Part 30
I. De avond van een dagreize 67 II. Voorzichtigheid ga met wijsheid gepaard 77 III. Heldenmoed en lijdelijke gehoorzaamheid 81 IV. Bijzonderheden aangaande de kaasmakerijen te Pontarlier 85 V. Gerustheid 89 VI. Jean Valjean 90 VII. Een blik in de wanhoop 95 VIII. Het water en de schaduw 102 IX. Andere grieven 104 X. De ontwaking 105 XI. Wat hij doet 107 XII. De bisschop werkt 110 XIII. De kleine Gervais 114
Boek III.
Het jaar 1817.
I. Het jaar 1817 125 II. Een dubbel viertal 130 III. Vier paren 134 IV. Tholomyès is zoo vroolijk, dat hij een Spaansch lied zingt 138 V. Bij Bombarda 140 VI. Een hoofdstuk, waarin men aanbidt 142 VII. De geestigheid van Tholomyès 144 VIII. De dood van een paard 148 IX. Vroolijk einde der vreugd 151
Boek IV.
Toevertrouwen is somtijds geven.
I. Een moeder die een andere moeder ontmoet 157 II. Eerste schets van twee slechte figuren 165 III. De leeuwerik 167
Boek V.
Steeds dieper zinkende.
I. Geschiedenis van den vooruitgang in de fabrikage der zwarte glaskoralen 173 II. Madeleine 174 III. De gelden bij Laffitte 178 IV. De heer Madeleine in rouw 180 V. Flikkeringen aan den horizon 183 VI. Vader Fauchelevent 188 VII. Fauchelevent wordt tuinier te Parijs 191 VIII. Mevrouw Victurnien geeft dertig francs uit voor de zedelijkheid 192 IX. Gevolgen der handeling van mevrouw Victurnien 195 X. Verdere gevolgen 197 XI. Christus heeft ons vrijgemaakt 202 XII. Hoe mijnheer Bamatabois zich vermaakt 203 XIII. Oplossing van eenige stedelijke politie-kwestiën 205
Boek VI.
Javert.
I. Begin der rust 217 II. Hoe uit een naam een andere kan ontstaan 220
Boek VII.
Het proces Champmathieu.
I. Zuster Simplicia 231 II. Scherpzinnigheid van Scaufflaire 234 III. Een storm onder een hersenpan 238 IV. Vormen, die het lijden aanneemt gedurende den slaap 255 V. Spaken in de wielen 258 VI. Beproeving van zuster Simplicia 269 VII. De aangekomen reiziger neemt maatregelen om weder te vertrekken 275 VIII. Bevoorrechte toegang 279 IX. Een plaats, waar overtuigingen bezig zijn, zich te vormen 282 X. Het stelsel der ontkenningen 289 XI. Champmathieu hoe langer hoe meer verwonderd 295
Boek VIII.
Terugwerking.
I. In welken spiegel de heer Madeleine zijn haren beziet 303 II. Fantine is gelukkig 305 III. Javert is tevreden 309 IV. Het gezag herneemt zijn rechten 312 V. Een behoorlijk graf 315
NOTEN
[1] Zelfs wanneer Loyson vliegt (of steelt) gevoelt men dat hij klauwen heeft.--De aardigheid schijnt in 't woord vole te liggen, dat zoowel vliegen als stelen betekent.
[2] Brûlez pour lui les parfums d'Arabie, Oscar s'avance, Oscar, je vais le voir!
[3] Coucou, een rijtuig met twee wielen en vier tot zes plaatsen.
[4] Ils faisaient sous la table Un bruit, un trique-trac de pieds épouvantable.
[5] Rendez-nous notre père de Gand, Rendez-nous notre père.
[6] De goede sier en de pret.
[7] De dommen gaven geld aan een agent, opdat Clermont Tonnerre op St. Jansdag tot paus zou worden verheven, maar wijl Clermont geen priester was, kon hij geen paus worden gemaakt, en de agent bracht woedend hun het geld terug.
[8] Elle était de ce monde où coucous et carrosses Ont le même destin, Et, rosse, elle a vécu ce que vivent les rosses, L'espace d'un: matin!
[9] Il le faut, disait un guerrier.
[10] A la belle et tendre Imogine.
[11] Il le faut, je suis chevalier, Et je pars pour la Palestine.
[12] Il le faut, disait un guerrier.
[13] Als wij op den boulevard wandelen, zullen wij mooie dingen koopen. De koornbloempjes zijn blauw, de rozen zijn rood; ik bemin mijn geliefde. Gisteren kwam de maagd Maria in geborduurden mantel bij mijn kachel, en zeide mij: "Ziehier onder mijn sluier de kleine, waarom ge mij gevraagd hebt. Spoed u naar de stad, haal linnen, koop garen, koop een vingerhoed."
Als wij op den boulevard wandelen, zullen wij mooie dingen koopen.
Goede maagd Maria, bij mijn kachel heb ik een met lint versierd wiegje gezet; al wilde God mij zijn schoonste ster geven, zou ik het kind dat ge mij gegeven hebt, toch liever hebben. Wat moet ik met dat lijnwaad doen, mevrouw?--Maak er hemdjes van voor mijn pasgeborene. De korenbloempjes zijn blauw, de rozen zijn rood; ik bemin mijn geliefde, wasch dit lijnwaad.--Waar?--In de rivier, maak er, zonder iets te bederven of vuil te maken, een rokje en borstrokje van, dat ik wil borduren en met bloemen vullen.--Het kind is er niet meer, mevrouw, wat nu er van gemaakt?--Maak er voor mij een doodslaken van.
Wanneer wij op den boulevard wandelen enz.
[14] Cric = dommekracht