# De Edda

## Part 12

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-edda-12822/index.md

Het bedrog en de trouwbreuk van Siegfried,--waarvan Brunhilde hem beschuldigde, en dat haar een reden was hem te doen dooden--bestaat dus niet hierin, dat hij haar, na haar gewekt te hebben, zou verlaten en zijn liefde op Goedroen zou hebben overgebracht, maar in het feit, dat hij, de held zonder vrees, die reed op Grani's goudbeladen rug, in de gestalte van Goenther door het haar omvloeiende vuur kwam gereden. Van dengene, die deze heldendaad volbracht, wilde Brunhilde de geliefde worden,--hij zou de vreeslooze zijn, aan wien zij zich verbonden had, nog vóór zij hem kende. Siegfried volbracht die heldendaad, en was dus Brunhildes geliefde, maar hij deed het in Goenthers gestalte, en zoo bedroog hij haar. Toen Brunhilde later het bedrog inzag en erkende, dat Siegfried de vreeslooze, dat Siegfried dus haar geliefde was, dien zij slapende verwachtte, Siegfried, nù de man van Goedroen, kon zij hem daarom van trouwbreuk beschuldigen. Want de trouw van de liefde begint niet eerst na de lichamelijke liefdedaad: Siegfried had, toen hij in Goenthers gestalte drie nachten bij Brunhilde verbleef, zijn scherpe zwaard gelegd tusschen haar en hem,--dat was een teeken, dat hij haar niet aangeraakt had, en Brunhilde wist dat wel. Nu eischte zij zijn dood om met hem te kunnen sterven,--dat was het eenige middel om eeuwig te kunnen samenzijn. Maar voor Goenther, dien zij aanspoorde tot den moord, kon zij dat niet als reden laten gelden, en daarom zeide zij, dat Siegfried ook hem bedrogen had in haar. Dat was geen leugen, dat was een list. Voor Brunhilde was Siegfried de geliefde, hij was het geweest nog vóór zij hem kende, want hij was de held, aan wien zij zich verbond, toen Wodan haar in slaap stak,--hij was het ook geworden door zijn eigen daad, toen hij haar wekte, en haar dien noodlottigen ring aan den vinger gaf. Zij kon dus zeggen, dat hij haar geliefde was, en Goenther bedroog.

De eer eischte wraak, en toen haar list gelukt was en Siegfried was gedood, onthulde zij haar geheim--en stierf.

Siegfrieds en Brunhildes ondergang was een gevolg van Siegfrieds zonde, toen hij de Walkure wekte, maar zich anders voordeed, als hij was: hij kwam in Goenther's gestalte. En het was de daad van de vrouw, van Brunhilde, die den grondslag legde voor de overwinning van de liefde over den dood als zondegevolg: zij stuurde Siegfried in den dood, en volgde hem toen vrijwillig om altijd samen te zijn. Dat was de zegepraal van de liefde over het noodlot, dat zijn werk begonnen was op het oogenblik, dat Siegfried en Brunhilde elkander leerden kennen, elkander den ring aan den vinger gaven, en dat hun joeg door lijdensdagen, d. i. verlangensdagen, naar dien grooten, nooit eindigenden Dag van onafscheidelijke vereeniging.

Maar op de aarde lijden nog mannen en vrouwen: daar raast het noodlot nog voort. De vloek van het goud, die allen doodde welke het ooit hebben aangeraakt,--óók den held die het zonder vrees bemachtigde, óók Brunhilde, die er een ring van aan den vinger droeg--rust als een zwaar drukkende erfenis op het geslacht van de Nevelingen, komt met _Goedroen_ op het geslacht van Atli, den begeerende, wordt met haar over het water gedragen in Jonakers land, waar de tragische ondergang wacht van de laatsten, die ooit van Siegfried en Brunhilde, ooit van Goedroen stamverwanten waren.

_Ortroens klacht_ staat buiten de Siegfried- en de Goedroensage, sluit zich echter zeer nauw, vooral bij deze laatste aan. Het schijnt een, uitsluitend in het Noorden bestaand gedicht te zijn, dat den strijd van Atli en Goenther nader tracht te verklaren.

Goenther beminde Ortroen, toen deze nog kind was, maar trouwt met Brunhilde, haar oudere heldenzuster. Nadat deze gestorven was, keert Goenthers liefde voor Ortroen weer terug, maar Atli wil er niet van hooren, althans verzet zich er tegen. Toen hij dan ook van verwanten hoorde, dat Goenther Ortroen toch had lief gehad, zond hij zijn gezanten om Goenther uit te noodigen aan zijn hof, ten einde hem en zijn geslacht aldus te kunnen vernietigen: het was voor Atli een zeer welkom motief om nogmaals een poging te wagen Goenthers schatten te bemachtigen, hetgeen hem door zijn huwelijk met Goedroen niet was gelukt.

Ortroen verhaalt haar wedervaren aan Borgni, toen deze een kind had gebaard. Dit kind heet te zijn van "den man, die Hagen doodde", d. i. van Atli zelf. Atli had dus met Borgni gedaan wat Goenther deed met Ortroen, en Atli wreekte op Goenther dezelfde daad, waaraan hij schuldig stond.

Zoo eindigde het lied met de vraag, wat eigenlijk alle vermaningen en raadgevingen, die Ortroens klacht behelzen, voor beteekenis hebben. "Een ieder leeft toch volgens zijn eigen verlangen."

In den laatste der hier bewerkte heldenzangen--den _Zang bij den molen_, dien de Edda van Snorri mededeelt--ligt weer de mythe van het jaar, door heldengestalten gedragen, zooals zij in de godenliederen door goden gedragen werd.

Frodhi, de achterkleinzoon van Wodan, regeerde over Denemarken gedurende het vredestijdvak van Christi geboorte: men schreef den vrede aan Frodhi toe. Deze bezat een molen die Grotti heette, en hij kocht van een Zweedschen koning, Fjölnir, twee maagden om den molen te draaien. Zij maalden hem goud, vrede en geluk en zongen een lied daarbij. Frodhi gunde haar echter geen rust, en toen maalden zij een koning te voorschijn, die Mysinger heette. Deze koning doodde Frodhi, nam den molen en de maagden mee, en liet ze zout malen. Maar het schip, waarop de molen stond, verging.

De vredevorst Frodhi is de zomer (Freyer), de molen stelt de aarde voor. De namen van de maagden, die den molen draaien, wijzen op het waterrijk, en op het goud, dat symbool is van de vruchtbaarheid, en dat men zich dacht uit het waterrijk ontsproten: Venja, de Veenvrouw, Menja, de Goudvrouw. Ook de naam van dengene, die den molen aan Frodhi gaf, wijst op dat waterrijk, waaruit de vruchtbaarheid ontstaat: Hengikjöptr, d. i. de man om wiens hoofd lange haren hangen,--en het was Wodan, watergod.

De maagden malen het geluk en het goud in dienst van den vredekoning: zooals de krachten van de vruchtbaarheid in dienst van de zomerzon het gouden graan uit de aarde werken. Maar Frodhi gunt haar geen rust, en zij malen een wrekenden koning te voorschijn: zoo brengt de langdurige zomerhitte in den tijd, dat het graan is gerijpt, den herfst,--zoo spotte op het oogstfeest bij Egir ook Loge met de goden en bedreigde met vlammen Egir's rijk. Mysinger, de winterkoning, rooft den molen en doet de meisjes zout malen: d. i. de sneeuw van den winter. Maar ook hij gunt haar geen rust, en zij malen tot het schip vergaat: het graan wordt weer in de aarde begraven, en de krachten van de vruchtbaarheid zullen het weer doen ontspruiten: Venja en Menja arbeiden onder de aarde, zij werken den molen uit de rots, stapelen steenen in menschenland, en vermoorden, als Walkuren, de laatste grauwompantserde wintermachten,--zooals zij het eens deden voor zij in de macht van Frodhi kwamen,--zooals zij het nog lang zullen doen, telkens weer, nadat zij het winterschip van Mysinger maalden naar den bodem van de zee.

Ondergang.--Wederkeer.

Frans Berding

Den Haag, September 1911.

