Part 5
"Ja, mijnheer, sinds lang lijdt het volk. Maar, dit is niet alles: zeg mij, waarom komt ge mij ondervragen en mij van Lodewijk XVII spreken? Ik ken u niet. Zoolang ik in deze streek ben, heb ik op deze plaats gewoond, geheel alleen, ik zette geen voet er buiten en zag niemand dan dezen knaap, die mij helpt. 't Is waar, uw naam is flauw tot mij doorgedrongen, en, ik moet het zeggen, op geen ongunstige wijze; maar dat heeft niets te beteekenen; behendige lieden hebben allerlei middelen tot hun dienst om het goede volk wat wijs te maken. Maar ik heb het ratelen van uw rijtuig niet gehoord; ge hebt het zeker ginds achter het kreupelhout gelaten, waar de weg zich scheidt. Ik zeg u, dat ik u niet ken. Gij hebt mij gezegd, dat ge de bisschop zijt; maar dit zegt mij niets nopens uw zedelijken persoon. Kortom, ik herhaal mijn vraag: Wie zijt ge? Ge zijt een bisschop, dat wil zeggen: een prins der kerk, een dier in goud gedoste mannen, met wapenschilden, jaargelden en rijke prebenden,--de bisschop van Digne 15000 fr. vast traktement, 10000 fr. buitengewone inkomsten, te zamen 25000 fr.--met koks en livreibedienden,--een dier mannen, die in weelde leven, des vrijdags waterhoenders eten, met lakeien vóór en achter zich in galarijtuig prijken, die paleizen bewonen en in koetsen rijden in den naam van Jezus Christus, die barrevoets ging! Ge zijt een prelaat; gij hebt gelijk de anderen jaargelden, paleizen, paarden, lakeien, een rijke tafel, al de geneuchten des levens, en gelijk de anderen, leeft ge in genot; dat is wel, maar het zegt mij te veel of te weinig; het geeft mij geen licht genoeg aangaande uw innerlijke, persoonlijke waarde, de waarde van u, die hier komt met het blijkbaar doel om mij lessen te geven. Tot wien spreek ik? Wie zijt ge?"
De bisschop boog het hoofd en antwoordde: "Vermis sum." (ik ben een worm.)
"Een worm in een koets!" bromde het oud lid der conventie.
't Was nu zijn beurt om trotsch, en die van den bisschop om deemoedig te zijn.
De bisschop antwoordde vriendelijk:
"'t Zij zoo, mijnheer. Maar verklaar mij, hoe mijn koets, die ginds achter 't geboomte staat, hoe mijn goede tafel en de waterhoenders die ik vrijdags eet, hoe mijn vijf-en-twintig duizend francs inkomen, hoe mijn paleis en mijn lakeien bewijzen, dat medelijden geen deugd, dat weldadigheid geen plicht is, en dat 93 niet onbarmhartig is geweest."
Het oud-lid der conventie streek de hand over zijn voorhoofd als om er een wolk van te verdrijven.
"Eer ik u antwoord," sprak hij, "verzoek ik u vergeving. Ik had zooeven ongelijk, mijnheer. Ge zijt ten mijnent, ge zijt mijn gast. Ik ben u beleefdheid schuldig. Gij bestrijdt mijn denkbeelden, het past mij niet verder te gaan dan alleen uw redenen te wederleggen. Uw rijkdommen en genietingen zijn voordeelen, die ik tegen u in de discussie heb; maar de wellevendheid vordert, dat ik er mij niet van bedien. Ik beloof u ze niet weder te gebruiken."
"Ik dank u," zei de bisschop.
G. hernam: "Laten wij wederkeeren tot de verklaringen welke ge mij gevraagd hebt. Hoe was 't ook? Wat zeidet ge mij? dat 93 onbarmhartig was geweest?"
"Ja, onbarmhartig," zei de bisschop. "Wat denkt ge van Marat, die de guillotine met handgeklap toejuichte?"
"Wat denkt gij van Bossuet, die voor de dragonnades een Te Deum zong?"
Dit antwoord was hard, maar het trof het doel met de kracht van een werpspies. De bisschop ontroerde en wist niet wat te antwoorden; hij gevoelde zich gekrenkt, dat Bossuets naam op deze wijze werd aangehaald. De edelste geesten hebben hun afgoden, en voelen zich gekrenkt, wanneer de logica den eerbied uit het oog verliest.
