De Edda

Part 3

Chapter 3 4,089 words Public domain Markdown

Zoodra de goden hoorden, dat Wodan zich in den twist ging mengen, dachten zij allen, dat Loge nu wel zwijgen zou.

Maar deze lachte zelfs Wodan uit en hij zeide:

--"Zoo, zoo, Wodan! Maar waar gestreden wordt weet ge immers geen beslissing te geven! Hebt gij niet dikwijls een zwakkeling de zege bezorgd? Men zegt ook, dat gij als een landlooper met spoken speelt, zooals heksen en toovenaars dat doen. Waarachtig, 't is me een waardige godengewoonte!"

Frigga, die de vrouw van Wodan is en aan zijn zijde zat, trachtte tusschen beiden te komen. Zij zeide, dat goden niet meer spreken moesten over wat ze vroeger hebben gedaan: men moet niet aan iedereen vertellen wat er ooit is voorgekomen.

Loge keek haar aan, knikte en zeide:

--"Dan zou ik ook maar niet zeggen, dat gij vroeger zóó begeerig waart naar een man, dat gij Wil en Wei en Wodan alle drie tegelijk hebt omarmd!"

Nu kon de twist niet meer worden getemperd. Want zoodra had Freya weer niet partij getrokken voor Frigga, of Loge keerde zich tegen haar en zeide:

--"Freya, u ken ik volkomen, aan u ontbreekt geen enkele smet. Waart gij voor alle Asen en Alfen, die hier rondom zitten, niet al ooit eens een nacht 'n vriendelijk vrouwtje?"

En zoodra maar een der goden of godinnen een enkel woord sprak om Loge tot zwijgen te brengen, had deze altijd weer zijn woorden klaar. Aan ieder wist hij wat te verwijten.

Eindelijk kwam Freyer's dienares, Buigster genaamd, tot Loge, schonk hem een hoorn vol heerlijke mede en zeide:

--"Luister eens, Loge, en drink dezen hoorn. Maar laat nu tenminste eens één enkele onder de Asen ongemoeid."

Loge nam den hoorn, dronk hem leeg en zeide:

--"Dat zou dan Sippia moeten zijn,--als zij maar altijd trouw aan haar man was geweest! Maar ik geloof, dat wel iemand die trouw voor Thonarr heeft bedorven."

Hem antwoordde Buigster.

--"Loge, wees stil, hoor, de rotsen dreunen: de bliksemslingeraar keert terug van zijn reis. Hij zal u wel leeren rustig te zijn en geen van de Asen te lasteren."

Toen zeide Loge:

--"Houd je mond, Buigster, vrouw van Beugel,--nooit kwam er een schandelijker wezen in de woning der goden dan jij, veile vrouw!"

Daar stapte Thonarr binnen en hij donderde Loge toe:

--"Schoft, zwijg,--of anders zal mijn moker Mjölnir je den mond doen houden."

Loge schrok, wees met het hoofd naar de deur, en zeide:

--"Daar,--dat kind van Aarde is nog niet binnen, of er wordt al gevloekt!"

Toen wendde hij zich tot Thonarr en sprak tot hem:

--"Maar gij waagt het toch niet om den wolf te dooden, die Wodan eens verslinden zal!"

Hem antwoordde Thonarr:

--"Zwijg,--of anders zal mijn moker Mjölnir je den mond doen houden. Dan neem ik je mee op reis naar het Oosten en gooi je neer langs den weg, waar niemand naar je komt kijken."

--"Haha!" lachte Loge, "uw reis naar het Oosten! Kruipt Thonarr dan weer weg in den duim van een handschoen?"

Maar Loge vond het toch maar verstandig om stil te zijn en hij zeide:

--"U, goden, heb ik gezegd wat ik wilde, voor Thonarr trek ik mij terug: die zou mij nog slaan ten slotte."

En met een bedreiging aan Egir, den gastheer, dat de vlammen al zijn bezit zouden verslinden, sloop hij heen.

Toen verborg hij zich, in de gedaante van een zalm, onder een schitterenden waterval. Maar de Asen vingen hem en bonden hem met stevige strengen, die ze uit de ingewanden van Narwe, zijn zoon, hadden gedraaid. Skadi nam een giftige slang en hing die boven het hoofd van Loge, zoodat er steeds gif op hem druipen moest. Maar Sigyne, Loge's vrouw, zette zich naast hem neder en hield een schaal onder het gif. Zoo dikwijls de schaal vol was, bracht zij die weg, maar dan drupte het gif op Loge's gelaat. En dan schudde hij zich zoo hevig, dat heel de aarde ervan beefde. Dat wordt nu aardbeving genoemd.

Wodan bij de Waarzegster

In den tijd, dat hij zijn hoogste heerlijkheid zou gaan bereiken, droomde Balder eens een bangen droom.

Het gemoed van goden en godinnen was door een vreeselijk vermoeden verontrust, en zij waren bij elkander gekomen om te beraden, wat die bange droombeelden wel beduiden konden.

Mijmerend ging Wodan, de vader van goden en van menschen, heen. Een zadel snoerde hij op Sleipner's rug en reed naar de holen van den nevel.

Uit de hellepoort kwam een hond gesprongen, de borst met bloed bevlekt, en gromde grimmig tegen den toovermachtigen God. Doch Wodan reed verder, dat de wegen ervan dreunden, reed naar het hooge huis van Hella heen. Hij reed tot aan den ingang aan de oostelijke zijde, waar het woest is als de winter.

Daar, onder een heuvel, lag de waarzegster begraven, die alle waarheid weet. Wodan steeg er van zijn paard en zong haar een zang van ontwaken, zong haar zijn wekzang tot de doode ontwaakte en opsteeg uit haar graf.

Toen sprak zij de grafsombere woorden:

--"Wie is de onbekende man, die mij wekt om weer langs dorre wegen te dwalen? Wit ben ik van sneeuw, door regenvlagen geslagen, met dauwdroppelen gedrenkt,--dood al was ik zoo lang."

Wodan zeide:

--"Wegendoler ben ik, Doodenmans zoon.

Zeg mij, wiens rustplaats ziet gij met ringen bedekt, zeg mij, voor wien is er een bed gespreid in uw zalen?"

De waarzegster antwoordde:

--"Voor Balder staat hier mede gebrouwen. De schuimende drank is nog door een schild bedekt, maar den goden zij alle hoop ontnomen. Ga nu weg van mij,--ik wil verder zwijgen."

--"Zwijg nog niet," smeekte Wodan, "zeg mij toch alles. Wie zal Balders bloed vergieten,--wie het leven dooden in Wodans zoon?"

De waarzegster antwoordde:

--"Hader, die blind is als de winterzon, zal hem hierheen brengen. Hij zal Balders bloed vergieten, hij het leven dooden in Wodans zoon.

Ga nu weg van mij,--ik wil verder zwijgen."

--"Zwijg nog niet," smeekte Wodan, "zeg mij toch alles. Wie zal Balder op den boozen Hader wreken, wie zal dien wreedaard wijden aan de Hel?"

De waarzegster antwoordde:

--"Eens zal Wodan, in een der lange nachten van het Westen, met de Winteraarde Rinde verwekken een krachtig kind. Dit zal Balder op den boozen Hader wreken en den wreedaard wijden aan de Hel.

Ga nu weg van mij,--ik wil verder zwijgen."

--"Zwijg nog niet," smeekte Wodan, "zeg mij toch alles. Wie van de wezens der wereld zal om Balders dood niet willen weenen,--wie zal onbewogen heffen het stugge hoofd?"

De waarzegster antwoordde:

--"Weet gij, dat een van de wezens der wereld niet wil weenen, maar onbewogen heffen zal het stugge hoofd? Dan zijt gij niet Wegendoler, zooals ik dacht,--dan zijt gij Wodan, de machtige God!" Toen zeide Wodan:

--"Als gij niet zeggen kunt wie niet wil weenen, dan zijt gij niet waarzegster en wijze vrouw. Dan zijt ge veeleer de wintermoeder der drie Nornen, wier bron bevriest."

En de waarzegster sprak:

--"Wodan, ga heen, en wees Overwinnaar. Nimmer zal een man mij weer naderen, totdat Loge, losgemaakt uit al zijn banden, den ondergang van de goden brengt."

Het Vóórspellied

Terwijl de groote wereld haar loop volbracht en alle wezens werkten wat hun taak was, werden de goden door een bang vermoeden overvallen. Want zij hadden runenstaafjes gestrooid om de toekomst te kennen en de staafjes vertelden:

--"Laat de Nornen zorgvuldig haar bron bewaken,--wanneer zij den aandrang der dingen nog kunnen tegenhouden."

Toen zond Wodan zijn raven naar de dwergen die in de diepe duisternis onder de aarde werken, en de raven kwamen terug met het bericht:

--"De sterkte der dwergen verslapt. Werelden tuimelen in den gapenden afgrond van den nacht. Vlugvoet laat ze in het niet verzinken; Vlugvoet sleept ze ooit weer in het licht. Zon en aarde wankelen. Onheil waait door de lucht. En Mimirs heldere bron wil geen aanwijzing geven.--Wist gij dat alles?"

Idoena, die de bladergroene dochter is der onderaards werkende krachten, was van den wereldboom Schrikesch ter aarde gezonken. Vol droefheid zat ze neer aan den voet van den stam: nu leerde ze eerst beseffen hoe goed het geweest was in haar heerlijke huis.

Toen zond Wodan den wachter van de Regenboogbrug om haar te ondervragen, of zij ook wist wat er met de wereld ging gebeuren. Loge en Bragi vergezelden hem. Op getemde wolven reden zij en zongen tooverliederen. Wodan zat op zijn hoogzetel en staarde hen na, terwijl zij reden.

Bij Idoena gekomen ondervroeg haar de wijze Wodansgezant, wat zij wist van het geslacht en de lotgevallen van de Asen,--over de werelden van hemel en Hella, wat zij van aller begin wist en leven en einde.

Maar Idoena kon niet spreken, kon met geen enkel woord een teeken geven: tranen slechts ontsprongen aan haar oogen en omsluierden heel haar schoone gestalte.

Zoodra de drie gezanten zagen, dat zij in zulk een droefheid gedompeld was, bespotten zij haar. Maar haar eenige antwoord was zwijgen. En hoe meer zij bij haar aandrongen, des te meer weigerde zij te spreken. Met al hun praten bereikten zij niets.

Toen keerde de Godsgezant terug naar huis, waar hij den schallenden hoorn van Wodan bewaart. Loge alleen liet hij volgen. Bragi, de god van zangers en zingende vogels, bleef zwijgend bij Idoena achter.

De gezanten voeren huiswaarts, gezeten op de elementen, die de zonen van den grijzen Oerreus zijn. Zij gingen den godenburcht binnen en begroetten de goden, die aan den maaltijd zaten. Zij wenschten Wodan, dat hij nog lang als de machtige onder de goden zijn troon bezitten zou, aan de Asen, dat zij gelukkig op Alvaders feest zouden zijn.

De heerschers ondervroegen hen beiden, wat zij waren te weten gekomen,--of de vrouw hun een aanwijzing op uitkomst gaf,--zij ondervroegen hen heel den namiddag, totdat de duisternis daalde.

En toen zij gezegd hadden, dat zij niets waren te weten gekomen, dat de vrouw slechts had geweend en gezwegen, stond Wodan op en hij sprak zoo luid, dat ieder het kon hooren:

--"Zoo neemt dan nog één nacht om te beraden. Een ieder bezinne zich op een middel, dat het rijk van de goden vermag te redden."

Reeds zonk de zon weg achter de winterbergen van de aarde. Elkander groetend gingen de goden heen. Vochthaar, het paard van den nacht, besteeg de hoogte van den hemel. Tegelijk stak uit het Oosten der wateren de slaapdoorn van den ijskouden reus, die de vader is van Nacht, opdat de vermoeide menschen op aarde sluimeren zouden. Alle krachten verslapten, de armen zonken neer, onmacht vloog door den adem van den nacht en verwarde de zinnen van alle wezens.

Toen nogmaals dreef de dag zijn paarden uit de diamanten poort. Over de aarde glansden de schitterende manen van Lichthaar, die de zonnewagen tegen den hemel op trekt. Ver in het Noorden, onder den uitersten wortel van den wereldboom, gingen dwergen en reuzen en spoken en nachtgestalten en zwartalfen schuil.

De goden stonden op, toen de nacht naar Nevel land daalde, en over de luidschallende brug schreed Helderwit, de hoornwachter, naar den burcht van de goden.

Billings Dochter

Slechts wie diep in eigen gemoed een smachtend begeeren beleefde, kent de in volle bewustheid geleden smart van onvervuld verlangen.

Ook Wodan leerde dat leed, toen hij eens een meisje beminde. Zij sluimerde toen hij haar zag,--wit was zij als de sneeuw in den winter, wanneer de zon erop schijnt. Vorstenvreugde vond hij van weinig waarde, als hij met zijn geliefde maar leven kon, aan haar met lichaam en ziel kon behooren.

Zij was de dochter van Billing, den winterreus. En zij zeide tot Wodan:

--"Wanneer gij mij als vrouw wilt bezitten, kom dan heimelijk hier tegen den avond. Want groot zou de schande zijn als meerderen van zulk een zonde iets wisten."

Toen ging Wodan weg. Hij hoopte op den heerlijken avond, dat Billings dochter hem haar gunst en geluk zou geven.

Zoodra het donker werd, keerde Wodan weder. Maar ondoordringbaar brandden de wintervuren om de verblijfplaats van zijn geliefde, en met vlammende fakkels werd hij verdreven.

Den volgenden avond ging hij nogmaals naar het meisje. Nu waren haar wachters allen in slaap, maar aan haar bed gebonden gromde een winterwolf Wodan tegen en weerde hem af.

Zoo smaadde hem telkens het sluwe meisje. Had hij, in ruil voor dien smaad, haar tenminste slechts éénmaal kunnen bezitten!

Wodan bij Stormsterk

Wodan en Frigga wandelden door de ruime hallen van Walhalla. Toen zeide Wodan tot zijn vrouw:

--"Frigga, wat raadt gij mij aan? Ik heb veel zin om een bezoek te brengen aan Stormsterks woning. De geweldige wijsheid van dien reus prikkelt mij al sinds lang. Vele dingen heb ik gezien, maar ik weet nog niet hoe Stormsterk woont."

Frigga antwoordde hem:

--"Ik zou wel al mijn best willen doen, dat gij, Vader van goden en menschen, hier zoudt blijven. Want Stormsterk acht ik den geweldigsten van alle reuzen. Maar als gij wilt gaan kan ik u niet tegenhouden. Zoo ga dan een zegenrijken tocht, en dat gij ongedeerd weer terug moogt komen. De wijsheid beware u, als gij met den reus in woordenstrijd geraakt."

Toen ging Wodan heen om zich in wijsheid met Stormsterk te meten. Spoedig kwam hij bij de ruwe reuzenwoning en riep op den drempel:

--"Stormsterk, een vreemde wenscht u heil! Ik kom u eens bezoeken en wilde wel weten, hoever uw wijsheid gaat."

De reus, die in zijn zaal zat, kwam naar buiten en antwoordde:

--"Wie staat daar voor mijn huis en slingert mijn zalen vol met zulke wilde woorden? Gij zult niet ongedeerd mijn drempel verlaten, als ge niet eerst bewijst, dat ge beter zijt dan ik."

Wodan sprak tot hem:

--"Gangraad ben ik, ik ging verre wegen, dorstig kwam ik hier. Wilt gij, reus, mij vriendelijk ontvangen en den dorstige wat drinken geven?"

Stormsterk noodigde den vreemdeling uit in zijn zaal te komen zitten en daar te onderzoeken wie meer wist, de gast of de bewoner.

Maar Wodan wilde in de voorhal blijven en zeide tot den reus, dat deze hem eerst maar eenige vragen moest stellen, of hij hem waardig achtte binnen te komen of niet.

Toen zeide Stormsterk:

--"Nu dan, Gangraad, als gij in de voorhal uw geluk wilt beproeven: zeg mij, hoe heet de hengst, die iederen dag hoog over alle wezens draaft?"

--"Lichthaar," antwoordde Gangraad, "trekt den schitterenden dag hoog over allen heen. Het beste paard van allen vindt het de wagenvoerder: zijn manen zijn als licht."

De reus vroeg vervolgens:

--"Nu dan, Gangraad, als ge in de voorhal uw geluk wilt beproeven: zeg mij, hoe noemt men het paard, dat den nacht voert van het Oosten?"

--"Vochthaar," zei Gangraad, "noemt men het paard, dat nacht na nacht aanvoert van het Oosten. Des morgens druipt het schuim van zijn gebit als dauw in de dalen."

Weer vroeg Stormsterk:

--"Nu dan, Gangraad, als ge in de voorhal uw geluk wilt beproeven: zeg mij, hoe heet de stroom die de scheiding is tusschen het rijk van de reuzen en Asengaarde."

--"IJsloos," was het antwoord, "heet de stroom die de scheiding is tusschen het rijk van de reuzen en Asengaarde. Steeds vloeit de stroom, want geen ijs verstijft ooit de golven."

--"Nu dan," zei weer de reus, "als ge in de voorhal uw geluk wilt beproeven: zeg mij, hoe heet de plaats waar de goden eens tot den hevigen kamp met den Zwarte zullen komen?"

--"Vechtveld," antwoordde Gangraad, "is de plaats waar de goden eens tot den hevigen kamp met den Zwarte zullen komen. Naar alle zijden gemeten is ze honderd mijlen lang. Zij weten wel dat zij er zullen strijden."

Toen zeide Stormsterk:

--"Een wijze zijt gij! Blijf nu niet meer ver van mijn banken, maar kom in mijn zaal zitten en laten wij met elkander spreken. Kom als gast bij mij binnen: wij willen samen wedden om ons hoofd, wie van ons beiden de grootste geest is."

Gangraad ging de zaal van den reus binnen en zette er zich op een steenen bank. Nu was het aan den gast om vragen te stellen en deze begon:

--"Stormsterk, gij, die zooveel wijsheid bezit, weet gij vanwaar de zon komt en de maan boven de hoofden der menschen?"

--"Mondelvaar," antwoordde de reus, "is de vader van zon en van maan: dagelijks deelen zij den hemel en geven namen aan de tijden van het jaar."

Toen vroeg Gangraad:

--"Stormsterk, gij, dien men wijze noemt, weet gij vanwaar de winter en de warme zomer komen?"

En Stormsterk antwoordde:

--"Windval heet de vader van den winter en Zuidzacht die van den zomer. Elk van beiden zal ieder jaar weer jong worden, totdat de goden vergaan."

Ten derde vroeg Gangraad:

--"Stormsterk, gij, van wien men zegt, dat ge slim zijt, weet gij waaruit de Ruischreus, de eerste van alle wezens, ontstond?"

De reus antwoordde:

--"Uit het oerslijk barstten etterblazen--toen groeide het tot vasten vorm en werd een reus; uit het vlammende Zuiden vlogen vonken over en de gloed gaf leven aan den ijskouden klomp."

--"Maar Stormsterk," zeide nu Gangraad, "gij, dien men wijze noemt, weet gij dan hoe er kinderen kwamen bij dien reus, die ze toch met geen vrouw kon verwekken?"

En de wijze gastheer verhaalde:

--"Onder den oksel ontgroeiden hem een man en een meisje, en de eene voet verwekte met den andere een zoon, die zes hoofden had."

En Gangraad weer:

--"Stormsterk, gij, van wien men zegt, dat ge slim zijt, weet gij vanwaar de waterrimpelende wind komt, die zelf nog door geen mensch is gezien?"

--"Lijkenzwelger," zei de wijze, "is de naam van een reus, die in de gedaante van een arend aan het einde van den hemel zit. Als zijn beide vleugels fladderen, waait de wind over alle wezens heen."

Al deze dingen had Gangraad gevraagd over het worden van de dingen dezer wereld. En de reus had hem op alles vol wijsheid geantwoord. Ook over wat hem gevraagd werd uit de geschiedenis van de goden--hoe Njord, die een Wane was, onder de Asen werd opgenomen en hoe de helden van Walhalla elkander dagelijks dooden in den strijd en dan weer gezond bij elkander komen om gezamenlijk den maaltijd te nemen,--over alles wist Stormsterk met veel verstand te verhalen. Want alle werelden had hij gezien, tot zelfs de negende, die dicht bij Nevelland is.

Toen stelde Gangraad hem nog eenige vragen over de nieuwe wereld, die na den godenondergang zou komen:

--"Op verre tochten voer ik uit en overal zocht ik iets zinrijks; nu zeg mij: waar zal nog een mensch in leven zijn als de lange winter, die alle wezens doodt, zal zijn verdwenen?"

Stormsterk antwoordde:

--"In den stam van den wereldboom zijn twee menschen verscholen: Leven en Levenslust. Ochtenddauw is hun eten en drinken, en uit hen beiden ontspruit een nieuw geslacht."

Weer vroeg nu Gangraad:

--"Op verre tochten voer ik uit en overal zocht ik iets zinrijks; nu zeg mij: hoe zal er een nieuwe zon aan den hemel schitteren, als de Veenrookwolf deze eens verslonden heeft?"

--"Alfenrad," antwoordde de reus, "baart een dochter vóór de Veenrookwolf haar verslindt. En het meisje zal dezelfde wegen bewandelen als hare moeder, wanneer de goden vergaan zijn."

--"Op verre tochten," zeide toen Gangraad, "voer ik uit en overal zocht ik iets zinrijks; nu zeg mij: wat zal er met Wodan geschieden als de wereld verwoest wordt en de goden vergaan?"

--"Den Vader des levens," luidde het antwoord, "zal de wolf verslinden, maar hevig zal de wraak van Widar zijn. Hij, de sterke strijder, zal de gapende kaken van het monster vermorzelen."

Weer vroeg Gangraad:

--"Op verre tochten voer ik uit en overal zocht ik iets zinrijks; nu zeg mij: wat fluisterde Wodan zijn zoon Balder in het oor, voor deze verbrand werd?"

Toen antwoordde Stormsterk:

--"Zou een ander als Wodan weten, dat hij iets fluisterde in het oor van Balder, zijn zoon? Ik weet nu: met Wodan zelf waagde ik het te wedden. Maar gij zult steeds de wijste zijn."

De Wereldzang der Wichelares

Stilte gebied ik aan allen,--luistert:

Ik, die de wijsheid weet, ga u zeggen wondervolle woorden. Ik ga u verhalen van het leven der eeuwige lichtmacht, van Alvaders werken in de wereld.

Het eerst van allen werden de reuzen geboren en ik ben hun kind: negen werelden ken ik, die gegroeid zijn aan den diepwortelenden wereldboom.

In overouden tijd, toen Ruischreus leefde, beefde aan strandige oevers nog niet de branding van de zee. Beneden was nog geen vaste bodem en in de hoogte geen hemel,--slechts ledige ruimte, gapende afgrond, zonder groei.

Toen hebben de zonen van Geborene Mitgaarde geschapen en lichtende schijven aan den hemel geslingerd: in het Zuiden scheen de zon op de bergen en op den grond ontkiemde het groene gras.

Zon en maan menden hun paarden langs warrelwegen: nog kende de zon niet haar eigen zalen, en de maan nog niet de maat van haar macht en wisten de sterren nog niet waar zij staan moesten.

Dan reden de goden ter vergadering en hielden raad. Zij kozen namen voor den nacht en voor de wisselende manen, voor morgen en middag en avond, en bepaalden, dat de tijden daarmee zouden worden genoemd.

Zij leefden gelukkig, de hooge goden, in hun glorievelden, speelden er lustig hun dobbelspelen en er was nog geen begeerte naar goud, tot drie machtige vrouwen verschenen.

Mijn oogen zien een boom, die Schrikesch heet. Witte nevel bevochtigt den kruin en druppelt als dauw naar de dalen, in de bron, waar aller dingen oorsprong ligt. Vandaar kwamen drie wijze vrouwen, uit golven geboren wachteressen van den boom. Word heet de eene, Wordend de andere, de derde heet Schuld. Van zondenschuld en verzoening spannen zij draden over de wereld, en weven het wordende lot van alle wezens.

Eens kwamen drie der hoog-heilige Asen op aarde. Daar vonden zij aan het strand van de zee Asker en Embla. Deze waren zwak, bezaten ziel noch zinnen, hadden geen bloed en geen levenskleur. Wodan gaf hun een ziel, Henir de zinnen en Loge bloed en levenskleur.

Toen wilden de goden in hun glorievelden hooge hallen bouwen en zij werden begeerig naar pralende paleizen. Zij reden ter vergadering en hielden raad. Om sierlijk goud te smeden schiepen zij dwergen, die den vochtigen grond onder de groene aarde met gangen doorgroeven. Gierig vergaderden zij het goud, in vlammende vuren smeedden zij kunstige schatten, en kropen krioelend door de steenen aardezalen rond.

De goden haalden Goudschat in hunne hooge hallen en smolten haar en brandden haar driemaal. En driemaal gebrand werd zij driemaal herboren. Waar zij in huis komt noemt men haar Goede. Welsprekend is zij, een toovenares, en met haar wonderlijke kunsten is zij welkom bij listige lieden.

Toen ontstond het oorlogsleed.

Tegen de wallen der godenburcht stormden de Wanen ten strijde. Maar Wodan slingerde zijn trillende speer. Dat werd het eerste oorlogsleed op de wereld.

Dan reden de goden ter vergadering en hielden raad. De reuzen hadden den goden een burcht gebouwd en dezen beloofden Freya als loon. In hevige woede ontstak toen Thonarr,--zelden blijft hij op zijn zetel zitten als hij zoo iets hoort,--en verbonden werden verbroken, verdragen vertreden, en de hevige reuzengevechten begonnen.

Bange jammer zag ik komen over Balder, Wodans zoon: reeds groeide de misteltak hoog boven het gras uit. Daar wordt de tak een doodend wapen, daar vliegt de pijl, Hader schiet, ik zie het. En Frigga weent in haar zalen om het verlies dat Walhalla leed.

De goden reden ter vergadering en hielden raad.

Hoe zouden zij de trouweloosheid bestraffen? Welk offer zou den goden vergelding geven?

Ik zie ze stevige strengen uit darmen draaien,--en diep in het woud kronkelt gebonden het lijdende lichaam van Loge. Naast haar echtvriend zit Sigyne, de vrouw, en houdt er weenend de wacht.

Broeders bevechten, verwanten vermoorden elkander,--geen spaart den ander. Zwaarden schitteren, bijlen bliksemen, schilden splijten, de bodem beeft en overal hoort men van echtbreuk. Het is stormentijd, het is wolventijd vóór de wereld vergaat.

En over de wolken rijden Walkuren, gereed voor het gevecht. Schuld draagt het schild en naast haar rijden de andere met speren en helmen en schilden.

Eens zat ik eenzaam,--daar kwam de oudste der Asen en zag mij diep in de oogen. Wat wilde hij vragen? Wat wilde hij weten? En ik zeide tot hem:

--"Wodan, ik weet waar uw oog is gebleven: Mimir drinkt iederen morgen uit Strijdvaders pand. Wie zou de bron van den kundigen Mimir niet kennen."

En Wodan, de legerheer, schonk mij gouden schatten voor de wijsheid, die ik, de Wichelares, tot hem sprak. Want diep doorschouwen mijn oogen de wereld.