Part 10
Voorwaar, wij willen het niet ontveinzen, de opmerkende physioloog zou hier een onherstelbare ellende hebben gezien; hij zou misschien dezen, door de wet ziek gemaakten mensch beklaagd, maar hij zou niet gepoogd hebben hem te genezen; hij zou zijn blik hebben afgewend van de donkere holen dezer ziel; en, gelijk Dante van de poorten der hel, zou hij van dit menschenleven het woord hebben gewischt, dat Gods vinger evenwel op 't hoofd van ieder mensch heeft geschreven, het woord: Hoop!
Was deze zieletoestand, welke wij gepoogd hebben te beschrijven, voor Jean Valjean even duidelijk en klaar als wij getracht hebben dien onzen lezers voor te stellen? Zag Jean Valjean onderscheidenlijk al de grondelementen, waaruit zijn zedelijke ellende bestond, nadat ze zich gevormd had, en had hij duidelijk gezien hoe ze zich vormde? Had deze ruwe, onbeschaafde man zich nauwkeurig rekenschap gegeven van de gedachtenreeks langs welke hij trapsgewijze was gekomen, tot die sombere aanschouwingen, welke sinds zoovele jaren de inwendige horizont van zijn geest uitmaakte.
Was hij zich wel bewust van alles wat in hem was omgegaan en zich in hem bewoog? Wij zouden het niet durven zeggen; wij gelooven het zelfs niet. Jean Valjean was te onwetend, dan dat hij, zelfs na zoovele rampen, niet omtrent vele zaken nog in 't duister zou zijn. Vaak wist hij zelf niet recht wat hij gevoelde. Jean Valjean was in de duisternis; in de duisternis leed hij; in de duisternis haatte hij; men zou kunnen zeggen, dat hij alles rondom zich haatte. Hij leefde bestendig in deze duisternis, en tastte rond, als een blinde, als een droomende. Slechts van tijd tot tijd overviel hem eensklaps, 't zij uit zich zelven of van buiten, een opwelling van toorn, een vermeerdering van lijden, een flauwe, vluchtige bliksemstraal, die geheel zijn ziel verlichtte, en hem overal, voor en achter, de afgrijselijke afgronden en het donker verschiet van zijn lot vertoonde.
Was de bliksem voorbij, dan werd het weder nacht. Waar was hij dan? Hij wist het niet.
Het eigenaardige van zulk een lijden, waarbij het onverbiddelijke, het verstompende de hoofdrol speelt, is, dat door een soort van onmerkbare gedaanteverwisseling de mensch allengs in een wild dier herschapen wordt. Soms in een wreed dier. De herhaalde en hardnekkige pogingen van Jean Valjean ter ontvluchting zouden voldoende zijn om deze vreemde uitwerking der wet op de menschelijke ziel te bewijzen. Jean Valjean zou deze zoo geheel en al nuttelooze en dwaze pogingen even dikwerf hebben herhaald, als de gelegenheid er zich toe had aangeboden, zonder een oogenblik aan de gevolgen of aan de opgedane ondervinding te denken. Hij vluchtte onnadenkend, gelijk de wolf die zijn hok open vindt. Het instinct zeide hem: Vlucht! De rede zou hem gezegd hebben: Blijf! Maar bij zulk een sterke verzoeking, was de rede verdwenen; alleen het instinct was gebleven. Alleen het dier handelde. En wanneer hij weder gevat was, dienden de nieuwe strengheden, waaraan men hem onderwierp, slechts om hem nog woester te maken.
Een bijzonderheid, welke wij niet mogen vergeten, was dat hij een lichaamskracht bezat, waarin geen ander der tuchtelingen hem evenaarde. Bij den arbeid, bij het vieren van een kabel, het draaien van een kaapstander, gold Jean Valjean voor vier man. Somwijlen tilde hij een ontzettenden last op en droeg dien op den rug; bij zekere gelegenheid deed hij als een windas dienst. Zijn kameraden hadden hem dan ook den bijnaam van "Windas" gegeven.
Eens, dat het balkon van het stadhuis te Toulon werd hersteld, geraakte een der fraaie kariatiden, welke dat balkon steunen, los en zou gevallen zijn. Maar Jean Valjean, die daar tegenwoordig was, hield de kariatide zoo lang met zijn schouder tegen, dat de werklieden tijd hadden er bij te komen.
Zijn lenigheid overtrof nog zijn lichaamskracht. Sommige tuchtelingen, die eeuwig aan ontvluchting denken, maken ten laatste van de lichaamskracht, met behendigheid vereenigd, een soort wetenschap. 't Is de wetenschap der spieren. Een geheele cursus van statica wordt dagelijks heimelijk door de gevangenen beoefend, deze eeuwige benijders van vliegen en vogels.
Een loodrechte steilte te beklimmen en steunpunten te vinden, waar nauwelijks een oneffenheid te zien was, was voor Jean Valjean kinderspel. Was hij aan den kant van een muur, dan schoof en trok hij zich, door inspanning van rug en knieën, terwijl hij de ellebogen en hielen tegen de ruwe steenen klemde, als door tooverkunst tot een derde verdieping verder. Meermalen klom hij op deze wijze tot aan het dak van het bagno.
Hij sprak weinig en lachte nooit. Er was iets zeer bijzonders noodig om hem een paar keeren in 't jaar dien akeligen glimlach van den tuchteling te ontlokken, die als een echo van den lach des duivels is. Hij scheen immer iets vreeselijks voor zich te zien. Hij was in waarheid in gedachten verdiept.
Door de ziekelijke voorstellingen zijner onvolmaakte natuur en van zijn gedrukten geest gevoelde hij duidelijk dat iets ontzettends op hem lag, zonder te weten wat. In het vale, sombere halfdonker, waarin hij voortkroop, zag hij, telkens wanneer hij zich omkeerde en zijn blik poogde op te heften, tevens met ontzetting en woede boven zijn hoofd een onafzienbaar vreeselijk steile opeenstapeling van dingen: wetten, vooroordeelen, menschen en feiten, welker omtrekken hem niet duidelijk waren, welker menigte hem verschrikte, en dat niets anders was dan de wonderbare piramide, die wij beschaving noemen. Hier en daar onderscheidde hij in dit wemelend wanstaltig geheel, nu eens in zijn nabijheid, dan veraf en op onbereikbare vlakten, een helder verlichte groep of eenig voorwerp, hier den opzichter met zijn stok, dáár den gendarm met zijn sabel, ginds den gemijterden aartsbisschop, zeer hoog boven dezen, in een soort van stralenkrans, den gekroonden, oogverblindenden keizer. Het scheen hem alsof deze verre glans, in plaats van de duisternis te verdrijven, haar vreeselijker en donkerder maakte. Alles, wetten, vooroordeelen, feiten, menschen, dingen, dat alles bewoog zich heen en weder boven hem, al naar de ingewikkelde, verborgene beweging, welke God aan de beschaving geeft, en vertrad en verpletterde hem met een soort van koele wreedheid en onverbiddelijke onverschilligheid. De door de wet gebrandmerkten,--deze in den afgrond van alle mogelijke rampen gevallenen; ongelukkigen, in die diepten gezonken, waarin men geen blik meer slaat,--voelen op hun hoofd de gansche zwaarte der maatschappij; zoo schrikkelijk voor hem die er buiten, zoo ontzettend voor hem die er onder is.
In dien toestand gaf Jean Valjean zich aan zijn overwegingen over, en van welken aard konden die zijn?
Zoo het gierstkorreltje onder den molensteen kon denken, zou het zekerlijk dezelfde gedachten hebben als Jean Valjean.
Dit alles, werkelijkheid vol spookbeelden, droombeelden vol werkelijkheid, hadden eindelijk zijn ziel in een schier onbeschrijfelijken toestand gebracht.
Menigmaal hield hij plotseling te midden van zijn werk op en begon te denken. Zijn rede, nu rijper en tevens verwarder dan vroeger, verzette zich. Al wat hem gebeurd was, kwam hem ongerijmd voor; al wat hem omgaf, scheen hem onmogelijk. En bij zich zelven zeide hij: 't is een droom. Hij zag den opzichter eenige schreden van hem staan; hij hield hem voor een spook, tot deze opzichter hem plotseling een slag met den stok gaf.
De zichtbare natuur bestond nauwelijks voor hem. Men zou met eenige waarheid kunnen zeggen, dat voor Jean Valjean noch zon, noch fraaie zomerdagen, noch een heldere hemel, noch heerlijke lentemorgens bestonden. 't Was alsof zijn ziel gewoonlijk beschenen werd door het licht, dat door een keldergat dringt.
Om ten slotte al wat wij aangegeven hebben zooveel mogelijk in bepaalde resultaten samen te vatten, zeggen wij alleen, dat Jean Valjean, de vreedzame boomsnoeier van Faverolles, de geduchte tuchteling van Toulon sinds negentien jaren, door de wijze, waarop het bagno hem gevormd had, tot twee soorten van slechte handelingen in staat was geworden: ten eerste tot een slechte, snelle, onbedachte, dolzinnige, geheel instinctmatige handeling, een soort van wraak wegens het ondergane leed; ten tweede tot een slechte, ernstige gewichtige, gemoedelijk overwogene, en met de valsche denkbeelden, welke zulk een ramp kan geven, overlegde handeling. Zijn overleggingen doorliepen achtervolgens de drie vormen, waartoe alleen zekere karakters geschikt zijn: denken, willen en volharden. Zijn beweegredenen waren: doorgaande verontwaardiging, bitterheid van ziel, een diep besef der ondergane onrechtvaardigheden, weerwraak zelfs tegen goeden, onschuldigen en rechtvaardigen, zoo die er zijn. Het begin en het einde van al deze gedachten was haat tegen de menschelijke wet; een haat, die, zoo hij niet in zijn ontwikkeling wordt gestuit door bijzondere omstandigheid, na korter of langer tijd, tot haat tegen de maatschappij, daarna tot haat tegen het menschelijk geslacht, en eindelijk tot haat tegen de schepping overslaat, en zich openbaart door een onbestemde, onophoudelijke, woeste zucht om te schaden, onverschillig wat, of welk levend schepsel.--Men ziet, dat op het paspoort Jean Valjean niet ten onrechte een "zeer gevaarlijk mensch" werd genoemd.
Van jaar tot jaar was zijn hart langzaam, maar op noodlottige wijze, meer en meer verdroogd. Een droog hart, een droog oog. Toen hij het bagno verliet, had hij in negentien jaren geen traan geweend.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
HET WATER EN DE SCHADUW.
Een man over boord!
Om 't even! het schip houdt niet op. De wind blaast, het donkere schip moet den voorgeschreven koers volgen. Het zeilt verder.
De man verdwijnt, komt weder te voorschijn, zinkt en komt weder boven; hij roept, strekt de armen uit; men hoort hem niet. Het schip, dat onder den storm beeft, let slechts op zich zelf; de matrozen en passagiers zien zelfs den zinkenden man niet meer; zijn arm hoofd is slechts een stip in 't midden der onmetelijke golven. In de diepte slaakt hij wanhoopskreten. Welk een gedachte, dat verdwijnend schip! Hij oogt het in waanzinnige woede na. Het verwijdert zich, wordt onduidelijker en kleiner. Zooeven was hij er nog op, hij behoorde tot de bemanning, ging met de overigen heen en weder op het dek, hij had zijn deel van lucht en zon, hij was een levende. En nu, wat is gebeurd? Hij is gestruikeld, gevallen, en alles is gedaan.
Hij ligt in het afschuwelijke water. Onder zijn voeten zinkt alles weg. De door den wind gezweepte golven omgeven hem met haar verschrikking, de diepte trekt hem aan, het schuimend water spat hem om 't hoofd, en spuwt hem in 't aangezicht; de eene baar na de andere overstelpt hem; telkens zinkt hij en ziet onduidelijk stikdonkere afgronden onder zich; onbekende afgrijselijke zeeplanten vatten hem, omstrikken zijn voeten, trekken hem tot zich; hij voelt dat hij tot den afgrond behoort, dat hij een gedeelte van het schuim vormt, de golven werpen hem elkander toe; hij zwelgt het zilte water in, de laaghartige oceaan wil hem met geweld verdrinken, de onmetelijkheid speelt met zijn doodsangst. Het schijnt, dat al dit water niets dan haat is.
Evenwel worstelt hij.
Hij poogt zich te verdedigen, hij beproeft boven water te blijven, hij spant zich in en zwemt. Hij, wiens armzalige krachten zoo spoedig zijn uitgeput, wil met het onuitputtelijke worstelen.
Maar waar is het schip? Ginds; nauwlijks zichtbaar in de vale duisternis van den horizont.
De wind giert; de schuimende golven vallen op hem. Hij heft de oogen op en ziet niets dan grijze wolken. In zijn doodsstrijd is hij de getuige van de ontzettende woede der zee. Hij wordt door waanzin gepijnigd. Hij hoort een voor den mensch vreemd geluid, dat van gene zijde der aarde schijnt te komen, men weet niet uit welk vreeselijk oord.
Er zijn vogels hoog boven de wolken, gelijk er engelen hoog boven den menschelijken nood zijn, maar waartoe dienen zij hem? Zij vliegen, zingen en zweven en hij--hij sterft. Hij voelt zich tegelijkertijd door deze twee oneindigheden, den oceaan en den hemel, omgeven; de eene is een graf, de andere is een doodskleed.
De nacht daalt, uren lang heeft hij gezwommen; zijn krachten zijn uitgeput; het schip, dat verwijderd voorwerp waarop menschen waren, is verdwenen; hij is alleen in den schrikkelijken donkeren afgrond, hij zinkt, verstijft, wringt zich, hij voelt onder zich de monsterachtige golven van het onzichtbare; hij roept.
Er zijn geen menschen meer. Waar is God?
Hij roept, roept immer ... Niemand komt.
Niets aan den horizont. Niets aan den hemel.
Hij smeekt het uitspansel, de golven, het zeewier, de klippen; dat alles is doof. Hij smeekt den orkaan; de onverstoorbare orkaan gehoorzaamt alleen aan het oneindige.
Rondom hem duisternis, nevel, eenzaamheid, het woest stormachtig geloei, het eindeloos klotsen der verbolgen golven. In hem afgrijzen en afmatting. Onder hem verzinking. Geen steunpunt. Hij denkt aan 't geen het lijk in de onbegrensde duisternis te wachten heeft. De koude verlamt hem. Zijn handen bewegen zich krampachtig; sluiten zich en vatten niets. Winden, wolken, vlagen, hoozen, sterren, alles is voor hem nutteloos! Wat moet hij doen? De wanhopige geeft zich over; de uitgeputte neemt den dood aan, hij laat zich los, en de vreeselijke diepte verzwelgt hem.
O onbarmhartige gang der menschelijke maatschappij. Hoe vele menschen en zielen gaan onderweg verloren! Oceaan, waarin alles valt, wat de wet laat vallen! Heillooze verzinking der hulp! O zedelijke dood!
De zee is de onverbiddelijke maatschappelijke duisternis, waarin de strafwet haar veroordeelden werpt. De zee is de onmetelijke ellende.
De ziel, die in dien afgrond wordt geworpen, kan een lijk worden. Wie zal haar opwekken?
NEGENDE HOOFDSTUK.
ANDERE GRIEVEN.
Toen het uur van zijn vertrek uit het bagno kwam en Jean Valjean deze vreemde woorden: "gij zijt vrij!" hoorde, was dit voor hem een ongelooflijk, ongehoord oogenblik, en een straal van levend licht, een straal van het ware licht der levenden drong plotseling in hem. Doch spoedig verbleekte deze straal. Jean Valjean was door het denkbeeld van vrijheid verblind. Hij had aan een nieuw leven geloofd. Spoedig werd hij gewaar, welke vrijheid het is, die men met een gelen pas geeft.
En behalve dat, een menigte teleurstellingen. Hij had berekend, dat, wat hij gedurende zijn verblijf in het bagno gespaard had, honderd-een-en-zeventig francs moest bedragen. 't Is billijk hier op te merken, dat hij vergeten had de gedwongen rust der zon- en feestdagen in rekening te brengen, die gedurende negentien jaren een vermindering van ongeveer vier-en-twintig francs veroorzaakte. Hoe het zij, het bedrag was ten gevolge van verscheidene kortingen tot honderd negen francs vijftien sous verminderd, welke som hem bij zijn ontslag werd ter hand gesteld.
Hij begreep hier niets van en meende zich te kort gedaan, of, om 't juist te zeggen, bestolen.
Den dag na zijn ontslag, zag hij te Grasse voor een destilleerderij van oranjebloesem lieden bezig met balen af te laden. Hij bood zijn dienst aan, die aangenomen werd, wijl er haast bij 't werk was. Hij ging dan aan den arbeid. Hij was schrander, sterk en handig; hij deed zijn best. De meester scheen over hem tevreden. Terwijl hij aan 't werk was, kwam een gendarm voorbij, zag hem en vroeg hem naar zijn papieren. Hij moest den gelen pas vertoonen. Na dit gedaan te hebben, hervatte Jean Valjean zijn arbeid. Even te voren had hij een der werklieden gevraagd, wat zij per dag met dit werk verdienden; ze hadden hem geantwoord: "dertig sous." Wijl hij den volgenden dag verplicht was zijn reis voort te zetten, ging hij des avonds naar den meester der destilleerderij en verzocht hem zijn dagloon. De meester sprak geen woord en betaalde hem vijftien sous. Valjean maakte zijn beklag. Men antwoordde hem: "dit is genoeg voor u." Hij drong op meer aan. Toen zag de meester hem schuw aan en duwde hem toe: "Wacht u voor de gevangenis!"
Ook hier achtte hij zich bestolen.
De maatschappij, de staat, had hem, door zijn besparingen te verkorten, in 't groot bestolen. Nu bestal de particulier hem op zijn beurt, in 't klein.
Ontslag was geen bevrijding. Men kan het bagno wel verlaten, maar niet de veroordeeling.
Dat was hem te Grasse gebeurd. Men heeft gezien hoe hij te Digne werd ontvangen.
TIENDE HOOFDSTUK.
DE ONTWAKING.
De klok der hoofdkerk sloeg twee uur in den morgen, toen Jean Valjean ontwaakte. Wat hem had wakker gemaakt, was 't het te zachte bed? Hij had sinds bijna twintig jaren op geen bed geslapen, en, hoewel hij zich niet ontkleed had, was deze gewaarwording toch voor hem te nieuw en te ongewoon, om zijn slaap niet te storen.
Hij had langer dan vier uren geslapen. Zijn vermoeidheid was geweken. Hij was niet gewoon veel uren aan de rust te besteden.
Hij opende de oogen en sloeg een blik in de duisternis rondom zich, toen sloot hij ze weder om te slapen.
Wanneer de dag door vele en verschillende gewaarwordingen bewogen is geweest, en vele dingen den geest bezighouden, valt men wel in slaap, maar men slaapt later niet weer in. De slaap komt gemakkelijker dan hij terugkeert. Zoo ging 't ook met Jean Valjean. Hij kon niet weder inslapen en begon te denken.
Hij was in een dier oogenblikken, dat alle denkbeelden in den geest verward zijn. In zijn hersenen woelde alles dooreen. Zijn vroegere en zijn jongste herinneringen vloeiden ineen of kruisten elkaar; zij verloren haar vormen, vergrootten zich onmatig en verdwenen dan eensklaps als in een troebel, bewogen water. Vele gedachten kwamen in hem op, maar ééne was er die gestadig terugkwam en al de overige verdrong. Deze gedachte was:--Hij had de zes zilveren vorken en lepels en den grooten soeplepel opgemerkt, die Magloire op de tafel had gelegd.
Dat zilverwerk kwelde hem. Zij lagen hier--op korten afstand--juist toen hij de belendende kamer was doorgegaan om naar de zijne te gaan, legde de oude dienstmaagd ze in een kastje aan 't hoofdeinde van het bed.--Hij had het kastje goed opgemerkt,--rechts, als men uit de eetkamer komt.--Het was oud massief zilver.--Met den grooten soeplepel er bij zou men er ten minste tweehonderd francs voor krijgen.--Het dubbel van hetgeen hij in negentien jaar verdiend had.--'t Is waar, dat hij meer zou hebben verdiend zoo de "administratie" niet hem "bestolen" had.
Een geheel uur dobberden zijn gedachten heen en weder, niet zonder eenigen strijd. Het sloeg drie uren. Hij opende weder de oogen, zette zich schielijk overeind, stak tastend den arm uit, naar zijn ransel, dien hij in een hoek der alkoof had gelegd, vervolgens liet hij zijn beenen uit het bed hangen, zette zijn voeten op den grond en zonder schier te weten hoe, vond hij zich op zijn bed zitten.
Hij bleef eenigen tijd peinzend in deze houding, welke iets onheilspellends moest hebben voor iemand, die hem alzoo in de duisternis, de eenige wakende in het slapend huis, had gezien. Eensklaps bukte hij zich en trok zijn schoenen uit en zette ze zacht op de mat voor het bed, toen nam hij weder zijn peinzende houding aan en zat weder bewegingloos.
In deze heillooze overdenkingen woelden de gedachten, welke wij hebben aangegeven, gestadig door zijn hersenen, kwamen er in, gingen er uit, keerden er in terug en brachten een soort van drukking bij hem teweeg; tegelijkertijd dacht hij, zonder te weten waarom, met de hardnekkigheid van een droom aan zekeren tuchteling Brevet geheeten, dien hij in het bagno had gekend, en wiens broek slechts aan één gebreiden katoenen draagband hing. Hij had den geruiten draagband gestadig voor den geest.
Zoo zat hij, en zou misschien tot het aanbreken van den dag zoo gezeten hebben, indien de klok niet éénmaal geslagen had,--een kwart of een half uur. Het was alsof deze slag hem zeide: kom aan!
Hij stond op, aarzelde nog een oogenblik en luisterde: alles was stil in het huis; toen ging hij rechtuit en met zachte schreden naar het raam, dat hij zien kon. De nacht was niet erg donker; 't was volle maan, maar de wind dreef groote zware wolken om haar heen. Daardoor ontstond buiten een afwisseling van licht en schaduw, verduistering en verlichting, en in de kamer een soort van schemering. Die schemering, waarbij men genoegzaam zien kon om zich te richten, en die door de wolken telkens verbroken werd, geleek op het bleeke licht, dat door een kelderluik valt, waarlangs menschen heen en weer gaan. Aan het raam gekomen, onderzocht Valjean het nauwkeurig. Het was zonder tralies, kwam in den tuin uit en was slechts, volgens landelijk gebruik, met een wervel gesloten. Hij opende het, maar wijl een koude, scherpe lucht de kamer binnendrong, sloot hij het aanstonds weder. Met een oplettenden blik, die nog meer onderzoekt dan ziet, beschouwde hij den tuin. Deze was omgeven door een lagen witten muur, die gemakkelijk over te klimmen was. Aan gene zijde van den muur zag hij kruinen van boomen, op geregelden afstand van elkander, 't geen scheen aan te duiden dat de muur den tuin van een laan, of van een met boomen beplanten weg scheidde.
Na dit onderzoek, maakte hij de beweging van iemand, die een vast besluit genomen heeft, ging terug naar de alkoof, nam zijn ransel, opende hem, en haalde er iets uit, dat hij op het bed legde. Toen stak hij zijn schoenen in zijn zak, gespte den ransel dicht, nam hem op den rug, zette zijn pet op, welker klep hij dicht in de oogen trok, zocht tastend zijn stok, en zette hem in een hoek bij het raam, waarna hij naar het bed terugkeerde en bedaard het voorwerp nam, dat hij er op gelegd had. 't Geleek een korte ijzeren staaf, aan 't eene eind als een spies uitloopende. 't Ware moeielijk geweest in de duisternis te onderkennen, tot welk einde dit ijzer moest dienen; 't kon een breekijzer, 't kon een groote beitel zijn.
In het licht had men kunnen zien dat het eenvoudig de wigge eens mijnwerkers was. Destijds gebruikte men soms de tuchtelingen om steenblokken uit de hooge heuvelen, die Toulon omgeven, te halen, en 't is dus niet vreemd, dat zij mijnwerkersgereedschappen in gebruik hadden. Zulk een werktuig was het nu, dat hij in de rechterhand nam, en met ingehouden adem en zachte schreden naderde hij de deur der aangrenzende kamer waar, gelijk wij weten, de bisschop sliep. De deur stond op een kier. De bisschop had ze niet gesloten.
ELFDE HOOFDSTUK.
WAT HIJ DOET.
Jean Valjean luisterde. Alles was stil.
Hij stiet met den vinger tegen de deur, even zacht en behoedzaam als een kat, die binnen wil komen. De deur week voor de drukking en ging onmerkbaar en zonder gerucht iets verder open.
Hij wachtte een oogenblik, en stiet nu stoutmoediger ten tweedenmale de deur verder open.
Zij bewoog zich zonder gerucht, en nu was de opening zoo wijd, dat hij er door kon gaan. Maar bij de deur stond een tafeltje, dat met de deur een lastigen hoek vormde en den toegang versperde.
Jean Valjean zag de moeielijkheid in; de toegang moest noodwendig wijder zijn.
Hij nam zijn besluit en stiet ten derden male en forscher dan vroeger tegen de deur. Doch dezen keer liet het hengsel een lang en krijschend geluid hooren in de duisternis.
Jean Valjean ontroerde. Het gekners der deur klonk in zijn ooren schetterend en vreeselijk als de bazuin van het laatste oordeel.
In de spookachtige ontsteltenis van 't eerste oogenblik, meende hij schier, dat het hengsel leven aannam en als een hond huilde en blafte, om een ieder te waarschuwen en de slapenden te wekken.
Bevend en ontsteld stond hij stil en liet zich van de teenen op de hielen neder. Hij voelde zijn slapen als twee mokers kloppen, en zijn adem kwam hem even sterk voor als de tochtwind die uit een spelonk waait. Het scheen hem onmogelijk, dat dit vreeselijk gekrijsch het huis niet als door een aardbeving geschud had; de door hem geopende deur had onraad gemerkt, en had geroepen; de grijsaard zou opstaan, de beide vrouwen zouden om hulp roepen, de buren zouden toesnellen en in minder dan een kwartier zou de heele stad in beweging en de gendarmerie op de been zijn. Een oogenblik waande hij zich verloren.