Het lid der conventie begon zwaar te ademen; het hijgen van den doodsstrijd, dat zich in de laatste ademtochten mengt, brak zijn stem af, in zijn oogen blonk evenwel nog een volkomen helderheid van geest. Hij vervolgde:
"Ik wil nog enkele woorden over 't een en ander zeggen. Behalve de revolutie, die in haar geheel genomen een reusachtige bevestiging van de menschelijke waarde is, is 93, helaas; een antwoord. Gij vindt haar onverbiddelijk; maar de geheele monarchie dan, mijnheer? Carrier is een bandiet; maar welken naam geeft ge aan Montrevel? Fouquier Tainville is een schurk; maar wat denkt ge van Lamoignon-Bêville? Maillard is afschuwelijk, maar Saulx-Tavannes, als 't u belieft? Pater Duchène is wreed, maar welken naam wilt ge aan pater Letellier geven? Jourdan (Coupe-tête) is een monster, maar in mindere mate dan mijnheer de markies de Louvois. Waarde heer, ik beklaag de aartshertogin en koningin Marie-Antoinette; maar ik beklaag ook de arme Hugenootsche vrouw, die in 1685, onder Lodewijk den Groote, mijnheer, terwijl ze haar kind zoogde, gegrepen en tot aan de heupen bloot, aan een paal gebonden werd, op eenigen afstand van haar kind; haar borst zwol van melk en haar hart van angst; het hongerige bleeke kind, die borst ziende, kermde en schreeuwde; en de beul zeide tot de vrouw, tot de moeder en voedster: Zweer uw geloof af! haar de keus latende tusschen den dood van haar kind en den dood van haar geweten. Wat zegt ge van deze Tantalus-foltering, toegepast op een moeder? Bedenk het wel, mijnheer: de fransche revolutie heeft haar redenen gehad. Haar toorn zal de toekomst vergeven. Haar resultaat is een betere wereld. Uit haar vreeselijkste slagen komt een liefkoozing van het menschelijk geslacht voort. Maar ik zwijg... Mijn spel is al te schoon,--en bovendien--de dood nadert."
En zijn oogen van den bisschop afwendende, besloot de man zijn gedachte met deze weinige, kalme woorden:
"Ja, de harde, ruwe schokken van den vooruitgang heeten revolutiën. Zoodra ze geëindigd zijn, erkent men, dat het menschelijk geslacht ja hevig geschokt is geworden, maar ook, dat het is vooruitgegaan."
De oude man hield zich overtuigd, dat hij achtereenvolgens, een voor een, al de geheime verschansingen van den bisschop had ingenomen. Eén echter bleef er nog, en uit deze verschansing, het laatste bolwerk des tegenstands van monseigneur Bienvenu, kwamen deze woorden, die schier even norsch waren als de aanvang van 't gesprek:
"De vooruitgang moet aan God gelooven. Het goede kan geen goddeloozen dienaar hebben. Een godloochenaar is een slechte leidsman van het menschelijk geslacht."
De oude volksvertegenwoordiger antwoordde niet. Hij beefde. Hij sloeg den blik ten hemel en in zijn oog welde een traan op. Toen het ooglid geheel vochtig was, vloeide de traan langs zijn bleeke kaak, en hij zeide schier stamelend, het hoofd omhooggeheven, zacht en als tot zich zelf:
"O gij, o Ideaal, gij alleen leeft!"
De bisschop werd door een onbeschrijfelijke aandoening aangegrepen. Na eenig zwijgen hief de grijsaard een vinger ten hemel en zeide:
"Het oneindige bestaat. 't Is daar! Zoo het oneindige geen IK had, zou het IK zijn grens zijn; het zou niet oneindig zijn; met andere woorden: 't zou niet zijn. Maar het bestaat. Het heeft dus een IK. Dat IK van het oneindige, is God."
De stervende had deze laatste woorden met luide stem en met de trilling der vervoering gesproken, als zag hij iemand. Toen hij gesproken had, sloten zich zijn oogen. De inspanning had hem uitgeput. Het was blijkbaar, dat hij in een minuut de weinige uren had afgeleefd, die hem nog over waren. Wat hij had gezegd, had hem nader bij dengene gebracht, die in den dood is. Het laatste oogenblik naderde.
De bisschop begreep het; de tijd drong; als priester was hij gekomen; van de uiterste koelheid was hij trapsgewijze tot de hoogste aandoening overgegaan; hij aanschouwde deze gesloten oogen, hij nam deze oude gerimpelde en kille hand en boog zich tot den stervende:
"Dit uur is de ure Gods. Gelooft ge niet, dat het te betreuren zou zijn, zoo wij elkander tevergeefs ontmoet hadden?"
De grijsaard opende de oogen. Een ernst, in schaduwen gehuld, vertoonde zich op zijn gelaat.
"Mijnheer de bisschop," sprak hij met een langzaamheid, die misschien meer nog uit de waardigheid der ziel dan uit zwakte voortkwam, "ik heb mijn leven in overdenkingen, studie en aanschouwing doorgebracht. Ik was zestig jaar oud, toen mijn land mij riep en mij gebood, mij met zijn zaken te bemoeien. Ik gehoorzaamde. Er bestonden misbruiken, ik heb ze bestreden; er waren dwingelandijen, ik heb ze tegengegaan; er waren rechten en beginselen, ik heb ze verkondigd en beleden. De vaderlandsche bodem werd overheerd, ik heb hem verdedigd; Frankrijk was bedreigd, ik bood mijn borst aan. Ik was niet rijk; nu ben ik arm. Ik ben een der meesters van den staat geweest; de kelders der Bank waren zoo vol geld, dat men gedwongen was de muren te schragen, wijl zij gevaar liepen door de zwaarte van het goud en zilver te scheuren, en ik nam mijn middagmaal in de straat l'Arbre-Sec voor twee-en-twintig sous. Ik kwam de verdrukten te hulp en verlichtte de lijdenden. 't Is waar, ik heb het kleed van 't altaar gescheurd, maar 't was om de wonden des vaderlands te verbinden. Ik heb altijd den vooruitgang der menschheid naar het licht bevorderd en soms meedoogenlooze stappen tegengehouden. Bij gelegenheid heb ik u, mijn eigen tegenstanders, beschermd. Te Peteghem in Vlaanderen, op dezelfde plaats waar de Merovingische koningen hun zomerpaleis hadden, redde ik in 1793 een klooster van Urbanisten, de abdij van St. Clara en Beaulieu. Ik heb mijn plicht naar vermogen vervuld, en zooveel goeds gedaan als ik kon. Daarop werd ik verjaagd, vervolgd, verguisd, bespot, gehoond, vervloekt en gebannen. Sinds vele jaren gevoel ik, dat vele lieden het recht meenen te hebben mij, in weerwil mijner grijze haren, te verachten; aan de arme onwetende menigte stelt men mij voor als een verworpeling, en ik, die niemand haat, onderwerp mij aan de eenzaamheid, waarin de haat mij plaatst. Thans ben ik zes-en-tachtig jaar, en op 't punt van te sterven. Wat komt ge mij vragen?"
"Uw zegen," zei de bisschop.
En hij knielde.
Toen de bisschop het hoofd weder ophief, had het gezicht van den grijsaard een waarlijk verheven uitdrukking. Hij was gestorven.
Diep in gedachten verzonken, keerde de bisschop naar huis. Den geheelen nacht bracht hij in den gebede door. Den volgenden dag, toen eenige nieuwsgierigen beproefden hem over het oud-lid der conventie G. te spreken, wees hij slechts naar den hemel.
Van dat oogenblik af verdubbelde zich nog zijn liefde en weldadigheid voor de geringen en lijdenden.
Telkens wanneer op den "ouden booswicht G." eenige toespeling gemaakt werd, verzonk hij in gedachten. Wie kan zeggen of de verschijning van dien geest voor den zijnen, en de weerschijn van dit grootsch geweten op het zijne, hem niet nader tot de volmaaktheid had gebracht.
Dit "herderlijk bezoek" werd natuurlijk het onderwerp der gesprekken in de kleine gezelschapskringen der plaats:
"Was het sterfbed van zulk een man de plaats voor een bisschop? Een bekeering was toch blijkbaar niet te verwachten. Al deze revolutionnairen zijn verstokte zondaars. Waarom er dus heengegaan? Wat heeft hij er gezien? Hij moet wel zeer nieuwsgierig zijn geweest, om een ziel door den duivel te zien weghalen."
Op zekeren dag zeide een weduwe, van die onbeschaamde soort, welke zich geestig waant, tot hem:
"Men vraagt, Monseigneur, wanneer gij de roode muts zult opzetten."--"O," antwoordde de bisschop, "dit is een ergerlijke kleur. Gelukkig dat zij, die ze aan een muts verachten, ze aan een hoed vereeren."
ELFDE HOOFDSTUK.
EEN VOORBEHOUD.
Men zou zich grootelijks vergissen, indien men nu wilde besluiten, dat Monseigneur Bienvenu een "wijsgeerig bisschop," een "patriottisch pastoor was." Zijn ontmoeting met het Conventielid G., welke ontmoeting men schier met het samentreffen van twee planeten kan vergelijken, had een soort van verwondering bij hem achtergelaten, die hem nog zachtmoediger maakte. Dit was alles.
Ofschoon Monseigneur Bienvenu niets minder dan een politiek persoon geweest zij, is 't hier misschien toch de plaats, om met een enkel woord te vermelden, welke zijn houding was in de toenmalige gebeurtenissen, in de veronderstelling althans dat Monseigneur Bienvenu er ooit aan gedacht hebbe, eene houding aan te nemen.
Gaan wij dus enkele jaren terug:
Eenigen tijd na de verheffing van den heer Myriel tot bisschop, had de keizer hem, gelijktijdig met verscheiden andere bisschoppen, tot baron van het keizerrijk gemaakt. De gevangenneming van den Paus geschiedde, gelijk bekend is, in den nacht tusschen den 5 en 6 Juli 1809; bij deze gelegenheid werd Myriel door Napoleon geroepen tot de synode der bisschoppen van Frankrijk en Italië, die te Parijs moest samenkomen. Die synode werd gehouden in Notre-Dame en vergaderde het eerst den 15 Juni 1811, onder het voorzitterschap van den kardinaal Fesch. De heer Myriel behoorde tot het getal der vijf-en-negentig bisschoppen die er verschenen, doch hij woonde slechts één zitting, en drie of vier afzonderlijke conferentiën bij. Het schijnt, dat hij als bisschop uit een bergstreek en nauw aan de natuur verwant, bovendien in landelijken eenvoud en armoede levende, onder deze zeer aanzienlijke personen denkbeelden bracht, welke met de temperatuur dier vergadering volstrekt niet overeenkwamen. Hij keerde spoedig naar Digne terug. Men vroeg hem naar de reden zijner spoedige terugkomst, en hij antwoordde:--"Ik hinderde hen. De buitenlucht kwam met mij binnen. Ik had op hen de uitwerking als van een open deur."
Een andermaal zeide hij:--"Wat zal ik u zeggen? Deze heeren zijn prinsen. Ik ben slechts een arme boeren-bisschop."
De zaak was eenvoudig deze: hij had mishaagd.
Onder andere zonderlingheden zouden hem op zekeren avond, dat hij zich bij een zijner voornaamste ambtsbroeders bevond, deze woorden zijn ontsnapt:--Deze fraaie pendules, deze heerlijke tapijten, deze keurige livreien, dat alles moet zeer lastig zijn! Ik zou al die overdaad niet willen, die mij gestadig in de ooren zou roepen: er zijn menschen die honger lijden! daar zijn er die verkleumen! er zijn armen! er zijn armen!
't Is in 't voorbijgaan gezegd, niet verstandig de weelde te haten. In dezen haat zou de haat tegen de schoone kunsten opgesloten liggen. Evenwel is de weelde bij geestelijken, uitgezonderd bij openbare plechtigheden en ceremoniën, een verkeerdheid. Zij schijnt gewoonten aan te duiden, die weinig met een wezenlijke weldadigheid overeenkomen. Een weelderig priester is een tegenstrijdigheid. De priester moet zich bij de armen houden. Of kan men nacht en dag onafgebroken met alle nooden, alle rampen, alle ontberingen in aanraking komen, zonder zelf iets van die heilige behoeftigheid te bezitten, als het stof van den arbeid? Kan men zich iemand voorstellen, die, als hij bij een vuur staat, geen warmte gevoelt? Kan men zich een arbeider voorstellen, die steeds aan een vuurhaard werkzaam, geen enkel geschroeid haar, geen zwarten vinger, geen droppel zweet, geen aschstofje op het gezicht zou hebben! Het groote bewijs van de weldadigheid eens priesters, vooral van een bisschop, is de armoede.
Zoo dacht ongetwijfeld de bisschop van Digne.
Men moet echter niet meenen, dat hij, 't geen wij "de denkbeelden der eeuw" zouden noemen, in sommige teedere punten deelde. Hij mengde zich zelden in de godgeleerde twisten van dien tijd en zweeg over de kwestiën, waar staat en kerk in betrokken waren; doch zoo men sterk bij hem had aangedrongen, zou men hem waarschijnlijk meer ultramontaansch dan gallikaansch hebben bevonden. Dewijl wij een portret maken, en niets verbloemen willen, zijn wij verplicht hierbij te voegen, dat hij koud was voor den zinkenden Napoleon. Sinds 1813 stemde hij met alle vijandelijke manifestatiën in, en juichte ze toe. Hij weigerde Napoleon te zien, toen deze van het eiland Elba terugkeerde, en beval in zijn bisdom evenmin de openbare gebeden voor den keizer aan gedurende de honderd dagen.
Behalve zijn zuster, mejuffrouw Baptistine, had hij twee broeders, van welken de een generaal, de andere prefekt was. Dikwijls schreef hij aan beiden. Eenigen tijd was hij misnoegd op den eenen, wijl de generaal, tijdens de ontscheping te Cannes een commandement in Provence hebbende, aan de spits van twaalfhonderd man den keizer had vervolgd, als iemand dien men wilde laten ontkomen. Hartelijker bleef zijn briefwisseling met zijn anderen broeder, den voormaligen prefekt, een braaf en achtenswaardig man, die te Parijs stil leefde.
Ook Monseigneur had dus zijn oogenblikken van partijgeest, van verstoordheid, van ontevredenheid. De schaduw der hartstochten van dien tijd ging ook over dien zachtmoedigen, verheven geest, die zich met het eeuwige bezighield. Zeker, zulk een man had verdiend geen staatkundige meening te hebben. Men vergisse zich echter niet in onze bedoeling; wij maken onderscheid tusschen hetgeen "staatkundige meening" wordt genoemd, en die edele zucht naar vooruitgang, dat verheven vaderlandslievend, democratisch en menschelijk geloof, 't welk in onze dagen de eigenlijke grond van ieder edel gemoed moet zijn. Zonder ons in kwestiën te verdiepen, die slechts zijdelings betrekking op dit boek hebben, zeggen wij alleen: het zou schoon geweest zijn, zoo Monseigneur Bienvenu niet royalistisch geweest ware en zijn blik zich geen oogenblik had afgewend van die zuivere bespiegeling, waarin men duidelijk, boven de begoochelingen en den haat der wereld, boven de stormachtige afwisseling der menschelijke zaken, deze drie heldere lichten: de waarheid, de gerechtigheid en de menschlievendheid ziet stralen.
Aannemende dat God Monseigneur Bienvenu niet voor een staatkundige betrekking had geschapen, zouden wij zijn protest in naam van het recht en der vrijheid, zijn fier verzet, zijn gevaarlijken, maar rechtmatigen tegenstand tegen den machtigen Napoleon begrepen en bewonderd hebben. Maar wat ons behaagt tegen hen die klimmen, behaagt ons minder tegen hen die vallen. Wij beminnen slechts het gevecht zoolang er gevaar is; en in allen geval hebben alleen de strijders van het begin het recht, de verdelgers van het einde te zijn. Wie tijdens den voorspoed geen moedig beschuldiger was, moet ook bij den val zwijgen. De beschuldiger van den voorspoed is de eenige rechtmatige veroordeelaar in den tegenspoed. Wat ons betreft, wanneer de Voorzienigheid de zaak op zich neemt, laten wij 't aan Haar over. 1812 begint ons te ontwapenen. In 1813 kon het laaghartig verzet van het vroeger zwijgende wetgevend lichaam, door de rampspoeden stoutmoedig gemaakt, niets anders dan verontwaardiging wekken, en men had ongelijk het toe te juichen; in 1814 was het een plicht, het hoofd af te wenden van die verraderlijke maarschalken, van dien senaat, die van den eenen modderpoel in den anderen overging, die hoonde na eerst vergood te hebben; van deze afvallige afgoderij, die den afgod bespuwt; in 1815, terwijl de lucht van groote rampen zwanger was, terwijl Frankrijk rilde bij de heillooze nadering er van, terwijl men bereids Waterloo zich schemerend voor Napoleon kon zien openen, had de treurige sympathie van het leger en het volk voor den door het lot veroordeelde niets belachelijks, en, den despoot er buiten gelaten, had, dunkt ons, een hart als dat van den bisschop van Digne het verhevene en treffende niet moeten miskennen, dat de hartelijke omhelzing van een groote natie, en een groot man aan den rand des afgronds had.
Deze eigenaardigheid uitgezonderd was hij altijd en in alles rechtvaardig, waar, billijk, verstandig, nederig en waardig; weldadig en welwillend, en welwillendheid is een andere vorm van weldadigheid. Hij was een priester, een wijze, een mensch. Zelfs moeten wij zeggen, dat hij, bij deze staatkundige gevoelens, welke wij hem verweten hebben, en die wij geneigd zijn schier streng te beoordeelen, verdraagzaam en verschoonend was, wellicht meer dan wij, die er hier over spreken. De portier van het raadhuis was door den keizer aangesteld. 't Was een oud-onderofficier der oude garde, met het legioen van eer van Austerlitz, en zoo trouw Bonapartistisch als de adelaar. Bij gelegenheid ontglipten dien armen drommel eenige onbedachte woorden, welke de wet destijds met den naam van "oproerige taal" bestempelde. Sedert het borstbeeld des keizers van het legioen-kruis verdwenen was, kleedde hij zich nooit volgens het voorschrift, om, zooals hij zeide, niet gedwongen te zijn dit kruis te dragen. Met eigen handen had hij eerbiedig het keizerlijk beeld uit het door Napoleon geschonken kruis genomen, en in de daardoor ontstane opening niets in de plaats willen stellen. "Ik sterf liever," zeide hij, "dan op mijn hart de drie padden te dragen!" Hij spotte gaarne openlijk over Lodewijk XVIII, zeggende: "Die oude jichtpoot met zijn engelsche slobkousen; laat hem naar Pruisen gaan met zijn boksbaard;" en 't deed hem genoegen in dezelfde verwensching de twee dingen, welke hij het meest verachtte, Pruisen en Engeland, samen te kunnen vatten. Hij weerde zich zoo, dat hij van zijn post ontzet werd. Nu was hij met vrouw en kinderen geheel zonder brood en huisvesting. De bisschop deed hem bij zich komen, berispte hem welwillend en stelde hem tot oppasser der kerk aan.
In negen jaren had Monseigneur Bienvenu door edele daden en een liefderijk gedrag de stad Digne met een soort van teedere, kinderlijke vereering voor zich vervuld. Zelfs zijn gedrag tegen Napoleon was hem niet ten kwade geduid, maar stilzwijgend vergeven door het volk, welk volk, een goede, zwakke kudde, zijn keizer aanbad, maar zijn bisschop beminde.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
MONSEIGNEUR BIENVENU IN DE AFZONDERING.
Een bisschop is bijna altijd omgeven door een schaar jonge geestelijken, gelijk een generaal door een zwerm jonge officieren. De waardige Franciscus van Sales noemt dezen ergens "melkmuilpriesters." Elke loopbaan heeft haar aspiranten, welke het gevolg vormen van hen, die het doel reeds bereikt hebben. Geen macht of zij heeft haar omgeving, geen fortuin of zij heeft haar hof. Zij, die een toekomst najagen, fladderen om het schitterend tegenwoordige. Iedere hoofdkerk heeft haar staf. Elke bisschop, die slechts eenigen invloed heeft, heeft zijn wacht van seminaristen, die in het bisschoppelijk paleis de ronde doen, er de orde bewaren en naar een glimlachje van Monseigneur dingen. Een bisschop voor zich winnen, is de voet in den stijgbeugel tot het Diakenschap. Men moet vooruit in de wereld, en het apostelschap veracht het kanunnikschap niet.