# De Edda

## Part 5

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-edda-12822/index.md

Helderwit, een van de Asen, ging een verre reis ondernemen. Hij had echter een anderen naam aangenomen, en noemde zich Oerman.

Nadat Oerman al zeer ver was gevaren, kwam hij aan het strand van de zee en vond daar een huis. De deur lag naast den ingang, en Oerman ging naar binnen.

Daar zaten, over het vuur gebogen, twee menschen, een man en eene vrouw, die Oud en Oude heetten en zeer armoedig waren gekleed. Oerman sprak met hen, gaf hun in vele dingen goeden raad, en spoedig werd het midden van de bank voor hem vrijgemaakt, waar beiden zich naast hem nederzetten. Oude haalde een stuk droog brood, dat hard en grof was en met zemelen gebakken, droeg ook een houten nap met slecht bier naar binnen en een stuk gekookt kalfsvleesch, het beste wat zij had.

Toen zij gegeten en gedronken hadden, en Oerman hun nog veel goeden raad gegeven had, stond hij op om te gaan slapen. Hij legde zich midden in het groote bed, en naast hem legden zich Oud en Oude neer.

Drie nachten bleven zij daar bij elkander. Toen ging Oerman weer heen, en vervolgde zijn reis.

Na negen maanden echter kreeg Oude een koolzwart kind. Men wiesch het met water, en noemde het Knecht. Voorspoedig groeide het op, maar het had ruwe en doorgroefde handen, zijn rug was krom gegroeid, knoestig waren zijn vingers, en grof zijn gezicht. Het werk, waarmede Knecht zijn kracht ontwikkelde was hakken van hout, boomtakken binden, stammen sleepen, heel den dag.

Eens kwam er een vrouw in zijn woning, hinkend op haar bloederige voeten, met eeltige handen en stompen neus. Meid was haar naam. Spoedig werd het midden van de bank voor haar vrij gemaakt, en de zoon des huizes zette zich naast haar neder. Daar lagen, toen het donker was geworden, lachend en pratend, Meid en Knecht.

Armelijk woonden zij bij elkander, en kregen vele kinderen. Dat waren kromme en kreupele, plompe, lompe wezens. Zij voederden de zwijnen, groeven turf, en wroetten rond in de aarde.

Zoo ontstond de stand der Knechten.

Toen Oerman heengegaan was en zijn weg had vervolgd, kwam hij weer aan een huis. De deur lag naast den ingang en Oerman ging naar binnen.

Daar zat aan het vuur een vlijtig paar, dat ijverig aan het werk was. Bij den haard stond een houten paal, waarvan de man een gladden weef boom had geschaafd. Zijn vrouw zat naast hem en trok uit het spinnewiel stevige draden. De man, in een kiel gekleed, droeg het haar bij het voorhoofd heel kort geknipt, terwijl zijn vrouw een doek om het hoofd had geslagen, en een halsdoek over haar jak had vastgemaakt. Zoo woonden Afi en Amma bij elkander.

Oerman sprak met hen, gaf hun in vele dingen goeden raad, maar stond spoedig op van tafel om te gaan slapen. Hij legde zich midden in het groote bed, en naast hem legde het vlijtige echtpaar zich neder.

Drie nachten bleven zij daar bij elkander. Toen ging Oerman heen, en vervolgde zijn reis.

Na negen maanden echter kreeg Amma een krachtig kind. Het had een frisch gezicht en vroolijke oogen. Zij wieschen het met water, wonden het in linnen windselen, en noemden het Kerel. Het werk, waarmede Kerel zijn kracht ontwikkelde, was stieren voederen, het veld bebouwen, met wagens rijden, en den ploeg besturen.

Eens kwam er een bruid in de woning van Kerel. Aan haar gordel hingen sleutels, en over haar lange kleed van geitevellen droeg zij een mooien mantel. Het meisje heette Snaartje. Zij deelden samen hun bezit, en woonden als echtpaar bij elkander. Zij leefden gelukkig en kregen kinderen. Dat waren stevige, sterke, werkzame jongens,--flinke, vlugge, montere meisjes.

Zoo ontstond de stand der boeren.

Toen Oerman heengegaan was, en zijn weg had vervolgd, kwam hij aan een groote zaal. De deur stond naast den ingang, die gekeerd was naar de zon. Oerman ging naar binnen.

Daar zaten een man en eene vrouw, die zich met spelen vermaakten. Vader, die de heer was van het huis, hield een boog in de hand, en spande de pees met een puntigen pijl. Moeder, de huisvrouw, streek de plooien van haar kleeding glad. Zij droeg een sluier op het hoofd, en kunstige sieraden om den hals, en zij had een blauw gewaad aan met langen sleep. Voorhoofd, borst en armen waren blanker dan de blinkende sneeuw.

Oerman sprak met hen, gaf hun in vele dingen goeden raad, en spoedig werd het midden van de bank voor hem vrij gemaakt, waar beiden zich naast hem nederzetten. Toen dekte Moeder de tafel met een gebloemd linnen laken, en zette het beste gebak voor hen neer. Zilveren schalen met spek en gebraden vogels droeg zij binnen, en kostelijken wijn in waardevolle kannen.

Zoo ging, pratend en drinkend, de dag ten einde, en Oerman gaf hun menigen raad, totdat hij opstond om te gaan slapen.

Drie nachten bleven zij daar bij elkander. Toen ging Oerman weer heen, en vervolgde zijn reis.

Na negen maanden kreeg Moeder een stevigen zoon. Men wiesch hem met water, wikkelde hem in zijden doeken en noemde hem Heer. Hij kreeg blonde haren en bloeiende wangen, en als slangenoogen blonk zijn blik. De knaap werd flink en sterk, leerde pijlen snijden, bogen buigen, het schild hanteeren, speren slingeren, paarden temmen, en oefende zich in zwaarden zwaaien en in zwemmen.

Eens, dat Oerman wederkeerde uit het woud, gaf deze hem zijn naam, en noemde hem zoon. Hij raadde hem aan er opuit te rijden om aan zijn oude bezit nieuwe winsten te verbinden. Heer reed heen langs ongebaande paden en over besneeuwde bergen, totdat hij voor een burcht kwam. Hoog op zijn paard gezeten slingerde hij zijn speer, zwaaide zijn zwaard en zijn schitterende schild. Er ontstond een hevige strijd: de bosschen werden rood van bloed, de vijanden vielen, en heel het land werd overwonnen.

Hij alleen was heerscher over achttien burchten, en schonk overvloedige schatten weg: kunstig gesmeede sieraden, edele paarden, geslingerde ringen van goud.

Toen zond hij edelen uit, ver over de zee, naar den burcht, dien Herse zich bouwde, en hij beval hun, dat zij Erna, het slanke, mooie adelsmeisje, halen zouden. En Erna kwam, in linnen bruidsgewaad gekleed.

Heerlijk leefden zij samen, en teelden een grootsch geslacht van koninklijke kinderen.

Zoo ontstond de stand der edelen.

De jonge koning kende alle runen van oude tijden, had de macht om zieken te genezen, vijandelijke zwaarden bot te maken, stormen te bedaren, vuur te dooven, vogels te verstaan, en leed te lenigen. Hij was zoo sterk van spieren als acht mannen te zamen. Meer zelfs dan de wijze Oerman kende de koning, en hij was in alle weten ervaren.

Eens reed een van zijn edele zonen door het wilde woud ter jacht, en luisterde naar het zingen van de vogels. Toen krijschte er een kraai, en zeide tot den jongen edeling:

--"Vorstenkind, wat voert u hierheen om naar vogels te luisteren? Op strijdrossen rennen, en helden vellen is betere taak voor u dan de jacht. Wie na u komen zullen méér burchten bezitten, en grooteren roem verwerven: op snelle schepen zullen zij over de wereld zeilen, en overal de teekenen toonen, die het zwaard hun bloedig sloeg"

HELDENSAGEN

De Welandsage

Er was een koning in Zweden, die Nijdhod heette. Twee zonen had hij, en ene dochter, wier naam Bodwild was.

Ook leefden daar terzelfder tijd drie tooverkundige bergbewoners. Zij waren broeders. De oudste heette Slagfid, de tweede Egil en de derde Weland. Zij waren gewoon op sneeuwschoenen te loopen, en maakten jacht op wilde dieren.

Eens kwamen zij in Wolvendal en bouwden er zich een huis dicht bij een water, dat Wolvenmeer genoemd werd. Op zekeren dag, vroeg in den morgen, dat de drie broeders op jacht waren gegaan, kwamen over het uitgestrekte Zwartwoud meisjes uit het Zuiden gevlogen. Zij droegen helmen op het hoofd en zochten of er ook ergens werd gevochten. Toen zij niets zagen, zetten zij zich aan het strand van Wolvenmeer neder, en sponnen er de kostbare draden van het lot. Hare zwanenkleeren lagen in de nabijheid, want zij waren Walkuren. Twee van haar waren dochters van koning Lodwer: de zwaanwitte Ladgud, en Herwor, de Alwijze. De derde echter was Aalrune, de dochter van Kiar, koning van Walland.

Toen de drie broeders terugkwamen uit de bergen, en de vrouwen zagen, namen zij haar mede naar hunne woning. Egil koos Aalrune, en vleide zich aan haar blanken boezem neer; Slagfid nam de zwaanwitte Ladgud, en Herwor, de derde, omhelsde Weland. Zij bleven zeven winters lang bij elkaar. Maar in den achtsten winter voelden de vrouwen een rusteloos verlangen naar haar eigen werk, en in den negende kon niets haar weerhouden. Een groot verlangen om te zoeken waar gevochten werd dreef de helmdragende meisjes het Zwartwoud in. En toen op zekeren dag de drie broeders waren uitgegaan ter jacht, vlogen de vrouwen heen. Herwor was de laatste, die heenging, en vóór zij ging fluisterde zij, rondom zich ziende in den voorhof:

--"Wie straks uit het bosch komt zal geen blijheid beleven."

Vermoeid van de jacht keerden eindelijk de drie broeders uit het woud in hunne woning terug. Zij vonden alle zalen verlaten,--zij liepen naar buiten, liepen naar binnen, overal zoekend liepen zij rond.

Toen ging Egil naar het Oosten om Aalrune te zoeken,--naar het Zuiden ging Slagfid om te zien of hij Ladgud ook vond. Maar Weland bleef in Wolvendal, eenzaam. In fijn-gesmeede sieraden vatte hij edelsteenen, reeg aan banden van boombast ringen van goud en wachtte, hopend, dat zijn blonde Herwor zou wederkeeren.

Daar hoorde Nijdhod, de vorst van de Njaren, dat Weland eenzaam in Wolvendal was. Weldra reed hij door de stilte van den nacht met een leger krijgshaftige mannen, wier schilden en schubbige pantsers in den schijn van den manesikkel schitterden.

Bij Weland's woning stegen zij van hunne paarden en gingen in de groote hal. Daar zagen zij de aangeregen ringen, zevenhonderd in getal, die het eigendom van Weland waren. Zij trokken ze van de banden, regen ze echter weer aan elkaar, behalve een, die de mooiste was en dien Nijdhod behouden wilde. Toen verscholen zij zich in de holen en in de bosschen, die rondom de woning waren, en wachtten tot Weland komen zou.

Vermoeid van de jacht keerde deze eindelijk na een langen tocht terug. Weldra vlamde er een vroolijk vuur in het dorre hout, dat de wind gedroogd had, en ging Weland berenvleesch braden. Nadat hij ervan gegeten had, legde hij zich neer op de huid van den beer, dien hij gedood had, en telde zijn ringen. Hij miste er een, en meenend, dat Herwor dien eraf had genomen, dacht hij, dat de jonge Alwijze was teruggekeerd.

Zoo zat hij lang, wachtende tot zij zou komen, en viel eindelijk in slaap. Maar wat jammerlijk wee bracht hem het ontwaken! Harde banden bonden zijn handen, en zijn voeten waren stevig geboeid.

Toen riep hij luide:

--"Waar zijn de roovers, die mij met ruwe riemen omsnoerden en mij in harde banden gebonden hebben?"

Nijdhod, de koning, die dacht, dat Weland al dat goud had gestolen, ging naar hem toe en zeide:

--"Zeg, Weland, hoe hebt gij in Wolvendal al dat goud verworven? Want gij hebt niet, als Siegfried, een draak gedood, die schatten bewaakte, en de rotsen van den goud-rijken Rijn zijn ver van uw woning verwijderd."

Weland antwoordde den koning:

--"Kent gij Ladgud en Herwor niet, Lodwers rijke dochters, en Aalrune, die een kind van koning Kiar is? Ik had nog grootere schitterende schatten, toen ik met Alwijze zoo gelukkig was."

's Konings krijgslieden namen den gevangen Weland op en brachten hem naar het paleis van Nijdhod. De koningin, die buiten stond, zag hen aankomen en zij zeide tot zichzelf, terwijl zij naar binnen ging:

--"Het ziet er niet goed uit, voor wie daar uit het woud komt."

Nijdhod gaf den gouden ring, dien hij uit Welands woning medegenomen had, aan zijn dochter Bodwild ten geschenke. Zelf echter behield hij het scherpe zwaard dat aan Weland had toebehoord.

Toen sprak de koningin tot den koning:

--"Welands oogen schitteren als die van slangen. Zijn tanden zullen van woede wel knarsen, als hij zijn zwaard ziet en den ring herkent aan Bodwilds arm. Snijd hem de kniepezen door en laat hem zoo in Zeestad zitten!"

Dit geschiedde. Men sneed hem de pezen van de knieën door, en hij werd op een eiland gezet, dat in de nabijheid van het land lag en Zeestad heette. Daar moest hij voor den koning allerlei sieraden smeden, en niemand durfde hem te naderen als de koning alleen.

Slapeloos zat er Weland en hanteerde den hamer. Hij dacht hoe nu aan Nijdhods gordel het glanzende zwaard hing, waarvan hij de snede had geslepen zoo goed hij kon, dat hij gehard had met hamerende handen, en dat hem nu ontnomen was en nooit meer in zijn werkplaats zou worden gebracht. En hij dacht aan den roodgouden ring van zijn heerlijke Herwor,--en die nu aan Bodwilds arm blonk.

Zoo zat hij en smeedde sieraden voor Nijdhod, knarsend van woede, onmachtig tot wraak.

Maar op zekeren dag kwamen Nijdhods jeugdige zonen naar Welands werkplaats. Voorzichtig slopen zij naar binnen, openden de kist, waarin de kostbaarheden waren, en keken er in. Daar zagen zij schitterende schatten, en zij vroegen schuchter aan Weland:

--"Is al dat glinsterende echt goud?"

Weland wendde het hoofd om en zag de beide koningskinderen. Toen rijpte er plotseling een plan tot wraak, en hij zeide:

--"Kinderen, komt morgen heimelijk bij mij, dan zal ik u schatten ten geschenke geven. Maar zegt het niet aan de knechten en meiden, verbergt voor iedereen, dat gij bij mij waart."

Den volgenden morgen, al heel vroeg, zeide het oudste van de kinderen tot het andere:

--"Kom, laten wij gauw naar het goud gaan kijken." Nieuwsgierig gingen zij naar Welands werkplaats, slopen voorzichtig naar binnen, openden de kist, waarin de kostbaarheden waren, en keken er in.

Toen, met een hevigen slag, sloeg hun Weland het hoofd af en verborg hun voeten onder den haard. Maar hun schedels zette hij in zilver en zond ze aan Nijdhod, maakte van hun oogen edelsteenen, voor de sluwe moeder een schitterend geschenk, en smeedde uit de tanden van haar twee broeders een blinkend sieraad voor Bodwilds borst.

Korten tijd daarna gebeurde het, dat de gouden ring, waarmede Bodwild pronkte, brak. Zij nam de beide stukken, ging er mede naar Weland, en zeide:

--"Weland, wilt gij mijn ring weer maken? Aan u alleen durf ik zeggen, dat hij gebroken is."

Weland antwoordde haar:

--"Ik zal uw gouden ring zóó maken, dat hij uw vader nog sierlijker schijnt, en dat uw moeder hem veel mooier zal vinden. Gij zelf zult zeggen: hij is weer even goed."

Overweldigd door het vele bier, dat Weland haar deed drinken, viel Bodwild weldra, dicht tegen hem aan, in slaap.

Toen juichte Weland:

--"Nu heb ik alle wandaden gewroken, behalve één. Maar ik zal mij nog wel hoog verheffen boven de schurken, die mijn pezen doorsneden."

Heftig begon hij te hameren en smeedde zich vleugels. En toen Bodwild wakker werd, ging zij weenende heen van haar verleider, bevend voor haars vaders wraak, en bang, dat Weland zou ontvluchten.

Koning Nijdhod had langen tijd tevergeefs op zijn zonen gewacht. Hij lag op een bank in de groote zaal van zijn paleis, en peinsde. De koningin stond buiten, en zoodra zij hem zag, ging zij tot hem, zette zich naast hem neder en zeide:

--"Nijdhod, vorst der Njaren, zijt gij wakker?"

De koning antwoordde haar:

--"Altijd ben ik wakker, geen slaap sluit mijn vreugdelooze oogen. Mij kwellen zorgen na der kinderen dood. Het hamert in mijn hoofd, sinds gij mij zoo heilloos hebt geraden. Ik wil met Weland spreken."

Nijdhod stond op en ging naar Zeestad. Daar sprak hij tot Weland:

--"Antwoord mij, Weland,--wat is er gebeurd met mijn zonen, die zoo gezond mij verlieten?"

Toen zeide Weland:

--"Alles zal ik u zeggen, als gij mij zweren wilt met heilige eeden: bij de spits van uw speer, bij den rand van uw schild, bij de kiel van uw schepen, bij den rug van uw krijgsros, dat gij mijn vrouw niet zult vermoorden, dat gij mijn lief geen leed zult doen, ook niet wanneer zij aan uw huis verwant zou zijn, en mij een kind in konings zalen werd geboren.--Zoo ga dan in de werkplaats, die gij voor Weland bouwdet, en zie er de balken, die druipen van bloed. Daar sloeg ik uw kinderen met hevigen slag het hoofd af, en verborg hun voeten onder den haard. Maar hun schedels zette ik in zilver, en zond ze aan Nijdhod, maakte van hun oogen edelsteenen, voor de sluwe moeder een schitterend geschenk, en smeedde uit de tanden van haar twee broeders een blinkend sieraad van Bodwilds borst. En Bodwild zelf, uw beider eenige dochter, gaat en draagt mijn kind."

Toen sprak Nijdhod:

--"Geen woord, Weland, heeft ooit mij heftiger getroffen,--geen woord wensch ik zoo streng te straffen als dit."

Maar lachend vloog Weland de lucht in. Nijdhod stond, en staarde hem na, vernietigd van smart.

Daarop zeide de koning:

--"Dankraad, gij wiens raad ik zoo dikwijls dankend aanvaardde, ga, en ontbied de blonde Bodwild hier. Ik wil haar verhooren."

Toen Bodwild gekomen was, zeide de koning:

--"Is het waarheid, Bodwild, wat Weland mij zeide? Waart gij te zamen met hem?"

En Bodwild sprak:

--"Het is waarheid, koning, wat Weland u zeide. Wij waren te zamen, alleen. Ach, had ik toch nooit dat nooduur beleefd! Maar ik deed het ontwetend, deed het onwillend, ik kon niet weerstaan, kon Weland niet weren."

Helgi, Zwaardwachts zoon

Koning Zwaardwacht had drie vrouwen. De eerste heette Alfheld, wier zoon Hedin was; de tweede heette Zeerit, wier zoon Schemerling was; de derde heette Zinrood en haar zoon was Sluimerling.

Koning Zwaardwacht had gezworen, dat hij de schoonste vrouw zou trouwen, die hij vinden kon. Eens vernam hij, dat koning Slaapner een zeer schoone dochter had, wier naam Sieglinde was. Atli, den zoon van een zijner edelen, die Idmond heette, zond hij uit om de hand van Sieglinde te vragen.

Een winter lang verbleef deze edelman met zijn volgelingen aan koning Slaapners hof. Glanswolk echter, een hoveling van den koning, die de verpleger van Sieglinde was, en zelf eene dochter had, die Alof heette, raadde zijn koning aan Sieglinde niet aan Atli mede te geven. Toen ging Atli heen.

Maar voor hij heenging stond hij op zekeren dag voor een boschje lage boomen. Daar zat een vogel in de takken, en deze had gehoord, dat Atli's volgelingen de vrouwen van Zwaardwacht de mooiste vonden. Toen zeide de vogel:

--"Hebt gij Sieglinde, Slaapners dochter, wel gezien, dat gij de vrouwen van Zwaardwacht nu nog mooi kunt vinden?"

Atli vroeg den vogel, of deze hem helpen wilde Sieglinde voor zijn koning te verwerven. De vogel beloofde het hem, wanneer hij in ruil voor zijn diensten rijke geschenken krijgen zou. Maar toch moest Atli zonder Sieglinde wederkeeren.

Zoodra hij in zijn eigen land, dat Glasland heette, aangekomen was, vroeg de koning hem welke tijding hij medebracht. Atli zeide, dat hij alle moeite gedaan had, die mogelijk was,--verhaalde den koning van zijn afmattenden tocht over de barre bergen, hoe zij bij ebbe door gevaarlijke rotsspleten aan zee waren gegaan, en dat tenslotte toch nog Slaapners dochter was geweigerd.

De koning verlangde, dat zij nogmaals heen zouden gaan, en hij ging zelf mede.

Toen zij boven op de bergen gekomen waren, en Slaapners land, dat Svabaland heette, konden overzien, zagen zij daar hoogopslaande vlammen en warrelende stofwolken, die door rennende paarden opgeworpen werden. De koning reed van de bergen naar beneden, en vestigde zijn nachtverblijf aan een breede rivier. Atli hield de wacht, en stak de rivier over. Daar, aan den anderen oever, vond hij een huis, waarvoor een groote vogel zat, die er de wacht moest houden, maar ingeslapen was. Atli schoot den vogel dood, ging het huis binnen en vond daar Sieglinde, de koningsdochter, en Alof, de dochter van den edelman. Deze edelman had zich in een arend veranderd, en hij was de vogel, die door Atli gedood werd, en hij had de beide meisjes met zijn tooverkunst voor de legers beschermd. Want Roodwolk, een koning uit den omtrek, die ook naar Sieglinde gedongen had, was het land van den Svaba-koning binnengevallen, had hem verslagen, en zijn rijk geplunderd en in brand gestoken.

Toen nam koning Zwaardwacht Sieglinde tot vrouw, en Atli behield Alof voor zich.

Zwaardwacht en Sieglinde kregen een flinken, krachtigen zoon. Maar spreken kon hij niet, en men gaf hem ook geen naam.

Eens echter, dat deze op een heuvel stond, zag hij negen Walkuren over de wolken rijden. Een van dezen, Svaba genaamd, die de dochter was van koning Euling, sprak tot hem:

--"Helgi, gij zult eens over heel het gebied en over alle burchten van dit schitterende Glasland regeeren."

De koningszoon zag tot haar op, en toen hij het meisje gezien had kon hij spreken. En hij zeide:

--"Schitterend meisje, wat wilt gij mij nog meer geven, behalve dien naam? Wenscht gij mij nog meer in uw groet? Ik neem dien naam niet zonder u."

Svaba, de Walkure, antwoordde hem:

--"Zes en veertig zwaarden zie ik in Zegehout staan. Maar één daarvan is het beste van allen. Aan het gevest is een ring, moed in de snede, op de spits schittert verschrikking, in het staal steekt een bloeddrinkende draak. Het zwaard, dat met goud is beslagen, slaat alle schilden stuk, en het trilt als de staart van een giftslang."

Toen reed Svaba heen. Helgi echter ging naar zijn vader Zwaardwacht, en zeide:

--"Koning Zwaardwacht, gij zijt wel beroemd als aanvoerder van vele legers, maar gij laat de vlammen vreten in het land van vorsten, die u nooit iets hebben misdaan. Roodwolk regeert over de burchten, die aan onze verwanten behoorden, en hij heerscht ongestoord over het eigendom van de dooden."

Zwaardwacht antwoordde hem, dat hij hem een leger zou geven, als hij er mede wilde uitrukken om den vader van zijn moeder te wreken.

Helgi zocht het zwaard, dat Svaba hem gewezen had, rukte met Atli uit, velde Roodwolk neer en volbracht nog menige heldendaad.

Op een van zijn vele tochten versloeg Helgi ook den reus Haat, die boven op een berg zat, aan den oever van de zee. Helgi en Atli legden toen hunne schepen in de Haatfjord vast. Atli zou gedurende het eerste gedeelte van den nacht de wacht betrekken, en terwijl hij op den hoogen voorsteven van het grootste schip stond en uitzag, kwam Ringgerd, de dochter van den gedooden reus, op de rotsen en sprak tot hem:

--"Welke helden zijn er in de Haatfjord gekomen? Schilden staan als tenten op uw schip: gij schijnt dus geen vrees te kennen. Hoe heet uw koning, en wie zijt gij?"

Atli antwoordde de heks:

--"Helgi heet de koning. Gij kunt zijn schip toch niet beschadigen, want het is rondom met ijzer beslagen. Ik ben Atli. En ik haat alle heksen, en vele malen heb ik, op den voorsteven staande, nachtspoken vernietigd. Hoe heet gij, heks?"

De heks zeide hem:

--"Ringgerd heet ik, de dochter van Haat. Mijn vader heeft zich menige bruid uit de burchten genomen, voor Helgi hem doodde. Want hij was de machtigste onder de reuzen."

Atli wist, dat het haar plan was de schepen te vernietigen, als zij er ongemerkt dichtbij kon komen, of wel, afwachtend onder het water, ze om te werpen en zoo te doen zinken. Ringgerd, woedend, dat Atli haar voornemen kende, riep uit:

--"Helgi, word wakker. Betaal boete voor den val van mijn vader. Laat mij maar een nacht naast u slapen, dan zal uw wandaad wel gewroken zijn."

Helgi werd wakker van haar stem, die huilde als de storm, en hij zeide haar:

--"Lodhin, de woudreus, zal u wel temmen,--want voor een mensch zijt gij niet goed genoeg. Bij wilde bergbewoners hoort ge thuis."

Ringgerd antwoordde hem:

--"Gij zoudt wel liever het blonde meisje hebben, dat de haven voor u veilig heeft gemaakt. Hier zag ik ze aan land gaan,--zij is het geweest, die mij de macht heeft ontnomen, om uw bende in het verderf te storten."

Toen Helgi van het blonde meisje hoorde spreken, dacht hij aan Svaba, de Walkure, en hij vroeg:

--"Zeg, Ringgerd, was zij alleen, toen zij mijn schepen redde, of stonden anderen haar bij?"

Ringgerd zeide:

