De Edda

Part 11

Chapter 11 3,814 words Public domain Markdown

Dat de zeegod de gastheer der goden op het oogstmaal is, is niet willekeurig. Zooals naar de voorstelling der oude Germanen het goud ontsproten is uit het water, zoo is ook het graan, het aardegoud, een product van het waterrijk. Men denke o. a. aan den goudroof van Loge in de beek van Andwari, zooals de Siegfriedsage dien verhaalt,--aan Gerda, die dezelfde is als Goudvreugde, de aan graan-goud rijke aarde, die de dochter en gevangene van Hymir heet.

Door Thonarrs kracht en den raad van Tyr komt de ketel in Egirs bezit. Tyr was waarschijnlijk de oude, door Wodan later verdrongen hemelgod, en zijn naam staat in verband met het grieksche Zeus, en het indische Dyaus, dat "hemel" beteekent (Tyr = Ziu = Tîw) Thonarr en Tyr zijn de machten van den zomer, zijn beiden ook strijdende goden. Dat in dit lied Thonarr meer op den voorgrond treedt dan Tyr, mag verklaard worden uit de voorstelling der Germanen, voor wie Thonarr de sterke bestrijder van de reuzen, der landbouw vijandige machten was, aan wien het dus wel was toevertrouwd den ketel bij Hymir te halen, opdat het oogstfeest kon worden gevierd.

Op het _Feest bij Egir_ is de zaal met goud verlicht: alles is vol graan en zomerweelde.

Maar de macht van den zomer is op het hoogste gekomen: Loge bespot alle goden en is hun zeer lastig. Aan allen, goden en godinnen, verwijt hij op dit feest van vruchtenrijpheid hun liefdesavonturen, en niemand blijft voor zijn spot gespaard. Maar dan komt Thonarr en jaagt Loge heen: zooals het laatste onweer in den zomer de hitte verdrijft. Loge gaat, maar met een onheilspellende bedreiging aan Egir,--reeds had hij Thonarr bespot, dat zelfs hij den wolf niet kon dooden, waardoor Wodan eens zou verslonden worden. In den tijd van den graanoogst komen zoo de teekenen van den herfst, het begin van den winter,--nadert de godenondergang. Wel bonden de goden Loge nog met stevige banden en lieten gif druipen op zijn hoofd, maar hij schudde zich zoo hevig, dat de aarde er van beefde. Het zal niet lang meer duren, vóórdat de aardbeving de banden der vernietiging verbreekt, die over de goden komen gaat.

_Wodan bij de waarzegster_.--Balder is de zon op haar hoogste punt, dan gaan de dagen korten, buigt de aarde zich naar den herfsttijd. Balder had van ondergang gedroomd: de goden werden beangst voor de schemering van hun levensdag.

Toen de goden hoorden, dat Balder's leven in gevaar was, liet Frigga alle wezens een eed zweren, dat zij hem geen nadeel zouden doen. Een misteltakje echter, dat in het Oosten van Walhalla groeide, weigerde dien eed af te leggen. Loge kwam dit door list te weten en, naijverig op de onschendbaarheid van Balder, besloot hij dit middel te gebruiken om hem te dooden. Hij plukte den misteltak, en terwijl de goden zich ermede vermaakten allerlei wapenen naar Balder te werpen, waarvan geen enkele hem wonden kon, spoorde Loge den blinden Hader aan, zich onder de spelers te begeven. Hij gaf hem den misteltak als wapen in de hand,--Hader wierp naar Balder, trof en doodde hem. Balder werd verbrand en Wodan legde op zijn brandstapel een ring, waaruit in iederen negenden nacht acht nieuwe ringen dropen,--en hij fluisterde hem een woord in het oor. Toen zonden de goden gezanten naar Hella om haar te vragen Balder toch terug te geven aan het leven, want alle goden en de geheele wereld treurden om hem. Hella stemde toe, op voorwaarde, dat alle wezens, zonder uitzondering, over Balder's dood zouden weenen. De goden zonden dan boden uit over de wereld om alle wezens, bezielde en onbezielde, tot tranen te bewegen. En allen weenden, behalve Thökk, de winterdonkere reuzevrouw. Balder kon niet uit Hella's macht worden verlost.

Van dezen droevigen ondergang hadden de goden een bang vermoeden gekregen door Balder's beangstigenden droom. Wodan gaat naar de waarzegster om haar de verklaring van hun angst te vragen. Daar verneemt hij welk onafwendbaar onheil Balder en de goden dreigt. Maar ook voorspelt zij hem de geboorte van een kind,--de nieuwe zon, die ten tijde van den winter, in den langsten nacht, als wreker van den dooden Balder zal geboren worden, en het begin zal zijn van een nieuwen tijd. Aan Wodan's vraag, wie niet wil weenen, herkent de waarzegster hem als Wodan zelf, en zij weigert meer te zeggen: het noodlot zal voltrokken worden, de goden zullen ondergaan. Dan verwijt Wodan haar, dat zij zelve is de vrouw, die niet wil weenen, de hard-bevroren koude aarde, wintermoeder.

Het lied eindigt met den spot van de waarzegster, die Wodan's naderenden ondergang ziet: "wees Overwinnaar". Maar de spotnaam sluit een voorspelling in zich: eens zal Wodan Overwinnaar zijn: eens zal een nieuwe lichtmacht over de duisternis zegevieren.

Het _Voorspellied_ van het einde wordt gezongen: het is herfst. Idoena zit aan den voet van Schrikesch, en zwijgt. Zij is het beeld van stille, droeve herfstdagen, als de bladeren van de boomen gevallen zijn, en de regen stil en onafgebroken stroomt. Niets kunnen de godsgezanten van de treurende te weten komen, en na vergeefsche pogingen keeren zij naar Walhalla terug. Alleen Bragi blijft bij Idoena achter en zwijgt als zij: de vogelenliederen zijn verstomd. De goden zaten nog aan den maaltijd, verlangend te weten hoe het naderende onheil kon worden afgewend, en Wodan vroeg nog één nacht te beraden.

De zon daalt achter de bergen, waar reeds koude nevel hangt,--zwijgend gaan de goden uit elkaar. Nog eenmaal komt een glorierijke, kleurenweelderige herfstdag over de aarde, maar reeds houdt Helderwit den hoorn, waarmede de goden tot den laatsten strijd worden opgeroepen.

_Billings dochter_ is de aarde, en tevergeefs werft Wodan om haar. Zij weert hem af met wintervuren en de fakkels van den noorschen winternacht en den wolf van den winter. Wodans macht gaat ten einde.

_Wodan's_ woordenstrijd _bij Stormsterk_, is weer zoo een echt noorsch skaldenspel van wijsheid, waarin, naar vragen en antwoorden, de germaansche godenleer en wereldbeschouwing besproken wordt. Stormsterk is onder de reuzen wat Wodan onder de Asen is, de grootste en machtigste van allen. Beider namen zijn verwant: Vafthrudnir is de krachtig-waaiende, Wodan de waaiende lucht, de alles vullende. Stormsterk is wintergeweld, Wodan is zomermacht. De wedstrijd in wijsheid wordt door Wodan gewonnen: 't is een voorteeken van het komende herstel na godenondergang. Wodan wint om een woord, dat Stormsterk niet kende, het woord dat Wodan eens in het oor van Balder fluisterde, toen deze op den brandstapel lag.

De _Wereldzang der wichelares_ is als een groote aanschouwing van worden en vergaan,--de mythe van het jaar gezien als de mythe van het geheele wereldleven. De zienares spreekt van wat hare extatische oogen van verleden en heden en toekomst doorschouwen in een ondeelbaar eeuwigheidsmoment: het in den tijd zich uitwerkende, in wezen tijdelooze leven van de Lichtmacht, Alvader der wereld. Zij zelf staat buiten de tijden, buiten de ruimten. Alle werelden zijn haar bekend, liggen open voor haar oogen.

Als een boom is het wereldleven, diep geworteld in de geheimenissen van den oergrond, waar de wondere bronnen zijn, waaruit alle worden ontspringt, waar de vrouwen geboren zijn, die het leven weven van alle wezens op de aarde,--hoog in den hemel is zijn kruin, die als de wolkenlucht de wereld omvat, en waarin de zon woont als een vogel.

In den beginne was de Wijde Gaping. Aan het Zuiden daarvan strekte Vuurland zich uit,--in het Noorden was Nevelland. In Nevelland lag Ruischkolk, waaruit de twaalf Hagelstroomen ontsprongen, die het geheele noordelijke deel van Wijde Gaping vulden met ijs. Doch uit Vuurland vlogen vonken over, en zij gaven warmte aan het ijs, dat afdroop. Daaruit ontstond het eerste leven, Ruischreus, en hij voedde zich met de melk van de koe, die Vochtrijk heette, en ook uit ijs geboren was. De koe, de vruchtbare, likte aan de ijsblokken, en daaruit kwam Buri, de Barende, op de wereld, wiens zoon Borr, de Geborene, was. Van dezen waren Wodan, Will en Wei de zonen. Zij doodden Ruischreus en schiepen uit hem hemel en aarde en zeeën, en zij maakten Midgaarde in het midden en plaatsten er boomen in en gras, en daarboven slingerden zij de lichtende schijven aan den hemel en gaven haar banen en ordenden den dag en den nacht en maanden en jaren.

