De Edda

Part 9

Chapter 9 4,046 words Public domain Markdown

--"Een stroom stortte zich in de zaal, en overstroomde de zetels, en u beiden wierp hij van de voeten en het water spaarde niets. Dat moet iets beteekenen. En in volle wapenrusting reden doodsvrouwen naar den koningsburcht, en zij riepen om u, en uw beschermgeesten waren verdwenen."

Goenther stond op en sprak:

--"Gij komt te laat,--ik besloot te gaan, en ik ga. De oude grauwe wolven zullen de schatten der Nevelingen bewaren als Goenther verloren gaat,--beren zullen met scherpe tanden de mannen verscheuren, als Goenther niet wederkeert."

Toen reden Goenther en Hagen met weinige mannen heen, maar vele dappere helden geleidden hen tot buiten de poort van den Nevelingenburcht. Daar zeide een zoon van Hagen, die niet verder medeging:

--"Veel geluk op uw reis. Maar weest op uw hoede waarheen uw hart u lokt."

Vol moed lieten zij toen hun brieschende paarden door het onbekende donkere woud draven. Heel Hunnenland daverde, toen de helden daar reden, en de paarden met zweepslagen door het groene bosch heendreven.

Zij kwamen in het land van Atli en zagen de diepe insnijdingen in de tinnen van den burcht, waar Boedli's strijders op stonden. De zaal van dat Zuidervolk was met banken omgeven en rondom stonden er schilden, rand aan rand. In de hal dronk Atli wijn met zijn makkers, en buiten stonden er wachters, en zij zagen uit of Goenther ook kwam om met luid schallende speren den strijd te beginnen tegen den koning.

Weldra zag Goedroen haar broeders naar de zaal komen, en zij zeide:

--"Goenther, gij zijt verraden. Wat wilt gij beginnen, held, tegen de rampzalige listen der Hunnen? Ga spoedig heen uit de hallen. Gij hadt beter gedaan, broeder, wanneer gij in pantsers gekomen waart, dan zoo, met ringen versierde helmen op het hoofd dragend, ten einde Arli te bezoeken. Het ware beter, wanneer gij dagen lang in het zadel gezeten hadt en gereden waart door de felle zon, en geesten liet klagen bij kille lijken, en vechtenden Hunnenvrouwen smaad hadt bereid, en Atli naar een slangengraf gesleept hadt, waarin gij nu wordt geworpen."

Goenther antwoordde:

--"Nu is het te laat om de Nevelingen bij elkander te roepen, het is te ver om mijn mannen tot het gevecht te halen, de onverschrokken helden van den roodrotsigen Rijn."

Toen kwamen de mannen van Atli te voorschijn, en zij riepen:

--"Het was reeds lang besloten uw leven te belagen."

Tevergeefs trachtte Goedroen den vrede te bewaren, en allen riepen:

--"Neen."

Ook vroeg zij aan haar zonen, dat zij den Nevelingen het leven zouden redden, maar deze zeiden:

--"Neen."

Toen ontstond er een groote strijd, waarin alle Nevelingen gedood werden, behalve Goenther en Hagen, en waarin ook velen van Atli's mannen vielen.

Zij namen Goenther gevangen en bonden hem in stevige boeien. Hagen echter sloeg zeven mannen neer en stiet den achtste in een brandend vuur: zoo trachtte hij nog zijn broeder te redden.

Daarop vroegen Atli's mannen aan Goenther, of hij zijn leven koopen wilde met Fafners goud. Goenther echter zeide,--en hij geloofde niet, dat het gebeuren kon--:

--"Als men Hagen het hart uit het lijf snijdt en het bloederig op mijn hand legt, zal ik mijn leven met Fafners goud afkoopen."

Toen sneden Atli's mannen Hialli, den kok van den koning, het hart uit het lijf en legden het bloederig op een schotel en boden het Goenther aan. Deze echter zeide:

--"Dat is het hart van den laffen Hialli, het gelijkt niet op het hart van den dapperen Hagen: het beeft te zeer nu het op den schotel ligt, en het beefde nog meer in zijn borst."

Toen sneden Atli's mannen Hagen, den koenen krijgsman, het hart uit het lijf. En Hagen lachte zoo luid, dat heel de wereld het hoorde. En zij legden het bloederig op een schotel en boden het Goenther aan.

Deze zeide:

--"Dit is het hart van den dapperen Hagen, het gelijkt niet op het hart van den laffen Hialli: het beeft slechts weinig, nu het op den schotel ligt, en het beefde nog minder in zijn borst. Moge gij, Atli, zoo ver uit het oog van de menschen verdwijnen, als Fafners goud van u verwijderd blijft. Hagen is dood, nu ken ik alleen slechts de plaats, waar het goud ligt. Zoolang wij haar beiden kenden, vreesde ik, dat zij ooit verraden werd,--nu ik alleen ben vrees ik niet meer. De Rijn zal het veel omvochten goud bewaren, dat de Nevelingen van de goden gekregen hebben: in het water schitteren de roode strijdringen beter dan aan de armen van een Hunnenkind."

Daarop zeide Atli:

--"Brengt den wagen voor,--de gevangene is gebonden."

Koning Atli steeg op zijn paard, en deed Goenther met gewapende mannen omringen. Daar kwam Goedroen op de rumoerige binnenplaats van den burcht,--zij bedwong hare tranen,--en zeide:

--"Atli, het moge u gaan naar de wijze waarop gij de eeden houdt, die gij eens aan Goenther hebt gezworen bij de zon in het Zuiden, bij de bergen van Wodan, bij het huis en de ringen van Uller."

Toen sleepten brieschende paarden Goenther, den heer der schatten, in den dood. Levend wierpen de krijgsknechten hem in een groeve, die wemelde van slangen. Maar Goenther sloeg grimmig in de harpesnaren en de slangen sliepen in. Eén slang echter bleef wakker en kroop naar Goenther en stak den held diep in het hart.

Goedroen, die thuis gebleven was, zon in hevige woede op wraak. Zij ging naar hare beide kinderen, die angstig weggekropen waren, en zij zeide tot hen:

--"Ik kom u het leven ontnemen,--dat lust mij sinds lang."

En zij sloeg beiden het hoofd af.

Na den moord op Goenther liet Atli zijn paarden terugdraven naar huis. In den hof was een luid gerucht van stampende paardenhoeven en van het wapengekletter der mannen, die van den moord uit het woud gekomen waren. Goedroen ging haar gemaal te gemoet met een gouden beker, en bood den koning een welkomstdrank aan, en zij zeide tot hem:

--"Mijn koning, neem vol vreugde van Goedroen dezen bloedjongen drank."

Atli ging met de langbaardige krijgers, die van den moord uit het woud gekomen waren, in de groote zaal, en zij dronken veel wijn dien Goedroen hun aanbood, en zij aten de spijzen die Goedroen hun gaf. Atli echter werd bleek als een doode, toen Goedroen hoonend tot hem sprak:

--"Menschenvleesch kunt gij goed verdragen en het schijnt een kostelijke spijs bij dien wijn. Gij hebt de bloederige harten van uw zonen gegeten: ik had ze met honig bereid. Die schalen zijn de schedels van uw kinderen, en van hun bloed brouwde ik den drank, dien ik u bracht. Erp en Eitel zullen niet meer vroolijk op uw knieën spelen, en nooit meer zult gij zien hoe zij speerschachten snijden."

Een luid geschreeuw steeg op in de zaal. De rijk gekleede vrouwen jammerden, het Hunnenvolk huilde en Goedroen zweeg. Zij weende niet om de beide knapen, die haar lieve kinderen waren.

Toen deelde de zwaanwitte Goedroen haar goud uit en gaf roode ringen aan haar dienaren en schonk al haar sieraden weg. Niets spaarde die vrouw uit hare schatkamers.

Atli nu was zeer dronken en hij ging zonder zorg en geheel ongewapend naar bed, en hij nam zich niet in acht voor Goedroen.

Dat was een vroolijker spel, toen zij elkander eens omhelsden! Nu voerde haar vuist een dolk en zij doorstak Atli en zij kleurde zijn bed met zijn bloed.

Atli zeide tot haar:

--"Helden vergezelden u, toen gij kwaamt in mijn burcht, en vele rijkdommen gaf ik u, dertig dienaren en zeven maagden en zilver zonder maat. Gij hebt het aangenomen, alsof het geen waarde had, en het goud van Brunhilde hieldt gij terug."

Toen herinnerde Goedroen zich wederom alles, wat er gebeurd was voor zij Grimhilde's drank had gedronken. En zij dacht weer aan Siegfried en zeide:

--"Siegfried stierf, en weg was al mijn geluk. Diep treurde ik om mijn droevige lot. Maar ik had het nog droeviger in het huis van Atli."

Toen Atli gestorven was, liet Goedroen de honden los en wekte de dienaren. Dan slingerde de vrouw een brandende fakkel in den burcht, en allen, die er in gebleven waren, wijdde zij aan den dood. De oude balken braken en stortten naar beneden, rook sloeg de schatkamers uit, en de strijdvrouwen in Atli's dienst verbrandden met den burcht.

Toen stortte ook Goedroen zich in den laaienden gloed, en verbrandde.

Sommigen echter zeggen, dat Goedroen zich niet in de vlammen wierp, maar dat zij na den dood van Atli naar de zee ging en zich in het water wierp om zich aldus te dooden. Maar zij kon niet verdrinken. Zij dreef over het water en kwam in het land van koning Jonaker en deze trouwde met haar en hun zoon was Erp, dien Goedroen zeer lief had. Koning Jonaker had nog twee andere zonen, die Sorli en Hamdir heetten, doch deze waren kinderen van eene andere vrouw.

Aan het hof van koning Jonaker verbleef ook Zwaanhilde, die de dochter van Goedroen en Siegfried was. En zij was verloofd met Ermanrik den machtige. Bij Ermanrik was Bikki en deze spoorde Randwer, den zoon van den koning, aan, om Zwaanhilde voor zich te nemen. En hij zeide dit toen aan den koning. De koning liet Randwer ophangen en Zwaanhilde door paarden vertrappen.

Den volgenden dag hoorde Goedroen deze droevige daad:--als menschen ontwaken worden weer al hunne zorgen wakker. Zij spoorde haar zonen aan om wraak te nemen en zeide:

--"Blijft gij daar liggen en uw leven verslapen? Hebt gij nog niet genoeg van uw vroolijk gepraat? Het was uwe zuster, Zwaanhilde, die Ermanrik door witte en zwarte en grijze paarden, waar Gothen op reden, vertrappen liet. Nu zijt gij de eenige overgebleven verwanten van mijn geslacht. En ik ben eenzaam als een boom in de woestijn en beroofd van alle vreugde, zooals een boom zijn bladeren verloor als er storm kwam na warme dagen. Slechts weinig gelijkt gij op Goenther, en gij zijt niet zoo heldhaftig als Hagen was. Wanneer gij zoo dapper waart als die beide broeders, zoudt gij heengaan om uw zuster te wreken."

Hamdir antwoordde haar:

--"Hebt gij den moed van Hagen ook zoo geprezen, toen zij Siegfried doodden in het bosch? Zijn moordenaren lachten, terwijl gij bij het lijk zat, maar gij hoordet het niet. Zoo lief had u Goenther! En gij dacht Atli te verderven door Erp en Eitel te dooden, maar gij hebt u zelve niet veel voordeel gedaan. Wel waren de knapen spoedig geslacht, maar nu hadden wij met hem onze zuster kunnen wreken."

En Sorli zeide:

--"Gij betreurt uwe broeders, maar, Goedroen, door uw schuld stortten zij zich in den strijd. Spoedig zult gij ook ons beklagen, want wij rijden onzen ondergang te gemoet en zullen, ver van u, vallen. Geef ons de wapenen van de duitsche vorsten,--gij hebt ons geprikkeld tot den strijd."

Goedroen lachtte en ging in de kamer. Daar haalde zij uit de kisten de helmen van de koningen, en bracht de pantsers aan de zonen. Toen stegen zij te paard en Hamdir zeide:

--"Ik zal niet meer naar moeder wederkeeren, maar door de Gothen worden gedood. Goedroen, dan kunt gij tegelijk voor Zwaanhilde en voor uw beide zonen het doodsmaal bereiden."

De beide koningskinderen reden heen en Goedroen bleef zorgenvol in de zaal achter en weende. Zij dacht aan den droevigen ondergang van haar geslacht, en zij zeide tot zichzelf:

--"Ik heb aan drie haardsteden gezeten en drie mannen gehad, maar Siegfried was mij de liefste van allen. Hem hebben mijn broeders gedood, en nog meer droefheid bereidden zij mij, toen zij mij aan Atli gaven. Ik wilde de woeste Hunnen ter wraakneming roepen, maar ik kon voor de wandaad geen boete verkrijgen. En ik moest mijn kinderen het hoofd afhouwen. Morrend ging ik naar het strand om den vloek van het noodlot af te wasschen. Maar de golven verzwolgen mij niet: zij droegen mij naar een nieuw land om te leven. Daar trouwde ik met een derden man en ik verwachtte vertroosting, toen ik een kind kreeg, dat met Jonakers kinderen mijn schatten en geslacht kon beschermen. Zwaanhilde was mij de liefste van alle meisjes, Zwaanhilde glansde in Goedroens zaal, zooals de schitterende zonnestralen glanzen. Ik had ze met goud gesierd en met schoone gewaden omhangen, voor ik ze naar het land der Gothen zond. Daar heb ik het hardste leed moeten dragen: zij hebben het blonde hoofd van mijn Zwaanhilde door paardenpooten in het stof gestampt. Mij brandt weer de pijn van toen zij Siegfried versloegen, mij steekt weer de smart als de slang die Goenther stak, mij snijdt het in het hart, als toen zij Hagens hart uitsneden."

Toen doorstak Goedroen zich met een zwaard en zeide:

--"Mijn Siegfried, kom nu op uw vlugge grauwe ros tot Goedroen gereden. Weet gij nog, Siegfried, wat wij tot elkander zeiden, toen wij beiden zaten op het bed? Mijn held, gij zoudt eens van Hella tot mij komen, of ik van de aarde tot u. Edelen, richt een hoogen brandstapel op, dat de vlammen langs den hemel lekken. Daar wil ik verbranden, daar wil ik mijn gemartelde hart verbranden."

Toen stierf Goedroen. En de koningskinderen reden door de vochtige bergen en zochten voor Zwaanhilde wraak. Ook Erp was uitgereden, geheel alleen, hij was zonder te morren ter wraakneming uitgereden. Hij ontmoette zijn beide broeders en zeide tot hen:

--"Aan lafaards wijst men den weg tevergeefs."

De broeders hoonden hem en zeiden:

--"Bastaard! Waarin zoudt gij ons kunnen helpen, bruine Neveling?"

Zij trokken de zwaarden uit de scheeden, en zwaaiden ze tot groote vreugde van de doodsgodin. En zij doodden Erp, en de strijd was zoo geweldig, dat het hun een derde deel hunner krachten kostte.

Toen reden zij verder, een weg van verschrikking. Ten westen van den burcht, aan een galg, slingerde bloederig heen en weer in den wind Zwaanhildes verleider, een vreeselijk lokaas voor ravensnavels. In de zaal van den burcht echter was een gegons van drinkers, en deze bemerkten niet, dat er paarden gekomen waren, vóór de torenwachter op den hoorn blies. Toen snelden zij naar Ermanrik en zeiden:

--"Wat zullen wij doen? Daar kwamen machtige mannen, geduchte strijders, wier zuster door uw paarden vertrapt werd."

Ermanrik echter grinnikte, greep naar zijn baard, dronk eens van den beker en wilde zijn strijdkleed niet nemen. En terwijl hij den beker van de eene hand in de andere nam, zeide hij:

--"Ik zal gelukkig zijn Sorli en Hamdir tot gasten te hebben. Ik zal ze met boogpezen binden en de laatste verwanten van Gibichs geslacht aan de galg hangen."

Daar stond een sterke man in de zaal. Hij had slechts één oog en het was Wodan en hij zeide:

--"Houd op met praten. Die twee trachten iets, wat toch niet is te bereiken. Hebben ooit twee mannen duizend Gothen gedood of in een stevigen burcht gevangen genomen?"

Er werd hevig gevochten en er vielen vele Gothen, zooals bekers vallen, die omgeworpen worden. Toen zeide Hamdir:

--"Zijt gij nog zoo gelukkig, Ermanrik, dat wij in uw hallen kwamen? Daar liggen uwe handen en daar liggen uw voeten in het vuur."

Daar sprong de eenoogige krijgsman op, als een leeuw was hij in zijn pantser, en hij zeide:

--"Steenigt die mannen, als geen speer of zwaard hen kan schaden."

Sorli zeide:

--"Wij hebben een onvoorzichtige daad begaan door Erp, Goedroens zoon, te dooden. Als Erp nog leefde, was Ermanriks hoofd nu wel afgehouwen. Nu hebben wij hem gedood op onzen tocht hierheen, dien dapperen krijger, en wij zijn er vermoeid van."

Hamdir antwoordde hem:

--"Maar hevig hebben wij gevochten, en wij staan op lijken van Gothen, zooals gieren op boomtakken staan. Wij hebben roem verworven, al vallen wij ook. En niemand zal den nacht beleven, als de Norne niet wil."

Vóór in de zaal werd toen Sorli gedood, en achter den burcht viel Hamdir.

Ortroens klacht

Een man heette Heiderik en hij had een dochter, wier naam Borgni was. Haar geliefde heette Wilmond. Borgni nu moest een kind baren en zij kon niet worden verlost, vóór Ortroen, Atli's zuster, bij haar was gekomen. En Ortroen was de geliefde van den Gibichung Goenther.

Toen Ortroen hoorde, dat de dochter van Heiderik groote smarten leed en niet kon verlost worden, nam zij een paard uit den stal, legde het zelve een zadel op den rug, en reed langs lange wegen, totdat zij aan de hooge koningshallen kwam. Daar nam zij het zadel van het vermoeide paard en ging de groote zaal binnen.

Borgni zeide tot haar:

--"Hier ligt Borgni in bange pijnen. Ortroen, tracht haar te helpen."

Ortroen sprak tot haar:

--"Wie is de koning, die u zulk een smaad heeft berokkend?"

Borgni antwoordde haar:

--"Wilmond noemt men een vriend van den koning, en dezelfde deken dekte hem en de maagd. Lang heb ik het voor vader verborgen gehouden."

Toen zette Ortroen zich voor de vrouw neder en zong haar machtige tooverzangen over Borgni. En spoedig baarde Borgni een jongen en een meisje, en het waren de kinderen van den man, die Hagen doodde, en dien Borgni Wilmond had genoemd.

Zoodra de zieke iets zeggen kon was haar alleréérste woord:

--"Heilige machten mogen u helpen, Ortroen,--Frigga en Freya en vele goden, zooals gij mij geholpen hebt in dit groote gevaar."

Ortroen echter sprak tot haar:

--"Ik zou niet gekomen zijn om u te helpen, want gij hebt het niet verdiend. Toen echter Atli's mannen mij van de mijnen beroofden, heb ik beloofd overal hulp te brengen en mijn belofte hield ik nu."

Borgni antwoordde zeer verwonderd:

--"Wat zijt gij ontdaan. Het is niet verstandig, dat gij zoo verstoord op mij zijt."

Ortroen zeide tot haar:

--"Moest gij na mij dan een zelfde voorbeeld aan meisjes geven?"

Toen zette zij zich vol droefheid neder en klaagde haar leed:

--"In de hallen van een held werd ik opgevoed en ik was de vreugde van vele vrienden. Vijf jaren van mijn jeugd bracht ik bij mijn vader door, en toen is hij gestorven. Maar vóór zijn dood gebood de koning, dat ik met gouden sieraden zou worden omhangen, en als vrouw moest gegeven worden aan Goenther in het zuidelijke land. En hij dacht, dat geen meisje op aarde zoo goed was bezorgd als ik. Toen kwam de overwinnaar van Fafner, en hij drong door tot waar Brunhilde zat. Veel behoef ik u niet te verhalen, gij weet wel hoe het bedrog werd ontdekt. Zij heeft er hard voor moeten boeten, en de heele wereld is het bekend, hoe zij zich zelf bij Siegfried doodde. Toen begon Goenther mij te beminnen zooals een man een vrouw bemint, en aan Atli bood hij vijftien schatten van Fafners goud. Maar Atli wilde die geschenken niet hebben, want hij wilde niet, dat een van Gibich's zonen met Ortroen trouwen zou.

Lang konden wij de liefde niet ontberen en ik omhelsde mijn held. Atli hoorde het van verwanten,--zij konden hun mond niet houden--maar hij geloofde niet, dat Ortroen zulk een daad zou begaan.

Laat toch niemand loochenen, wanneer er liefde in het spel is! Atli zond zijn boden door het donkere bosch naar mij heen,--en zij kwamen, waar zij niet komen moesten, en waar een deken Goenther dekte en mij. Wel gaven wij nog aan de mannen gouden ringen mede, opdat zij zwijgen zouden, maar zij reden spoedig naar huis terug en verhaalden er alles. Alleen Goedroen hoorde er niets van, en het ware voor haar van belang geweest het te weten.

Toen zond Atli boden naar het hof der Gibichungen om hen tot zich te noodigen. En dezen gingen bij mijn broeder op bezoek en zij reden op goudhoevige hengsten. Maar Hagen sneed men het hart uit het lijf en Goenther sleepte men in een slangengroeve.

Op het eiland in de zee kon ik hooren hoe heftig hij in de snaren sloeg: mijn heerlijke held verwachtte mijn hulp. En ik riep al mijn maagden om mijn liefste het leven te redden, en wij zeilden vlak voor den wind over het water, tot wij den burcht van Atli zagen. Juist kroop daar de slang--'t was Atli's moeder--en stak Goenther in het hart, en ik kon mijn held niet helpen.

't Is wonder, dat ik nog langer leven bleef: ik beminde dien man zoo veel als mijzelve.

Nu hebt gij het verhaal van mijn noodlot vernomen. Wat geeft het?--Een ieder leeft naar eigen verlangen."

Dit is het einde van "Ortroens klacht."

De Zang bij den molen

Koning Frodhi had een molen, die Grotti genoemd werd. Deze maalde alles wat hij verlangde, vrede zoowel als goud. De meisjes, die den molen draaiden, heetten Venja en Menja. Koning Frodhi had deze meisjes medegenomen en ze gedwongen hem te dienen. Men bracht haar naar den molen om er den grijzen steen te draaien, en aan geen van beiden gunde de koning rust, en hij was niet tevreden, wanneer hij het dreunend gedaver van den arbeid niet hoorde. Menja zong:

"Wij malen en draaien den molen van geluk voor den koning kostbare gaven. Moge hij rijk zijn en rusten in roem, altijd gelukkig, dan malen wij goed. Dat niemand een ander nadeel berokkene, en al vond men den moordenaar van zijn broeder gevangen, denke toch niemand aan misdaad of moord."

Toen hielden de meisjes op met malen, en Venja zeide:

--"Wij hebben zonder rust gewerkt, nu laten wij den molensteen eens liggen."

Koning Frodhi echter gebood de meisjes nog meer te malen, en hij wilde niet, dat zij langer rusten zouden, dan de koekoek zwijgt, of slechts zoolang men een lied zingt.

En beide meisjes zongen:

"Denkt Frodhi, dat hij een vriend is der Wanen? En dat hij goed uitkeek, toen hij ons kocht? Gij lettet alleen op de kracht van ons lichaam, en onze afkomst overwoogt gij niet. Onze voorvader was de sterke reus Rungnir; hij en zijn vader stammen van Skadi, van Idi en Ornir stammen wij, uit bergenbroeders geboren.

Grotti zou niet uit de rots zijn gekomen; de grauwe steen lage nog in den grond, als wij er niet waren geweest; hier zouden geen meisjes van bergreuzen malen, als iemand onze afkomst kende.

Geweldige vrouwen, uit steengrond gegroeid, speelden wij negen winters te zamen; bij ontzaggelijke werken zag men ons zwoegen: wij rolden de rotsen naar reuzenburcht, stieten de steenen met stevige stammen,-- daarvan daverde d' aarde,--en wij duwden bergen naar boven, dat de bodem beefde, tot er steenenstapels in menschenland stonden.

Daarna trokken wij ten strijde. Bij Denenvolk verwachtten wij gevechten, wij joegen er beren, braken er schilden, vermoordden er grauwgepantserde mannen, velden er vorsten, beschermden er velen, gingen met den goeden Gottorm mee en lieten niet af voor het noodlot vervuld was. Bloed spoot er langs onze scherpe speren, vreeselijke wonden verfden ons zwaard: zoo zwierven wij daar vele zomers, tot de koningen ons kenden.

En men voerde ons gevangen naar dit vorstenverblijf meedoogenloos, en moeten nu dienen; wij staan hier in modder en malen moeizaam, malen den vrede voor Frodhi. Mochten wij rusten, mocht toch stilstaan de steen, wij zwoegden zoolang, ware de ellende geëindigd! Maar er is geen rust voor onze rustelooze handen vóór Frodhi meent, dat er genoeg is gemalen.

Daar mogen moorddadige mannen komen met bloeddronken wapenen. Frodhi, ontwaak, ontwaak toch, Frodhi, gij gaat vernemen, wat onze zangen u zeggen zullen.

Wij zien een blakenden brand om den burcht, dat is een voorspelling van komenden strijd; een leger trekt los op uw vreedzame landen en steekt uwen burcht in brand en uw gouden ringen en uw molen van geluk. Wij slingeren den steen nog sneller rond, wij, die uit 't bloed van het slagveld opbloeiden, de meisjes malen nu onvermoeid, want nu nadert de val van vele mannen. Malen Venja! Menja, malen! Reeds storten de sterke stutten inéén rondom den molen; wij malen verder, wij malen een wreker voor koning Frodhi, Yrza's zoon, wier vader is Halfdan;-- uit haar geboren is hij haar broeder, wij alleen weten hoe dat wonder gebeurt."

Met groote kracht maalden de meisjes en zij knarsten op de tanden van reuzenwoede. De molenstang kraakte, de molen viel in elkaar. En er kwam een zeekoning, die Mysinger heette. En hij doodde Frodhi, den vredekoning, en roofde den molen. Toen zeide Menja:

--"Zoo hebben wij voor Frodhi gemalen! Nu stonden de meisjes toch lang genoeg aan den steen."