De Ellendigen (Deel 1 van 5)

Part 22

Chapter 223,624 wordsPublic domain

"Scaufflaire," zeide hij, "op hoeveel schat ge uw paard en tilbury, die ge mij wilt verhuren, het een met 't ander?"

"Het een vóór het ander, mijnheer de maire," zei de Vlaming met een plompen lach.

"Nu ja."

"Wil mijnheer de maire ze van mij koopen?"

"Neen, maar men weet niet wat gebeuren kan, ik wil er u waarborg voor geven. Bij mijn terugkomst geeft ge mij het geld terug. Op hoeveel schat ge het rijtuig en het paard?"

"Op vijfhonderd francs, mijnheer de maire."

"Ziehier het geld."

Mijnheer Madeleine legde een bankbriefje op de tafel, ging toen en kwam ditmaal niet terug.

't Speet Scaufflaire geweldig, dat hij niet duizend francs had gezegd. Overigens waren het paard en de tilbury te zamen nauwelijks honderd kronen waard.

De Vlaming riep zijn vrouw en verhaalde haar de zaak. De drommel, waar kan mijnheer de maire toch heen willen gaan? Zij raadpleegden.--Hij gaat naar Parijs, zei de vrouw.--Ik geloof het niet, hernam de man.--Mijnheer Madeleine had op den schoorsteen het papiertje laten liggen, waarop hij cijfers had geschreven. De Vlaming nam het, en bestudeerde het.--Vijf, zes, acht en een half? dat moeten zeker poststations aanduiden. Toen wendde hij zich tot zijn vrouw:--Ik heb 't gevonden.--Wat?--Van hier tot Hesdin is vijf uren, van Hesdin tot Saint-Pol zes, en van Saint-Pol tot Arras acht en een half. Hij gaat naar Arras.

Inmiddels was de heer Madeleine weer te huis gekomen. Van Scaufflaire terugkeerende had hij een langeren weg genomen, alsof de deur der pastorie een verzoeking voor hem ware geweest, en hij die had willen ontwijken. Hij was naar zijn kamer gegaan, waar hij zich had opgesloten, 't geen trouwens niets ongewoons was, wijl hij zich gaarne vroegtijdig ter rust begaf. Maar de portierster der fabriek, die tevens de eenige dienstbode van den heer Madeleine was, merkte op, dat zijn licht om half negen ure werd uitgedaan. Zij zeide dit tot den boekhouder, die te huis kwam, er bijvoegende:

"Is mijnheer de maire ziek? Mij dunkt, dat hij eenigszins anders dan gewoonlijk was."

De boekhouder bewoonde een kamer vlak onder die van den heer Madeleine. Hij sloeg geen acht op de woorden der portierster, ging te bed en sliep in. Tegen middernacht werd hij plotseling wakker; in zijn slaap had hij boven zijn hoofd gerucht gehoord. Hij luisterde. 't Was, alsof hij in de kamer boven zich heen en weder hoorde gaan. Hij luisterde aandachtiger en herkende den tred van mijnheer Madeleine. 't Kwam hem vreemd voor; gewoonlijk werd in de kamer van den heer Madeleine niet het minste gerucht gehoord, vóór hij opstond. Een oogenblik later hoorde de boekhouder iets, alsof een kast werd geopend en dicht gedaan. Toen werd een meubelstuk verschoven, er ontstond stilte, en er werd nogmaals heen en weder gegaan. De boekhouder ging overeind zitten, werd geheel wakker, en zag door zijn venster op den muur aan de overzijde, het roode schijnsel van een verlicht raam. Naar de richting der lichtstralen te oordeelen, kon het geen ander raam dan dat der kamer van mijnheer Madeleine zijn.

De lichtschijn bewoog zich, alsof die eerder van een flikkerend vuur dan van kaarslicht kwam. De schaduw van het glasraam was er niet op afgeteekend, 't geen bewees, dat het raam geheel open was. 't Was zonderling, dat dit raam bij de heerschende strenge koude open was. De boekhouder sliep weder in. Een paar uren later werd hij nogmaals wakker. Dezelfde langzame geregelde tred ging steeds heen en weder boven zijn hoofd.

De lichtschijn teekende zich nog altijd op den muur af, maar nu flauwer en stil als het schijnsel eener kaars of van een lamp. Het raam was ook nog open.

Ziehier wat in de kamer van mijnheer Madeleine plaats had.

DERDE HOOFDSTUK.

EEN STORM ONDER EEN HERSENPAN.

De lezer heeft ongetwijfeld reeds geraden, dat de heer Madeleine niemand anders dan Jean Valjean is.

Wij hebben reeds een blik in de diepte van dat gemoed geslagen; wij willen er nogmaals een blik in werpen. Wij doen 't niet zonder aandoening en beving. Er is niets treffender dan zulk een beschouwing. Het oog der ziel kan nergens een verblindender licht en grooter duisternis vinden dan in den mensch; het kan zich op niets ontzettenders, niets ingewikkelders, niets raadselachtigers, niets ondoorgrondelijkers vestigen. Er is een nog grootscher schouwspel dan de zee;--namelijk de hemel; er is een nog grootscher schouwspel dan de hemel;--namelijk het binnenste der ziel.

Wie in een gedicht het menschelijk gemoed, ware het slechts dat van een enkel mensch, slechts van den geringsten mensch, juist kon voorstellen, zou alle heldendichten in het verhevenst en volkomenst heldendicht samenvatten. Het gemoed is de chaos der denkbeelden, der begeerten, der neigingen; het is de oven der droomen, de spelonk der gedachten, waarvoor men zich schaamt; het is het pandemonium der sophismen, het slagveld der hartstochten. Men doordringe op zekere oogenblikken het bleeke gezicht van een menschelijk wezen en schouwe in deze ziel, in deze duisternis. Men zal er onder schijnbare rust reuzengevechten als bij Homerus, een gewoel van draken en hydra's, wolken van spooksels als bij Milton, wervelende visioenen als bij Dante vinden. Hoe somber is dat ondoorgrondelijke, 't welk ieder mensch in zich omdraagt en waarnaar hij met wanhoop den wil en de daden van zijn leven richt.

Alighieri kwam eens aan een sombere poort, voor welke hij weifelend bleef staan. Wij hebben er hier eene voor ons, bij welker drempel wij evenzeer aarzelen. Treden wij echter binnen.

Wij hebben slechts weinig te voegen bij 't geen de lezer reeds weet dat met Jean Valjean was gebeurd, sedert zijn ontmoeting met den kleinen Gervais. Men heeft gezien, dat hij van dat oogenblik af een ander mensch was. Wat de bisschop van hem had willen maken, was verwezenlijkt geworden. 't Was meer dan een verandering, 't was een herschepping.

Het gelukte hem te ontkomen; hij verkocht het zilverwerk van den bisschop, uitgezonderd de kandelaars, welke hij als een gedachtenis behield; zwierf van de eene stad naar de andere door Frankrijk; kwam te M. sur M., vormde het denkbeeld, waarvan wij gesproken en voerde uit wat wij verhaald hebben; hij bracht zich tegen alle vervolging in veiligheid, en nu te M. sur M. gevestigd, leefde hij gelukkig in 't gevoel, dat zijn geweten wegens het treurig verleden ontwaakt was en de eerste helft van zijn leven door het tweede verloochend werd; hij leefde vreedzaam, gerust en in de blijde hoop; hij koesterde slechts twee gedachten: zijn naam te verbergen, en zijn leven te heiligen; den menschen te ontkomen en terug te keeren tot God.

Deze twee gedachten waren in zijn geest zoo innig met elkander verbonden, dat zij er slechts ééne vormden; beide vervulden en beheerschten hem evenzeer en bestuurden zijn geringste handelingen. Gewoonlijk waren zij 't eens bij de regeling van zijn levensgedrag, zij trokken hem in de schaduw, zij maakten hem welwillend en eenvoudig; zij gaven hem beide denzelfden raad. Soms waren zij echter in strijd met elkander. In dat geval aarzelde, gelijk wij gezien hebben, de man, dien geheel de M. sur M. mijnheer Madeleine noemde, niet, de eerste aan de tweede, zijn veiligheid aan zijn deugd op te offeren. Zoo had hij, in spijt van alle behoedzaamheid en voorzichtigheid, de kandelaars van den bisschop bewaard, had over hem gerouwd en al de kleine savooiaards die in de stad kwamen, bij zich laten roepen en ondervraagd, had naar de families van Faverolles berichten ingewonnen, en den ouden Fauchelevent het leven gered, in weerwil van Javert's verontrustende toespelingen. Het scheen, wij hebben het reeds opgemerkt, dat hij, naar het voorbeeld van allen die goed, heilig en rechtvaardig waren, dacht, dat zijn eerste plicht niet hem zelven gold.

