Part 4
Begrijpt gij mijn woorden?
Veel zie ik vooruit, veel kan ik verhalen van wereldeinde en godenondergang.
Mijn oogen zien een boom, die Schrikesch heet. En aan zijn heilige wortelen zie ik verscholen liggen Helderwits hoorn, die schallen zal door de godenschemering. Ik zie de wilde wateren bruisen uit Strijdvaders pand.
Begrijpt gij mijn woorden?
Eene oude zit in het Oosten, in IJzerwoud, en voedt er een gebroed van wolven. Van dezen wordt een de ergste, het maanhondmonster, dat de maan zal verslinden. Hij vreet het vleesch van vermoorde mannen, en bemorst alles met bloed. In volgende zomers zal de zon verduisteren en hevige onweders zullen er woeden. Hoort gij mijn woorden?
De stormreus Schrikker zit aan den heuvel en slaat in de harp; waakzame wachter is hij van de oude reuzen. Dicht bij hem in Arendenwoud zingt de bloedroode haan die Fjalar heet. Bij de goden zingt Guldenkam een weklied voor de helden in Walhalla, en onder de aarde zingt een andere, een zwart-roode haan, in Hella's huis.
Wat mompelt Wodan met Mimirs hoofd? Ik hoor Helderwits hoorn weerschallen, vuur slaat hoog in Schrikesch' kruin, de takken sidderen aan Schrikesch' stam, de boom beeft nu Loge zich losrukt, wild huilt de hond voor Hellehol, zijn banden breken.
Uit het Oosten nadert de reus,--wild wentelt zich de wereldslang, slaat dreunend op de deinende golven. Verlangend naar lijken gilt de arend zijn oorlogsgeschreeuw, en het Doodenschip scheurt van zijn ankers.
De zonen van Vuur stevenen aan uit het Oosten. Loge staat aan het roer en hitst de wilde wolven op.
Uit het Zuiden komt Rook met zijn vurig zwaard, waar flikkerende vlammen uit laaien.
Rotsen donderen neer om rondhollende reuzinnen, 't is feest voor Hella, de hemel splijt.
De reuzen brullen,--de dwergen staan voor hunne steenen kloven, en klagen.
Wat is er bij Asen, wat is er bij Alfen?
Hoort gij mijn woorden?
Wodan komt den wolf bestrijden, Freyer vecht met Rook. Ik zie Wodan door den wolf verslonden, Freyer valt. Waar is de vreugde van Frigga?
Daar stormt Widar, Strijdvader's zoon, onweerstaanbaar los op den wolf, hij zwaait zijn zwaard, stoot het monster het staal in de gapende kaken, wringt het diep in het hart. Zoo wreekt hij zijn vader.
Thonarr, de zoon van de warme aarde, de beschermer der menschen, stapt dreunend ten strijde naar de wereldslang. Met zijn moker vermorselt hij het ondier den schedel, wankelt nog negen schreden door de dampen van gif, en valt.
Zwart wordt de zon en de aarde zinkt in de zee. Van den hemel vallen de schitterende sterren, en in den donkeren top van den wereldboom loeien de laaiende vlammen.
Wat is er met menschen, wat is er met goden?
Ver van de zon af, aan Doodenstrand, zie ik een zaal. De deuren staan gapend open naar het ijzige Noorden, giftdruppels druipen door kieren en vensters, en glibberige slangenruggen omslingeren de zaal.
In het Oosten sleept door etterdalen Slingerstroom een vloed van zwaarden en slijk. In het slijmerige water waden mannen, die moord en meineed bedreven en de vrouw van een ander verleidden.
En aan de lijken zuigt Nijdhaag, de draak.
Noordelijk, in het Nidagebergte, is een gouden smidse voor Sentri's dwerggezellen, en een andere zaal is in warme streken, waar de bergreus bier dronk.
Ik zie de aarde andermaal in eeuwig groen van den bodem der zee verrijzen. De vloed is gevallen en de arend, die op de rotsen zit, zoekt vreedzaam visschen ter prooi.
Op de glorievelden komen de goden te zamen. Zij spreken nu zonder vrees van de groote wereldslang, herinneren zich de runen van den oudste der Asen en denken aan menige machtspreuk van vroeger terug.
In het gras vinden zij weer de wondervolle gouden tafelen, die Wodan en de andere Asen in oeroude, gelukkige dagen bezaten.
