De Ellendigen (Deel 1 van 5)

Part 21

Chapter 213,927 wordsPublic domain

"De zaak is deze, mijnheer de maire. 't Schijnt, dat in de omstreken van Ailly-le-Haut-Clocher iemand woonde, dien men vader Champmathieu heette. Hij was zeer arm. Men lette niet op hem. Men weet niet waarvan dit soort van lieden leeft. Verleden herfst werd vader Champmathieu wegens diefstal van appelen bij... de naam is mij ontschoten, in hechtenis genomen. Er was gestolen, over een muur geklommen, er waren takken afgebroken. Toen heeft men Champmathieu aangehouden. Hij had den tak van een appelboom nog in de hand. De vent werd vastgezet. Tot zoover is 't niet veel meer dan een correctioneele zaak. Maar zie hier de wegen der Voorzienigheid! De gevangenis was in slechten toestand en mijnheer de rechter van instructie vindt het goed, Champmathieu naar Arras, in de departementale gevangenis, te doen overbrengen. In deze gevangenis nu is een oude galeiboef, Brevet genoemd, die, ik weet niet voor welke misdaad, moet zitten en wien men, wijl hij zich goed gedroeg, tot eenige huiselijke diensten gebruikte. Champmathieu, mijnheer de maire, was nauwelijks aangekomen, of Brevet riep: Ha, ik ken dezen man. 't Is een oude galeiboef. Zie mij eens aan, mijn goede man! Ge zijt Jean Valjean!--Jean Valjean! Wie is Jean Valjean? zegt Champmathieu die zich heel verwonderd houdt.--Kom, houd u maar zoo dom niet, zegt Brevet. Gij zijt Jean Valjean. Gij zijt in 't bagno van Toulon geweest; twintig jaar geleden. Wij waren er samen.--Champmathieu ontkent! Drommels! Gij begrijpt. Men deed onderzoek, en vorschte de zaak na. Toen kwam het volgende aan 't licht: deze Champmathieu was vóór omstreeks dertig jaren boomsnoeier in verschillende streken, onder anderen te Faverolles geweest. Daar verliest men zijn spoor. Veel later vindt men hem in Auvergne, vervolgens te Parijs terug, waar hij wagenmaker was, naar hij zegt, en met eene waschvrouw leefde, doch dit is niet bewezen; eindelijk vindt men hem hier. Wat was nu Jean Valjean, vóór hij wegens diefstal met verzwarende omstandigheden in 't bagno kwam? Boomsnoeier. Waar? Te Faverolles. Een ander bewijs. Deze Valjean heette van doopnaam Jean, terwijl de geslachtnaam zijner moeder Mathieu was. Wat is nu natuurlijker dan te gelooven, dat toen hij het bagno verliet, hij den naam zijner moeder aannam, om zich onbekend te houden, en zich Jean Mathieu heeft genoemd. Hij gaat naar Auvergne. Daar spreekt men Jean als chan uit en noemde men hem Chan Mathieu. Onze man laat het zich welgevallen en allengs werd hij in Champmathieu herschapen. Gij begrijpt, niet waar? De familie van Jean Valjean is er niet meer. Men weet niet waar zij gebleven is. Ge weet, in die klasse van menschen ziet men vaak een familie spoorloos verdwijnen. Men zoekt, maar vindt niets. Als zulk volk geen slijk is, is 't stof. En dewijl de aanvang dezer geschiedenis nu al dertig jaar geleden is, is er te Faverolles niemand meer, die Jean Valjean gekend heeft. Men doet onderzoek te Toulon. Met Brevet zijn er nog slechts twee tuchtelingen, die Jean Valjean gezien hebben. 't Zijn de levenslang veroordeelden Cochepaille en Chenildieu. Men laat hen uit het bagno komen en brengt hen in tegenwoordigheid van den gewaanden Champmathieu. Zij weifelen geen oogenblik. Zij verklaren, evenals Brevet, dat het Jean Valjean is. Dezelfde ouderdom, vier-en-vijftig jaar, dezelfde lengte, hetzelfde voorkomen, kortom dezelfde persoon, hij is 't. 't Was op dezen tijd dat ik mijn aanklacht aan de prefectuur te Parijs zond. Men antwoordt mij, dat ik mijn verstand heb verloren, en dat Jean Valjean zich te Arras in handen der justitie bevindt. Ge kunt u voorstellen, hoe mij dit verwonderde, daar ik meende denzelfden Jean Valjean hier te hebben! Ik schrijf aan den rechter van instructie. Hij doet mij komen en brengt mij in Champmathieu's tegenwoordigheid...

"En?" viel Madeleine hem in de rede.

Javert antwoordde met zijn onveranderlijk en treurig gelaat:

"Wat waar is, is waar, mijnheer de maire. Ik heb mij vergist; de man ginds is Jean Valjean. Ik heb hem ook herkend."

Madeleine hernam met zeer zachte stem:

"Zijt ge er zeker van?"

Javert glimlachte, op die smartelijke wijze, welk een diepe overtuiging te kennen geeft:

"O zeer zeker!"

Hij bleef een oogenblik nadenken, en nam werktuiglijk bij herhaling een weinig zand uit het zandbakje, dat op de schrijftafel stond en zeide toen:

"Thans, nu ik den waren Jean Valjean heb gezien, begrijp ik niet, hoe ik iets anders heb kunnen gelooven. Ik bid u om vergeving, mijnheer de maire."

Terwijl hij deze ernstige, smeekende woorden tot dengene richtte, die hem zes weken vroeger in 't politiebureau openlijk vernederd en tot hem gezegd had: "Vertrek, Javert!" was deze trotsche man, zonder 't zelf te weten, vol eenvoud en waardigheid. De heer Madeleine antwoordde op zijn verzoek niet, maar vroeg driftig:

"En wat zegt deze man?"

"Drommels, mijnheer de maire, 't is een splinterige zaak. Zoo 't Jean Valjean is, is 't een herhaling van misdaad. Over een muur te klimmen, een tak af te breken, appelen te stelen,--is een jongensstreek, als 't een kind doet, een wanbedrijf voor een man; maar een zware misdaad voor een vroegeren galeislaaf. Overklimming en diefstal, al het strafbare bij elkander. 't Behoort niet bij de correctioneele politie, 't behoort bij 't hof van assises te huis. 't Zijn geen enkele dagen gevangenis, maar levenslange galeistraf. En daarbij de zaak van den kleinen Savoyaard, die, naar ik hoop, terug zal komen. Drommels, er is wel reden om zoo lang mogelijk tegen te spartelen, niet waar? Ja, zoo 't Valjean niet was! Maar Jean Valjean is een geveinsde. Ook daaraan herken ik hem. Een ander zou denken, dat het erg kon afloopen; hij zou razen, tieren en koken, als een waterketel op het vuur, hij zou niet Jean Valjean willen wezen enz. Maar hij, hij houdt zich alsof hij niets van de zaak begrijpt, en zegt: Ik ben Champmathieu, daar blijf ik bij!--Nog meer; hij houdt zich dom en verwonderd. O, 't is een slimme gast! maar 't zal hem niet baten; de bewijzen zijn er. Hij is door vier personen herkend; de oude schelm zal veroordeeld worden. De zaak is voor de assises te Arras. Ik moet er heen om te getuigen. Ik ben reeds gedagvaard."

Mijnheer Madeleine had zich weder voor zijn schrijftafel geplaatst, zijn papieren ter hand genomen, waarin hij bedaard bladerde, en las en schreef als iemand, die dringende bezigheden heeft. Hij wendde zich tot Javert, zeggende:

"Genoeg, Javert. Om de waarheid te zeggen, kunnen al die bijzonderheden mij weinig schelen. Wij verspillen er den tijd mede en hebben dringende zaken te verrichten. Javert, ga dadelijk naar vrouw Buseaupied die ginds aan den hoek der straat Saint-Saulve groente verkoopt. Zeg haar dat zij haar aanklacht tegen den voerman Pierre Chesnelong inlevert. Deze man is een ruw mensch, en heeft de vrouw met haar kind bijna overreden. Hij moet gestraft worden. Ga vervolgens naar mijnheer Charcellay, in de straat Montre-de-Champigny. Hij klaagt, dat uit een dakgoot van het belendende huis het regenwater tegen het zijne loopt, en de fundamenten van zijn huis bederft. Voorts moet ge onderzoek doen naar de politie-overtredingen in de straat Guibourg bij de weduwe Doris en in de straat Garraud-Blanc bij madame Renée le Bossé, waarvan men mij kennis geeft, en gij zult er proces-verbaal van maken. Maar ik geef u daar veel werk. Hebt ge mij niet gezegd dat ge uit de stad moest; dat ge binnen acht of tien dagen voor de bewuste zaak naar Arras gingt?..."

"Eerder, mijnheer de maire."

"Wanneer dan?"

"Ik meen aan mijnheer den maire gezegd te hebben, dat morgen de zaak voorkwam, en ik van nacht met de diligence vertrekken zou."

Madeleine maakte een onmerkbare beweging.

"En hoe lang zal de zaak duren?"

"Hoogstens een dag. Niet later dan morgennacht zal het vonnis worden uitgesproken. Maar ik zal niet op 't vonnis wachten, dat niet twijfelachtig is; zoodra ik mijn verklaring heb afgelegd, keer ik terug."

"Dat is goed," zei de heer Madeleine. Hij gaf Javert met een handgebaar afscheid.

Javert ging niet.

"Vergeef mij, mijnheer de maire," sprak hij....

"Wat is er nog?" vroeg Madeleine.

"Ik moet u nog iets herinneren, mijnheer de maire."

"Wat?"

"Dat ik mijne afzetting wensch."

De heer Madeleine stond op.

"Javert, ge zijt een man van eer en ik acht u. Ge overdrijft uw fout. 't Is overigens weder een beleediging, die mij alleen aangaat. Javert, gij zijt waardig op te klimmen, en niet af te dalen. Ik vertrouw, dat ge uw post wel zult willen behouden."

Javert staarde den heer Madeleine met zijn ongehuichelde oogen aan, waarin men zijn niet zeer verlicht, maar streng en zuiver geweten meende te kunnen zien, en met een kalme stem zeide hij:

"Mijnheer de maire, hierin kan ik niet bewilligen."

"Ik herhaal," hernam de heer Madeleine, "dat de zaak alleen mij betreft."

Maar Javert, die zich slechts bij eene gedachte hield, voer voort:--"Overdrijven! ik overdrijf niet. Ziehier hoe ik redeneer. Ik heb u onrechtvaardig verdacht. Dat is niets. Wij, politiemannen, hebben recht ieder te verdenken, hoezeer 't verkeerd is, de verdenking tot hooger geplaatste personen uit te strekken. Nu heb ik u, zonder bewijs, in een aanval van toorn, met het oogmerk mij te wreken, als galeislaaf aangeklaagd, u, een achtenswaardig man, een maire, een overheids-persoon! dit is een zeer zwaar vergrijp! Ik heb het gezag in uw persoon gehoond; ik, de agent van het gezag! Zoo een mijner ondergeschikten gedaan had, wat ik had gedaan, zou ik hem onwaardig voor den dienst verklaard en weggejaagd hebben. Welnu?--Luister, mijnheer de maire, nog één woord. In mijn leven ben ik dikwijls streng geweest voor anderen. Dat was recht en zooals 't behoorde. Zoo ik thans niet streng jegens mijzelven was, zou al het rechtvaardige, dat ik gedaan heb, onrechtvaardig worden. Moet ik mij meer dan anderen verschoonen? Neen. Hoe! zou ik alleen hebben gediend om anderen te straffen en niet mijzelven? ik zou een ellendeling zijn, en zij, die zeggen "Javert is een schurk," zouden gelijk hebben. Ik begeer niet, mijnheer de maire, dat ge mij met goedheid behandelt, uw goedheid heeft reeds genoeg kwaad bloed bij mij gezet, toen zij anderen gold; ik wil ze voor mij niet. De goedheid, die dient om een publieke vrouw tegen den burger, een politieagent tegen den maire, den mindere tegen den hoogere in 't gelijk te stellen, deze noem ik een verkeerde goedheid. 't Is met zulk een goedheid, dat de maatschappij in wanorde komt. Mijn Hemel! 't Is zeer gemakkelijk, goed te zijn, maar 't is moeielijk rechtvaardig te wezen. O, waart ge degene geweest, dien ik vermoedde; voorwaar, ik zou niet goed voor u geweest zijn! gij zoudt het ondervonden hebben. Mijnheer de maire, ik moet jegens mijzelven handelen, evenals ik jegens anderen zou handelen. Wanneer ik boosdoeners en deugnieten bedwong en strafte, zeide ik vaak bij mijzelven: "zoo gij zelf struikelt, zoo ik u ooit op een misstap betrap, houdt u dan stil."--Welnu, ik ben gestruikeld; ik heb mij op een fout betrapt. Ik moet nu zonder genade afgezet, weggejaagd worden: niets is billijker. Ik heb armen, ik kan werken, 't is mij onverschillig. Mijnheer de maire, het belang van den dienst eischt een voorbeeld. Ik verzoek eenvoudig de afzetting van den inspecteur Javert.

Dit alles werd op een nederigen, fieren, hopeloozen en overtuigden toon gezegd, die dezen zonderlingen, eerlijken man eene ongewone en vreemde soort van verhevenheid verleende.

"Wij zullen zien," zei Madeleine.

En hij reikte hem de hand.

Javert trad achteruit en zeide op schuwen toon:

"Vergeving, mijnheer de maire, dat mag niet zijn. Een maire geeft de hand niet aan een verklikker."

En binnensmonds mompelde hij:--Verklikker, ja; van het oogenblik af, dat men van de politie misbruik maakt, is men niet meer dan een verklikker.

Toen boog hij zich diep en ging naar de deur.

Daar wendde hij zich om, en met steeds neergeslagen oogen, zeide hij:

"Mijnheer de maire, ik zal den dienst waarnemen tot een ander in mijn plaats is."

Toen verwijderde hij zich. De heer Madeleine bleef peinzend zitten en luisterde naar den vasten, zekeren tred, die zich door de gang verwijderde.

BOEK VII.

HET PROCES CHAMPMATHIEU.

EERSTE HOOFDSTUK.

ZUSTER SIMPLICIA.

De gebeurtenissen, welke men nu lezen zal, zijn niet alle te M. sur M. bekend geworden. Maar het weinige wat men er van vernam, heeft in deze stad zulk een diepe herinnering achtergelaten, dat het in dit boek een gewichtige leemte zou zijn, zoo wij het niet in bijzonderheden mededeelden.

De lezer zal hierbij een paar onwaarschijnlijke omstandigheden ontmoeten, welke wij echter, uit eerbied voor de waarheid, niet mogen veranderen.

Des namiddags na het bezoek van Javert ging de heer Madeleine als gewoonlijk Fantine bezoeken.

Eer hij bij haar binnentrad, liet hij zuster Simplicia roepen.

De beide geestelijke dochters, die in de ziekenzaal dienst deden, behoorden tot de orde der Lazaristen, gelijk alle liefdezusters, en heetten zuster Perpetua en zuster Simplicia.

Zuster Perpetua was niets anders dan de eerste de beste plompe boerin, en was liefdezuster geworden, zooals anderen in een dienst gaan. Zij was geestelijke dochter, evenals men keukenmeid is. Dit type is niet zeldzaam. De kloosterorden nemen zulke plompe boerenkarakters gaarne aan, wijl ze zich gemakkelijk tot Capucijnen of Ursulinen laten fatsoeneeren. Dit gehalte wordt voor het grove werk der devotie gebruikt. De overgang van een ossendrijver tot Karmeliet heeft niets schreeuwends; uit den eerste wordt zonder veel moeite de tweede; de gemeenschappelijke grond der dorps- en klooster-onwetendheid is een geschikte voorbereiding, en zet dadelijk den buitenman op dezelfde trap als den monnik. De kiel een weinig uitgelegd, en hij wordt een pij. Zuster Perpetua was een zeer sterke religieuse uit Marines bij Pontoise, die haar patois rammelde, haar gebeden prevelde, drukte maakte, suiker in de dranken deed naar gelang van de bigotheid of geveinsdheid van den lijder, barsch met de zieken, ruw met de stervenden, wien zij God bijna in 't gezicht wierp, terwijl ze den zieltogende schier met toornige gebeden verpletterde; overigens moedig, eerlijk en roodharig.

Zuster Simplicia was wit als was. Bij zuster Perpetua was zij als de waskaars naast de vetkaars. Vincentius van Paula heeft het portret der liefdezuster heerlijk geschetst in deze bewonderenswaardige woorden, waarin hij zooveel vrijheid met zooveel dienstbaarheid paart. "Zij zullen geen ander klooster hebben dan het huis der kranken, geen andere cel dan een gehuurde kamer, geen andere kapel dan haar parochiale kerk, geen anderen tuin dan de straten der stad of de zalen der hospitalen, geen andere gelofte dan de gehoorzaamheid, geen andere traliën dan de vreeze Gods, geen anderen sluier dan de nederigheid." Dat ideaal was levend in zuster Simplicia. Niemand had zuster Simplicia's ouderdom kunnen aangeven; nooit was zij jong geweest en scheen nooit oud te zullen worden. 't Was iemand--wij durven geen vrouw zeggen--die zachtmoedig, nauwgezet, goed opgevoed, bedaard was, en nooit gelogen had. Zij was zoo zacht, dat zij broos scheen; evenwel was zij sterker dan graniet. Zij behandelde de ongelukkigen met fraaie, teedere, zuivere vingers. Er lag, om zoo te spreken, iets zwijgends in haar woorden; zij sprak juist wat noodig was, en had een stem, die even stichtelijk in een biechtstoel als bekoorlijk in een salon zou geweest zijn.

Deze teederheid voegde zich in het wollen kleed en vond in de aanraking er van een gestadige vingerwijzing naar God en den hemel. Op eene bijzonderheid vestigen wij vooral de aandacht. Het onderscheidend kenmerk van zuster Simplicia, de uitdrukking harer deugd was, dat zij nooit gelogen had, dat zij nooit, om welke reden ook, zelfs in de onverschilligste zaak, iets had gezegd, dat niet waar, dat niet de zuiverste waarheid was. Zij was bij haar orde wegens deze onwrikbare waarheidsliefde schier vermaard geworden. De abt Sicard spreekt in een brief aan den doofstommen Massieu, van zuster Simplicia. Hoe oprecht en rein wij wezen mogen, allen hebben wij toch min of meer de kleine vlek van den onschuldigen logen op onze eerlijkheid. Zij niet. Kleine logens, onschuldige logens, zijn er deze? Liegen is een volstrekt kwaad. Min of meer te liegen is onmogelijk; hij die liegt, liegt de geheele leugen. Leugen is het aangezicht des duivels; de duivel heeft twee namen: hij heet satan en logen. Zoo dacht Simplicia. En naar zij dacht, handelde zij ook. Hiervan was die blankheid, waarvan wij gesproken hebben, het gevolg; een blankheid, die zelfs van haar lippen en uit haar oogen straalde. Haar glimlach was blank, haar blik was blank. Op het glas van haar geweten was geen enkel spindraadje, geen enkel stofje te vinden. Toen zij in de orde van Sint Vincentius van Paula trad, had zij bij voorkeur den naam van Simplicia aangenomen. 't Is bekend, dat Simplicia van Sicilië de heilige was, die zich liever beide borsten liet afsnijden dan te zeggen dat zij, die te Syracusa het levenslicht zag, te Segesta was geboren, welke leugen haar had kunnen redden. Deze beschermheilige paste voor deze ziel.

Bij haar komst in de orde had zuster Simplicia twee gebreken, waarvan zij zich allengs gebeterd had; zij hield van lekkernijen en ontving gaarne brieven. Zij las nooit een ander boek, dan haar met groote letters gedrukt Latijnsch getijdeboek. Zij verstond geen Latijn, maar zij verstond het boek.

De vrome dochter had voor Fantine bijzondere genegenheid opgevat, waarschijnlijk wijl zij in haar een verborgen deugd vermoedde, en zij wijdde haar zorgen schier uitsluitend aan haar.

De heer Madeleine nam zuster Simplicia ter zijde en beval haar Fantine op een zonderlingen toon aan, dien zij zich later herinnerde.

Toen hij de zuster verliet, ging hij naar Fantine.

Fantine verwachtte dagelijks de komst van mijnheer Madeleine, evenals men een straal van zon en blijdschap verwacht. Zij zeide tot de liefdezusters:--Ik leef slechts, wanneer mijnheer de maire hier is.

Dien dag had zij veel koorts. Zoodra zij mijnheer Madeleine zag, vroeg zij hem:

"En Cosette?"

"Spoedig," antwoordde hij glimlachend.

Mijnheer Madeleine was jegens Fantine als gewoonlijk, behalve dat hij thans een uur in plaats van een half uur bleef, tot Fantine's groot genoegen. Aan iedereen beval hij dringend om de zieke niets te laten ontbreken. Men merkte op, dat zijn gezicht voor een oogenblik zeer treurig werd. Doch dit verklaarde zich, toen men vernam dat de dokter hem had ingefluisterd:--Zij neemt merkelijk af.

Vervolgens keerde hij naar de maire terug, en de kantoorknecht zag hem aandachtig een reiskaart van Frankrijk beschouwen, die aan den wand hing. Hij schreef eenige cijfers met potlood op een papier.

TWEEDE HOOFDSTUK.

SCHERPZINNIGHEID VAN SCAUFFLAIRE.

Uit de mairie ging hij naar het einde der stad, bij een Vlaming, Scaufflair, of verfranscht, Scaufflaire genoemd, die paarden en rijtuigen verhuurde.

De naaste weg om naar Scaufflaire te gaan, was door een weinig bezochte straat, waar de geestelijke der kerk woonde, waartoe mijnheer Madeleine behoorde. Zoo men zeide, was de pastoor een goed, achtenswaardig mensch, die gaarne goeden raad gaf. Juist toen mijnheer Madeleine de pastorie voorbijging, was er in de straat slechts één voorbijganger, en deze merkte op, dat mijnheer de maire, de pastorie voorbij zijnde, een oogenblik stilstond, toen terugkeerde tot aan de deur der pastorie, haastig de hand aan den ijzeren klopper legde en hem ophief; zoo eenige oogenblikken in gedachten bleef staan, waarna hij in plaats van den klopper hard te laten vallen, hem zacht en zonder gerucht nederliet, en nu met een soort van haast, die hij vroeger niet had, zijn weg vervolgde.

Mijnheer Madeleine vond Scaufflaire te huis, bezig met het herstellen van paardetuig.

"Scaufflaire, hebt ge een goed paard voor mij?" vroeg hij.

"Mijnheer de maire," zei de Vlaming, "al mijn paarden zijn goed. Wat bedoelt u met een goed paard?"

"Een paard, dat twintig uren in een dag aflegt."

"Drommels!" hernam de Vlaming, "twintig uren."

"Ja."

"Voor een cabriolet?"

"Ja."

"En hoelang zal het na dien rit rusten?"

"Het moet desnoods den volgenden dag terugkeeren."

"Om denzelfden afstand af te leggen?"

"Ja."

"Drommels! drommels! nog eens twintig uren!"

De heer Madeleine nam uit zijn zak het papier, waarop hij cijfers had geschreven. Hij liet ze den Vlaming zien. Het waren de getallen: 5, 6, 8-1/2.

"Ge ziet," zeide hij; "te zamen negentien en een half; alzoo bijna twintig uren."

"Ik heb wat ge zoekt, mijnheer de maire," antwoordde de Vlaming. "Mijn klein wit paard--gij hebt het zeker wel eens zien voorbijkomen--een klein vurig dier uit het Boulonneesche. Men wilde er eerst een rijpaard van maken, maar jawel, het sprong en steigerde en wierp iedereen af. Men meende, dat het kwaadaardig was en wist niet wat er mee te doen. Ik kocht het, spande het voor de cabriolet, en dat was, wat het wilde; het werd zacht als een lam en loopt als de wind. Maar men moet het niet op den rug komen. 't Wil met geweld geen rijpaard wezen. Ieder zijn smaak! Trekken, goed; dragen, neen; 't is of het dit bij zich zelven gezworen heeft."

"En zal het dien weg kunnen afleggen?"

"Twintig uren in vollen draf en in minder dan acht uren. Maar hoor, op welke voorwaarden."

"Zeg ze."

"Vooreerst moet ge het paard te halverwege een half uur laten uitrusten; het moet dan gevoerd worden, en bij het voeren moet men zelf tegenwoordig zijn, om den stalknecht te verhinderen de haver te stelen; want ik weet bij ondervinding, dat de haver in de herbergen meer door de knechts gedronken dan door de paarden gegeten wordt."

"Men zal er bij zijn."

"Ten tweede ... is de cabriolet voor mijnheer den maire?"

"Ja."

"Kan mijnheer de maire rijden?"

"Ja."

"Nu, mijnheer de maire moet alleen en zonder bagage reizen, opdat het paard geen te zware vracht hebbe."

"Aangenomen."

"Maar daar mijnheer de maire niemand bij zich heeft, zal hij verplicht zijn, zelf het oog op het voeren te houden."

"'t Zal geschieden."

"Ik vraag dertig francs per dag, de rustdagen medegerekend. Geen cent minder en het onderhoud van het paard ten koste van mijnheer den maire."

Mijnheer Madeleine nam drie gouden Napoleons uit zijn beurs en legde ze op de tafel.

"Ziehier twee dagen vooruit."

"Ten vierde: Voor zulk een rit zou een cabriolet te zwaar zijn en het paard te veel vermoeien. Mijnheer de maire zal zich moeten vergenoegen met een kleine tilbury, die ik heb."

"Ik neem er genoegen mede."

"Ze is licht, maar open."

"'t Is mij onverschillig."

"Denkt mijnheer de maire er wel aan, dat het winter is?..."

De heer Madeleine antwoordde niet en de Vlaming hernam:

"Dat het zeer koud is?"

De heer Madeleine bleef zwijgen.

Scaufflaire voer voort:

"Dat het kan regenen?"

De heer Madeleine richtte het hoofd op en zeide:

"Morgenvroeg om half vijf moet het paard met de tilbury voor mijn deur zijn."

"Goed, mijnheer de maire," antwoordde Scaufflaire, en met den nagel van zijn duim een vlek van de tafel krabbende, zeide hij op dien onverschilligen toon, waarmede de Vlamingers zoo goed hun sluwheid bewimpelen:

"Maar, daar valt mij in, mijnheer de maire heeft nog niet gezegd, waarheen de reis gaat. Waar moet mijnheer de maire heen?"

Sinds het onderhoud begonnen was, had hij aan niets anders gedacht, maar hij wist zelf niet, waarom hij 't niet durfde vragen.

"Is uw paard vast op de voorpooten?" vroeg de heer Madeleine.

"Ja, mijnheer de maire. Als de weg afloopt moet ge 't alleen een weinig inhouden. Zijn er veel hoogten en laagten in den weg, dien ge gaat?"

"Vergeet niet morgenochtend juist om half vijf uur aan mijn deur te zijn," antwoordde mijnheer Madeleine, heengaande. De Vlaming was nog even "dom" als vroeger, zooals hij zich later uitdrukte.

Mijnheer de maire was een paar minuten weg geweest, toen de deur weder geopend werd; 't was mijnheer de maire, die terugkwam.

Hij had nog 't zelfde peinzend en onverstoorbaar voorkomen van daareven.