Wij moeten intusschen zeggen, dat iets zoo gewichtigs als thans hem nog niet was voorgekomen.

Nooit hadden de beide gedachten, die den ongelukkigen man beheerschten, wiens lijden wij verhalen, zulk een ernstigen strijd tegen elkander gevoerd. Hij begreep dit onbestemd, maar diep, terstond bij de eerste woorden welke Javert zeide, toen deze zijn schrijfkamer binnentrad. Op het oogenblik, dat de naam werd genoemd, dien hij in zulk een diepe duisternis begraven had, werd hij door ontzetting aangegrepen en als bedwelmd door de heillooze zonderlingheid van zijn lot, en in deze ontzetting voelde hij die huivering, welke groote schokken voorafgaat; hij boog als de eik bij de nadering van den storm, als de soldaat bij den aanvang eener bestorming. Hij voelde de van onweer zwangere wolken zich boven zijn hoofd samenpakken. Terwijl hij Javert aanhoorde, kwam aanvankelijk de gedachte bij hem op, heen te ijlen, zich bekend te maken, Champmathieu uit de gevangenis te bevrijden en er zich in te laten zetten; 't was een smartelijke, pijnlijke gedachte, als een snede in het levend vleesch; maar zij trok over, en hij zeide bij zich zelven: laat ons zien, laat ons zien!--Hij onderdrukte deze eerste edelmoedige opwelling en deinsde terug voor deze heldendaad.

Voorwaar, het zou schoon zijn geweest, zoo deze man, na de vrome woorden van den bisschop, na zoovele jaren van berouw en zelfverloochening, te midden van een boete, zoo bewonderenswaardig begonnen, zelfs bij al het schrikkelijke dat de omstandigheden mochten hebben, niet een oogenblik hadde gewankeld, maar met denzelfden vasten tred dien gapenden afgrond ware genaderd, op welks bodem de hemel lag; 't zou schoon zijn geweest, maar 't gebeurde niet alzoo. Wij moeten getrouw verslag geven van 't geen er in dat hart omging, en wij mogen niet anders dan de waarheid zeggen. In de eerste plaats had de zucht tot zelfbehoud de overhand; hij vereenigde in de haast zijn gedachten, bedwong zijn aandoeningen, nam de tegenwoordigheid van Javert, dat groote gevaar, in overweging, weerde ieder besluit af met de vastheid der ontzetting, onderdrukte elke overweging omtrent 't geen hem te doen stond, en hernam zijn kalmte, gelijk een kampvechter die zijn schild weder opneemt.

Hij bleef het overige van den dag in dien toestand; inwendig geroerd, uitwendig volkomen kalm; alleen nam hij, wat men maatregelen van zelfbehoud zou kunnen noemen. Alles was in zijn brein nog verward en tegenstrijdig; er heerschte daar zulk een onbestemdheid, dat hij den vorm van geen enkel denkbeeld duidelijk zag; hij zou zelf niet anders hebben kunnen zeggen, dan dat 't hem was, of hij een geweldigen schok had ontvangen. Als naar gewoonte ging hij naar Fantine's ziekbed, en hij bleef er langer dan gewoonlijk, uit een instinct van goedhartigheid; want hij zeide bij zich zelven, dat hij aldus moest handelen en haar den liefdezusters goed aanbevelen moest, ingeval hij genoodzaakt werd zich te verwijderen. Hij gevoelde onbestemd, dat hij wellicht naar Arras zou moeten gaan; en, zonder in het allerminst tot deze reis besloten te hebben, meende hij volkomen voor alle verdenking beveiligd te zijn en dus zonder eenig bezwaar getuige te kunnen wezen van 't geen zou plaats hebben. Hij huurde dus de tilbury van Scaufflaire, om op alle omstandigheden voorbereid te zijn.

