Part 2
Bij gelegenheid maakte hij van vriendelijke scherts gebruik, die meestal een ernstigen zin bevatte. In de vasten kwam een jonge kapelaan te Digne en predikte in de hoofdkerk. Hij was vrij welsprekend. Zijn preek had de liefdadigheid tot onderwerp. De rijken vermaande hij, om aan de armen te geven, ten einde aan de hel te ontkomen, welke hij zoo ijselijk mogelijk afschilderde, en om den hemel te verwerven, dien hij heel aangenaam en begeerlijk voorstelde. Onder zijn gehoor bevond zich een rijk koopman, die zich uit de zaken had teruggetrokken, en een kleinen woekerhandel dreef. Hij heette Géborand en had met het fabriceeren van grof laken, sergie en dergelijke stoffen, twee millioen overgewonnen. In zijn geheele leven had Géborand geen aalmoes aan een ongelukkige gegeven. Sedert deze predikatie echter merkte men op, dat hij alle zondagen een stuiver aan de oude bedelaarsters in het kerkportaal gaf. Het recht van daar te staan was aan zes arme vrouwen toegestaan. Eens zag de bisschop hem die aalmoes geven en zeide glimlachend tot zijn zuster: "Zie! mijnheer Géborand koopt voor een stuiver den hemel."
Wanneer het de liefdadigheid betrof, liet hij zich door geen weigering afschrikken, maar hij vond dan woorden, die tot nadenken brachten. Eenmaal collecteerde hij in een gezelschap voor de armen; er bevond zich de markies de Champtercier, een oude rijke vrek, die tegelijkertijd ultra-royalist en ultra-Voltairiaan was. Zulke zeldzaamheden hebben bestaan. Toen de bisschop hem naderde, tikte hij hem op den arm en zei: "Mijnheer de markies, ge moet mij iets geven."
De markies keerde zich om, en antwoordde droog: "Monseigneur, ik heb mijn armen."
"Geef ze mij," hernam de bisschop.
Op zekeren dag hield hij in de kathedraal de volgende preek:
"Geliefde broeders, goede vrienden! In Frankrijk zijn één millioen driehonderd twintig duizend boerenhuizen met slechts drie openingen; één millioen achthonderd zeventien duizend met slechts twee: de deur en het venster; en eindelijk driehonderd zes-en-veertig duizend hutten met slechts één opening: de deur. De reden hiervan is de belasting op deuren en vensters. Verbeeldt u nu arme gezinnen, oude vrouwen, kleine kinderen, die daarin verblijf houden, en 't is geen wonder dat er koortsen en andere ziekten heerschen. Helaas! God geeft den menschen lucht, maar de wet verkoopt ze hun. Ik beschuldig de wet niet; maar ik loof God. In het departement Isère, in dat van Var, in de Alpendepartementen, hebben de boeren niet eens kruiwagens, den mest vervoeren zij op hun rug; zij hebben geen kaarsen, maar branden houtspaanders of eindjes touw, die in pek zijn gedoopt. Zoo is het in geheel Opper-Dauphiné. Zij bakken brood voor een half jaar en stoken den oven met gedroogden koedrek. Des winters hakken zij dat brood met de bijl stuk, en laten het vier-en-twintig uren in water weeken om het te kunnen eten.--Broeders, hebt mededoogen! Ziet hoe men rondom u lijdt!"
In Provence geboren, kende hij al de tongvallen van het zuiden en sprak die met de bewoners. Dit had hem bij de bevolking bemind gemaakt en er niet weinig toe bijgedragen om hem aller harten te openen. Hij was in de stulp en in het gebergte als te huis. Hij wist de verhevenste zaken in de eenvoudigste volkstaal te zeggen. Daar hij alle talen sprak, vond hij den weg tot aller harten.
Overigens was hij dezelfde voor den aanzienlijke en den geringe.
Hij veroordeelde niet voorbarig en zonder de omstandigheden in aanmerking te nemen. Laten wij zien, op welke wijs de misslag ontstaan is, placht hij te zeggen.
Daar hij, zooals hij zich zelven glimlachend noemde, een voormalig zondaar was, verschanste hij zich niet achter een harde strengheid, en openlijk verkondigde hij, niettegenstaande het wenkbrauwfronsen der zoogenaamde strenge deugd, een leer, die men vrijwel in de volgende woorden kan samenvatten:
"De mensch draagt zijn vleesch, tevens als een last en als een verzoeking. Hij sleept het voort en geeft er aan toe.
"Hij moet het bewaken, bedwingen, onderdrukken, en niet dan in den uitersten nood er aan gehoorzamen. Door deze gehoorzaamheid kan hij nog zondigen; maar zulk een zonde is vergeeflijk. 't Is een val, maar een val op de knieën, die met het gebed eindigen kan.
"'t Is een uitzondering een heilige te zijn; maar 't is een regel rechtschapen te wezen. Dwaalt, wankelt, zondigt, maar weest rechtschapen.
"'t Is de menschelijke wet, zoo min mogelijk te zondigen. Volstrekt niet te zondigen, is de droom van den engel. Al het aardsche is aan de zonde onderworpen. De zonde is een wet der zwaartekracht."
Zag hij iedereen in ijver ontstoken en spoedig verontwaardigd worden, dan zeide hij glimlachend: Dit schijnt een groote misdaad te wezen, die iedereen begaat. Zie, hoe de ontstelde huichelarij zich haast, om te protesteeren en zich bij voorbaat te verdedigen.
Hij was toegevend jegens de vrouwen en de armen, op wie de last der maatschappij zoo zwaar drukt.--De zonden der vrouwen, der kinderen, der dienstboden, der zwakken, der armen en der onwetenden zijn de zonden der echtgenooten, der vaders, der meesters, der overheden, der rijken en der geleerden, sprak hij.
Ook zeide hij: Onderwijs de onwetenden zooveel ge kunt; de maatschappij bezondigt zich door geen kosteloos onderwijs te geven; de duisternis welke zij veroorzaakt, komt te harer verantwoording. In een donkere ziel sluipt de zonde licht. Niet hij die de zonde doet, is de eigenlijke schuldige, maar hij die de duisternis veroorzaakt.
Men ziet, dat de bisschop er een ongewone en eigenaardige wijze op nahield om de zaken te beschouwen. Ik vermoed, dat hij ze aan het evangelie had ontleend.
Op zekeren dag hoorde hij in een gezelschap het verhaal van een crimineel proces, dat in behandeling was. Een arm man had, na alle pogingen om wat te verdienen beproefd te hebben, uit liefde voor een vrouw en het kind dat zij hem geschonken had, valsche munt gemaakt. De valsche munters werden destijds nog met den dood gestraft. De vrouw was aangehouden, bij de uitgifte van het eerste valsche muntstuk, dat de man gemaakt had. Men hield haar gevangen, doch men had geen bewijzen tegen haar. Zij alleen kon haar minnaar aanklagen en hem door haar bekentenis in 't verderf storten. Zij deed het niet. Men drong bij haar aan. Zij bleef ontkennen. Toen kwam de procureur des konings op een gelukkig denkbeeld. Hij gaf voor, dat haar minnaar haar ontrouw was; en door middel van haar behendig voorgelegde brieven bracht hij de ongelukkige tot de overtuiging dat zij een mededingster had en dat de man haar bedroog. Nu ontstak zij hevig in jaloezie, zij beschuldigde haar minnaar, en bekende en bewees alles. De man was verloren en zou eerlang te Aix met zijn medeplichtige gevonnist worden. Men verhaalde dit feit en ieder prees de behendigheid van den rechtspersoon. Door de jaloezie op te wekken, had hij de waarheid uit den toorn doen te voorschijn komen, en de gerechtigheid door wraakzucht doen gelden. De bisschop hoorde dit alles zwijgend aan. Toen het verhaal ten einde was, vroeg hij:
"Waar zullen die man en die vrouw gevonnist worden?
"Voor het Hof van Assises."
"En waar," vervolgde hij, "zal mijnheer de procureur des konings worden gevonnist?"
Er had te Digne een treurige gebeurtenis plaats. Een man werd wegens moord ter dood veroordeeld. 't Was een ongelukkige, die wel niet geleerd, maar ook niet geheel onwetend was; hij had op de kermissen als goochelaar en als openbaar schrijver rondgereisd. Het proces wekte veel belangstelling. Den dag vóór de terechtstelling van den veroordeelde, werd de aalmoezenier der gevangenis ziek. Een geestelijke moest den armen zondaar in zijn laatste oogenblikken bijstaan. Men ging naar den pastoor. 't Schijnt dat deze weigerde, zeggende: "'t Gaat mij niet aan; ik heb met dit werk en dezen koorddanser niets te maken; ik ben ook ziek; bovendien,'t is mijn ambt niet."--Men bracht den bisschop dit antwoord, en deze zeide: "De heer pastoor heeft gelijk, 't is zijn ambt niet, maar het mijne."
Hij begaf zich terstond naar de gevangenis, liet zich naar de cel van den "koorddanser" brengen, noemde hem bij zijn naam, drukte hem de hand en sprak hem toe. Den geheelen dag bracht hij bij hem door, voedsel en slaap vergetende, God biddende voor de ziel van den veroordeelde en de veroordeelde voor zijn eigene biddende. Hij hield hem de gezegendste waarheden voor, welke de eenvoudigste zijn. Hij was voor hem een vader, een broeder, een vriend; bisschop alleen om hem te zegenen. Hij onderwees, bemoedigde, troostte hem. De man zou in wanhoop gestorven zijn; de dood was voor hem een afgrond, aan welks rand hij stond en met vreeze terugdeinsde. Hij was niet onwetend genoeg om geheel onverschillig te zijn. Zijn veroordeeling, een geweldige schok, had om zoo te zeggen hier en daar het hulsel gescheurd, dat ons van de verborgenheid der dingen scheidt, en 't welk wij het leven noemen. Steeds blikte hij door deze noodlottige scheuren en zag niets dan duisternis. De bisschop deed hem een licht zien.
Den volgenden dag, toen men den ongelukkige haalde, was de bisschop bij hem. Hij volgde hem en vertoonde zich met zijn violetkleurigen mantel en met zijn bisschoppelijk kruis om den hals, naast den geboeiden veroordeelde, voor de oogen des volks.
Hij beklom met hem de kar, hij beklom met hem het schavot. De arme zondaar, die den vorigen dag zoo somber, zoo verslagen was, had nu een kalm voorkomen. Hij gevoelde, dat zijn ziel verzoening had gevonden, en hij hoopte op God. De bisschop omhelsde hem, en toen de bijl zou vallen, zeide hij: "Hem, dien de mensch doodt, zal God weder doen opstaan; hem, dien de broeders verdrijven, neemt de vader aan. Bid, geloof en ga het leven in! De vader wacht u!" Toen hij het schavot verliet was er iets in zijn blik, waarvoor het volk ter zijde ging. Men wist niet wat opmerkelijker was, òf zijn bleekheid, òf zijn kalmte. Toen hij de nederige woning weder binnentrad, welke hij glimlachend "zijn paleis" noemde, zeide hij tot zijn zuster: Ik heb een hoogplechtigen dienst gedaan.
Naardien de verhevenste zaken vaak het minst begrepen worden, waren er personen in de stad, die dit gedrag van den bisschop "gemaaktheid" noemden. Dit werd echter slechts in hoogere kringen gezegd. Het volk, dat edele handelingen van geen kwaad verdenkt, was getroffen en vol bewondering.
Het gezicht der guillotine had intusschen den bisschop een schok gegeven, waarvan hij zich in langen tijd niet herstelde.
Inderdaad, wanneer het schavot dáár zoo voor u oprijst, heeft het iets gruwelijks. Men kan ten aanzien der doodstraf eenigszins onverschillig zijn, zich daarvoor niet uitspreken, ja noch neen zeggen, zoolang men geen guillotine heeft gezien; maar als men er voor staat is de schok geweldig, men moet beslissen, en partij voor of tegen kiezen. Eenigen bewonderen, gelijk de Maistre; anderen vervloeken, gelijk Beccaria. De guillotine is de verlichamelijking der wet; zij noemt zich gerechtigheid; zij is niet onzijdig en veroorlooft anderen niet, onzijdig te blijven. Die haar ziet, voelt een geheimzinnige huivering. Alle maatschappelijke kwestiën plaatsen om de valbijl haar vraagteekens. Het schavot is een visioen. Het schavot is geen stellage, geen machine, geen gevoelloos werktuig van hout, ijzer en touw. Het gelijkt een soort van wezen, dat sombere gedachten opwekt. Het is alsof deze stellage ziet; deze machine hoort; dit werktuig begrijpt; dit hout, dit ijzer, dit touw een wil hebben. In de afgrijselijke gedachten, welke 't gezicht van het schavot doet oprijzen, verschijnt het vreeselijk, doordat het aan zijn werk doet denken. Het schavot is de medeplichtige van den beul; het verslindt; het eet vleesch en drinkt bloed. Het schavot is een soort van gedrocht door den rechter en den timmerman vervaardigd; een spook, dat uit den dood, die het gegeven heeft, een verschrikkelijk leven voor zich zelven schijnt te hebben geput.
Daarom was ook de indruk afgrijselijk en diep; de bisschop scheen den dag na de terechtstelling en nog vele dagen later daarna zeer ternedergeslagen. De als door dwang tevoorschijn geroepen kalmte voor het sombere oogenblik was verdwenen; het spook der maatschappelijke gerechtigheid kwelde hem. Terwijl hij gewoonlijk met een vroolijke zelfvoldoening van zijn werkzaamheden wederkeerde, scheen hij zich nu iets te verwijten. Meermalen sprak hij in zich zelven en prevelde binnensmonds sombere alleenspraken. Zijn zuster hoorde hem zeggen: "Ik wist niet dat het zoo ijselijk was. 't Is verkeerd, zich in de goddelijke wet zoo te verdiepen, dat men de menschelijke wet vergeet. Alleen aan God behoort de dood. Met welk recht raken de menschen aan dit onbekende?"
Allengs werden deze indrukken zwakker, en werden waarschijnlijk geheel uitgewischt. Evenwel merkte men op, dat de bisschop voortaan vermeed, over de gerechtsplaats te gaan.
Men kon den heer Myriel te allen tijde aan de sponde der zieken en stervenden roepen. Hij wist volkomen, dat hem daar zijn duurste plicht, zijn gewichtigste arbeid riep. Gezinnen, die ouders of kinderen verloren hadden, behoefden hem niet te roepen; hij ging er uit eigen beweging heen. Hij kon lang zwijgend bij den man zitten die zijn geliefde vrouw had verloren, bij de moeder die haar kind beweende. Evenals hij ter rechter tijd wist te zwijgen, kende hij ook het oogenblik, dat hij moest spreken. En hoe kon hij troosten! Hij trachtte niet de smart door vergetelheid te lenigen, maar ze door de hoop grooter en waardiger te maken. Hij zeide: "Let wel, op welke wijze gij de dooden beschouwt. Denk niet aan 't geen verteert. Zie slechts scherp toe, en ge zult den levenden schijn van uw geliefden overledene in den hemel erkennen." Den wanhopige poogde hij tot kalmte te brengen en trachtte hem neer te zetten, door op den onderworpen mensch te wijzen, en de smart, die een graf aanschouwt, te veranderen in een smart die naar een ster opziet.
VIJFDE HOOFDSTUK.
WAAROM MONSEIGNEUR BIENVENU TE LANG ZIJN PRIESTERROKKEN DRAAGT.
In het huiselijk leven waren Myriels gevoelens dezelfde als in zijn openbaar leven. De vrijwillige armoede, waarin de bisschop van Digne leefde, zou voor ieder, die hem van nabij had kunnen gadeslaan, een ernstig en bekoorlijk schouwspel zijn geweest.
Gelijk alle oude lieden en de meeste denkers, sliep hij weinig. Zijn korte slaap was echter vast. Des morgens vroeg gaf hij zich een uur aan zijn overdenkingen over; daarna bediende hij de mis, 't zij in de kerk, 't zij in zijn huis. Na de mis nam hij zijn ontbijt, bestaande in roggebrood en melk. Daarna arbeidde hij.
Een bisschop is steeds met werkzaamheden overladen, dagelijks moet hij den secretaris van het bisdom ontvangen, ook bijna dagelijks zijn groot-vicarissen. Hij moet over de congegratiën het toezicht houden, privilegiën verleenen, een geheele kerkelijke bibliotheek, getijboeken, catechismussen, gebedenboeken enz. onderzoeken; hij moet mandementen schrijven, predikatiën vergunnen, pastoors en maires vereenigen, een kerkelijke en een administratieve correspondentie voeren, eenerzijds met den staat, anderzijds met den H. Stoel; kortom, duizend zaken wachten op hem.
Den tijd, welken hem deze duizend zaken, zijn kerkdiensten en zijn brevier lieten, wijdde hij vooreerst aan de noodlijdenden, de kranken en de bedrukten; den tijd, dien deze hem lieten, besteedde hij aan den arbeid. Nu eens spitte hij in zijn tuin, dan weer las en schreef hij. Hij had voor deze beide soorten van werk slechts één naam: hij noemde het tuinieren. "De geest is ook een tuin," zeide hij.
Tegen den middag, wanneer het weder fraai was, ging bij uit en wandelde op het veld of in de stad, en vaak trad bij de hutten binnen. Men zag hem dan alleen, aan zijn gedachten overgegeven, met neêrgeslagen oogen, steunende op zijn langen wandelstok, in zijn violetkleurigen, gewatteerden en warmen rok, violetkleurige kousen, zware schoenen en met een platten driekanten hoed, met gouden kwasten aan de punten, op het hoofd.
't Was overal feest waar hij verscheen, als bracht hij bij zijn komst iets verwarmends en verlichtends. Kinderen en oude lieden kwamen aan de deur, om den bisschop, evenals anders om de zon. Hij deelde zegen uit en men zegende hem. Aan elk, die iets behoefde, wees men zijn huis.
Nu en dan bleef hij staan, om tot knaapjes en jonge meisjes te spreken, en lachte de moeders toe. Hij bezocht de armen zoolang hij geld had; was het uitgegeven, dan bezocht hij de rijken.
Daar hij zijn priesterrokken zeer langen tijd droeg, en niet wilde dat men dit opmerkte, ging hij nooit uit dan in zijn violetkleurig kleed. Dit was hem in den zomer wel een weinig lastig.
Te huis komende deed hij zijn middagmaal, dat aan het ontbijt geëvenredigd was. Te half negen gebruikte hij met zijn zuster het avondeten. Magloire bediende hen. Niets kon soberder zijn dan deze maaltijd. Zoo de bisschop evenwel een zijner pastoors aan zijn tafel had, maakte Magloire van deze gelegenheid gebruik om voor monseigneur keurige visch uit de meren of fijn wild uit het gebergte op te disschen. Ieder pastoor strekte haar tot voorwendsel voor een goeden maaltijd, en de bisschop liet haar begaan. Gewoonlijk kwam op zijn tafel niet anders dan gekookte groenten en soep met olie. Men zeide dan ook in de stad: "wanneer de bisschop niet smult als een pastoor, eet hij als een trappist."
Na het avondeten praatte hij een half uur met Baptistine en Magloire; vervolgens begaf hij zich naar zijn kamer en zette zich weder aan 't schrijven, nu eens op losse bladen, dan weder op den kant van een foliant. Hij was geletterd en tamelijk geleerd. Hij heeft vijf of zes merkwaardige manuscripten nagelaten; onder andere een verhandeling over het vers van Genesis: "En de geest Gods zweefde over de wateren."--Hij vergelijkt met dit vers drie teksten: het arabisch, dat zegt: "de winden Gods bliezen;" Flavius Josephus, die zegt: "Een wind van boven viel op de aarde;" en eindelijk de Chaldeeuwsche overzetting van Onkelos, die zegt: "Een wind, die van God kwam, blies over de wateren." In een andere verhandeling onderzocht hij de godgeleerde werken van Hugo, bisschop van Ptolomaïs, achter-oudoom van den schrijver van dit boek en bewijst dat aan dezen bisschop de verschillende kleine werkjes moeten worden toegeschreven, die in de vorige eeuw onder het pseudonym van Barleycourt verschenen.
Soms verviel hij temidden zijner lectuur, onverschillig welk boek hij in handen had, plotseling tot diepe overpeinzing, waarna hij eenige regels op het blad zelf van het boek schreef. Deze regels hebben vaak volstrekt geen betrekking op het boek, dat ze bevat. Zoo hebben wij vóór ons een door hem geschreven kantteekening, in een boek in kwarto, getiteld: Correspondance du lord Germain avec les généraux Clinton, Cornwallis et les amiraux de la station de l'Amérique.
Deze kantteekening luidt als volgt:
"O gij, die zijt!
"In den prediker Salomo heet gij de Almachtige, in het boek der Makkabeeën Schepper, in den brief aan de Ephezers Vrijheid, in Baruch Onmetelijke, in de psalmen Wijsheid en Waarheid, in het evangelie van Johannes Licht, in het boek der koningen Heer, in het tweede boek van Mozes Voorzienigheid, in het derde Heiligheid, in Esdra Gerechtigheid; de schepping noemt u God, de mensch Vader, maar Salomo noemt u Erbarmer, en dit is de schoonste van al uw namen."
Tegen negen uur 's avonds verwijderden zich de beide vrouwen en begaven zich naar haar kamers op de eerste verdieping, en lieten den bisschop alleen beneden tot den volgenden morgen.
't Zal noodig zijn hier een nauwkeurige voorstelling der woning van den bisschop van Digne te geven.
ZESDE HOOFDSTUK.
DOOR WIE HIJ ZIJN HUIS LIET BEWAREN.
Het huis, dat hij bewoonde, had slechts, zooals reeds gezegd is, twee verdiepingen, en bestond uit drie benedenvertrekken, drie kamers op de tweede verdieping, en daarboven een zolder. Achter het huis was een tuin. De beide vrouwen hadden de eerste verdieping in gebruik. De bisschop huisde beneden. Het eerste vertrek, dat op de straat uitzag, diende hem tot eetzaal, het tweede tot slaapkamer en het derde tot bidkamer. Men kon uit deze laatste niet komen, zonder door de slaapkamer te gaan, en uit deze slechts door de eetzaal. In de bidkamer was een afgesloten alkoof, waarin een bed, ten dienste van logeergasten. De bisschop bood dit bed den dorpspastoors aan, die wegens zaken of aangelegenheden hunne parochie betreffende, te Digne kwamen.
De apotheek van het hospitaal, een in den tuin aan het huis toegevoegd gebouw, was in keuken en spijskamer veranderd.
Nog bevond zich in den tuin een stal, die vroeger de keuken van het hospitaal was geweest en waarin de bisschop twee koeien hield. Hoeveel melk zij ook mochten geven, hij zond alle ochtenden de helft er van aan de zieken in het hospitaal. "Ik betaal mijn tienden," zeide hij.
Zijn tamelijk ruime kamer was in den winter moeielijk te verwarmen. Dewijl het hout te Digne zeer duur is, had hij in den koestal een klein vertrek van planken laten afschieten, en hier bracht hij bij strenge koude den avond door. Hij noemde dit zijn "wintersalon."
In dat wintersalon was, gelijk in de eetzaal, geen ander huisraad dan een vierkante, wit houten tafel en vier matten stoelen. De eetkamer was bovendien nog met een oud rose geverfd buffet versierd. Een dergelijk buffet, bekleed met witte doeken en onechte kant, had de bisschop tot altaar in zijn bidkamer ingericht.
Zijn rijke biechtdochters en andere vrome vrouwen van Digne hadden herhaaldelijk met elkander het geld bijeengebracht voor een fraai, nieuw altaar in de bidkamer van Monseigneur; maar telkens had hij het geld aangenomen en aan de armen gegeven. "Het fraaiste altaar," zeide hij dan, "is de ziel van een getroosten ongelukkige, die God dankt."
Hij had in zijn bidkamer twee bidstoelen met matten zittingen en in zijn slaapkamer een dergelijken armstoel. Wanneer hij bij toeval zeven of acht personen te gelijk ontving, den prefect, of den generaal, of den staf van het daarin garnizoen liggend regiment, of eenige kweekelingen van het klein seminarie, was men verplicht de stoelen van het wintersalon uit den stal en de bidstoelen met den armstoel uit de bidkamer te halen, en op die wijze kon men voor de bezoekers elf stoelen bijeenbrengen. Bij elk bezoek werd dus een der vertrekken van zijn huisraad beroofd.
Maar somtijds gebeurde het, dat er twaalf bezoekers waren. Alsdan verheelde de bisschop de verlegenheid waarin hij zich bevond, des winters door voor den schoorsteen te blijven staan, en des zomers door in den tuin te wandelen.
In de afgesloten alkoof stond wel is waar ook nog een stoel, maar de zitting was versleten en hij had nog maar drie pooten, zoodat hij slechts dienst kon doen als hij tegen den muur stond. Mejuffrouw Baptistine had ook in haar kamer een zeer groote bergère van hout, die vroeger verguld was, met gebloemde chineesche zijde bekleed; maar men had deze bergère door het venster op de eerste verdieping moeten brengen, wijl de trap te smal was; die kon dus niet dienen, wanneer men zitplaatsen te kort kwam.
Mejuffrouw Baptistines vurigste wensch zou geweest zijn, een salonmeubel te kunnen koopen van mahoniehout, bekleed met geelgebloemd trijp, en daarbij een canapé. Maar een en ander zou minstens vijfhonderd francs hebben gekost, en daar zij 't in vijf jaren niet verder had kunnen brengen dan hiervoor twee-en-veertig en een halven franc te besparen, had zij er eindelijk van afgezien. Wie ziet zijn idealen ook verwezenlijkt?