonheid voortbrengen. Deze samentrekking en verwijdering van atomen heeft onophoudelijk plaats, en daaruit ontstaan het leven en de dood.
Hij zette zich op een houten bank tegen een vermolmd hek neder, en zag op naar de sterren, door de takken zijner dwergachtige, schrale vruchtboomen. Dit stukje gronds, zoo armoedig beplant en door onooglijke gebouwen ingesloten, was hem dierbaar en voldoende.
Wat behoefde deze grijsaard meer, die de rusturen zijns levens, 't welk zoo weinig rusturen bevatte, verdeelde tusschen het tuinwerk des daags en de bespiegeling des nachts? Was deze kleine ruimte, waarboven de hemel zich welfde, niet voldoende om God beurtelings in Zijn bekoorlijkste, en in Zijn verhevenste werken te aanbidden? Was dit inderdaad niet alles, en wat bleef te wenschen over? Een kleine tuin om in te wandelen, en het onmetelijke om te denken. Aan zijn voeten, wat men kan kweeken en plukken; boven zijn hoofd, wat men kan bestudeeren en overwegen; eenige bloemen op de aarde en de sterren aan den hemel.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
WAT HIJ DACHT.
Een laatste woord.
Dewijl deze soort van bijzonderheden, vooral in den tegenwoordigen tijd, den bisschop van Digne een schijn van "pantheïsme" geven--om een woord, dat thans zeer in de mode is, te gebruiken--en, hetzij tot zijn blaam of zijn lof, konden doen gelooven, dat hij iets bezat van die persoonlijke, onze eeuw eigene, wijsbegeerte, welke soms in eenzaam levende geesten ontkiemt, opgroeit en zoo groot wordt, dat zij er den godsdienst uit verdringt, zoo vermelden wij wel uitdrukkelijk dat niemand dergenen, die Monseigneur Bienvenu gekend hebben, zich zou veroorloofd hebben iets dergelijks te denken. Wat dien man verlichtte, was het hart. Zijn wijsheid was uit het licht ontstaan, dat daaruit voortkomt.
Geen stelsels; veel feiten. Afgetrokken bespiegeling verwekt duizeling, en er bestaat niet het minste blijk, dat hij zijn geest door de Apocalypsis in verwarring liet brengen. De apostel kan stoutmoedig zijn, maar de bisschop moet bescheiden wezen. Hij zou er gewis een gewetenszaak van hebben gemaakt, zich in zekere vraagstukken te verdiepen, die slechts aan onversaagde geesten zijn overgelaten. Onder geheimzinnige portalen heerscht een heilige huivering; wel bevinden zich hier en daar reten in de duisternis, maar zij fluisteren iederen sterveling toe, dat men er niet ongestraft kan binnendringen.
In de onpeilbare diepten der afgetrokken bespiegeling, die als 't ware boven de godsdienstige leerstellingen zweven, dragen groote geesten hun denkbeelden aan God op. Hun gebed is een stoutmoedige drang om meer licht. Hun vereering is een vraag. 't Is een onmiddellijke godsdienst, vol angsten en verantwoordelijkheid voor dengene, die er de steilten van beproeft.
Menschelijke bespiegelingen hebben geen grenzen. Op eigen gevaar af, ontleedt en peilt de mensch wat zijn gedachte verblindt. Men zou schier kunnen zeggen, dat de gedachte door een soort van schitterende weerkaatsing de natuur verblindt; de geheimzinnige wereld die ons omringt, geeft terug wat zij ontvangt; en 't is waarschijnlijk, dat de beschouwers wederkeerig worden beschouwd. Hoe het zij, er zijn menschen op de wereld--zijn zij menschen?--die duidelijk aan den gezichteinder van den droom de hoogten van het volstrekte zien, en die een visioen van den ontzettenden berg der oneindigheid hebben. Monseigneur behoorde niet tot dezulken; Monseigneur Bienvenu was geen genie, geen groote geest. Hij zou teruggedeinsd zijn voor die hoogten, welke eenige, zelfs zeer groote geesten, als Schwedenburg en Pascal, in verbijstering hebben gebracht. 't Is waar, deze grootsche bespiegelingen hebben een zedelijk nut, en langs zulke steile wegen komt men de denkbeeldige volmaaktheid nader. Hij echter koos den kortsten weg, den weg van 't Evangelie.
Hij trachtte van zijn kazuifel geen Eliasmantel te maken; hij wierp geen straal der toekomst op de donkere golven der gebeurtenissen; hij poogde niet het licht der zaken tot één vlam samen te dringen; hij had niets van een profeet, niets van een magus (wijze). Zijn nederige ziel beminde slechts; dat was alles!
't Is zeer waarschijnlijk, dat hij het gebed tot een bovenmenschelijke verzuchting tot God uitbreidde; maar men kan evenmin te veel bidden als te veel beminnen; en indien 't ketterij is buiten de formulieren te bidden, dan zouden de H. Theresia en de H. Jeronimus ketters zijn.
Hij boog zich tot alles neer wat zuchtte en boette. De wereld scheen in zijn oog één reusachtige krankheid; overal zag hij koorts; overal hoorde hij lijden en, zonder het raadsel te willen oplossen, poogde hij de wonde te verbinden.
Het vreeselijk schouwspel van al wat schepsel heet, ontwikkelde in hem een gevoel van verteedering; hij was slechts bedacht voor zich zelven de beste wijze te vinden om te beklagen en wel te doen, en die aan anderen mede te deelen. Het bestaande was voor dezen goeden, zeldzamen priester een gestadig onderwerp van droefheid, die zoekt te vertroosten.
Er zijn lieden, die zich bezighouden met het delven van goud: hij hield zich bezig met het medelijden aan den dag te brengen. De algemeene ellende was zijn mijn. Het alom heerschend lijden was voor hem slechts een gelegenheid om onverpoosd goed te doen. "Bemint elkander;" dit bevatte, naar zijn meening, alles; hij wenschte niets meer, en dit was zijn geheele geloofsleer. Op zekeren dag zeide de man, die zich "wijsgeer" waande, de reeds genoemde senator, tot den bisschop:--"Zie toch, hoe het in de wereld toegaat; oorlog van allen tegen allen; de sterkste is de verstandigste. Uw "bemint elkander" is een dwaasheid."
"Welnu," antwoordde Monseigneur Bienvenu, zonder met hem te redetwisten, "zoo het een dwaasheid is, moet het hart er zich insluiten, als de parel in de oester."
En hij sloot er zich in, hij leefde er in, hij was er volkomen in tevreden, terwijl hij de groote vraagstukken onaangeroerd liet, die lokken en benauwen, de onpeilbare diepten der bespiegeling, de afgronden der bovennatuurkunde, al die ondoorgrondelijkheden, welke den apostel tot God, den atheïst tot het niet voeren: het noodlot, het goede en het kwade, de oorlog van het eene tegen het andere schepsel, het geweten van den mensch, het denkend somnambulisme van het dier, de herschepping door den dood, de wederopstanding van al de wezens, die het graf bevat, de onbegrijpelijke inenting der elkander vervangende liefdeneigingen op het steeds voortbestaande ik, de geest en het stof, het niet en het zijn, de ziel, de natuur, de vrijheid, en de noodzakelijkheid,--alle diepe problemen, schrikbarende duisternissen, voor welke de reusachtige aartsengelen van het menschelijk geslacht zich buigen; vreeselijke afgronden, welke Lucretius, Manou, Paulus en Dante met dien vlammenschietenden blik aanstaren, die, door strak in het oneindige te turen, er sterren schijnt te ontdekken.
Monseigneur was eenvoudig een man, die slechts de geheimzinnige vraagstukken uitwendig aanschouwde, zonder ze na te vorschen, zonder zijn geest er door te verontrusten, en die in zijn ziel een diepen eerbied voor het verborgene koesterde.
BOEK II.
DE VAL.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE AVOND NA EEN DAGREIZE.
In een der eerste dagen van de maand October 1815, omstreeks een uur vóór zonsondergang, kwam een voetreiziger in de kleine stad D. aan. De weinige inwoners, die zich op dit oogenblik aan hun ramen of voor hun deuren bevonden, oogden dien man met een soort van ongerustheid na. Niet licht zou men iemand van ellendiger voorkomen hebben kunnen ontmoeten. Hij was van middelbare grootte, gezet en forsch, en in de kracht zijns levens. Hij kon zes- of acht-en-veertig jaar oud zijn. Een pet met lederen klep bedekte gedeeltelijk zijn met zweet bepareld en door zon en lucht gebruind gelaat. Zijn grof geelkatoenen hemd, dat aan den hals met een klein zilveren ankertje was vastgehecht, liet de harige borst bloot; hij droeg een das, als een touw ineengedraaid, een versleten blauwlinnen broek, die aan de eene knie geheel kaal was, aan de andere een gat vertoonde; een ouden, gehavenden kiel, waarvan een der ellebogen met een stuk groen laken gelapt en met bindgaren saamgetrokken was; op den rug een vollen, zorgvuldig dichtgegespten en nieuwen soldatenransel; in de hand een dikken, knoestigen stok; zijn voeten waren zonder kousen, zijn schoenen met spijkers beslagen; zijn hoofdhaar was kort en zijn baard lang.
Het zweet, de hitte, de voetreis, het stof gaven aan den geheelen persoon iets zeer haveloos. Het haar scheen nog kort geleden kaal geschoren; 't stond nu steil op en was borstelig.
Niemand kende den man. 't Was duidelijk, dat hij de stad slechts doortrok. Van waar kwam hij? Uit het zuiden. Misschien van de zeekust; want hij kwam door dezelfde straat in de stad, waar zeven maanden geleden keizer Napoleon gepasseerd was, toen hij van Cannes naar Parijs ging. Deze man moest wel den geheelen dag geloopen hebben; want hij scheen zeer vermoeid. Vrouwen uit het vlek nabij de stad hadden hem onder het geboomte van den Boulevard Gassendi zien stilstaan en drinken bij de pomp, aan 't einde der wandelplaats. Hij had zeker grooten dorst, want de kinderen die hem volgden zagen hem, een paar honderd schreden verder, weder stilhouden en drinken bij de pomp van het marktplein. Aan den hoek der straat Poichevert sloeg hij linksom en ging naar 't Stadhuis. Hij trad binnen; een kwartier later kwam hij er weder uit. Een gendarme zat aan de deur op de steenen bank, waarop generaal Drouot den 4den Maart klom, om aan de ontstelde inwoners van D. de proclamatie van de golf Juan voor te lezen. De man nam zijn pet af en groette den gendarme onderdanig. Zonder zijn groet te beantwoorden nam hem de gendarme nauwkeurig op en trad toen het raadhuis binnen.