Hij at met tamelijken eetlust.

In zijn kamer wedergekeerd, gaf hij zich aan zijn overpeinzingen over.

Hij onderzocht den toestand en vond dien gevaarlijk; zoo gevaarlijk, dat hij te midden zijner overdenkingen, ten gevolge van een schier onverklaarbaren angst, van zijn stoel opstond en den grendel op zijn deur schoof. Hij vreesde, dat er nog iets zou kunnen binnenkomen. Hij verschanste zich tegen het mogelijke.

Kort daarna blies hij het licht uit. Het hinderde hem.

't Scheen hem, alsof men hem kon zien.

Wie, men?

Helaas! wat hij buiten de deur wilde houden, was reeds binnengekomen; wat hij wilde verblinden, schouwde hem aan. Zijn geweten.

Zijn geweten, dat wil zeggen: God.

Evenwel misleidde hij zich zelven in den eersten oogenblik; hij gevoelde zich veilig in zijn eenzaamheid; nu de deur gegrendeld was, waande hij zich onaantastbaar; nu het licht was uitgedaan, achtte hij zich onzichtbaar. Nu was hij weder meester van zich zelven; hij zette zijn ellebogen op de tafel, liet zijn hoofd op de hand rusten en gaf zich aan de duisternis zijner gedachten over.

Waar ben ik?--Droom ik niet?--Wat heeft men mij gezegd?--Is 't wezenlijk waar, dat ik Javert heb gezien en dat hij mij zoo heeft toegesproken?--Wie kan deze Champmathieu zijn? Hij gelijkt dus op mij?--Is 't mogelijk?--Als ik denk, dat ik gisteren nog zoo gerust was en ver van iets dergelijks te vermoeden!--Wat deed ik gisteren op dezen tijd?--Welk gewicht heeft deze omstandigheid?--Hoe zal zij zich oplossen? Wat moet ik doen?--

Ziedaar de onrust, waarin hij was. Zijn brein had de kracht verloren om zijne gedachten vast te houden, zij stroomden weg als golven, en hij omvatte het hoofd met beide handen, om den golfslag tegen te houden.

Deze verwarring, die zijn wil en rede in beroering bracht, en waaruit hij een gevolgtrekking poogde af te leiden en een besluit, leverde hem niets dan angst op.

Zijn hoofd gloeide. Hij trad aan het raam en zette het wijd open. Geen ster flikkerde aan den hemel.

Hij ging weder aan de tafel zitten.

Alzoo verstreek het eerste uur.

Allengs begonnen zich echter in zijn gedachten flauwe omtrekken en beelden te vormen, en hij zag met de juistheid der wezenlijkheid, wel niet den geheelen omvang van zijn toestand, maar toch eenige bijzonderheden.

Hij erkende in de eerste plaats, dat, hoe buitengewoon en gevaarlijk deze toestand ook zijn mocht, hij er volkomen meester van was.

Zijn verlegenheid werd hierdoor echter slechts te grooter.

Afgescheiden van het ernstig, godsdienstig doel, waarnaar hij in al zijn daden streefde, was alles wat hij tot hiertoe verricht had, niets dan een kuil, dien hij groef, om er zijn naam in te verbergen. Wat hij in de uren zijner eenzame overdenkingen en slapelooze nachten het meest gevreesd had, was, eenmaal zijn naam te hooren noemen: dat, meende hij, zou voor hem het einde van alles zijn; de dag, waarop die naam weder zou te voorschijn komen, zou geheel zijn nieuwe leven, en, wie weet? misschien de nieuwe ziel, in hem doen verdwijnen. De gedachte alleen, dat dit mogelijk kon zijn, deed hem beven. Gewis, zoo iemand hem in die oogenblikken had gezegd, dat eenmaal het uur komen zou, waarin die naam in zijn ooren zou klinken, dat het hatelijk woord, Jan Valjean, eensklaps uit de duisternis voor zijn oogen zou oprijzen, en het krachtige licht eensklaps het geheim zou verdrijven, waarin hij zich wikkelde,... maar dat deze naam hem niet zou bedreigen; dat dit licht slechts een grootere duisternis zou scheppen; dat deze gescheurde sluier het geheim slechts te meer zou verbergen; dat deze aardbeving zijn gebouw zou bevestigen: dat deze gewichtige gebeurtenis, zoo hij wilde, geen ander gevolg zou hebben, dan zijn leven helderder en ondoordringbaarder tevens te maken; en dat uit de vergelijking van zijn persoon met dit spooksel van Jean Valjean, de goede, waardige mijnheer Madeleine meer geëerd, meer veilig en meer geacht dan ooit zou te voorschijn komen--zoo iemand hem dit gezegd had, zou hij het hoofd geschud en deze woorden voor onzinnig hebben gehouden. Welnu, dat alles zou nu juist gebeuren, deze opeenstapeling van onmogelijkheden was een feit, en God had gewild, dat deze ongeloofelijke zaken, waarheid werden! Zijn gedachten werden steeds helderder, zijn toestand werd hem hoe langer hoe duidelijker.

Het scheen hem, als was hij uit een zonderlingen slaap opgewekt, en als gleed hij in 't midden van den nacht van een steile helling, als stond hij huiverend op den uitersten rand van een afgrond en vruchteloos poogde achteruit te gaan. Duidelijk ontdekte hij in de duisternis een onbekende, een vreemdeling, dien het noodlot voor hem aanzag en in zijn plaats in den afgrond stiet. Om dien afgrond te dempen moest er iemand in storten, 't zij dan hij of die andere.

Hij behoefde niets te doen dan de zaken haar loop te laten.

Het werd volkomen helder en hij overwoog bij zich zelven:--Dat zijn plaats op de galeien ledig was, dat, wat hij ook doen mocht, zij steeds op hem bleef wachten; dat de diefstal op den kleinen Gervais gepleegd er hem terugbracht; dat deze plaats hem zou wachten en trekken tot hij er was, dat het noodlot dit onvermijdelijk wilde.--Vervolgens overlegde hij bij zich zelven:--Dat hij er op dit oogenblik een plaatsvervanger had; dat het scheen, dat een zekere Champmathieu zulk een ongeluk had getroffen; dat hij, voortaan in het bagno in den persoon van dien Champmathieu aanwezig, en in de maatschappij onder den naam van Madeleine rond wandelende, niets meer te vreezen had, mits hij de menschen er niet terughield, op het hoofd van dien Champmathieu den steen der schande te blijven plaatsen, die, evenals de steen van het graf, slechts éénmaal nedervalt, en nooit weder opgeheven wordt.

Dat alles was zóó geweldig en zóó wonderbaar, dat hij plotseling door die onbeschrijfelijke aandoening bevangen werd, welke een mensch slechts twee of drie keer in zijn leven ondervindt, een soort van stuiptrekking van het geweten, die al wat het hart twijfelachtigs voedt, met geweld omkeert, die uit spotzucht, vreugde en wanhoop bestaat, en die men een inwendigen schaterlach zou kunnen noemen.

Hij stak haastig zijn kaars weder aan.

"Maar hoe, vroeg hij bij zich zelven, waarvoor vrees ik? Waartoe al deze overdenkingen? ik ben gered, alles is voorbij. Er was nog slechts één half geopende deur, door welke mijn verleden in mijn leven kon dringen; deze deur is nu voor altijd dicht gemetseld. Deze Javert, die mij sinds zoo lang kwelt, zijn vreeselijk instinct, dat mij op 't spoor scheen, dat mij inderdaad opgespoord had, en mij overal volgde, deze afschuwelijke jachthond, die mij altijd op de hielen zit, is nu misleid, van 't spoor gebracht, geheel tot iets anders getrokken. Hij is nu voldaan, en zal mij voortaan gerust laten, hij heeft zijn Jean Valjean! Wie weet, waarschijnlijk wil hij wel de stad verlaten. En dat alles is buiten mij om gebeurd. Ik heb er volstrekt geen deel aan gehad. Welnu! Wat is er dan voor ongelukkigs in? Zoo mij de menschen zagen, zouden zij inderdaad gelooven, dat mij een ramp heeft getroffen! Hoe het zij, indien er iets kwaads voor iemand uit voortvloeit, ik heb er volstrekt geen schuld aan. De Voorzienigheid heeft alles gedaan! Zij wil het blijkbaar zoo! Heb ik het recht, datgene te verstoren wat Zij beschikt? Wat wil ik nu eigenlijk? Waarmede zou ik mij bemoeien? 't Raakt mij niet. Hoe! ben ik niet tevreden! Maar wat wil ik dan? Het doel, waarnaar ik zoovele jaren streef, de droom mijner nachten, het voorwerp mijner gebeden tot den hemel, mijn veiligheid, ik heb ze verkregen. God wil het zoo. Ik mag mij niet tegen Gods wil verzetten. En waarom wil God het? Opdat ik voortga met 't geen ik begonnen heb: opdat ik goed doe, opdat ik eenmaal een groot, aanmoedigend voorbeeld zij, opdat gezegd kunne worden, dat zich ten laatste een weinig geluk hecht aan de boete, welke ik mij heb opgelegd, en aan de deugd waartoe ik ben wedergekeerd! Waarlijk, ik begrijp niet waarom ik straks zoo bevreesd was, bij den goeden pastoor binnen te gaan om hem, als biechtvader, alles te verhalen en hem raad te vragen; hij zou mij ongetwijfeld hetzelfde gezegd hebben. Het is dus beslist, wij willen de zaken haar loop laten, en ons niet in de wegen der Voorzienigheid verzetten."

Zoo sprak hij in de diepste overtuiging van zijn gemoed, gebogen over 't geen men zijn eigen afgrond zou kunnen noemen. Hij stond op van zijn stoel en wandelde door de kamer.--Kom, zeide hij, denken wij er niet meer aan. Mijn besluit is genomen!--Maar hij voelde geen vreugde.

Integendeel.

Men kan evenmin den geest beletten, tot een denkbeeld terug te keeren, als de zee om terug te keeren tot het strand. Van de zee noemt men dit vloed; van den schuldige wroeging. God beweegt de ziel evenals den oceaan.

Na weinige oogenblikken--wat hij er ook tegen doen mocht--ving hij dit sombere zelfgesprek weder aan, waarin hij sprak en hoorde beide, zeggende wat hij had willen verzwijgen, hoorende wat hij niet had willen hooren, zwichtende voor die geheimzinnige macht, welke tot hem zeide: "denk!" gelijk zij, twee duizend jaren geleden, tot een anderen veroordeelde zeide: "wandel!"

Alvorens verder te gaan, en ten einde volkomen begrepen te worden, moeten wij een noodzakelijke opmerking maken.

't Is zeker, dat men met zich zelven kan spreken; geen menschelijk wezen, dat hiervan de ervaring niet heeft. Men kan zelfs zeggen, dat het woord nooit een grootscher verborgenheid is, dan wanneer het in den mensch van het verstand tot het geweten, en van het geweten weder tot het verstand gaat. 't Is alleen in dezen zin, dat de in dit hoofdstuk meermalen gebezigde woorden, hij zeide, hij riep, moeten verstaan worden; men zegt iets tot zich zelven, men spreekt met zich zelven, men roept in zich zelven, zonder dat de uitwendige stilte verstoord wordt. Er heerscht soms in ons een groot rumoer, alles spreekt in ons behalve de mond. De wezenlijkheden der ziel, hoewel niet zicht- en tastbaar, zijn daarom niet minder werkelijkheden.

Madeleine vroeg zich dus af, hoe ver hij nu gekomen was. Hij onderhield zich over zijn "genomen besluit." Hij bekende zich zelven, dat, al wat hij in zijn geest had bepaald, onhoudbaar was, dat "de dingen hun loop laten,--den goeden God laten handelen" op de keper beschouwd, afschuwelijke huichelarij was. De vergissing van het lot en van de menschen toe te laten, ze niet te beletten, er door zwijgen toe mede te werken, kortom: niets te doen, was evenveel als alles te doen!'t Was de laagste trap der schandelijkste geveinsdheid. 't Was een lage, lafhartige, gemeene, afzichtelijke, verfoeielijke misdaad!

Voor het eerst sedert acht jaren voelde de ongelukkige man de bitterheid eener slechte gedachte en eener slechte daad.

Hij wierp ze met afkeer en ontzetting van zich af.