Toen verlangden de goden naar goud, dat stamt uit het diepe waterrijk, en de noodlotsvrouwen stegen op uit de ondergeheimenissen van de wereld. Met de begeerte naar goud kwam zondenschuld, het leed van de menschen, die op aarde geschapen waren, strijd, oorlog, broedermoord. Tegen de goden stormden de Wanen ten strijde, en de Reuzen bouwden hun een burcht, maar vroegen de goud-lichte Freya als loon. Toen daverde Thonarr's hamer zijn toornige slagen neer op de krachten, die naar vernietiging streven.

Ook in Asengaarde, waar de goden eens zoo gelukkig waren geweest, kwam afgunst en moord: Loge's nijd deed den blinden Hader Balder dooden. Het was stormentijd, wolventijd, vóór de wereld vergaat.

Wodan had aan Mimir's bron een oog geofferd, om te mogen drinken van het wijsheidswater, en de Wanen hadden Mimir gedood en zijn hoofd naar de Asen gezonden. Wodan mompelt met Mimirs hoofd, wanneer hij vragend staat voor het wonderlijke gebeuren der dingen.

Reeds nadert de godenschemering, het wereldeinde is nabij. De wolven in IJzerwoud zijn groot gegroeid, Helderwits hoorn roept de helden van Walhalla ten strijde voor de goden. Van alle kanten uit den diepen grond en uit den hoogen hemel is de vernietiging losgebroken. Wodan wordt verslonden door den wolf, die zijn banden verbrak, Freyer vecht met den zwarten Rook uit het Zuiden, en valt,--Thonarr strijdt met de wereldslang, en beiden vallen. De wereld is ten einde,--'t is winter-eeuw.

Maar weer komt de lente van een nieuwen tijd, eeuwig groen groeit op de aarde. Nu zal er altijd vrede zijn, en de arend aast niet meer op lijken, maar op de visschen van de zee. De goden komen op de Velden van Geluk: Widar, de wreker van Wodan, zijn vader, en Vali, die, één nacht van den winter oud, Balders dood gewroken heeft, en Moed en Kracht, de zonen van Thonarr, die Mjölnir bezitten, en Balder zelf en Hader, die nu in goede gezindheid leven, en Henir, die als gijzelaar van de Asen bij de Wanen was en nu wederkeert onder de goden. Zoo zijn weer Asen en Wanen verzoend, en alle ellende is geëindigd.

Een _Lied van herleving_ is het, dat Groeikracht over Dagdrager zingt:--de laatste der natuurmythische zangen van het jaar. De winter heerscht; Groeikracht is begraven. Dagdrager, de zon, zweeft eenzaam over de aarde en gaat naar den heuvel, waar zij begraven ligt. Hij smeekt haar om goede voorteekenen en om hulp in zijn zoeken naar Goudvreugde-Aarde, die hij verloor. En Groeikracht belooft hem steun, en zingt tooverliederen over hem. Wel is de weg ver, dien Dagdrager moet gaan om bij Goudvreugde te komen: de winter is lang;--en moeilijk is de reis, want koude en felle vorst en stormen heerschen in den winter, en een wijze reus houdt de wacht op de wegen die tot Goudvreugde voeren,--maar Dagdrager zal zijn doel bereiken, zal Goudvreugde vinden. Eens zal 't weer lente worden op aarde.

_Wodans runenlied_ is gezongen over Lodfafnir, vertegenwoordiger van de menschheid. Het deelt allerlei runen en toovermiddelen mede tegen gevaren in het leven, en openbaart Wodans macht en groote wijsheid. Deze, zoowel als de levensregels, welke er op volgen, kan ik, dunkt mij, zonder verdere verklaring den lezers voorleggen. Alleen zou ik er hier op willen wijzen hoe deze levensregels niet een droge opsomming van voorschriften geworden zijn, en de aandacht willen vragen voor de plastische kracht, waarmede de dichter ze voorstelt.

_Hoe de standen ontstonden_ gaf ik deze plaats op het einde der godenzangen, omdat het mij een goede overgang schijnt tusschen deze en de heldensagen.

Helderwit komt op de aarde en ordent de standen. Hij is de god van het daglicht, dat iederen morgen aan den horizont wordt geboren en hoog langs den hemel wandelt. Als hij--in dit lied--over de aarde gaat, neemt hij een anderen naam aan en noemt zich Rigr. Deze naam houdt verband met den naam Iring, dezelfde als Erik (Erikstraat is melkweg, de weg langs den hemel). Ir beteekent "echt", Irman is "echte man" (Germaan); Iring is "echte zoon". Mogen wij daarom zeggen, dat Helderwit als Oerman kwam op aarde?

Het lied is slechts fragment,--ook de oude Edda geeft niet meer, dan deze bewerking bevat--en het eindigt met de woorden, welke een raaf sprak tot het heldenkind, dat uitgegaan was om te jagen: "Op strijdrossen rennen en helden vellen is betere taak voor u dan de jacht. Wie na u komen zullen meer burchten bezitten en grooteren roem verwerven: op snelle schepen zullen zij over de wereld zeilen, en overal de teekenen toonen, die het zwaard hun bloedig sloeg..."

Dat is de tijd der oude Germaansche helden.

_De heldensagen_. De religieuse of mythische wereldbeschouwing der oude Germanen, overgebracht op het leven van de besten die, in werkelijkheid of in fantasie, onder hen woonden, ziedaar de oorsprong der _Heldensagen_. Zooals een god op aarde kwam, er de standen ordende en den stand der edelen het hoogste plaatste,--zooals de dichter bij dezen verbleef en hun heldenleven ging bezingen in het fragment, dat wij als overgang van godenliederen tot heldenzangen beschouwden,--zoo schiep de fantasie van het volk zich helden, die de dragers waren van zijn hooge nationale idealen, en te gelijk de mensch-geworden en daarom dichter bij hen staande vertegenwoordigers van hun godsbegrip. Die helden leefden op aarde als zij, streden en leden als zij, maar hun kracht was grooter, hun strijd heviger, hun lijden dieper, en zij stonden in verbinding met de goden op wonderlijke wijze. Die helden hadden de kracht, de moed, de vreesloosheid zoo hoog, als het volk zich maar denken kon, maar waren toch ook onderworpen aan het noodlot, waaruit de Nornen het leven weven van goden en menschen, zoo ijzer-sterk als de eeuwige wet van oorzaak en gevolg. Zij werden op bovennatuurlijke wijze bijgestaan door niet geheel vermenschelijkte, in kracht en wijsheid welhaast goddelijk gebleven vrouwen, de Walkuren. Deze hielpen hen in den strijd, leerden hun wijsheid, en droegen ze naar Walhalla wanneer ze vielen in 't gevecht: het eeuwig-vrouwelijke in heldenwilde tijden.

De vorm der sage wijzigde zich en veranderde met den tijd: het mythische, het goddelijke, ging meer en meer verloren, het menschelijke, het historisch grijpbare werd meer en meer geldende er in. De lotgevallen der menschhelden namen meer en meer de aandacht der dichters in beslag. Latere skalden kozen afzonderlijke gebeurtenissen tot onderwerp hunner liederen,--zoo b.v. de klacht van Goedroen bij Siegfrieds lijk, waarin de dichter het moment psychologisch doorgrondde.

Hiervoor hadden de oudere dichters in de grootheid hunner beeldende verhalen geen oog gehad,--en naar den eigen aard van het volk ontwikkelde zich de sage ten laatste in de van ijs omgeven noordelijkste landen tot zangen van de meest bloederige tafereelen en hevigste wraak.

De mythische ondergrond is meer en meer onder menschelijke levenservaring verdwenen. Men wachtte er zich voor, overal in de Heldensagen mythische trekken te zoeken. Hier en daar zal ik, in de weinige woorden bij iedere sage, of sagencyklus, gelegenheid vinden op het mythische karakter te wijzen.

In de sage van _Weland, de smid_, ligt de oude, bij andere volkeren in wel anderen, maar wat inhoud betreft wezensgelijken vorm verwerkte mythe van den bliksem, die de wolken vangt als meisjes, verlamd neerslaat op de aarde, daar zijn schade doet en als vrijgevleugeld vuur weer opstijgt naar boven. Het is de overwinning van de vuurmacht op de donkere machten van de aarde. Vuur is een zegen voor de menschen, zoo leerde Wodan in de levensregels, die hij gaf. Dat is ook de inhoud van de sage: Weland laat den donkeren Nydhod "vernietigd van smart" achter. Maar op aarde bleef zijn kind, dat in de koningshallen werd geboren: de vruchtbaarheid, de levenskracht. Het is dezelfde als Erichthonios, de uit de aarde gesproten zoon van den griekschen Weland: Hephaistos.

Bij den titel blz. 109 de zwanen als Walkuren-motief.

In de sagencyklus van _Welsingen_ en _Nevelingen_ heeft de germaansche volksgeest zijn wereldmythe tegelijk met zijn nationale heldenkarakter het volledigste uitgebouwd. Siegfried is de eigen held der Germanen ten zuiden van de "duitsche zee", Helgi die van de Germanen ten noorden. Maar beiden--of liever: Siegfried en de beide Helgi's zijn dezelfde persoon. De moeder van Helgi, Zwaardwacht's zoon, was Sieglinde, en dezen naam draagt ook de moeder van Siegfried in de zuidgermaansche Siegfriedsage; Siegfried was de vader van Helgi, die Honding doodde,--zoo heette ook de vader van Siegfried in de duitsche sagen, en ook de noorsche Siegfriedsage noemt den held Siegmond's zoon. De vader van Siegfried zoowel als die van Helgi, Hondingsdooder, heet in de eddaische fragmenten "Welsingenkind". Wel was Jerdis de moeder van Siegfried volgens noorsche overlevering, en Sieglinde volgens de zuidelijke, maar Jerdis beteekent Zwaardvrouw, en ook Sieglinde's naam wijst op strijd en overwinning. En in den noordelijken sagevorm, waar Helgi de zoon van Zwaardwacht is, heet Sieglinde zijn moeder.

Maar afgezien van deze namen, die, door de in onderlinge wisselwerking met elkander staande overleveringen der Germanen van het Noorden en het Zuiden, kunnen zijn verward,--de Helgi's en Siegfried zijn de zonnehelden, tot helden geworden zonnegod. Een Eddalied noemt Siegfried zelfs "vriend van Freyer", en Siegrune verwelkomt Helgi met de woorden: "Gij moogt u verheugen, gij lieveling van den zonnegod". Zij strijden tegen de machten van de duisternis, mogen dezen Hondingen heetten of Nevelingen zijn. Helgi doodt de zonen van Grijswolk, die Siegrune bedreigden, en hij wint "het rijke meisje" voor zich,--Siegfried velt Fafner, die zijn schatten bewaarde in zijn donkere hol,--zoo bevrijdde Dagdrager Goudvreugde uit de macht van den winter.

De Heldenzangen zijn zangen van liefde, en van ondergang ter verheerlijking. Het eeuwige probleem van de natuur: het opbloeien, vruchten dragen en weer sterven der aarde is hier menschelijkheidzang geworden van verlangen naar liefde en van dood. Siegrune bekende aan Helgi, dat zij hem beminde, dat zij hèm alleen liefhad reeds vóór zij hem zag,--Brunhilde verloofde zich met den held zonder vrees, die reed op Grani's goudbeladen rug,--nog vóór zij hem kende. Om die helden was vrouwelijkheid, nog vóór hun oogen de vrouw hadden gezien. Brunhilde volgt Siegfried in den dood, ook Siegrune legt zich bij Helgi in het graf, en het geeft hem de macht naar Walhalla te rijden, en Siegrune leeft niet lang meer daarna. Wel bleef Svaba, de geliefde van Helgi, Zwaardwacht's zoon, nog in leven, toen haar held gestorven was, maar zij bleef hem getrouw en wilde de liefde van een anderen man niet nemen: zoo volgde ook zij dus den held, dien zij liefhad.

Als de helden zich de Walkuren verworven hebben nadert het einde: als de zon haar hoogste punt heeft bereikt komt de tijd van den herfst. Wat in de godenliederen de wedergeboorte zou zijn, het weer opleven van de aarde, dat trokken de dichters van de heldenzangen in het groot-menschelijke: de onafscheidelijke vereeniging der geliefden na den dood. De lichtmacht is sterker dan de krachten van de duisternis; sterker dan de dood is de liefde. Zooals de mythe van het wereldleven in den Zang der Wichelares eindigde met de verrijzenis der onverwelkbare nieuwe wereld uit de ineenstorting van de oude, zoo eindigen de tragische levens van Helgi en Svaba, Helgi en Siegrune, Siegfried en Brunhilde met het beginnende leven, dat geen einde kent.

Bij mijn bewerking van de Siegfriedsage moet ik eenige verklaring voegen. Ik heb de Edda-fragmenten versneden: deels er uit weggelaten, deels uit andere bronnen erbij gevoegd, en ik maakte het verhaal, zooals dit boek het bevat. Het geeft de Siegfriedsage, zooals die zich in het Noorden gevormd heeft onder steeds hernieuwden invloed der zuidelijk wonende Germanen van den Rijn. In sommige trekken echter heb ik mij aan den duitsch-nederlandschen vorm gehouden: ik liet Siegfried niet gedood worden in zijn bed, zooals een Eddalied (Sigurdharkvidha III) verhaalt, maar in het bosch, waarheen hij ter jacht was gereden. Dat overigens de moord op den weerloozen Siegfried in het woud een aan de Edda niet vreemde voorstelling is, kan blijken uit het prozagedeelte, dat op het Brot af Brynhildarkvidhu, het fragment van een Brunhildelied, volgt en dat vermeldt: "in dit lied wordt verhaald van Siegfried's dood, en het geschiedt hier zoo, alsof zij hem buiten verslagen hadden;--anderen echter meenen, dat zij hem doodden, terwijl hij sliep op zijn bed, maar duitsche mannen zeggen, dat hij buiten in het bosch werd vermoord, en zoo wordt ook in het oude Goedroenlied gezongen." Het "oude Goedroenlied", dat de schrijver van het prozastukje bedoelt, is Gudhrunarkvidha II, behoorende bij de Eddaïsche fragmenten der heldenzangen, en waarin o. a. verhaald wordt, hoe Goedroen Siegfried tehuis verwachtte van de jacht, en zijn paard zag aanrennen zonder berijder.

De vele wijsheid en runentoover, die Brunhilde aan Siegfried leerde, toen deze haar slaap op den berg verbroken had,--en die den hoofdinhoud vormen van het Eddalied, waarin de opwekking der Walkure slechts als een gelegenheid wordt aangegrepen om wijsheid te verkondigen, zooals Wodan het aan Lodfafnir deed,--heb ik alleen maar vermeld met de woorden: "en hij leerde haar zeer veel wijsheid." Ook heel de Gripisspa bleef weg, het lied, dat lang na den tijd, waarin de sage haar vasten vorm gekregen had, werd gedicht, en waarvan de inhoud is, dat Gripir aan Siegfried, zijn neef, het geheele verloop voorspelt van zijn leven. Het is niets anders dan de in vraaggesprek tusschen Gripir en Siegfried na-gedichte sage,--voor den dichter een vermaak, dat ik hem gaarne gun.

Ook het korte lied van Brunhilde's hellerit liet ik--als lied-op-zich-zelf althans--geheel en al weg. De gestorven Brunhilde komt op haar weg naar Doodenland aan het hol van eene reuzenvrouw, die haar den doortocht betwist, en haar Walkuren-afkomst en strijdliefde verwijt. Brunhilde verhaalt haar in korte trekken haar leven,--dan gaat zij verder. Alleen Brunhildes levensverhaal gebruikte ik in mijn bewerking van de sage,--dáár, waar ik vertelde hoe Brunhilde door Wodan in slaap gestoken werd,--en den inhoud van de laatste verzen maakte ik weer tot Brunhildes woorden op het eind: "Lang nog zullen er mannen en vrouwen leven om te lijden. Maar eeuwig zullen wij samen zijn, Siegfried en ik."

Nog op één bizonderheid van mijn bewerking, die anders vreemd zou kunnen schijnen, en verklaring vragen, wil ik wijzen. Ik volgde n.l. de meer en meer veld winnende meening, dat de opwekking der Walkure, die door vlammen omgeven op den berg slaapt, niet tot de Siegfriedsage, maar tot de sprookjes uit den Doornroosje-cyclus behoort. Wat de Edda er echter van vermeldt,--en zij noemt de Walkure Sigdrifa, d. i. Zegebrengster--heb ik samengesmolten met de werving van Brunhilde door Siegfried in Goenthers gestalte, nadat hij aan het hof der Gibichungen met Goedroen in liefde vereenigd was. Vandaar dat Siegfried hier geen vergetelheidsdrank behoeft te drinken daar hij Brunhilde, alvorens Goedroen tot vrouw te nemen, niet kende en dus ook niet vergeten kon. In de Edda komt trouwens deze vergetelheidsdrank ook niet voor.