Part 7
Bij het doodsmaal echter, dat aangericht werd, reikte Borghilde den drank rond. Zij nam een grooten hoorn vol gift en bracht deze aan Binder. Toen Binder echter in den hoorn zag, bemerkte hij dat er gift in was, en hij zeide tot Siegmond:
--"Bah, die drank is troebel."
Siegmond nam den hoorn en dronk hem leeg. Want Siegmond was gevrijwaard tegen de werking van gift, zoowel inwendig als uitwendig. Zijn zonen echter konden vergift slechts uitwendig, aan de huid verdragen. Borghilde bracht nu een nieuwen hoorn en verzocht Binder te drinken. En het geschiedde evenals eerst. Ten derde male bracht zij hem een hoorn, en bedreigde hem wanneer hij niet drinken wilde. Binder echter sprak tot Siegmond:
--"Bah, die drank is troebel."
Siegmond antwoordde hem:
--"Laat uw baard eens proeven."
Toen dronk Binder en was weldra dood. Siegmond nam hem op en droeg hem in zijn armen heel ver weg, totdat hij aan een ondiepe, smalle zeeëngte kwam. Daar lag een klein schip aan den oever, en op het schip stond een man. Deze bood aan om Siegmond over de zeeëngte te brengen. Toen Siegmond echter het lijk in het schip had gelegd was het schip geheel geladen. De man zeide toen, dat Siegmond maar vooruit moest gaan, en tegelijk stiet hij het schip van den oever en was spoedig verdwenen.
Die man nu was Wodan, Doodengod.
Siegmond verstootte Borghilde, verliet het land, dat Denenland heette en waar hij lang geweest was, en ging zuidwaarts naar een rijk, dat hij in Frankenland bezat. Daar nam hij Jerdis tot vrouw, en zij kregen een zoon, dien zij Siegfried noemden. Koning Siegmond viel in een gevecht met de zonen van Honding, en Jerdis trouwde toen met Alf, den zoon van koning Helperik. En bij dezen bracht Siegfried zijn jeugd door.
Siegmond en al zijn zonen waren mannen, die boven de anderen uitmuntten door kracht en grootte en verstand en allerlei bekwaamheid. Siegfried echter was de allervoortreffelijkste, en de oude sagen zeggen van hem, dat hij verreweg de voornaamste van alle heirkoningen was.
Bij koning Helperik nu, waar Siegfried was, kwam zeer dikwijls een zekere Regin, de zoon van Reidmar.
Deze Regin was zeer sluw en geslepen en ervaren in vele dingen, en zoo klein van gestalte als een dwerg. Regin ging zeer veel met Siegfried om en leerde hem allerlei kundigheden. Hij vertelde hem veel van zijn voorouders, en verhaalde hem op zekeren dag ook, wat er gebeurde, toen Wodan, Henir en Loge eens gekomen waren bij de beek van Andwari, waarin zeer vele visschen zwommen.
Andwari was een dwerg, die de gestalte van een snoek had aangenomen, en zijn voedsel in het water vond. Regin nu had twee broeders, van wie de een Fafner heette en de andere Otter. Deze laatste ging dikwijls in de beek van Andwari en zwom er als een otter rond.
Eens had Otter een zalm gevangen en zat met gesloten oogen aan den oever om de visch op te eten. Loge, die juist met Wodan en Henir aankwam, zag hem en wierp hem met een steen en doodde hem. De goden waren zeer verheugd en trokken Otter de huid af. Toen gingen zij verder en kwamen aan de woning van Reidmar. Zij vroegen hem gastvrijheid, en toonden hem den buit, dien zij gemaakt hadden. Reidmar echter, en zijn zonen Fafner en Regin, grepen hen vast, dreigden hen te dooden, en eischten als losprijs voor hun leven, dat zij de geheele huid van den otter met goud zouden vullen, en ook geheel met goud bedekken zouden. Toen zonden de goden Loge uit om goud te halen. Deze ging naar een watergodin en vroeg haar een net ter leen. Toen hij dit gekregen had, ging hij naar de beek van Andwari en wierp het net uit om den snoek te vangen. En de snoek zwom in het net.
Loge zeide tot de visch:
--"Welk schitterend vischje schiet daar zoo snel door den stroom en is in mijn val geloopen? Kom, ik wil het goud wel eens zoeken, dat zulk een helder licht in uw water verspreidt."
Andwari antwoordde hem:
--"Ik heet Andwari en ik ben de zoon van watergod Oïn. Lang geleden noodzaakte mij het noodlot altijd in het water te leven."
Loge echter wist wel, dat Andwari een booze dwerg was, die het goud uit het water had gestolen en het nu als een visch bewaakte. En hij zeide:
--"Zoo, zoo, Andwari. Maar als uw leven u lief is, moet gij mij eens zeggen welke straf een sterveling krijgt, die liegt."
Andwari sprak:
--"Stervelingen worden in Hellestroom zwaar gestraft: hun valsche gezegden sleepen deze gevolgen na zich."
Loge nu nam al het goud, dat Andwari bezat. Maar deze wilde een ring achter houden. Loge echter nam hem ook deze af. Toen kroop de dwerg onder een steen en zeide:
--"Vervloekt zij de schat. De broeder zal zijn broeder dooden, en verderf zal komen over iederen held, wiens hand dien ring ooit aanraakt."
Loge ging met het goud naar de goden, en dezen vulden er de huid van Otter mede op, en legden er goud overheen om haar te bedekken. Nadat dit geschied was, kwam Reidmar dichterbij en bemerkte, dat er nog een haar van de lippen onbedekt was. Toen moest Wodan ook den Andwari-ring van den vinger nemen om het haar te bedekken.
Loge zeide tot Reidmar:
"Nu behoort u al het goud, en het is een groote losprijs voor ons leven. Maar het zal u en uw zonen geen zegen verschaffen;--den dood zal het u beiden brengen."
Reidmar antwoordde hem:
--"Niet als een gunst hebt gij dit goud gegeven, maar als betaling. Wist ik echter, dat gij het wildet vervloeken, dan hadt gij uw leven niet zoo gemakkelijk gered."
Loge echter zeide:
--"En meer onheilen weet ik. Maar de helden zijn nog niet geboren, die om dit goud zullen strijden."
Reidmar sprak:
--"Ik ben van plan dit goud te behouden zoolang ik leef. En uw vervloeking vrees ik niet. Ga nu maar heen."
Zoodra echter de goden waren heengegaan, eischten Rafner en Regin, dat Reidmar ook hun een gedeelte van het goud zou geven. Maar Reidmar zeide:
--"Neen."
Fafner echter nam een zwaard en bracht zijn vader een vreeselijke wonde toe, terwijl hij sliep. Toen riep Reidmar zijn dochters en zeide:
"Nu is het gedaan. Deze misdaad eischt groote..."
De oudste dochter antwoordde hem:
--"De misdaad van mijn broeder,--ach, de dood van mijn vader,--kan een meisje dat wreken?"
Reidmar zeide tot haar:
--"Vrouw, als ge geen koningszoon kunt baren, baar dan een meisje,--geef haar een man,--daar komt de dood,--hun zoon, misschien, zal wraak..."
Toen Reidmar dit gezegd had, stierf hij, en Fafner nam al het goud voor zich. Ook Regin eischte er een deel van op, maar Fafner zeide:
--"Neen."
Regin ging naar zijn zuster en vroeg haar, hoe hij in het bezit zou komen van wat hem toebehoorde. Zijn zuster sprak tot hem:
--"Vraag uwen broeder vriendelijk uw deel te mogen ontvangen, en zeg hem, dat hij zich beter moet gedragen. Het past u niet met getrokken zwaard het goud van Fafner op te eischen."
Dit en vele andere verhalen vertelde Regin aan Siegfried, als hij bij hem kwam.
Op zekeren dag, dat Siegfried,--zooals hij dikwijls deed--was uitgegaan om in het woud wilde dieren te jagen, kwam hij bij het huis van Regin, dat midden in het bosch lag, en werd er gastvrij ontvangen.
Regin had nog niets gekregen van al het goud, dat Fafner bij den dood van zijn vader medegenomen had, en hij zinde nog steeds op middelen om zijn deel machtig te worden.
Siegfried nu kwam bij Regin en bleef bij hem wonen. Regin vertelde hem, dat Fafner de gedaante van een draak had aangenomen en in een hol op Gnitaheide lag. Daar had hij zich den schrikhelm op het hoofd gezet, die alle levende wezens vervulde van angst, en beschermde zoo zijn schatten.
Regin smeedde voor Siegfried een zwaard, dat Gram heette. Dit zwaard was zoo scherp, dat, wanneer men het in den Rijn stak en een vlok wol in den stroom wierp, de vlok, zoowel als het water, in tweeën gesneden werd. Met dit zwaard sloeg Siegfried ook Regins aanbeeld doormidden.
Dwerg Regin wist, dat Siegfried een geweldige held was en daarom spoorde hij hem aan Fafner te bevechten. Siegfried echter wilde dat niet doen, en zeide tot Regin:
--"Wat zouden de Hondingen lachen, die mijn vader hebben gedood, wanneer ik, de held, eerder werd gedreven om goud te bemachtigen, dan om mijn vader te wreken."
Toen ging Siegfried naar koning Helperik en verkreeg een groote menigte schepen en heel veel krijgsvolk om zijn vader te wreken. Zij voeren uit, maar op zee overviel hen een hevige storm, en zij werden naar een rotsachtig land gedreven. Boven op de rotsen stond een man, die slechts één oog had en wiens haren woeien in den wind. De man zeide:
--"Wie rijdt daar op waterrossen over de hooge golven heen? Gij zult tegen den storm niet bestand zijn."
Regin nu was met Siegfried uitgevaren en hij sprak tot den man:
--"Wij zijn hier met Siegfried en worden door den storm in den dood gedreven. De branding bruist over de boorden der schepen,--onze waterrossen vallen neer. Wie vraagt dat?"
De man, die Wodan was, antwoordde:
--"Men noemt mij Waterloeier. En in iederen strijd geef ik den raven te eten. Noem den man op de bergen maar Gavengever of Veelgedaante. Ik zal u een gunstige vaart verleenen."
Zij voeren dan naar den oever en namen den man aan boord. Toen bedaarde de storm. Siegfried zeide tot den man:
--"Waterloeier, zeg mij, want gij weet alles, wat is bij goden en menschen een teeken van geluk? Welk teeken voorspelt de overwinning, wanneer men ten strijde trekt?"
Waterloeier-Wodan antwoordde en sprak:
--"Vele teekenen voorspellen overwinning, als de menschen ze maar kenden. Een ieder, die wapenen draagt, mag veel vertrouwen hebben, wanneer hij door zwarte raven nagevlogen wordt. Als gij uitgaat voor een verren tocht en gij ontmoet op uwen weg twee roemverlangende helden, is ook dit een gunstig teeken. Een derde teeken is dit: gij hoort in een esscheboschje wilde wolven huilen, en zie!--zij rennen voor u uit; dan is uw zegepraal over helden zeker. Bij den laten schijn van de zinkende zon zal nooit iemand den strijd aanbinden, want slechts hij, die ziet, zal overwinnen. Aan een groot gevaar zoudt gij u blootstellen zoodra gij uitglijdt, wanneer gij ten strijde trekt; dan zijt gij van booze geesten omringd, die verlangen, dat gij gewond wordt. Wie verstandig is verzorgt zich echter goed: hij kamt en wascht zich en neemt een maaltijd 's morgens, want waar hij 's avonds is kan niemand weten: ook zonder voorteekens kan men vallen."
Daarna ontstond er een groote strijd tegen de Hondingen. Onkruid, een der zonen van Honding, en drie van zijn broeders vielen in dat gevecht.
Na den strijd sprak Regin:
--"Wat heeft Siegfried de vijanden van zijn vader vinnig in het vleesch gebeten! Daar is geen held zoo geweldig als hij, geen, die den grond ooit feller rood heeft geverfd, en grooter vreugde aan de raven gaf!"
Toen Siegfried weer in zijn land was teruggekeerd, spoorde Regin hem opnieuw aan Fafner te bevechten.
Siegfried en Regin gingen dan naar Gnitaheide, en Siegfried reed op zijn paard, dat Grani heette. Zij vonden het spoor van Fafner daar, waar deze gewoonlijk naar het water kroop. Siegfried groef er een grooten kuil, en daalde daarin af.
Toen de draak uit zijn hol kwam en giftigwalmend vuur uitbraakte, dat boven op het hoofd van Siegfried viel, verschool Regin zich in een boschje, dat daar dichtbij was. Siegfried echter wachtte den draak af, en toen deze over den kuil heenkroop, stiet hij hem het zwaard in het hart. Fafner kromde zich en sloeg heftig met zijn staart. Siegfried sprong uit den kuil, en nu zagen zij elkander. Toen sprak de draak:
--"O held, jonge held, welke sterveling gaf u het leven, uit welken stam kwaamt gij voort? Gij hebt uw zwaard in Fafners bloed geverfd, uw staal steekt in mijn hart."
Siegfried echter wilde zijn naam niet noemen. Want de menschen uit die dagen meenden, dat er groote macht uitging van het woord eens stervende, wanneer deze zijn vijand met name vervloekte. En Siegfried zeide:
--"Wonderkind heet ik, en ik ben geheel anders als andere menschen. Ik heb geen vader en ik heb geen moeder, en ik ben altijd alleen met mijzelf."
Fafner antwoordde, dat hij dan wel door een wonder moest geboren zijn, wanneer hij, zooals toch alle andere stervelingen, geen vader had. Toen lachte Siegfried en zeide:--"Dom gedrocht, dat niet eens weet wie ik ben en uit welken stam gesproten! Siegfried heet ik, ik ben Siegmonds zoon. Weet gij nu wiens wapen u doodde?"
En Fafner zeide:
--"Koene knaap met de schitterende oogen,--een verheven geslacht bracht u dan voort. Maar wie haalde u over mijn leven te belagen, en waarom liet gij u overhalen?"
Siegfried antwoordde den draak:
--"Mij haalde over mijn moedige hart, en mijn hand werd door mijn scherpe zwaard geholpen. Iemand, die van jongs af laf is geweest, komt er niet toe te gaan strijden."
Toen sprak Fafner:
--"Wees niet overmoedig, held, want ook de Nornen weven het net van uw noodlot. Wees gewaarschuwd en laat af van mijn glinsterende goud en mijn gloedroode ringen, want eenmaal zullen zij u dooden."
Siegfried echter spotte met dien raad en zeide, dat hij toch al het goud uit het hol zou halen. Toen antwoordde de draak:
--"Ik droeg den schrikhelm op het hoofd en weerstond de heele wereld. Ik meende, dat ik allen meester was en dat geen vijand mij durfde belagen. Gloeiend gif braakte ik uit, als ik lag op mijn glinsterende leger, waar ik het goud van mijn vader Reidmar bewaarde. Regin echter heeft mij verraden,--Regin verraadt ook u, ons beiden brengt hij den dood."
Nadat Fafner dit gezegd had, stierf hij. Siegfried veegde het bloed van zijn zwaard, en Regin kwam uit zijn schuilhoek te voorschijn. De dwerg zeide:
--"Hei, Siegfried, heil! U is de zege, gij zijt van alle wereldbewoners de eenige zonder vrees. Zingend reinigt gij uw zwaard aan de struiken. Toch was het mijn broeder, dien gij ombracht,--ofschoon niet geheel tegen mijn verlangen."
Regin ging naar Fafner, sneed hem met het zwaard, dat Vechtvlam heette, het hart uit het lijf en dronk van het bloed, dat uit de wonde vloeide. Daarna sprak hij tot Siegfried:--"Ik ga wat slapen,--braadt gij dan ondertusschen Fafners hart. Wanneer ik wakker word zal ik dat wildbraad eten."
Siegfried nam het hart van Fafner en braadde het aan een speer. Toen hij dacht, dat het genoeg doorbraden was, en zag hoe het bloed er overheen schuimde, raakte hij het met den vinger aan om te voelen of het al gaar was. Hij brandde zich echter en stak den vinger in den mond. Zoodra echter Fafners hartebloed de tong van Siegfried had aangeraakt, verstond hij de taal van de vogels. Hij hoorde ze in de boomen zingen en luisterde naar wat een zeide:
"Daar zit Siegfried nu met bloed bevlekt en braadt het hart van Fafner. En daar ligt Regin en overlegt bij zichzelf, hoe hij den held zal dooden. Siegfried moest dien dwerg het hoofd afhouwen, dan ware hij zelf meester van Fafners schatten."
Een tweede vogel zong en zeide:
--"Ja, voorzichtig zou het zijn, wanneer hij uw raad opvolgde en Regins lijk aan de raven gaf. Want mij dunkt het zeer onverstandig een van de broeders vrij te laten, nu hij den ander doodde. Regin, die aan verraad ligt te denken, is hem zeer vijandig: het ware dom dien dwerg te sparen."
Niet lang daarna kwam Regin terug en vroeg of Fafners hart al gaar was. Siegfried echter sloeg den dwerg het hoofd af, at zelf het hart van Fafner op en dronk daarbij beider bloed, van Regin en van Fafner. Toen zongen de vogels weer in de boomen en Siegfried luisterde naar wat een zeide. De vogel zong:
--"Hei, Siegfried! Koningen kennen geen vrees. Neem uit het hol alle roode ringen van Fafner en rijd over groene wegen naar Gibich's land. De koning heeft er een mooie dochter, die met Siegfried trouwen zal. Maar op Doodendierberg zie ik een burcht,--daar slaapt, gedekt door een helm, een vrouw van wondervolle schoonheid, die eens op gevleugelde rossen ten strijde reed. Machtige helden hebben daar vloeiend vuur als een schrikaanjagende beschutting om haar heengeslagen. Maar tegen der Nornen wil zal geen koningszoon haar slaap verstoren."
Siegfried volgde het spoor van Fafner en reed naar het hol. Dit stond open en de deuren en de stijlen waren van ijzer. Ook alle huisraad was van ijzer en de goudschat lag onder den grond begraven. Siegfried vond zooveel goud, dat hij er twee kisten mee vullen kon. Ook nam hij den schrikhelm en het gouden pantser en het zwaard, dat Ruischer heette, en vele kostbaarheden, en laadde alles op Grani, zijn paard. En Grani wilde niet vooruitgaan vóór Siegfried zelf het op den rug was gestegen.
Toen reed Siegfried naar het Zuiden, en kwam in het land der Gibichungen aan den Rijn. Hij sloot daar een verbond van bloedbroederschap met de koningszonen Goenther en Hagen, en trouwde met hun zuster Goedroen. Daarna reed hij met Goenther en Hagen en vele mannen uit om Brunhilde te werven, die boven op een berg in een burcht woonde, welke geheel met vuur was omgeven. En dit was geschied toen Wodan haar straffen wilde. Want eens waren twee koningen met elkander in strijd gewikkeld. De een heette Helmgoenther en deze was reeds oud. Maar hij was een zeer dappere held, en Wodan had hem de overwinning beloofd. De andere heette Agnar en was de broeder van Hada en niemand wilde zich met hem inlaten. Zegebrengster nu beminde Agnar, en zij stelde zich met hare acht zwanenzusters in dienst van den koning. En zij waren Walkuren. Zegebrengster doodde Helmgoenther in den strijd, en Wodan werd daarover zeer vertoornd. Hij doodde Agnar en hij zeide aan Zegebrengster, dat zij niet meer de overwinning in den strijd zou bevechten en dat zij slapen zou en dat zij moest trouwen met den held, die haar wekte. Toen bad zij tot Wodan en zeide:
--"Ik zweer, dat ik slechts met den held zal trouwen, die de vrees niet kent."
Daarop stak Wodan haar met den tooverdoorn in slaap, en legde haar op den berg. En hij sloeg roode en gele vlammen als schilden om haar heen, en hij zeide, dat zij slechts gewekt zou worden door den held, die de vrees niet kende.
Toen Siegfried en Goenther en Hagen dan bij den berg aangekomen waren, waarop Brunhilde was, zagen zij een burcht met een gouden dak, en vuur brandde er rondom, en boven op den burcht stond een standaard. Goenther reed op het paard, dat Goti heette, en Hagen reed op Holkvir. Goenther gaf zijn paard de sporen, en dreef het tegen het vuur in. Maar het paard week schichtig terug. Toen zeide Siegfried:
--"Waarom wijkt gij terug, Goenther?"
Deze antwoordde:
--"Mijn hengst wil niet tegen het vuur in springen."
Goenther verzocht aan Siegfried hem Grani te geven.
Siegfried sprak tot hem:
--"Die kunt gij krijgen."
Goenther reed opnieuw tot het vuur, maar Grani wilde niet verder gaan. Goenther kon niet door het vuur heen rijden. Daarop verwisselden Siegfried en Goenther van gedaante. Siegfried steeg op zijn paard, nam zijn zwaard Gram in de hand en bond zich gouden sporen aan de voeten.
Hevig begon het vuur te loeien, en de aarde beefde. Hoog tegen den hemel laaiden de vlammen op, en weinig helden zouden het wagen daar tegen in te rijden. Siegfried echter gaf Grani een wenk met het zwaard, als bliksems schitterden de teugels, die Regin eens bezeten had, en Siegfried reed door het vuur.
Toen hij door het vuur gereden was en dichterbij was gekomen, zag hij een schildburcht, en hij ging er binnen en hij zag een man, die in volle wapenrusting lag en sliep. Siegfried nam hem den helm van het hoofd en zag dat het eene vrouw was. Haar pantser was zoo stevig, alsof het was vastgegroeid. Siegfried sneed het open met zijn zwaard Gram, van den hals naar beneden en langs de beide armen en trok haar het pantser uit. En zij ontwaakte en richtte zich op, en zij zag Siegfried en zeide:
--"Wie doorsneed mijn pantser, wie verbrak mijn slaap, wie verscheurde mijn tooverboeien?"
Siegfried-Goenther antwoordde haar:
--"Ik ben Goenther, de zoon van Gibich, en gij zijt bestemd om mijn vrouw te worden, want ik reed door het vuur."
Toen zeide Brunhilde:
--"Lang heb ik geslapen, zoolang als menschen lijden. Dat wilde Wodan, en ik kon mijn tooverslaap niet verbreken."
Siegfried zette zich naast haar neder en vroeg haar naam. En zij zeide:
--"Gegroet gij dag, gij allen, lichtewezens. Gegroet gij nacht en aarde, dochter van nacht. Zie op ons neer met goedgunstige oogen, en verhoor onze beden om geluk. Gegroet gij Asen en Asinnen, allen, gegroet gij aarde, die ons voedt. Geef ons kennis en wijsheid en altijd wel-doende handen."
Brunhilde noemde zich Zegebrengster en zij was Walkure, en wie haar op het slagveld leerden kennen noemden haar Helmhilde. Zij verhaalde aan Siegfried-Goenther, waarom Wodan haar op den berg in slaap had gebracht, en toen zij dit verhaald had, zeide de held tot haar:
--"Menige heldendaad hebt gij volbracht. Denk nu aan uw belofte, dat gij zoudt medegaan met den held, die door het vuur zou rijden."
Hij stond recht-op en hij steunde op de greep van zijn zwaard. Brunhilde echter zat op haar zetel, zooals een zwaan op een golf zit, en zij hield een zwaard in de hand. Toen zij de woorden van Siegfried-Goenther hoorde, zag zij in, dat dit een herkenningsteeken was, en zij stond op en groette hem vriendelijk en leerde hem zeer veel wijsheid.
Hij bleef drie nachten bij haar, en zij bestegen hetzelfde bed. Siegfried echter trok het zwaard Gram uit de scheede en legde het scherpe staal tusschen hen beiden in.
En hij kuste haar niet, en nam haar niet in zijn armen, en hij lag naast haar, zooals een kind naast moeder ligt.
Brunhilde sprak tot hem:
--"Goenther, wat moet dat beteekenen?"
Siegfried-Goenther antwoordde haar:
--"Er is bepaald, dat ik aldus mijn bruiloft zal vieren, of anders sterven zal."
Toen nam hij een ring van haar aan, en gaf haar een ring, dien Fafner had bezeten. En hij reed terug door het vuur naar Goenther, en toen hij bij hem gekomen was verwisselde hij met hem van gedaante. Daarna reden zij weder naar het land van koning Gibich en Brunhilde werd er de vrouw van Goenther.
Op zekeren dag gingen Goedroen en Brunhilde naar de rivier om te baden. Brunhilde nu waagde zich het verste in den stroom. Toen vroeg Goedroen haar wat dat beduiden moest. Brunhilde antwoordde:
--"Waarom zou ik mij hierin wel aan u gelijk stellen en in al het andere niet? Mij dunkt, dat mijn vader veel machtiger was dan de uwe, en dat mijn man zeer veel heldendaden deed, en door het vuur is gereden. Uw man echter was knecht bij koning Helperik."
Goedroen was zeer vertoornd en zeide:
--"Gij zoudt wijzer doen te zwijgen, dan mijn man te beleedigen. Iedere man meent, dat niemand op de wereld zoo voortreffelijk is als hij,--maar u past het niet mijn man te beleedigen, want hij is uw eerste echtgenoot, en hij doodde Fafner en reed door het vuur, waar gij dacht koning Goenther te zien. En hij lag naast u op uw bed en hij nam u een ring van den vinger en dien ring kunt gij hier herkennen."
Brunhilde zag den ring, dien Goedroen aan de hand droeg, en zij herkende hem. Toen verbleekte zij alsof zij dood was, en ging heen en zeide heel den avond geen woord meer, en zij zat buiten.
Daar klaagde zij:
--"Ik wil Siegfried, het heldenkind, in de armen hebben,--of anders wil ik dood. Goedroen behoort aan hem en ik ben van Goenther. Een booze Norn schiep die eeuwige ellende."
Toen Goedroen met Siegfried ter ruste was gegaan en deze zijn mooie vrouw omhelsde, ging Brunhilde vol gramschap in de duisternis van den avond op de windkoele bergen. En zij sprak in zichzelf:
--"Zonder vreugde dwaal ik rond, en als ik vermoeid ben moet ik zonder vrienden rusten."
Goenther ging uit om haar te zoeken, en toen hij haar gevonden had vroeg hij haar, welke droefheid haar drukte, en of hij haar ook helpen kon.
Brunhilde zeide tot hem:
--"Goenther, mij en mijn land zult gij weldra verliezen. Ik vind hier geen vreugde meer, ik wil wederkeeren waar ik vroeger was, naar mijn verwanten en stamgenooten. Daar wil ik verblijven en mijn leven verslapen,--als gij Siegfried niet doodt en u zelf verheft tot heer over allen."
Goenther antwoordde haar:
--"Denkt gij aan moord, Brunhilde, denkt gij aan zulke daden? Zeg mij wat Siegfried u misdeed, dat gij zijn hartebloed wilt vergieten."
Brunhilde sprak tot hem: