De Edda

Part 2

Chapter 2 4,103 words Public domain Markdown

--"Thiassi, den sterken stormreus," antwoordde Thonarr, "heb ik verslagen. Zijn oogen slingerde ik als sterren tegen den hemel. Daar zijn ze een bewijs van mijn werk, dat alle menschen vermogen te zien. Wat deed Haarbaard ondertusschen?"

Deze vertelde:

--"Vrouwelijke ruiters, die reden door den nacht, wist ik listig tot liefde te verlokken. Zeestrand, de reus, gaf mij daartoe een tooverdoorn, maar ik ontstal hem zijn verstand. Wat deed Thonarr ondertusschen?"

--"Ik," sprak Thonarr, "was in het Oosten om Reuzenvrouwen uit te roeien. Als ze allen bleven leven, zou dat booze volk veel te talrijk worden, en Midgaarde ware voor menschen niet meer te bewonen. Wat deed Haarbaard ondertusschen?"

--"In Vechtland," zei Haarbaard, "heb ik voor gevechten gezorgd; de vorsten stookte ik op tot den strijd. Edelen zijn het eigendom van Wodan,--knechten komen Thonarr toe." Toen werd Thonarr vertoornd, en hij zeide, dat alles onder de Asen slecht verdeeld zou zijn, wanneer Wodan over zoo iets gewichtigs naar willekeur kon beschikken.

Maar Haarbaard bespotte Thonarr op zijn beurt en zeide:

--"Herinnert de sterke Thonarr zich nog hoe hij zich eens in een handschoen verborg en van angst niet durfde ademhalen? Dat moest de bergreus eens weten!"

En toen Thonarr dreigde hem te zullen dooden, als hij aan den anderen kant van het water komen kon, ging Haarbaard voort:

--"Blijf maar daarginds,--wij hebben niets met elkander te maken. Zeg zóó maar, wat Thonarr deed ondertusschen."

--"In 't Oosten," sprak Thonarr, "stond ik op wacht aan het water. Daar kwamen verschrikkelijke Reuzen op mij af, bestormden mij met een hagel van steenen. Maar hun vreugde was kort, want zij vroegen mij weldra om vrede. Wat deed Haarbaard ondertusschen?"

--"Ik was ook in het Oosten," zei Haarbaard, "maar om met een vrouwtje te vrijen. Ik schertste en stoeide met het sneeuwblanke schepsel; 't kind was gelukkig met mijn gunst. Wat deed Thonarr ondertusschen?"

--"Op een eiland, midden in de zee, heb ik reuzenvrouwen overwonnen: dat was een boos gebroed, waardoor veel volk schade leed."

Haarbaard onderbrak hem, en zeide dat het zeer onwaardig werk was met vrouwen te vechten.

--"Wolvinnen waren zij," schreeuwde Thonarr, "dat waren geen vrouwen. Zij beschadigden mijn schip, dat ik op stutten had gezet, verdreven mijn dienaar, en kwamen met knotsen op mij af."

--"Zoo!"--zeide Haarbaard. "Maar ik zal je eens wat zeggen; bij Sippia, je vrouw, zit een man op bezoek. Wanneer je misschien met hem zoudt wenschen te vechten,--je kunt er je krachten aan meten."

Toen zeide Thonarr:

--"Alles wat voor je mond komt meen je te moeten zeggen, als je mij maar krenken kunt. Maar nu weet ik, dat je liegt!"

--"Waarachtig niet," antwoordde Haarbaard,--"ik heb niets dan de waarheid gesproken. Ga nu maar spoedig op weg. Je kunt in je schunnige kleeding heel ver komen, zonder dat iemand je kent."

Thonarr zeide, dat hij al veel te lang was opgehouden, en hij vroeg, dat Haarbaard hem nu met zijn boot over het water zou brengen.

Haarbaard echter zeide lachend:

--"Ik dacht, dat Thonarr zich door geen veerman ophouden liet. Maar ga gerust weg van het water, want ik denk er niet over je hierheen te halen. Wel wil ik je den weg even wijzen. Loop een uur in die richting tot bij een paal;--dan nog een uur tot waar een steen staat. Sla dan links af: in dat land zult ge je moeder Aarde ontmoeten. Die zal je verder den weg wel wijzen naar de landen van Wodan. Je kunt er vandaag nog gemakkelijk komen."

Toen zeide Thonarr:

--"Laten wij het gesprek maar verbreken. Spotten is toch het eenige wat je kunt. Maar pas op, als wij elkander ooit weer ontmoeten,--dan zal je weigering hevig worden gewroken, hoor!"

Toen ging hij heen. Maar Haarbaard riep hem van verre nog na:

--"Ga jij maar gerust met heel je gedoe naar de booze geesten.

Dag Thonarr!"

Vermomde en Roodspeer

Koning Rauthung had twee zonen. Hun namen waren Geirrodh, dat Roodspeer beteekent, en Agnar, de Ander. Eens, dat zij uitgevaren waren om met den hengel te visschen, werden zij overvallen door een hevigen wind. De storm stuwde hun boot voort over de wijde zee, totdat zij in een donkeren nacht op een vreemd land strandden. Daar werden zij opgenomen door een man en eene vrouw, die in de nabijheid een hut bewoonden, en zij bleven er heel den winter. De vrouw zorgde voor Agnar, de man echter voor Roodspeer en hij leerde hem vele sluwe dingen.

Toen het voorjaar gekomen was brachten de oudjes hen naar het schip, dat de man hun gegeven had. De man liep met Roodspeer alleen.

Voor gunstigen wind voeren toen beide de broeders voorspoedig naar het rijk van hun vader.

Roodspeer stond op het schip vooraan. Maar als zij aan het land gekomen waren sprong Roodspeer vlug aan wal, stiet het schip terug in de zee en riep tot zijn broeder: "Vaar ver weg in zee waar booze geesten zijn, die je halen." Ver weg in zee dreef het schip en Roodspeer ging naar den koningsburcht, waar hij goed ontvangen werd. Zijn vader was er pas gestorven en Roodspeer was machtige koning van toen af aan.

Wodan en Frigga zaten op den hoogzetel in Asengaarde en zagen over alle werelden heen. Toen sprak Wodan:

--"Ziet gij hoe Agnar, uw pleegkind, met een reuzenvrouw in het hol kinderen verwekt?--Roodspeer echter, mijn pleegkind, is koning in zijn land."

Hem antwoordde Frigga:

--"Maar een boosaard is hij, die zijn gasten plaagt, omdat hij bang is, dat er te veel zullen komen."

Wodan echter zeide, dat dit een groote leugen was, en zij gingen beiden een weddenschap aan.

Toen zond Frigga haar dienares Fulla, die haar overvloed van sieraden verzorgde, naar Roodspeer om hem den raad te geven heel voorzichtig te zijn met een tooverkundig man, die in zijn land was gekomen. En dit gaf zij hem als een kenteeken: dat geen hond, hoe woedend ook, het wagen zou tegen dien man te blaffen.

Eigenlijk was het een groote onwaarheid te beweren, dat Roodspeer niet gastvrij was, maar nu liet hij den man gevangen nemen, tegen wien de honden niet blaffen durfden. Deze man droeg een langen blauwen mantel en noemde zich Grimnir, Vermomde. Maar meer zeide hij niet over zichzelf, hoe men ook vroeg. De koning liet hem toen pijnigen om hem aan 't spreken te krijgen en hij plaatste hem tusschen twee wolken van vuur. Daar zat hij acht nachten lang.

Koning Roodspeer had een zoon, die tien winters oud was en dien hij Agnar noemde, naar zijn broeder. Agnar ging naar Vermomde en gaf hem een hoorn vol drank en zeide, dat de koning er heel erg slecht aan deed hem zoo pijn te doen zonder schuld. Vermomde dronk den hoorn leeg. Toen was het vuur zoo ver gekomen, dat zijn mantel al brandde. Vermomde sprak:

--"Vretende vlammen, wijkt terug. Reeds rooken mijn kleeren, mijn mantel verschroeit. Acht nachten al toef ik tusschen die vuren,--en niemand, die mij drinken gaf als Agnar alleen. Agnar zal koning zijn in de landen van Roodspeer."

Toen verhaalde Vermomde de wonderen van het worden der wereld vóór allen tijd:

--"Uit het vleesch van Ruischreus werd de aarde geschapen, de zee uit zijn zweet, uit zijn beenderen de bergen, uit zijn haren de boomen, uit zijn tanden het gesteente. Om Midgaarde, waar de menschen wonen, bouwden de goden uit zijn wenkbrauwen een hechte verschansing tot stevigen steun, zij spanden van zijn schedel hoog den hemel, wierpen zijn hersenen als wolken in de lucht. Daar draven hijgend over wolkenwegen Vroegop en Vlugvoet voor den wagen van de zon. Viel het schitterende schild, dat de zon beschermt, dan vlogen bergen en branding in vlammenden brand.

Sköll, de wolf, snelt achter de zon tot in de schuimende zee, wild voor haar uit rent Hati langs den weg.

Ook bouwden in oude dagen Innewoonds zonen het wondere schip voor de zon: dat is het snelste van alle schepen,--Schrikesch van alle boomen de eerste,--Wodan de grootste van alle goden,--Sleipner het vlugge, vliegende paard,--Bifrôst de kunstigste van alle bruggen,--Bragi van alle zangers de beste,--Habrok de havik,--Garm de hond ...

Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren.

Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen."

Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wonderen van den wereldboom, die groeit door alle tijden:

--"Schrikesch lijdt meer schade dan de menschen weten. Hol wordt het hout. Want van de kruin knabbelen herten de knoppen, aan de wortels knagen de kaken van Nijdhaag, den draak. En Knaagtand, de eekhoorn, rent op en weer neer staag langs den stam,--woorden van Arend, die hoog in den top zit, vertelt het aan Nijdhaag, den draak.

Meer monsterige maden dan menig man meent woelen krioelend om den voet van Schrikesch. Elkander omslingerend in 't slijmerige graf slurpen ze, slapend, het sap uit de wortels.

Drie wortels zijn er, die naar drie zijden dringen, tot boven Helleland de eene, een andere tot het land der Reuzen, de derde tot waar de menschen wonen.

Vele zijn de stroomen, die aan Schrikesch' stam ontspringen. Stormen stuwen de golven, die volken omvatten, naar het land van de menschen en veel verder naar Helleland heen.

Stroomen, die aan Schrikesch' stam ontspringen, koele, krachtige, wielende wateren vloeien den hoogheiligen Asen toe.

Thonarr waadt dagelijks door het water, als hij daar daalt naar den raad aan den Schrikesch. Dan gaat hij over de brandende godenbrug, waar fel vlamt flakkerende gloed.

Daarheen rijden ook alle de goden om te beraden, iederen dag. Goudig van glans zijn de paarden der Asen, stevig van stap,--vlug vliegen ze op hunne lichte hoeven, zilver waaien de manen in den wind ...

Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren.

Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen."

Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wonderen van de woningen der goden boven alle tijden:

--"Hoog voor mijn oogen ligt het liefelijke land van Asen en Alfen. Thonarr zit in Krachtland ten troon tot de goden vergaan. Vijf honderd-en-veertig zalen weet ik in Bliksemflits' huis. Hooger dan alle huizen, die met daken gedekt zijn, is de zaal van mijn zoon.

In Vochtendal heeft de sneeuwwollige Uller zich een burcht gebouwd. Alfenland gaven de Asen aan Freyer bij 't doorbreken van den eersten tand.

De derde bouw is met zilver gedekt. Lentezaal was reeds lang geleden voor den hoogen Ase een zetel.

Koele wateren spoelen door Storteschuim, waar Wodan en Sage dagelijks drinken uit bekers van goud.

In Vreugdeburcht, de vijfde der vesten, glinstert het goud van Walhall: daar komen tot den heerscher de helden, die door staal werden gedood.

Thiassi, de stormreus, woonde in Donderland ooit,--de zesde der goddelijke zalen. Maar sedert Skadi, zijn dochter, bruid werd van Njord, is zij in het bezit van den burcht.

Ten zevende Schitteringszaal, het smettelooze huis, dat Balder zich bouwde.

Helderwit woont in Hemelenburcht, ten achtste, als wachter van de goden. Om menigen dronk mede verheugt hij er zich.

Volkerenveld, de negende woning, is Freya's bezit; uit degenen, die in den strijd zijn gevallen, kiest zij zich gasten; het andere deel komt Wodan toe.

Forsete richt rechtvaardig alle twisten in zijn Glinsterhuis--het tiende.--Op gouden zuilen steunt een zilveren dak.

Noatun is het hooge huis waar Njord heerscht, als machtige koning van mannen.

Wijdwoud, ten twaalfde, is Widars woning. Gras groeit welig waar hij van het paard springt om zijn vader te wreken ...

Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren.

Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen."

Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wonderen van Walhall:

--"Vijfhonderd-en-veertig poorten weet ik in Walhall,--achthonderd verheerlijkte helden komen uit elke poort om den wolf te bevechten. Al wie tot Wodan komt en de zaal ziet, kan haar gemakkelijk kennen: speren zijn er de spanten, schilden het dak en pantsers staan op de banken. Al wie tot Wodan komt en de zaal ziet, kan haar gemakkelijk kennen: een wolf hangt voor de westelijke deur, daarboven zweeft een arend.

Donderstroom dreunt daar rondom en de vloed is niet te doorwaden. Voor de heilige poort in het water staat Walgrind, het hek: eeuwen is het oud en weinigen weten hoe het slot sluit.

Luchtkok kookt in Vuurketel den zonne-ever, die Zeezieder heet: de edele ever in de spijs in Walhalla, maar weinigen weten, waarmee men zich voedt.

Gierig en Gulzig, de wolven Wodans, krijgen het eten van den koenen kampheld, die de legers leidt,--want Wodan zelf drinkt slechts wijn.

Herdenken en Denken, de raven, vliegen iederen dag over de aarde: Denken keert, vrees ik, niet terug,--meer bang nog ben ik voor Herdenken.

Eikdoorn heet het hert, dat in Heervaders huis aan de boomknoppen knabbelt; van zijn gewei druipen aldoor druppels naar Ruischkolk, waar de stroomen ontspringen. Heidroen heet de geit, die in Heervaders huis aan de boomknoppen knaagt; in schalen schenkt zij schuimenden dronk voor de helden.

Slagvaardig en sterk zijn de meisjes, die mede schenken aan de heilige helden, en mooi; schitterend haar schilden, haar lansen lang, en helmen dekken het hoofd.

Ook mij bieden zij den beker...

Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren.

Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen."

Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wondere namen van Wodan:

--"De Dolende heet ik, de Wijze en Heer; Vlammenoog ben ik, Bliksemoog, Blindmaker van menschen, Langbaard en Haarbaard, Verwarder, Verwoester, Vader der zege, Brenger van slaap. Bevende ben ik en Bruller, Waaiende, Lucht, Ziedende, Zee, Brander en Oorlogsman, Windrig en Wensch, Goede en Gouden, Stormheer, Regengod, Waarachtig en Stout. Hoog heet ik, Evenhoog, Derde en Donderaar, Watergeest, Wakker en Bries.

Sleeper was ik toen ik sleden sleepte, Sluwe in 't geding, Speerespits voor tegenpartij, Vermomde was ik bij Roodspeer. Nu ben ik Wodan geworden."

Koning Roodspeer zat, en hield het zwaard halfuitgetrokken op zijn knieën. Toen hij nu hoorde, dat Wodan er was, stond hij op en wilde de vuren van hem wegnemen. Maar zijn zwaard viel, het gevest naar beneden. Koning Roodspeer struikelde en de punt van het zwaard stak hem een doodelijke wonde. Toen zeide Wodan:

--"Roodspeer, hebt gij te veel mede gedronken? Vele dingen leerde ik u, maar gij hebt niet geluisterd: nu zie ik rood en rookend van bloed het zwaard van mijn lieveling liggen. De gaven van goden hebt gij verbeurd, de gunst van Walhalls heilige helden en Wodan verloren. Nu kunt gij Wodan zien: Vermomde was een Verschrikker. Komt, goden, het heil is verschenen, komt in de zaal van den Zomerzeegod: het oogstfeest gaan wij er vieren. En Agnar, heil u, heil wenscht u de heerscher van helden; nooit zal een dronk nog met grooter gunsten worden vergolden."

Toen ging Wodan heen en Agnar werd koning in de landen van Roodspeer voor zeer langen tijd.

Hymirs Ketel

Toen de goden aan den maaltijd wilden gaan, bemerkten zij, dat de groote ketel van Egir, hun gastheer, weg was, en er dus geen drank kon worden bereid. De anders zoo vroolijke rotsbewoner was nu met droefheid, als met een nevel, omsluierd. Nergens konden de goden zijn ketel ontdekken, totdat Tyr vertrouwelijk Thonarr in het oor fluisterde:

--"Ver in het Oosten, waar de hooge hemel met het wilde water samen komt, daar woont Hymir, de wijze. Een geweldig-grooten en stevigen ketel bezit er mijn vader. Als wij er heen gaan en het listig aanleggen, zullen wij dien wel medenemen."

Zij reden samen weg, reisden een heelen dag lang, en kwamen eindelijk, ver van Asengaarde aan de oostelijke zee.

Daar gingen zij de hallen van Hymir binnen en ontmoetten er de grootmoeder van Tyr, die negenhonderd hoofden had, en zijn moeder, om wie een glans van goud lag als zonnegloed om barre bergen.

Toen Hymir naar huis kwam, verborg Tyr's moeder de beide gasten onder de vele ketels, die opgestapeld lagen in de hal, "want"--zeide zij --"mijn lieve man is menigmaal slecht van humeur, en dan niet erg gul voor gasten."

"Heil Hymir"--sprak ze, toen deze, met ruig bevroren baard, zwaar de zaal in stapte,--"heil! Wees welkom in onze woning en goed zult gij voor gasten zijn. Want onze zoon is gekomen, dien wij zoo lang verwachtten,--en onze roemrijke vijand, de weldoener van de menschen, kwam met hem mee. Op het eind van de zaal, daar achter die zuil, zijn zij verscholen."

De zuil barstte voor de blikken van den reus, en de balk, die er op steunde, brak. Acht ketels vielen omlaag, maar slechts één, die het hardste was gehamerd, kwam heel naar beneden.

Hymir had een bang vermoeden, waarom de sterke bestrijder van de reuzen wel tot hem gekomen kon zijn. Nochtans liet hij drie stieren uit de stallen halen en gereed maken voor het maal. Thonarr at er twee van op. Daardoor was de reus wel eenigszins gerustgesteld en hij zeide:

--"Morgenavond moeten wij drieën maar ieder voor onzen eigen kost zorgen."

Thonarr zeide, dat hij wel wilde gaan visschen, als Hymir zorgde voor het aas. Maar deze antwoordde hem:

--"Kunt gij, die bergvolkeren overwint, niet zorgen voor uw eigen aas? Ga naar de kudde: ik dacht, dat gij aan de stieren gemakkelijk aas zoudt ontnemen."

Toen stond Thonarr op, liep naar het woud, greep er een os en brak hem den kop af.

Den volgenden avond voeren zij in een boot uit op zee. Terwijl de sterke reus voor zich alleen twee walvisschen ophaalde aan den hengel, bond Thonarr, die glimlachte in zijn rooden baard, een lange lijn aan de boot vast, bevestigde er den kop van den os aan en liet dien in het water zakken.

Daar in de diepte hapte de door alle goden gevloekte slang, die de landen omslingert, met gapende kaken vratig naar het aas. Geweldig rukte Thonarr toen door het scheurende water en sloeg den draak aan boord van de boot, beukte bonzend zijn hevigen hamer het beest op den schedel.

Rotsen dreunden, bergen beefden, en het ondier zonk weer terug in de zee.

Toen roeiden zij naar het land. Met vaste vuist hield de reus het roer en hij sprak geen enkel woord, totdat zij aan het land gekomen waren.

Daar zeide hij tot Thonarr:

--"Het zware werk moeten wij deelen:--wilt gij de walvisschen naar mijn woning brengen, of draagt gij liever de boot?"

Thonarr greep de boot, droeg haar, met al het water dat er in was en de roeispanen en alles, en sleepte tegelijk ook de walvisschen door het woudrijke dal naar de woning van Hymir.

Thuis was de reus weer vol trots, en verwaand sprak hij tot Thonarr:

--"Hoe machtig een man ook moge roeien,--als hij dezen beker niet breken kan is hij toch zwak."

De bliksemslingeraar greep den beker, smeet hem tegen de stukgruizelende steenen, wierp hem met woeste kracht tegen de stevige pijlers, die braken als riet,--maar altijd weer nam Hymir den beker heel van den bodem.

Toen fluisterde het mooie vrouwtje van den reus Thonarr een bevrijdend geheim in het oor:

--"Werp hem tegen Hymirs hoofd,--dat is harder dan de hardste beker."

Al zijn godenkrachten vergaarde Thonarr en spande zijn spieren. Als een bliksem vloog de beker en spatte in gruizels over den grond. Hymirs hoofd was heel gebleven.

--"Mijn grootsten schat heb ik verloren," jammerde de grimmige reus, "nu kan ik nooit meer zeggen: mijn drank is te warm. Maar ik wil tòch wel eens zien of gij mijn grooten ketel uit mijn huis kunt halen!"

Tweemaal trachtte Tyr tevergeefs het vat te tillen: stevig stond het op den grond. Thonarr echter greep het aan, hief het in de hoogte,--luid rammelden de hengsels door de hal.

Toen gingen zij ermede heen.

Lang reeds waren zij op weg, vóór Thonarr nog eens omzag. Daar kwam, met Hymir, uit alle holen en spelonken van het Oosten een zwarte zwerm honderdkoppige kerels aan. Thonarr bleef staan, zette den ketel naast zich neer en zwaaide zijn hamer. Al die rotsenrekels sloeg hij tot stof.

Toen bracht hij den ketel van Hymir naar de goden, en op alle feesten van den oogst zullen de zaligen er hun schuimenden drank uit scheppen.

Het Feest bij Egir

Egir ging voor de goden een drank bereiden, zoodra hij den ketel gekregen had.

Bijna alle goden waren op het feest: Wodan en Frigga, Njord en Skadi, zijn vrouw, Tyr, die maar één hand had, omdat de Veenrookwolf hem de andere had afgebeten, toen hij het beest wilde binden, Freyer met Beugel en Buigster, die hem dienden, en Freya, zijn vrouw. Thonarr was er niet: die was op reis naar het Oosten, maar zijn vrouw Sippia wel. En er waren nog veel meer Asen en Alfen.

Egir werd door twee dienstknechten bijgestaan: Vuurvanger en Ontsteker. De feestzaal werd door goud in plaats van door vuur verlicht. Het was een lichte, vreugdevolle feestzaal en een ieder prees dan ook de goede bediening bij Egir. Loge hoorde dat niet graag en daarom sloeg hij Vuurvanger dood.

Toen werden de goden boos, zij rammelden met speren en schilden en scholden Loge uit en joegen hem weg en vervolgden hem in het woud en keerden toen weer naar het feest terug.

Loge echter keerde ook weer terug. Buiten de feestzaal trof hij Ontsteker en hij vroeg hem:

--"Zeg, Ontsteker, vóór je één stap doet: vertel mij eens even, wat voeren de goden uit op dat feest?"

Ontsteker vertelde hem, dat de goden over gevechten en speren spraken, en dat ze geen van allen Loge bizonder goed waren gezind.

Loge wilde naar binnen gaan, om alles zelf te zien en de goden eens goed te bespotten. Tevergeefs trachtte Ontsteker hem tegen te houden.

Toen de goden zagen wie de zaal weer binnen kwam, zwegen zij allen plotseling stil.

Loge stond en staarde ze aan. Toen sprak hij:

--"Dorstig ben ik hier binnen gekomen na een lange wandeling door het woud. Ik kom vragen, of niet een van de goden zoo goed wil zijn mij wat drinken te geven."

De goden zwegen allen stil.

Toen sprak Loge weer:

--"Waarom blijft gij zoo stil? Wilt gij niet antwoorden? Wijs mij een zetel, waar ik kan zitten, of zeg mij, dat ik heen moet gaan."

Toen antwoordde hem Bragi, de god van de zangers, die al duchtig had gedronken:

--"Geen van de goden zal u ooit een zetel wijzen, waar ge kunt zitten; wij weten veel te goed wie wij bij onze lustige feesten laten en wie niet."

Aan het einde van de zaal zat Wodan. Tot hem wendde zich Loge en zeide:

--"Wodan, gij, die eeden van trouw bewaart,--mengden lang geleden wij beiden niet in denzelfden beker ons bloed? Toen hebt gij gezworen, dat gij nooit een drank zoudt drinken, die niet voor ons beiden was bereid."

Op bevel van Wodan mengde nu Widar een beker en reikte hem Loge.

Deze nam den drank aan en sprak:

--"Heil Asen, en alle Asinnen, heil! Heil allen, die hier samen zijt,--alleen die niet, die daar zit op Bragi's bank."

Bragi werd zeer boos, en hij zeide:

--"Als ik maar buiten was,--nu zit ik in huis,--dan zou ik spoedig uw hoofd in mijn handen hebben."

Loge echter lachte hem uit en antwoordde:

--"Ha, Bragi, een sieraad zijt ge op banken, maar in het strijden niet sterk. Kom dan naar buiten, wie moed heeft zit niet te mijmeren."

Idoena, Bragi's vrouw, werd wel wat ongerust en zij smeekte haar man, dat hij toch zijn geliefden zou gedenken, en niet met Loge in vinnige woorden vechten zou op het gastmaal van Egir.

Maar toen trok Loge tegen Idoena los:

--"Zwijg maar, Idoena, zwijg maar gerust. Ik geloof, dat niemand zoo vurig verlangt naar liefde van vele mannen als gij, sinds uw sneeuwblanke armen den moordenaar van uw broeder hebben omhelsd."

Idoena schrok zeer van Loge's snijdenden spot: zij had alleen maar Bragi willen bedaren, en zeide dat dan ook. Maar toen Gefioen haar te hulp kwam en aan Loge den raad gaf, nu zijn mond te houden, antwoordde deze haar:

--"Blijf maar bij uw eigen zaken. Anders zal ik eens iets vertellen van zekeren zonnelichten knaap, die u met gouden gaven tot wellust wist te lokken."

Daar stond Wodan op. Met Gefioen viel niet te spotten: het verloop van de geheele wereld immers was haar bekend, zoo goed als Wodan zelf het wist.