Zonder zaad groeien alle gewassen en alle ellende is geëindigd. Ook Balder keert weder en woont samen met Hader in goede gezindheid. En Henir mag zich weer mengen onder de goden. Zoo keert in beider zonen de eenmaal verstoorde vriendschap der vaderen terug.
Goed gaat het den goden en zij wonen in Windland.
Hoort gij die woorden?
Een Lied voor Herleving
Het gebeurde, dat Dagdrager naar den heuvel ging, waar zijn moeder Groeikracht, als het leven van de groenende aarde in haar wintergraf, lag begraven. En hij sprak:
--"Groeikracht, ontwaak, gij goede! Uit uw sluimer wekt u uw zoon, dien gij hebt ontboden naar de poort van de dooden."
Groeikracht stond op uit haar graf en zij zeide:
"Welk leed ligt als een last op mijn eenigen zoon? Waarom roept gij uw moeder uit de rust van haar graf? Lang reeds heb ik de wereld van licht verlaten."
Toen vertelde Dagdrager haar, dat hij gekomen was om de plaats te weten, waar zijn geliefde Goudvreugde was, die hij zoo vurig verlangde weder te vinden.
Groeikracht sprak tot hem:
--"Wel ver gaan de verlangens der menschen! En lang is de weg, die naar Goudvreugde leidt,--groot zijn de moeielijkheden, die gij te gemoet gaat."
Dagdrager smeekte zijn moeder, dat zij hem dan reddende runen geven, en zegenende tooverzangen over hem zingen zou.
--"Moeder," zoo bad hij, "help uw zwakken zoon,--kom uw machteloos kind te hulp. Ik ben nog zoo jong voor dien moeilijken tocht,--alléén zou ik mijn doel niet kunnen bereiken."
Toen zong Groeikracht tooverliederen over haar kind:
--"Als gij vol droefheid uitgaat op uw verren tocht, mogen de Nornen u genadig zijn, aan wier woorden niemand iets verandert. De dreunende deining van golven, die u dreigen, vervloeie tot een rustig watervlak op uw reis. Toornige vijanden, die uw weg tot doodsweg willen maken, verzoene uw toovermacht,--warmtegloed ademe u mijn lied om de leden, dat hij den band van ijs verbreke, die u bindt. Storm, die opsteekt in zee en hooge golven opzweept voor uw schip, zal zich nederleggen voor uw geheven handen, en vrede laten aan uw vaart.
Als op rotsige hoogten felle vorst u overvalt,--dan schade de scherpe lucht niet aan uw lichaam en verlamme u de leden niet. Dat in nevelige nachten geen christenvrouw als winterwreed spook uw weg versperre,--en als gij nadert tot den reus, die met het zwaard gewapend wacht houdt bij de wegen, mogen woorden van wijsheid in uw gedachte zijn.
Ga dan heen, eenzame zoon. Gevaren zullen de vervulling van uw wenschen niet weerhouden: mijn weten is zoo zeker, als het grafgesteente waarop ik sta.
Houd al de woorden van uw moeder in uw moedig hart geborgen: want geen geluk zal u ontbreken, zoolang gij mijn woorden bewaart."
Toen ging Dagdrager heen. Hij ging langs de barre wegen van den winter, om te zoeken waar de lentevroolijke Goudvreugde was.
Wodans Runenlied
Ik weet hoe ik hing aan den wereldboom Negen nachten, lang als eeuwen, Gewond door de speer, aan God-Wodan gewijd, Ik zelf zoo gewijd aan mijzelf;-- Hing aan den boom, die voor ieder verbergt Waar zijn wortelen groeien.
Geen brood bood men mij, noch mede aan, Mijn hoofd zonk zinnende neder, Klagende riep ik om runentoover Tot ik als vrucht van den boom viel.
Negen liederen leerde mij de zoon Van Boosdoorn, Bestla's vader. En van Mimir's wondere wijsheidswater Dronk ik een teug.
Er kwam in mijn leden een nieuwe kracht En nieuwe lust tot leven: Onheilen kan ik van mijn hoofd afwenden, En de woorden drijven tot daden.
Lodfafnir, luister. Wilt gij leeren Runen te ontraadselen, die de hoogste der goden In stevige twijgen sneed? "Wilt gij vernemen de nuttige woorden, Die Godspreker sprak, en gebeden kennen, Die heil aanbrengen,--zoo hoor!
Vóór de wereld was Wodans wijsheid: Hij keerde vanwaar hij kwam, Liederen ken ik als geen enkele koning Of hoogverheven vrouw.
Het eerste lied leert mij hulp te verleenen In gevechten, onheil en gevaar; Mijn tweede zang geneest de zieken, Wanneer de dood hen dreigt.
Het derde is verschrikkelijk voor iederen vijand: Want nauwelijks zal ik het zingen, Of het zwaard verstompt van mijn bestrijders En hun baat geen wapen tot afweer.
Als een vijand mij heeft gevangen genomen En armen en beenen mij bindt, Zing ik den vierde der tooverzangen, En vrij zijn mijn voeten, daar de boeien vielen, Vrij hef ik mijn handen omhoog.
Een pijl, die van de pees werd geschoten En in trillende vlucht mij wil treffen, Staat stil en valt bij 't vijfde lied, Gebonden door mijn blik.
Een zesde is machtig, wanneer een man Met de tooverdistel wil steken: Dan valt niet op mij,--dan valt op hem Het verderf, waarmede hij dreigde.
Het zevende lied zing ik, zoodra ik zie, Dat een huis in vlammen is gevlogen, Hoe hoog het laaiende vuur ook lekke, Hoe uitgebreid de brand ook zij, Ik dwing hem te bedaren.
Twist, die tusschen de helden ontstaat, Beëindigt van mijn lied'ren het achtste, Mijn negende zang, in den nacht gezongen, Verdrijft de gestalten der vrouwelijke spoken, Die over de rotsen rennen.
Ik ken nog een tienden tooverzang Om in nood op zee te zingen: Dan stil ik den storm en hooggaande golven, Bedaar ik het dreigende, woeste water, En kan rustig verder varen.
Mijn lieveling wordt door mijn elfde lied Beveiligd in alle gevechten: Ik zegen zijn schild en zijn glanzende zwaard, En hij gaat ongedeerd, en hij keert ongedeerd En is in den strijd steeds de sterkste.
Het twaalfde bewerkt dit groote wonder: Het jonge kind van een edelen koning, Door mij in het water gewasschen Terwijl ik zing, kan geen zwaard verwonden, Wanneer het als held in den strijd trekt.
Wanneer heel het volk ter vergadering komt En ik noem van de goden de namen, Dan zing ik mijn dertienden zang, Want beter dan wie ook ben ik bekend Met 't wezen van Asen en Alfen.
Eens zong een dwerggeest, Rustegever, Een lied dat aan volkeren kracht verleent, Wanneer ze des morgens ontwaken: Dat werd mijn veertiende tooverzang, Die sterkte aan de Asen verstrekt En mijzelf verheldert de zinnen.
En als ik bij een angstig meisje Mijn vijftiende zang ga zingen, Dan wordt zij goedgunstig en geeft mij geluk En vervulling van al mijn verlangens. Wil zij mij verlaten, zoo zing ik een zestiende lied Waardoor zij mij blijft verbonden,
Ik zal aan geen meisje ooit mededeelen En aan geen vrouw vertellen Mijn zeventiende, 't laatste lied. Behalve aan Frigga, de vrouw aan mijn zijde, Is 't slechts één enkele bekend.
Nu zong ik geheel mijn hoogen zang, Die den menschen tot steun moge strekken. Gelukkig is hij, die de liederen kan keren, En den zijnen meedeelen mag.
Al zal het lang duren, Lodfafnir, vóór Gij ze ooit zelf zult zingen, Verheug u dat gij ze mocht vernemen En gebruik den zegen, dien ik u gaf. Door u dit heil te doen hooren."
Lodfafnir vroeg aan Wodan, dat deze hem nog meer zou leeren, dat heilzaam voor alle menschen was. Toen sprak Wodan tot hem:
--"Lodfafnir, luister dan naar mijn lessen, en doe uw nut met wat gij vernemen zult. Gij hebt de runen van den Hooge gehoord,--luister nu naar zijn levensregels.
Het allervoorzichtigste zult gij zijn bij het drinken van den aaldrank, doch ook bij een vrouw, die getrouwd is, en bij schelmen en dieven. Wanneer gij drinkt, roep dan de kracht der aarde te hulp: deze bevrijdt u van een roes, zooals een huis bevrijdt van verwarring, de maan van de woede, en runen van boosheid,--geef daarom aan de aarde een deel van uw drank.
Lodfafnir, leer deze wijze les. Als gij gaat over landen en zeeën, neem dan den noodigen mondvoorraad mee en wijk geen stap van uw wapens. Wie honger heeft vindt geen vreugde in gesprekken, en niemand kan zeggen hoe spoedig hij zijn speer noodig heeft. Geef aan uw vijand geen vrede, zoodra u gevaar dreigt, en zie in een gevecht niet angstig rond, want de schrik verandert iemand in een varken.
Een angstig man vermijdt het gevecht, alsof hij eeuwig bleef leven: ook als hij de speer is ontsprongen weet de ouderdom wel waar hij is. Aan mannen past een wakkere moed, tot de dood hen heeft getroffen; en koningskinderen zijn dapper in den strijd, maar sober met woorden.
Heil den gever! Daar is een gast gekomen, waar zal hij zitten? Wie zijn geluk zoekt op de reis heeft groote haast. Wie van buiten komt heeft verwarming noodig voor zijn koude leden, wie van verre door de bergen komt kan kleeding en voedsel gebruiken. Water en een handdoek zal de gastheer aan zijn gasten geven: door goede behandeling verkrijgt hij hun dank en belooning. Want er is geen enkele goede en gastvrije man, die zich niet verheugt om geschenken,--hoe veel hij zelf ook weggeven moge, nooit zal een belooning hem leed doen.
Niemand zult gij hoonen, die in uw huis komt, want wie binnen zit kan de waarde van een bezoek niet altijd zien.
Lodfafnir leer deze wijze les: vaar tegen geen enkelen vreemdeling uit en geef gaarne aan wie er om vragen, en geef zoo lang en zoo goed als gij kunt. Spot nooit met een stumper en veracht een ouden prater nooit: verstandigen hebben een verwelkte huid, die slap en verschrompeld om hen heen hangt: maar het verstand kwam met hun jaren. Alle menschen hebben deugden en gebreken, en al is niemand geheel volmaakt, er is ook niemand die niet iets goeds heeft. Een ieder heeft niet dezelfde gaven gekregen, en alleen degene, wien het aan hart en verstand ontbreekt, spot en lacht om alles. Hij moest weten,--maar weet het niet,--dat hij ook zelf niet vrij is van fouten. Een gastheer zij vriendelijk voor zijn gasten, en vroolijk: dan zorgt hij tegelijk voor zichzelf. Want wie goeden raad weet te geven verdient de lof van een verstandig man.
Op reis is voorzichtigheid het beste gezelschap,--die heeft men het meeste noodig van alles. Stel daarom ook niet al te hoog vertrouwen op het ontkiemende veldzaad, noch op het verstand van uw kind: het zaad heeft zijn tijd en een kind heeft opvoeding noodig. Hoe vaak blijken beide niet onbetrouwbaar! Prijs den dag nooit voor den avond, en een vrouw slechts dan als ze dood is,--prijs een bruid na de bruiloft, het bier na het drinken, het ijs als ge behouden aan land zijt gekomen, en een zwaard, nadat gij het eenmaal gezwaaid hebt. Brekende bogen en flikkerende vlammen, wilde zwijnen en ontwortelde boomen, huilende wolven en hongerige raven, hooggaande golven en glibberige slangen, krakend ijs en een kookenden ketel, preekende vrouwen en een vleiende heks, stijgerende hengsten en schijndoode helden, pralende vorsten en prijzende heeren, een klaren hemel en een klagend meisje, een brandend huis en een beer, die danst, uw vijand op denzelfden weg als gij bewandelt,--wees altijd voorzichtig, vertrouw dezulken nooit.
Wie als gast in een huis komt zal goed om zich rondzien, want niemand weet of daarbinnen zich niet een vijand bevindt. Blijf ook niet te lang in hetzelfde huis, want de beste vrienden worden vervelend, wanneer zij te lang op den bank van een ander vertoeven.
Wees vooral voorzichtig, wanneer gij aan den maaltijd gaat. Drink van de mede, maar houd de maat, dan kunt ge zwijgen en spreken waar het noodig is. Niemand zal u verwijten, dat gij vroeg naar bed gaat. Mede is voor de menschen niet zoo goed als men meent, en dronkenschap is de slechtste gezel, omdat iedere slok een stuk van het verstand steelt. En wie zonder nadenken aan zijn lusten maar toegeeft, eet zich ziek: menigeen, die zich in matig gezelschap zoo dom gedroeg, werd later door zijn maag uitgelachen. De kudde kent den tijd om naar huis terug te keeren, en houdt dan met grazen op,--maar een domme mensch let niet op de maat van zijn maag.
Wanneer men aan een maaltijd fluistert, moet gij zwijgen, zet echter uw oogen en uw ooren wijd open, opdat gij uw voordeel kunt vinden. Laat u nooit verleiden met den eerste den beste te spreken en vertel aan een schelm nooit van uw eigen verdriet, want in een slecht gezelschap vergeldt men goed niet met goed en worden de braven ontwapend door de schimpscheuten der slechten.
Zorg er voor van alles te weten, omdat bij wijzen een domme bespot wordt. Dwaas is hij, die nooit iets zegt, of niet weet wanneer hij moet zwijgen. Wanneer het gesprek op runen komt of op kennis van goddelijke dingen, spreekt een dwaas het verstandigste, wanneer hij zwijgt. Een dwaas doet het beste in gezelschap van andere mannen zijn mond te houden: dan bemerkt niemand, dat hij weinig weet, en houdt hij zijn armoede verborgen. Een man moet echter ook niet méér dan matig wijs zijn. Wie zijn noodlot niet kent blijft bevrijd van veel kommer, en te groote wijsheid kost iemand de vroolijkheid van zijn hart. Wanneer men slechts goed weet hetgeen dat men weet, leidt men het gemakkelijkste leven.
Wie verstandig wil zijn moet steeds weten wat hij zal zeggen of vragen. Doch hij vertrouwe slechts den een, en den ander niet, want wat drie weten weet heel de wereld. Houd daarom voorzichtig de wacht aan de deur van uw vertrouwen: hoe menigeen heeft het niet moeten boeten, dat een ander zijn geheime gedachten kende! Hoofd en tong behooren bij elkander en toch heeft menige tong een hoofd afgehouwen; dikwijls is onder een kleed van vrede een gewapende hand verborgen.
Hij is een dwaas, die denkt een vriend te vinden in een ieder die hem toelacht, en hij ziet niet in hoezeer men hem bespot. Hij is een dwaas, die denkt een vriend te vinden in een ieder die met hem meepraat, en als hij voor het gerecht geen verdediger vindt, bemerkt hij eerst hoe hij bedrogen werd.
Weet gij echter, dat gij een vriend hebt, dien gij volkomen kunt vertrouwen, wissel met hem dan al uw gedachten en vele gaven en ga hem dikwijls bezoeken; want heidekruid en hoog gras groeien op een weg, dien niemand bewandelt.
Eens was ik jong en doolde eenzaam rond en verdwaalde op de wegen; nu ben ik rijk, wijl ik een ander vond: een man is voor den man een vreugde. De boom, die op een dorren heuvel staat, krijgt geen bladeren en takken; zoo is ook de man, die door niemand bemind wordt,--waarom zou hij langer leven?
Een brandstapel vangt van een brandstapel vonken tot hij zelf in brand vliegt,--zoo leert een man van een anderen man, en zou dom blijven, als deze zweeg. Maar als bij slechte menschen het vuur van de vriendschap vijf dagen brandt, zinkt het in asch vóór den zesde, en is alle liefde uitgedoofd.
Met wapenen en kleederen moeten vrienden elkander verblijden, zooals men zelf zeer goed weet: wie elkander geschenken geven blijven het langste bevriend, wanneer het geluk overigens wil dienen. Niet alleen groote gaven moet men geven, ook met kleine koopt men zich dank,--met een half brood en een halfgeledigden beker verkreeg ik eens een vriend. Voor een vriend moet men vriendelijk zijn en hem alle gaven vergelden, zooals men hoon met hoon, en bedrog vergeldt met leugens. Voor een vriend moet men vriendelijk zijn, ook voor allen, die hem bevriend zijn, maar wie uw vriend vijandig is, zult ook gij niet als vriend beschouwen.
Breek nooit overijld, en nooit het eerst, den band met uw vrienden, want als gij uw gedachten aan niemand toevertrouwen kunt, knaagt de kommer aan uw leven.
Uit den verstandigen man weet de macht der liefde een dwaas te maken en dat gebeurt eens bij een ieder. Daarom moet niemand een ander verwijten, dat hij in haar boeien ligt: de schoonheid verwart den flinken man en laat een zwakhoofd onverschillig. Met mooie woorden en rijke geschenken verwerft men de gunst van de vrouwen, en wie de schoonheid van een meisje prijst vangt haar spoedig in zijn armen. Maar ik beken het u eerlijk,--ik ondervond het toch zelf,--de liefde van een man voor eene vrouw is vluchtig. Wij praten prachtig, denken slecht, en bedriegen haar, die ons het meeste vertrouwen.
Lodfafnir leer deze wijze les: verleid nooit de vrouw van een ander tot liefde. Maar als gij een meisje, dat vrij is, tot liefde wilt lokken en vreugde bij haar wilt vinden, beloof en geef haar dan schoone geschenken, en nooit geeft gij haar te veel.
Lodfafnir, leer deze wijze les: vertrouw niet te veel op het woord van vrouwen en meisjes, want op een rollend rad werd haar hart geschapen en in haar ziel woont wispelturigheid. De liefde van een vrouw met vluchtigen zin is gelijk aan een tweejarig paard, dat zonder toom, met onbeslagen hoeven, schichtig over het ijs holt;--gelijk aan een schip zonder stuur in den storm, en aan een jager op beregende wegen, die struikelt en uitglijdt op gladden steen.
Lodfafnir, leer deze wijze les: ontvlucht de omhelzing van een toovervrouw, want zóó zal zij u bedriegen: gij weet niet meer wat rechters en koningen tot u spraken, gij denkt aan geen eten en mannenmoed meer en zorgenvol valt gij in slaap. De booze tong van een vrouw heeft al menigeen leven en hoofd gekost, en haar valsche woorden sleepen hem in het graf, zonder dat hem schuld treft.
Lodfafnir, leer deze wijze les: sta in den nacht slechts op als er nood is. Wie alle nachten waakt zal 's morgens zeer vermoeid zijn en toch dezelfde zorgen vinden. Sta echter vroeg op, als gij weinig werklieden hebt, want er wordt veel verloren door wie zich verslaapt. Wie eens anderen mans leven en goed wil verkrijgen moet vroeg opstaan: een luie wolf verliest zijn prooi, en zoo ontgaat een slapende de overwinning.
Een ieder moet de maat goed kennen van de houtstapels voor zijn huis, opdat in de wintermaanden zijn voorraad niet opraakt. Een goede voorraad geeft rustigen slaap, zelfs in den barren herfst, als het weer wel vijfmaal verandert op een dag, en hoe dikwijls dan niet in de maand! Met het vermogen, dat een man zich verwierf, moet hij niet gierig zijn: vaak krijgt een vijand wat men voor een vriend had bestemd, 't Geschiedt zoo dikwijls anders als men vermoedde! Een rijke had eens volle schuren,--nu kauwen zijn kinderen op hun vingers,--rijkdom, de onbetrouwbare vriend, verdwijnt zoo vlug als een wenk van de oogen.
Hoe klein uw bezit dan ook zij, wanneer gij een huis hebt zijt gij er meester: een dak van stroo en twee geiten in den stal is beter dan bedelen. Hoe klein uw bezit dan ook zij, wanneer gij een huis hebt zijt gij er meester,--alleen bloedt het hart, wanneer men iederen middag zijn eten moet vragen. Maar niemand behoeft zich te schamen, die geen goede schoenen en prachtig paard bezit, als hij maar schoon en verzadigd naar de rechtplaats kan rijden. Een rijke, die tusschen de menigte toch geen verdediger kan vinden, is als een arend, die angstig op een prooi aast.
Vuur is het beste onder de menschen, de aanblik van de zon en een goede gezondheid, wanneer men die zonder schande kan hebben. Nooit is een man geheel ongelukkig, zelfs niet dan als hij ziek is: de een verheugt zich over zijn zonen, een ander over verwanten, een derde over zijn vele vee, en een vierde is tevreden over zijn daden. Een lamme rijdt nog op een paard, wie zijn handen verloor kan de kudde leiden, een doove kan nog vechten, en een blinde is beter dan een verbrande. Want dooden dienen tot niets. Het is beter te leven dan dood te zijn,--een levende krijgt nog wel ooit een koe,--bij den rijke zag ik vroolijk vuur opvlammen, maar hij lag zelf voor de deur dood.
Een zoon te hebben is goed, ook al werd hij geboren na den dood van zijn vader: zelden staan er gedenksteenen langs den weg, die een zoon er niet voor zijn vader zette.
Het vee sterft en alle verwanten sterven, en eens sterft men ook zelf,--maar nooit sterft de roem van hem, die zich een goeden naam verwierf.
Het vee sterft en alle verwanten sterven, en eens sterft men ook zelf,--één ding weet ik, dat sterft nooit: het oordeel over den doode."
Hoe de Standen ontstonden