De Ellendigen (Deel 1 van 5)

Part 20

Chapter 203,541 wordsPublic domain

Het gerucht der klink wekte hem. Hij hief het hoofd op met een uitdrukking van onbeperkt gezag; een uitdrukking welke te geduchter is, naarmate het gezag lager zonk, wreed bij het wilde dier, gruwzaam bij den gemeenen mensch.

"Sergeant!" riep hij, "ziet ge niet dat de deern weggaat? wie heeft u gezegd haar te laten gaan?"

"Ik," zei Madeleine.

Toen Fantine Javert's stem hoorde had zij gebeefd en de klink losgelaten, evenals een gevatte dief het gestolen voorwerp los laat. Toen zij Madeleine's stem hoorde, draaide zij zich om en van nu af sloeg zij haar blik, zonder dat zij een woord sprak, zonder zelfs vrij uit te durven ademen, beurtelings van Madeleine op Javert en van Javert op Madeleine, al naar deze of gene sprak.

't Was duidelijk, dat Javert, zooals men zegt, geheel uit de lijken moest geslagen zijn, om zich te veroorloven tot den sergeant te spreken gelijk hij gedaan had, na het bevel van den maire om Fantine in vrijheid te stellen. Was hij zoo ver buiten zich zelven dat hij de tegenwoordigheid van mijnheer den maire kon vergeten? Had hij eindelijk zich zelven overreed, dat zulk een bevel onmogelijk door een overheidspersoon kon gegeven zijn, en mijnheer de maire zich ontwijfelbaar versproken had? Of dacht hij, dat, tegenover de ongehoorde omstandigheden, waarvan hij sedert twee uren getuige was, hij tot een uiterst middel moest overgaan, en het noodzakelijk was, dat de kleine zich groot maakte, dat de politiebediende zich in een overheidspersoon herschiep, dat hij zich tot rechter opwierp, en dat bij dit ontzettend uiterste de orde, de wet, de zedelijkheid, het gouvernement, de geheele maatschappij zich in hem, Javert, verpersoonlijkte.

Hoe het zij, toen mijnheer Madeleine het woord ik had gezegd dat men gehoord heeft, zag men den politie-inspecteur bleek, koud, met blauwe lippen, met wanhopigen blik, het geheele lichaam door een inwendige siddering aangedaan, zich tot mijnheer den maire wenden en met nedergeslagen oog, maar vaste stem, de schier ongeloofelijke woorden tot hem zeggen:

"Mijnheer de maire, dat kan niet."

"Waarom niet?" vroeg mijnheer Madeleine.

"De ongelukkige heeft een burger beleedigd."

"Inspecteur Javert," hernam de heer Madeleine op bevredigenden, kalmen toon, "luister. Gij zijt een braaf man en ik maak dus geen bedenking mij jegens u te verklaren. Ziehier hoe de zaak is. Ik ging over het marktplein, toen gij de vrouw medevoerdet; er stonden nog groepen menschen bijeen, ik deed dus onderzoek en vernam alles: de burger had ongelijk en de politie had dezen dus eigenlijk behooren te arresteeren."

Javert hernam:

"Deze ellendige heeft mijnheer den maire beleedigd."

"Dit gaat mij alleen aan," zei Madeleine. "Deze beleediging was tegen mij, en ik geloof dat ik daaromtrent handelen kan naar ik verkies."

"Vergeef mij, mijnheer de maire. De beleediging gold niet alleen u, maar ook de justitie."

"Inspecteur Javert," hernam mijnheer Madeleine, "de hoogste justitie is het geweten. Ik heb deze vrouw gehoord. Ik weet wat ik doe."

"En ik, mijnheer de maire, weet niet wat ik zie."

"Vergenoeg u dus met te gehoorzamen."

"Ik gehoorzaam aan mijn plicht. Mijn plicht wil, dat deze vrouw zes maanden gevangen zitte."

De heer Madeleine antwoordde op zachten toon:

"Versta wel, wat ik zeg: Zij zal geen dag zitten."

Bij deze beslissende woorden waagde Javert het, den maire strak in de oogen te zien, en zeide, maar op een nog altijd diep eerbiedigen toon:

"'t Doet mij ten hoogste leed, mij tegen mijnheer den maire te moeten verzetten; 't is de eerste keer van mijn leven, maar hij veroorlove mij hem te doen opmerken, dat ik mij binnen de grenzen mijner bevoegdheid houd. Ik zal mij, wijl mijnheer de maire dit wil, bij het feit van den burger bepalen. Ik was er bij. Deze vrouw heeft mijnheer Bamatabois aangevallen, die kiezer is en eigenaar van het fraaie hardsteenen huis, van drie verdiepingen hoog met een balkon, aan den hoek der esplanade. Gewis, er gebeuren zonderlinge dingen in de wereld! Hoe het zij, mijnheer de maire, 't is een zaak van straat-politie, die mij aangaat, en ik behoud vrouw Fantine."

Nu sloeg mijnheer Madeleine de armen over elkander, en zeide op een strengen toon, zooals nog niemand in de stad van hem gehoord had:

"Het feit waarvan ge spreekt, is een zaak van de stedelijke politie. Krachtens de artt. 9, 11, 15 en 66 van het wetboek van crimineele rechtsvordering, ben ik de rechter daarover. Ik beveel, dat deze vrouw in vrijheid worde gesteld."

Javert wilde nog een laatste poging beproeven.

"Maar, mijnheer de maire..."

"Ik herinner u aan artikel 81 der wet van 13 December 1799, over de willekeurige inhechtenisneming."

"Vergun mij, mijnheer de maire..."

"Geen woord meer."

"Maar..."

"Ga," zei mijnheer Madeleine.

Javert ontving den stoot staande, van voren, midden in de borst als een Russisch soldaat. Hij boog diep voor mijnheer den maire en ging heen.

Fantine trad ter zijde van de deur en zag hem verstomd aan, toen hij haar voorbijging.

Maar ook zij was aan een zonderlinge ontroering ter prooi. Zij had, om zoo te spreken, zich door twee tegengestelde machten zien betwisten. Zij had voor haar oogen twee mannen zien strijden, die in hun handen haar vrijheid, haar leven, haar ziel, haar kind hadden; een dier mannen trok haar in de duisternis, de ander bracht haar in het licht terug. In dezen strijd, door het vergrootglas van den angst aanschouwd, waren deze twee mannen haar als twee reuzen voorgekomen; de een sprak als haar booze geest, de ander als haar goede engel. De engel had den boozen geest overwonnen, en, wat haar van het hoofd tot de voeten deed sidderen, deze goede engel, deze bevrijder was juist de man dien zij verfoeide, de maire, dien zij zoolang als den bewerker van al haar rampen had beschouwd! dien Madeleine! en op denzelfden oogenblik, dat zij hem op schandelijke wijze beleedigd had, redde hij haar. Had zij zich dus bedrogen? Moest zij haar geheele ziel omkeeren? Zij wist het niet; zij beefde. Zij luisterde ontzet, aanschouwde verbaasd; bij elk woord, dat mijnheer Madeleine sprak, voelde zij de vreeselijke duisternis van den haat in zich verbleeken en optrekken, en in haar hart iets verwarmends, iets onbeschrijfelijks ontstaan, dat blijdschap, vertrouwen en liefde was.

Toen Javert vertrokken was wendde mijnheer Madeleine zich tot haar, zeide langzaam, als iemand die bedaard wil zijn en moeite heeft zijn tranen te bedwingen:

"Ik heb alles gehoord. Ik wist niets van 't geen gij gezegd hebt. Ik geloof dat het waar is, en ik gevoel dat het zoo is. Ik wist zelfs niet eens, dat ge mijn fabriek verlaten hadt. Waarom hebt ge u niet tot mij gewend? Maar luister: Ik zal uw schulden betalen, ik zal uw kind hier doen komen, of gij kunt er heen gaan. Gij kunt hier wonen, of te Parijs, waar gij wilt. Ik belast mij met u en uw kind. Zoo gij wilt, behoeft ge niet meer te werken. Ik geef u zooveel geld als gij noodig hebt. Ge zult weder deugdzaam worden, zoodra ge weder gelukkig zijt. En zelfs, hoor, ik verklaar het u op dit oogenblik: indien alles is zooals gij zegt, waaraan ik niet twijfel, hebt gij nimmer opgehouden voor God deugdzaam en goed te zijn. Arme vrouw!"

Dit was meer dan de arme Fantine kon verdragen. Cosette bij zich te hebben, dit schandelijke leven te verlaten! vrij, rijk, gelukkig en eerlijk met Cosette te leven! te midden harer ellende eensklaps deze zegeningen des Hemels voor zich te zien verwezenlijkt! Als wezenloos staarde zij den man aan, die tot haar sprak, zij kon slechts snikkend driemaal ach! ach! ach! slaken. Haar knieën knikten, zij zonk aan de voeten van mijnheer Madeleine, en, vóór hij het beletten kon, greep zij zijn hand en drukte er haar lippen op.

Toen viel zij in onmacht.

BOEK VI.

JAVERT.

EERSTE HOOFDSTUK.

BEGIN DER RUST.

Madeleine deed Fantine naar de ziekenzaal voeren, welke hij in zijn eigen huis had, en gaf haar over aan de zorg der liefdezusters, die haar te bed legden. Een heete koorts greep haar aan. Een gedeelte van den nacht bracht zij ijlend en luid sprekend door. Eindelijk viel zij echter in slaap.

Tegen den middag van den volgenden dag ontwaakte Fantine. Dicht bij haar bed hoorde zij ademen; zij schoof de bedgordijn open en zag dat de heer Madeleine naast haar stond en iets boven haar hoofd aanschouwde. Zijn blik was vol medelijden en angst, en biddend. Zij volgde de richting zijner oogen en zag die op een aan den muur hangend kruisbeeld geslagen.

Van nu aan was mijnheer Madeleine in Fantine's oogen geheel veranderd. Hij kwam haar voor als in licht gehuld. Hij was blijkbaar in 't gebed verdiept. Lang aanschouwde zij hem, zonder hem te durven storen. Eindelijk vroeg zij aarzelend:

"Wat doet ge?"

Mijnheer Madeleine stond reeds een uur op deze plek. Hij wachtte Fantine's ontwaken. Nu nam hij haar hand, voelde haar den pols, en antwoordde:

"Hoe gaat het?"

"Goed," zeide zij, "ik heb geslapen, en geloof dat het betert, 't Zal spoedig over zijn."

Hij hernam, op haar eerste vraag, alsof hij niets anders verstaan had:

"Ik bad tot den lijder daarboven."

En zacht in zich zelven voegde hij er bij: "Voor de lijderes hierbeneden."

Madeleine had een gedeelte van den nacht en den morgen doorgebracht met onderzoek te doen.

Nu wist hij alles. Hij kende nu de geschiedenis van Fantine in al haar smartelijke bijzonderheden. Hij ging voort:

"Gij hebt veel geleden, arme moeder. Maar beklaag u niet, gij behoort thans tot de uitverkorenen. 't Is op deze wijze, dat menschen engelen worden. 't Is hun schuld niet, zij kunnen niet anders. Want zie, de hel, die gij nu verlaten hebt, is de eerste gedaante des hemels. Daarmede moest ge beginnen."

Hij zuchtte diep. Zij lachte hem echter toe met dien verheven glimlach, waaraan twee tanden ontbraken.

Dienzelfden nacht had Javert een brief geschreven. Hij bracht dien brief des morgens in persoon op het postkantoor te M. sur M. Hij was geadresseerd aan: "mijnheer Chabouillet, secretaris van mijnheer den prefect van Politie te Parijs." Wijl het gebeurde in het politiebureau ruchtbaar was geworden, meenden de directeur van het postkantoor en eenige personen, die den brief, vóór hij verzonden werd, gezien en op het adres Javerts schrift herkend hadden, dat hij er zijn ontslag in verzocht.

De heer Madeleine haastte zich aan Thénardier te schrijven. Fantine was hem honderd twintig francs schuldig. Hij zond hem driehonderd francs, er bijvoegende, dat zij zich daarvan konden betalen, maar ten spoedigste het kind te M. sur M. moesten bezorgen, waar de zieke moeder het terug eischte.

Dit verraste Thénardier.--Verduiveld! zeide hij tot zijn vrouw, wij moeten het kind niet afgeven. 't Schijnt dat de kleine een melkkoe zal worden. Ik begrijp het. Een of andere oude gek zal op de moeder verliefd zijn geworden.

Hij beantwoordde den brief met een zeer nauwkeurige rekening van vijfhonderd en eenige francs. Op deze rekening kwamen, tot een bedrag van meer dan driehonderd francs, twee onbetwistbare posten voor, de een van een dokter, de andere van een apotheker, die in twee langdurige ziekten Eponine en Azelma hadden behandeld en geneesmiddelen geleverd. Cosette was, gelijk gezegd is, niet ziek geweest. 't Was slechts een kleine verwisseling van naam. Thénardier schreef onder de rekening: "Op rekening ontvangen driehonderd francs."

De heer Madeleine zond dadelijk opnieuw driehonderd francs en schreef: Haast u Cosette te zenden.

"Verduiveld!" zei Thénardier; "wij zullen het kind niet laten gaan."

Intusschen beterde Fantine niet. Zij was altijd in de ziekenzaal.

De zusters hadden in den beginne "dit vrouwspersoon" slechts met weerzin ontvangen en verpleegd. Wie de bas-reliefs te Reims heeft gezien, herinnert zich de opgetrokken onderlip der wijze maagden, die de dwaze maagden aanschouwen. Deze aloude verachting der vestalinnen voor de gevallen vrouwen is een diep instinct der vrouwelijke waardigheid. De liefdezusters hadden deze verachting gevoed, met de versterking, welke de godsdienst er aan geeft. Maar in weinige dagen had Fantine haar ontwapend. Zij gebruikte allerlei deemoedige en zachte woorden, en de moeder in haar verteederde aller hart. Op zekeren dag hoorden de liefdezusters haar in de koorts zeggen:--ik was een zondares, maar zoodra ik mijn kind weder heb, zal dit te kennen geven dat God mij vergeven heeft. Op mijn slechten weg had ik Cosette niet bij mij willen hebben; ik had haar verwonderde en treurige blikken niet kunnen verdragen. 't Was evenwel om harentwille, dat ik zondigde, en daarom zal de goede God mij vergeven. Ik zal Gods zegen voelen, zoodra Cosette hier is. Ik zal haar zien; en 't zal mij goed doen, het gezicht van het onschuldige kind. Zij weet van niets. 't Is een engel, weet ge, zusters! In dien leeftijd zijn de vleugels nog niet uitgevallen."

De heer Madeleine bezocht haar tweemaal daags en telkens vroeg zij hem:

"Zal ik spoedig mijn Cosette zien?"

Hij antwoordde dan:

"Misschien morgenochtend. Zij kan elk oogenblik komen, ik verwacht haar."

En 't bleeke gezicht der moeder schitterde van blijdschap.

"Ach!" zeide zij, "hoe gelukkig zal ik zijn."

Wij hebben gezegd, dat zij niet beterde. Integendeel, haar toestand scheen van week tot week te verergeren. De sneeuw, die haar tusschen de schouderbladen op den rug was gelegd, had eene plotselinge belemmering der uitwaseming veroorzaakt, waardoor de ziekte, welke sinds jaren in haar kiemde, tot snelle ontwikkeling was gekomen. Men begon destijds bij de studie en de behandeling der borstziekten de voortreffelijke aanwijzingen van Laënnec te volgen. De geneesheer onderzocht de borst van Fantine en schudde het hoofd.

"Wat zegt gij?" vroeg de heer Madeleine aan den dokter.

"Heeft zij niet een kind dat zij wenscht te zien?" vroeg de dokter.

"Ja."

"Laat het dan spoedig komen."

De heer Madeleine ontroerde.

Fantine vroeg hem:

"Wat zegt de dokter?"

De heer Madeleine poogde te glimlachen.

"Hij zegt, dat men uw kind spoedig moet doen komen. Dit zal u weer beter maken."

"Ja..." zeide zij, "hij heeft gelijk. Maar om welke reden behouden de Thénardier's Cosette zoo lang! O, zij zal komen. Eindelijk zal ik het geluk heel nabij mij hebben."

Intusschen liet Thénardier het kind niet los, en had daarvoor allerlei voorwendsels aan de hand: Cosette was nog een weinig ongesteld en kon alzoo des winters niet op reis gaan. Vervolgens waren er nog eenige kleine schulden te betalen, waarvan hij de rekeningen wachtte enz. enz.

"Ik zal iemand zenden om Cosette te halen," zei vader Madeleine. "Zoo 't noodig is, zal ik zelf gaan."

Hij schreef den volgenden brief, welken Fantine hem in de pen gaf en dien hij haar deed onderteekenen:

"Mijnheer Thénardier,

"Geef Cosette aan brengster dezes mede.

"Men zal al de kleine schulden betalen.

"Ik heb de eer u met achting te groeten.

"Fantine."

Middelerwijl had er iets gewichtigs plaats. Hoe wij ook pogen het geheimzinnig marmerblok, waaruit ons leven is gemaakt, naar onzen wensch te beitelen, de zwarte ader van het noodlot komt er gestadig weder op te voorschijn.

TWEEDE HOOFDSTUK.

HOE UIT EEN NAAM EEN ANDERE KAN ONTSTAAN.

Op zekeren morgen was mijnheer Madeleine in zijn kantoor bezig met het in orde brengen van eenige spoedeischende zaken der mairie, voor 't geval hij tot de reis naar Montfermeil mocht besluiten, toen men hem kwam verwittigen dat de inspecteur van politie Javert hem wenschte te spreken. Op 't hooren van dien naam kon de heer Madeleine een onaangenaam gevoel niet bedwingen. Sedert het gebeurde in het politiebureau had Javert hem meer dan ooit vermeden en de heer Madeleine had hem niet weder gezien.

"Laat hem binnenkomen," zeide hij.

Javert trad binnen.

De heer Madeleine was bij den haard blijven zitten met een pen in de hand, papieren doorbladerende, waarop hij aanteekeningen maakte, en die processen-verbaal wegens politie-overtredingen bevatten. Hij liet zich door Javert niet storen. Onwillekeurig dacht hij aan de arme Fantine, en hij wilde daarom koel zijn.

Javert groette eerbiedig mijnheer den maire, die hem den rug keerde. De maire zag hem niet aan, maar ging met zijn aanteekeningen voort.

Javert deed drie of vier schreden in de kamer en bleef staan zonder te spreken.

Een gelaatkundige, die Javerts karakter gekend en sinds langen tijd dezen wilde in dienst der beschaving, dit zonderling mengsel van den Romein, den Spartaan, den monnik en den korporaal, dezen tot een logen onbekwamen spion, dezen vlekkeloozen politieagent bestudeerd had; een gelaatkundige, die met zijn heimelijken en ouden afkeer van mijnheer Madeleine en zijn twist met den maire nopens Fantine bekend was geweest, en Javert op dit oogenblik had gadegeslagen, zou zich afgevraagd hebben: wat is er gebeurd? 't Was duidelijk voor ieder die zijn scherp, helder, oprecht, eerlijk, streng en wreed gemoed kende, dat in Javert iets gewichtigs gebeurd was. Al wat in zijn ziel omging, vertoonde zich op zijn gelaat. Gelijk alle driftige lieden was hij aan plotselinge afwisselingen onderworpen. Nooit had zijn gelaat zulk een zonderlinge en onverwachte uitdrukking vertoond. Toen hij binnenkwam, had hij zich voor mijnheer Madeleine gebogen met een blik, waarin noch wraak, noch toorn, noch wantrouwen lag, en was eenige schreden achter den stoel van den maire blijven staan; hij stond daar in schier onderdanige houding, met de naïeve en ruwe kalmte van iemand die nooit zacht, maar altijd geduldig is geweest; zonder een woord te spreken, bewegingloos, met ware deemoedigheid en rustige onderwerping wachtte hij tot het mijnheer den maire behaagde zich om te keeren, bedaard, ernstig, met den hoed in de hand en met neergeslagen oogen, welker uitdrukking het midden hield tusschen die van den soldaat tegenover zijn officier en van den misdadiger tegenover zijn rechter. Alle gewaarwordingen zoowel als herinneringen, die men in hem had kunnen vermoeden, waren verdwenen. Op dit ondoordringbaar en strak gezicht als van graniet lag niets dan een sombere treurigheid. Zijn geheele persoon ademde gedruktheid en standvastigheid, en een soort van moedige neerslachtigheid.

Eindelijk legde de maire zijn pen neder en keerde zich ten halve om.

"Nu, wat is er? wat hebt ge, Javert?"

Javert bleef een oogenblik, als overdenkend, zwijgen; toen verhief hij zijn stem met een soort van sombere plechtigheid, die echter zonder gezwollenheid was.

"Er is een schuldige daad gepleegd, mijnheer de maire."

"Welke daad?"

"Een ondergeschikt dienaar van 't gezag heeft op erge wijze den eerbied aan een overheidspersoon gekrenkt. Ik kom, zoo als mijn plicht is, dit te uwer kennis brengen."

"Wie is die dienaar?" vroeg mijnheer Madeleine.

"Ik," zei Javert.

"Gij?"

"Ik."

"En wie is de overheidspersoon, die zich over u te beklagen heeft?"

"Gij, mijnheer de maire."

De heer Madeleine stond van zijn stoel op. Javert voer met ernstige stem en steeds de oogen nedergeslagen voort:

"Mijnheer de maire, ik kom u verzoeken, mijn ontslag bij de regeering aan te vragen."

De heer Madeleine was ten hoogste verbaasd, en opende den mond om te spreken. Maar Javert kwam hem voor, zeggende:

"Ge zult zeggen, dat ik mijn ontslag had kunnen indienen, maar dat is niet genoeg. Zijn ontslag indienen, is eervol. Maar ik heb misdaan en moet gestraft worden. Ik moet worden afgezet."

En na eenig zwijgen voegde hij er bij:

"Mijnheer de maire, ge waart voor eenige dagen streng jegens mij--toen onrechtvaardig. Wees dus heden rechtvaardig."

"Hoe! Waarom?" riep Madeleine. "Wat beteekenen deze woorden? Wat bedoelt ge? Welke schuldige daad hebt ge jegens mij bedreven? Wat hebt ge mij misdaan? Welke grieven hebt ge tegen mij? Gij beschuldigt u zelven; gij wilt ontslagen worden..."

"Afgezet," zei Javert.

"Afgezet, 't zij zoo. 't Is goed; maar ik begrijp de reden niet."

"Ge zult ze begrijpen, mijnheer de maire."

Javert loosde een diepen zucht en hernam, altijd koel en treurig:

"Mijnheer de maire, zes weken geleden was ik woedend, ten gevolge van het gebeurde met dat meisje, en ik heb u toen aangeklaagd."

"Aangeklaagd?"

"Aan de prefectuur van politie te Parijs."

Madeleine, die even zelden lachte als Javert, lachte nu en zeide:

"Dat ik als maire inbreuk op de politie heb gemaakt?"

"Neen, dat ge een gewezen tuchteling waart."

De maire werd doodsbleek.

Javert, die zijn oogen niet had opgeslagen, vervolgde:

"Ik meende dit. Sinds lang had ik hiervoor redenen. Een gelijkenis, de navorschingen welke gij te Faverolles had laten doen, uw spierkracht, het gebeurde met den ouden Fauchelevent, uw behendigheid in 't schieten, uw eenigszins slepende voet, en ik weet niet wat meer... Domheden! Maar in één woord, ik hield u voor zekeren Jean Valjean."

"Zekeren?... hoe zegt gij?"

"Jean Valjean. Een tuchteling dien ik twintig jaar geleden heb gezien, toen ik onderopzichter te Toulon was. Zoo het schijnt, heeft deze Valjean, na het bagno verlaten te hebben een bisschop bestolen, vervolgens heeft hij een anderen diefstal, gewapenderhand, op den openbaren weg, op een kleinen Savoyaard gepleegd. Sinds acht jaren heeft hij zich uit de voeten gemaakt, men weet niet hoe, en men zocht hem. Ik... ik had mij verbeeld...--Kortom, ik heb 't gedaan. De toorn vervoerde mij, en ik klaagde u bij de prefectuur aan."

Madeleine, die sinds eenige oogenblikken de papieren weder ter hand had genomen, hernam op geheel onverschilligen toon:

"En wat heeft men u geantwoord?"

"Dat ik gek was."

"En nu?"

"Men had gelijk."

"'t Is gelukkig, dat ge 't zelf erkent."

"Ik moet wel, want de ware Jean Valjean is gevonden."

Het blad, 't welk Madeleine in de hand hield, ontglipte zijn vingers; hij richtte het hoofd op, staarde Javert strak aan en zeide op een onbeschrijfelijken toon:

"Ha!"

Javert hernam: