Part 8
--"Siegfried heeft mij trouw gezworen en zijn belofte gebroken, toen hij alle eeden beschermen moest. En u bedroog Siegfried ook. Want hij heeft eens in mijn bed gelegen, en ik wil niet twee mannen hebben in hetzelfde huis en het zal Siegfried den dood kosten, of u, of mij, want hij heeft alles aan Goedroen gezegd, en zij heeft het mij verweten."
De koning ging met gebogen hoofd rond, en hij wist niet wat hij doen moest. Hij wist niet of hij moest kiezen tusschen datgene, wat de eer van hem vroeg, of datgene wat hem voordeel kon brengen. Moest hij zich van Siegfried ontdoen, wetende wat hij in den Welsing zou verliezen? Maar het ware ook niet gelukkig als zijn vrouw zijn vorstenzaal zou verlaten. Goenther overlegde zeer lang bij zichzelf en riep tenslotte zijn vertrouwden Hagen en vroeg hem om raad. Hagen zeide tot hem:
--"Het past ons niet om eenmaal gedane beloften van trouw met het zwaard te verbreken. En er zijn geen gelukkiger menschen, zoolang wij over het volk regeeren en Siegfried bij ons is. En als wij nog meerdere kinderen kregen, zou er geen machtiger geslacht op de wereld leven: dan waren wij zelfs tegen de goden opgewassen. Brunhilde heeft u uit haat opgezet om onheil te bewerken. Zij misgunt aan Goedroen haar gelukkig huwelijk en wil daarom ook uw geluk verstoren."
Goenther echter wilde liever zijn leven dan Brunhilde verliezen, die hij het meeste van allen beminde. En hij besloot zijn eer te wreken en Siegfried te dooden.
Toen zeiden zij onder elkander:
--"Laten wij Gottorm aansporen tot den moord. Onze jongste broeder heeft weinig verstand en hij was niet bij ons, toen wij bloedbroederschap sloten met Siegfried."
Den volgenden dag braadden eenigen van hen wolvenvleesch, en anderen stukken van slangen, en zij gaven Gottorm dien kost te eten, vóór zij het waagden den held het leven te belagen.
Toen gingen zij op de jacht en Siegfried doodde vele dieren. Terwijl zij rustten bij een bron en Siegfried in het gras lag, kwam Gottorm tot hem en doorstak hem met een speer. Doodelijk gewond verhief zich de held en slingerde zijn schild naar Gottorm, die neerviel en dood was. Toen zeide Siegfried:
--"Ik weet wel hoe dit gebeurd is: Brunhilde draagt van alles de schuld. Van alle mannen hield zij van mij het meeste, maar tegen Goenther misdeed ik nooit. Ik heb mijn heilige eeden gehouden, al noemt men mij ook den man van zijn vrouw."
Toen stierf Siegfried. En een raaf in de boomen riep tot een andere raaf:
--"In Goenther's mannen zal Atli zijn zwaarden verven en op die wreedaards hun beloftebreuk wreken."
En Goenther hoorde die woorden.
Buiten voor den burcht stond Goedroen en verwachtte Siegfried van de jacht. Uit het woud rende Grani, en Goedroen verschrok zeer, toen zij het paard zag wederkeeren zonder Siegfried. Met vochtige wangen ondervroeg zij het paard, doch Grani boog het hoofd: het wist wel, dat Siegfried niet meer in leven was.
Daar stormden uit het bosch de paarden der moordenaren, tot bloedens toe gestoken door de scherpe sporen en druipend van zweet, en kwamen bij Goedroen.
Eerst stond zij in bangen twijfel vóór zij den koning vroeg, waarom haar held niet medegekomen was. Toen sprak zij:
--"Waar is Siegfried gebleven, dat al mijn vrienden vooruit gereden zijn?" De koning nu boog het hoofd en zweeg. Hagen echter zeide tot haar:
--"Aan de overzijde van den stroom ligt iemand, die Gottorm doodde en als maal aan de wolven gaf. Daar in het Zuiden kunt gij Siegfried vinden, gij kunt er het vroolijke geschreeuw hooren van raven en arenden en wolven rondom het lijk van uw geliefde. Wij hebben Siegfried met het zwaard gedood, en zijn grauwe hengst zal altijd het hoofd laten hangen om den dooden vorst."
Goedroen gaf een luiden gil en sloeg de handen in elkaar, dat de bekers langs de wanden beefden en de ganzen in den hof antwoord gaven. En toen Brunhilde dezen jammergil hoorde, lachtte zij van ganscher harte.
Goedroen sprak tot Hagen:
--"Hagen, hoe kunt gij mij zoo het onheil melden, dat aan al mijn vreugde een einde maakt? O, rukten de raven u het hart uit het lijf, scheurden zij het verder van u weg, dan de wereld groot is."
Hagen sprak tot haar:
--"Goedroen, het zou u nog grooter onheil berokkenen, als de raven mij het hart uit het lijf rukten."
Toen zeide Goedroen:
--"Zoo verheven was Siegfried boven Gibichs zonen, als een boom boven het gras, als een volwassen hert onder kleinwild, als gloeiend goud tusschen het grauwe zilver. Broeders misgunden mij zulk een vriend, die alle anderen overtrof. Zij konden niet slapen, niet strijden van nijd, vóór Siegfried gedood was."
Toen kwamen er mannen, die droegen Siegfrieds lijk. Zij droegen het op goudomrande schilden en brachten het in Goedroens zaal.
Des avonds zaten de koningszonen bij elkander, en dronken veel en voerden vroolijke gesprekken. En Brunhilde was bij hen.
In haar zaal echter zat Goedroen bij Siegfrieds lijk. Zij weende niet en sloeg niet de handen in elkaar en weeklaagde niet zooals andere vrouwen. Zij waakte bij Siegfried en was vol van smart. Wanneer er wolven op haar aangevlogen waren en vlammen om haar heengeslagen waren,--wolven en vlammen zouden haar liever zijn geweest. Zij zat bij Siegfrieds lijk en wilde wel sterven, en zij was zoo vol gramschap, dat zij opvliegen wilde,--maar weenen kon Goedroen niet.
Naast Goedroen zaten de allerhoogste edelvrouwen, en een ieder sprak over het leed, dat zij ooit hadden beleefd.
De eene zeide:
--"Ik ben wel de ongelukkigste onder de menschen, want in Zuidland roofde mij de strijd zeven zonen en hun vader weg. Met mijn vader en moeder en vier van mijn broeders speelde de storm een spel op de golven,--het schip sloeg aan stukken en ik was getuige van aller ondergang. Dat alles trof mij in denzelfden zomer, en niemand troostte mij."
Goedroen zat, vol gramschap om Siegfrieds dood en gedrukt onder het leed, bij het lijk van haar geliefde,--maar weenen kon Goedroen niet.
Toen zeide een tweede van de vrouwen:
--"Ik heb nog veel feller leed te beklagen. Want als gevangene werd ik door vijandelijke legers medegevoerd. In het vreemde land moest ik een edelvrouw elken morgen met sieraden kleeden en haar schoeisel binden. En zij plaagde mij, omdat zij mijn schoonheid benijdde, en sloeg mij vaak met vele slagen."
Goedroen zat, vol gramschap om Siegfrieds dood en gedrukt onder het leed, bij het lijk van haar geliefde,--maar weenen kon Goedroen niet.
Toen sprak Goudrand, de dochter van een koning:
--"Gij kunt een jonge vrouw het leed niet verzachten."
Goudrand sloeg het kleed terug, dat Siegfrieds lijk bedekte en legde het hoofd op Goedroens knieën en zeide:
--"Zie, dat is uw geliefde. Omhels hem nu en kus zijn lippen, alsof de koning nog in leven was."
Goedroen zag op en aanschouwde het hoofd van haar man, dat met bloed was bedekt, en zijn lichtende oogen, die waren gebroken en zijn borst, die door het sterke staal doorstooten was.
Toen zonk zij neer in de kussens, haar haren vielen los om haar heen en haar wangen kleurden. En Goedroen weende. Een regen van tranen stroomde in haar schoot en de ganzen in den hof gaven antwoord op haar klachten.
En Goedroen zeide:
--"Zoo hoog stond Siegfried boven Gibichs zonen als een boom boven het gras, en als een edelsteen in een hoofdband gevlochten schitterde hij boven de edelen. Ook mij achtten de volgelingen van den held hooger dan de Walkuren van Wodan. Nu ben ik jammerlijk neergeworpen aan Siegfrieds lijk, zooals het loover wordt neergeworpen door den storm. Altijd zal ik in onvervuld verlangen leven,--dat is de misdaad van de Gibichungen, die hun zuster zulk een smart aandeden. Gij, Goenther, zult nooit van het goud genieten, uw ringen zullen u het leven rooven, zooals gij Siegfried deedt na verbreking van al uw beloften. Dan zal de vreugde in dit vorstenhuis niet zoo groot zijn, als eens, toen mijn Siegfried Grani het zadel oplegde en met u uitreed om Brunhilde,--vervloekt zij die vrouw!--te werven."
Bij den ingang van de zaal stond Brunhilde en omklemde den deurstijl. Haar oogen gloeiden en zij knarste op de tanden, toen zij de wonden van Siegfried zag. En zij zeide:
--"Nooit zal ik dien aanblik vergeten. Van al die smarten draagt het goud de schuld, waarvan ik den gloed gezien heb rondom den bezitter van den drakenschat. Wel moet ik dien rit nu rijkelijk boeten."
Toen ging Brunhilde naar het nachtvertrek van Goenther. Goenther echter was wakker,--hij woelde met de voeten en hij dacht aan de woorden, die een raaf in de boomen riep tot een andere raaf, toen Siegfried gedood was.
Den volgenden morgen ontwaakte Brunhilde zeer vroeg en zij zeide tot Goenther:
--"Ik zal u het leed verhalen dat gebeuren gaat, al houdt gij mij ook tegen. Verschrikkelijke dingen, Goenther, zag ik in mijn slaap; allen in de zaal waren gestorven en ik lag in het graf. Maar gij, o koning, waart in boeien geslagen en vreugdeloos werdt gij naar het vijandelijke leger gesleept. Heel het geslacht der Nevelingen gaat ten gronde, omdat gij eeden verbreekt. Gij dacht er niet aan, Goenther, dat gij uw bloed met het bloed van Siegfried tot een verbond hebt vermengd en gij hebt het hem slecht beloond, dat hij de dapperste was van allen. Dat toonde hij eens, toen hij uitgereden was om mij te werven, en hij de belofte, die hij u deed, zoo trouw heeft gehouden. Want toen legde de heerlijke held zijn schitterende zwaard tusschen ons beiden,--in het vuur is het staal gehard en het is van binnen met gif doortrokken."
De mannen waren bij elkander gekomen en zij zwegen, toen zij deze woorden hoorden. Zij begrepen de vrouw niet, die zoo droevig de daad besprak, welke zij lachend had aangeraden. En Brunhilde zeide:
--"Goenther, reeds lang geleden hebt gij schuld op u geladen, toen ik nog jong en zonder zorgen in den burcht van mijn broeder Atli was, en er mijn groote schatten bewaarde. Gij kwaamt op hengsten naar onzen berg gereden, maar geen van u begeerde ik als man. Wat had de werving der Gibichungen voor waarde? Ik verlangde den held, die reed op Grani's goudbeladen rug. Hoe hoog verheven gij u ook acht, niemand is met hem te vergelijken. Maar Atli bedreigde mij in het geheim: niets van wat mij toebehoorde zou ik behouden, geen goud en geen land en niets van de sieraden, die mij als kind waren geschonken, zoolang ik ongetrouwd zou zijn. En ik dacht, dat gij door het vuur kwaamt gereden, dat gij deze heldendaad volbracht. Maar het goud van Siegfried ware mij liever geweest, en hem beminde ik het meeste van allen. Nu zal Atli, mijn broeder, alles verkrijgen, zoodra hij mijn dood verneemt. Een vrouw is met mijn verloofde getrouwd, maar ik zal voor dien smaad voldoening verkrijgen."
Toen ging Brunhilde heen en verdeelde al haar goud, zooals een vrouw doet, die wil sterven. Goenther echter kwam tot haar en sloeg zijn armen om haar hals, en allen trachtten haar tot kalmte te bewegen. Goenther zeide tot Hagen:
--"Laat al onze mannen in de zaal te zamen komen, wij moeten trachten de vrouw van den dood te weerhouden, want de nood is groot."
Hagen echter antwoordde hem:
--"Houd haar niet terug van dien langen tocht, en moge zij nooit herboren worden! Haar moeder gaf haar het leven om leed te verduren, en het geluk van veel mannen te verstoren."
Brunhilde zat in een gouden pantser gekleed, en zij overzag haar dienstknechten en dienstmaagden, die met gouden halssnoeren en prachtige sluiers en kostbare gewaden waren getooid en met haar wilden sterven.
Toen bracht zij zich een doodelijke wonde toe, en zeide tot Goenther:
--"Zet u hier neder, en luister naar wat ik u zeggen zal. Uw bedrog heeft mij tot den dood gedrongen, en mijn leven ging zonder vreugde heen. Maar al ga ik nu weg uit de wereld,--uw schip is nog niet in veilige haven. Goedroen zal zich spoedig verzoenen. Bij koning Alf zal zij haar dooden man nog droevig gedenken, maar dan zal zij eene dochter baren, die schitterender is dan de zonnestralen, en lichter dan de dag: de blanke Zwaanhilde. Een man zult gij haar dan geven, dat huwelijk zal velen leed berokkenen, en geen vreugde zal zij kennen als Atli's vrouw. En gij zult Ortroen tot vrouw begeeren, en heimelijk zult gij elkander beminnen, omdat Atli uw liefde niet wil. Zij zal u beminnen, zooals ik het doen moest, aan ons werd dat geluk niet gegund. Maar Atli zal zich wreed op u wreken, en gij wordt naar een slangengraf gesleept. Spoedig zal ook Atli sterven, door de grimmige Goedroen getroffen met het staal. Het ware beter geweest, als zij haar eersten man in den dood was gevolgd,--maar haar geest gelijkt den mijne niet. Wat ik u zeg, weet ik goed,--door mijn schuld zal zij het leven niet verliezen--golven zullen haar dragen in Jonaker's land. En onder zijn zonen zal zij er strijd doen ontbranden,--Zwaanhilde, de dochter van Siegfried en van haar,--de nakomelingen van Siegfried worden vernietigd--allen,--groot zal Goedroens droefheid zijn.
Goenther, ik zou u nog meer kunnen zeggen, gaf een God mij tot spreken den tijd. Ik verwar mijn woorden,--mijn wonden gloeien,--ik zei u de waarheid,--ik zal het achterlaten zooals ik zei."
Toen stierf Brunhilde.
En zij stapelden een hoogen brandstapel op voor Siegfried en Brunhilde. En er was plaats voor allen, die kwamen om met hen te sterven. Zij behingen den brandstapel met schilden en kleeden en lijkwaden, en legden het lichaam van Siegfried daar boven op. Zij plaatsten naast den duitschen koning Brunhildes dienaren, die gouden kettingen droegen om den hals, twee dienaren aan zijn hoofd en twee aan zijn voeten, en zij plaatsten er twee honden en twee havikken bij. En dicht naast den held legden zij Brunhilde, en tusschen hen in legden zij het scherpe zwaard, dat met ringen versierd was, en dat tusschen hen in had gelegen, toen zij beiden hetzelfde bed bestegen en toen men hen noemde man en vrouw. Vijf maagden volgden hen, en acht van Brunhilde's dienaren, allen van edel geslacht, en die allen met haar opgegroeid waren.
En toen staken zij den brand in de stapels.
Siegfried en Brunhilde's vaart uit de wereld was niet armoedig. Haar lijkstoet volgde dien van Siegfried en de met ringen versierde poort van de doodenzaal viel den held niet op de hielen. Zij gingen te zamen naar binnen, Siegfried en Brunhilde. En Brunhilde zeide:
--"Lang nog zullen er mannen en vrouwen leven om te lijden. Maar eeuwig zullen wij samen zijn, Siegfried en ik."
Goedroen
Hagen en Goenther namen na den dood van Siegfried en Brunhilde al het goud, dat aan Fafner had toebehoord en zij verborgen het in den Rijn.
Toen ontstond er oneenigheid tusschen de Gibichungen en Atli, die de broeder van Brunhilde was. Atli wilde een gedeelte van het goud hebben, dat aan Brunhilde had toebehoord, en hij gaf den Gibichungen de schuld van den dood zijner zuster. Zij kwamen echter overeen, dat Goedroen aan Atli ten huwelijk zou worden gegeven.
Goedroen nu had na den dood van Siegfried de bergen van den Rijn verlaten, en kwam na vijf dagen in het Noorden op den burcht van Alf aan. Daar bleef zij zeven zomers bij Thora, die de dochter was van den Denenkoning Hakon.
Om Goedroen haar gramschap te doen vergeten weefde Thora in kleeden de voorstellingen van duitsche koningszalen en deensche schepen, en van heldenspelen en roode schilden en van gewapende heldenscharen. Zij weefden beiden den uittocht van Siegmond's goudsnavelige schepen, en zijn strijd tegen Siggeir in het Zuidelijke land.
Grimhilde, de moeder van Goedroen, kwam met vele langbaardige mannen, die roode wapenrokken en vergulde pantsers en metalen helmen droegen, en zwaarden hadden aan hun gordelband. Zij kwamen als koningen in het land waar Goedroen verbleef, en zij brachten kostbare geschenken mede, en spraken goedige woorden om haar te troosten in het groote leed, dat zij droeg.
Drie vorsten bogen voor haar neer. Toen bood Grimhilde haar een beker vol kouden bitteren drank aan. Deze drank was gebrouwen uit de kracht van de aarde en de zilte zee en zonnestralen, en er waren allerlei kruiden in en veldgewassen en ingewanden van offerdieren en zwijnenlever. Rondom op den beker waren allerlei teekenen gegrift en rood er in gebrand: de lange slang van de heide en een dierenmuil en korenaren.
Grimhilde sprak tot haar dochter:
--"Goedroen, al het goud zal ik u geven, dat u toekomt na uws vaders dood, en den burcht en de ringen en heel het heir van koning Lodver en de dienstmaagden van Boedli, Brunhilde's vader, die loovertjes in goudstof weven. Want alleen zult gij heerschen over de schatten des konings,--als Atli's vrouw. Zoek geen vergelding meer voor Siegfrieds dood en wees goed en gelukkig, dan zult gij zonen baren, alsof Siegmond en Siegfried nog leefden."
Goedroen echter antwoordde haar:
--"Ik wil niet goed zijn en niet gelukkig, Grimhilde, en ik wil geen man gelukkig maken, sinds de raven en de wolven vochten om Siegfrieds bloed. Nooit zou ik Brunhildes broeder nemen, en het past mij niet den zoon van Boedli kinderen te baren uit innigen bond."
Grimhilde sprak tot haar:
--"Hij is de edelste en de eerste onder de vorsten, Goedroen. Neem hem tot man. Eens zal de ouderdom tot u komen,--gij zult dan alleen zijn, wanneer gij hem niet neemt."
Goedroen antwoordde en zeide:
--"Moeder, laat het toch om zoo ijverig den man uit dat onheilsgeslacht mij aan te prijzen. Hij zal slechts jammer over Goenther brengen, en hij zal Hagen het hart uitrukken. Geen rust zou ik kennen, voor ik dien koning van het leven beroofde."
Vol afschuw hoorde Grimhilde de woorden, die haar zonen onheil voorspelden en verderf aan haar gansche geslacht.
Goedroen nam nu den beker, dien Grimhilde haar nogmaals aanbood, en zij dronk hem leeg terwijl zij zeide:
--"Door bloedverwanten word ik gedrongen. Nooit zou Atli mij geluk aanbrengen, en als hij mijn broeders krenkte, zou het niet tot heil van zijn kinderen zijn."
Toen Goedroen gedronken had, was zij Siegfried en al haar leed vergeten, en zij wilde met Atli trouwen.
Spoedig stegen allen te paard, en de vreemde vrouwen werden in wagens geholpen. Zoo reden zij de eerste week door Noordland heen, trokken de tweede week over de zee en drongen de derde week het bergland in. De wachters openden de poort van den burcht, en allen reden er binnen.
Daar woonden Atli en Goedroen te zamen, en hunne zonen heetten Erp en Eitel.
Eens zond Atli gezanten naar het land der Gibichungen, om Goenther en Hagen uit te noodigen op zijn burcht. Want Atli wilde nu ook een gedeelte van het goud hebben, dat Siegfried nagelaten had. Ook had Atli gehoord, dat er een geheime liefde bestond tusschen zijn zuster Ortroen en Goenther. Atli was hierover zeer vertoornd en hij wilde de Gibichungen dooden.
Goedroen echter had gehoord hoe het moordplan werd besproken. Vol zorgen om haar broeders te redden zon zij op listen. Zij gaf aan de gezanten een gouden ring mede, waaromheen zij een wolvenhaar gewonden had. En in takken sneed zij runenteekens, en ook deze gaf zij als waarschuwing mede. Vleugel echter, een der gezanten, vervalschte de runen vóór hij ze afgaf.
Eens in een nacht, toen de gezanten vertrokken waren, schrok Goedroen plotseling wakker. Want zij was in grooten angst om haar broeders, en zij had een voorgevoel, dat hun iets overkomen zou. Atli sprak tot haar:
--"Ook ik werd plotseling gewekt door waarschuwende geesten. Ik droomde van mijn doodsvaart. Ik zag hoe gij, Goedroen, mij met een dolk gruwzaam doorboordet. Wat zou dat beduiden?"
Goedroen antwoordde hem:
--"Van dolken droomen wijst op vuur en de toorn van een vrouw op groote vreugde. Misschien moet ik u eens een wonde uitbranden om uw leed te verlichten."
Atli zeide tot haar:
--"Er vlogen valken van mijn vuist naar Hella, uitgehongerd. En ik droomde, dat ik hun harten at, die schuimden van bloed en bereid waren met honig. Twee lammeren rukten zich los uit mijn hand en blaattenklagend. Hun vleesch was bedorven, maar ik moest het eten."
Goedroen sprak:
--"Er zullen mannen komen, en den lammeren den kop afhakken. Na weinige nachten zal het gebeuren, kort voor den morgen, en zij zullen een maal voor den koning bereiden."
Goedroen bleef wakker, en mijmerde over de daad waarvan zij het plan maakte.
Toen de gezanten bij Goenther gekomen waren, zetten zij zich rondom den haard op de zetels, en zij dronken het zoete bier. Knievlug, die de voornaamste van de gasten was, zat op den hoogen zetel en hij zeide tot Goenther:
--"Atli zond mij op het brieschende paard door het onbekende donkere woud om u, Goenther, uit te noodigen met Hagen te komen naar zijn burcht, ten einde Atli te bezoeken. Zet met ringen versierde helmen op het hoofd, want strijdhelmen kunt gij uitkiezen bij hem, zooveel gij wilt, en gladde speerstangen en met goud versierde zadels en speerspitsen en brieschende paarden. Met schallende speren en vergulde schepen zal Atli u helpen, om de Gnitaheide met hare vele schatten te veroveren en de steden van Danpar en het beroemde bosch, dat de menschen Zwartwoud noemen."
Goenther wendde het hoofd tot Hagen en zeide:
--"Wat raadt gij aan te doen? Ik geloof niet, dat er op Gnitaheide meer goud te vinden is dan wij bezitten, en wij hebben zeven zalen vol zwaarden, en elk zwaard heeft een gouden greep. Ik weet dat mijn paard het beste is en mijn zwaard het scherpste, en dat mijn helm en mijn schild, die uit de hallen van koning Kiar stammen, de schitterendste van alle zijn."
Hagen antwoordde hem, voor anderen onhoorbaar:
--"Wat denkt gij, dat de vrouw ons wilde zeggen, toen zij ons een ring zond met een wolvenhaar omwonden? Ik denk, dat zij ons waarschuwen wilde: om den ring vond ik een wolvenhaar gewikkeld: als wij uitrijden naar Atli rijden wij naar wolven heen."
Geen van Goenthers bloedverwanten spoorde hem aan, en geen enkele van zijn vertrouwde raadslieden, noch een der machtigen uit het land raadde hem aan naar Atli te rijden. Zooals het een koning past sprak Goenther vol moed luide door de drinkhal:
--"Ik ga! Schenker, sta op en laat de dienaren gouden schalen vol drank aan de gasten geven."
De vrouw van Hagen kwam in de zaal om de gasten te begroeten, en ook de vrouw van Goenther kwam en zorgde voor hen. Meisjes droegen mede binnen en er werden vele hoornen leeggedronken, totdat allen verzadigd waren. Toen zocht een ieder zijn legerstede op.
De vrouw van Hagen was zeer verstandig. Zij kende runen lezen en in den schijn van het haardvuur las zij de runen, die Goedroen in de takken gesneden had. Deze waren echter zeer moeielijk te ontraadselen, en nadenkend ging zij met Hagen naar bed. Zij droomde, en tegen den morgen werd zij wakker en zeide tot Hagen:
--"Wilt gij van huis gaan Hagen? Luister naar mijn raad en ga ditmaal niet. Uit de runen van uw zuster heb ik gezien, dat zij u niet tot dien tocht heeft uitgenoodigd, het verwondert mij alleen, dat zij zoo raadselachtige runen sneed. Want zoo heeft zij ze ingesneden als stak voor u beiden de dood er onder, wanneer gij met vertrouwen naar Atli gaat. Een runenteeken liet zij uit, of een ander heeft het bedorven. Ik geloof dat het u slecht vergaan zal, Hagen. Ik droomde, dat er een beer binnenkwam, die de stutten van de zaal omstootte en ons allen wegdroeg in zijn muil."
Hagen echter antwoordde haar:
--"Dat zal storm beteekenen, en de wintersneeuw hebt gij voor een ijsbeer gehouden."
Zijn vrouw sprak wederom tot Hagen:
"Een arend vloog rond door de zaal en van zijn vleugels droop het bloed. Mij dunkt, dat is Atli."
Daarop zeide Hagen:
--"Wij slachtten veel vee, en dan druipt er veel bloed. Gij hebt van arenden gedroomd, maar het zijn ossen."
Toen zwegen beiden. Maar ook de vrouw van Goenther was ontwaakt, en zij zeide tot hem:
--"Ik zag u aan een galg hangen om verslonden te worden door slangen en gij waart nog in leven,--het wereldeinde was nabij,--wat moet dat beduiden? Dwars door uw pantser stak bloedig staal in uw borst, en rondom u huilden de wolven."
Goenther antwoordde haar:
--"De klank van speren werd wolvengehuil."
Zijn vrouw echter zeide: