De Edda

Part 10

Chapter 10 3,871 words Public domain Markdown

Mysinger echter nam de meisjes mede en hij beval haar om zout te malen. Op een schip maalden zij zooveel zout, als er sneeuw is in den winter. En na middernacht zonk het schip, en sedert dien tijd is er een draaikolk daar, waar de zee door het gat van den molensteen zinkt, en de zee bruist geweldig, terwijl zij daar ronddraait. En daardoor is de zee ook zout geworden.

WERKLARING VAN WERK EN INHOUD

_Edda_ is de naam van het boek, dat Snorri, de zoon van Sturli, in de 13_de_ eeuw voor ijslandsche dichters samenstelde. Het geeft regels voor versbouw, een beschrijving van de noorsche mythologie en godenverhalen in proza; daarbij bevat het fragmenten van godenliederen in verzen, welke uit oudere handschriften overgenomen zijn.

Zulk een ouder handschrift werd in 1643 door bisschop Brynjolf, zoon van Swend, te Skalholt in het Z. W. van IJsland gevonden. Het perkament bevatte 29 liederen van goden en helden. Brynjolf gaf het den naam, dien het reeds bekende boek van Snorri droeg en noemde ook dit _Edda_, d. i. dichtkunst. Ten onrechte schreef hij het aan Saemundar den Wijze toe, maar den naam, dien Brynjolf het gaf, heeft het tot heden behouden.

Het handschrift, dat zich in de koninklijke bibliotheek van Kopenhagen bevindt, was in de tweede helft van de 13_de_ eeuw overgeschreven uit een ouder werk, dat in de eerste helft dierzelfde, mogelijk ook reeds in de 12_de_ eeuw ontstaan was. De liederen zelf dateeren--althans in den vorm, waarin zij tot ons kwamen--uit den tijd tusschen 800 en 1250, zijn echter van verschillenden datum, welke voor ieder lied afzonderlijk tot heden nog niet is vastgesteld, evenmin als het land waar zij ontstonden, en dat voor sommige liederen Noorwegen, voor anderen IJsland is, terwijl één der heldenzangen (de Atlamal, waarin uitvoerig de ondergang der Nevelingen aan het hof van Atli en de wraak van Goedroen worden verhaald) waarschijnlijk uit Groenland stamt.

Het is hoofdzakelijk van deze laatste, de poëtische of liederen-, ook wel oude Edda genaamd, dat dit boek de Nederlandsche bewerking bevat. Enkele godenliederen, welke gelijkberechtigd naast die der poëtische Edda mogen staan, doch in andere handschriften voorkomen, nam ik er tevens in op, terwijl ik voor de heldenzangen uit andere bronnen putte wat mij voor een aaneensluitend verhaal wenschelijk voorkwam, en aan de Eddafragmenten ontbreekt.

Deze bewerking houdt tusschen een vertaling en een vrije omwerking het midden. Een vertaling van de Edda schijnt mij, buiten academisch gebruik, in dezen tijd niet meer gewenscht. Voor academici op de eerste plaats is dit boek ook niet geschreven, al hoop ik dan, dat de dank, welken ik aan hooggeleerden verschuldigd ben, door hen, zelfs in den vorm van dit "onwetenschappelijke" werk, welwillend mag worden aanvaard.

De Edda is mij vóór alles een fragmentenverzameling van oud-noorsche kunstliteratuur: daarom liet ik alles, wat ik literair onbelangrijk achtte, aan de belangstelling van anderen over. Waar de dichter der oorspronkelijke liederen zijn mythologische wijsheid lucht, en deze niet behoort tot den _wezenlijken_ inhoud van het lied, heb ik haar weggelaten of bekort. De volgorde der strofen veranderde ik, waar het mij noodig of wenschelijk scheen, om een aaneensluitend verhaal te verkrijgen, of de dramatische kracht der handeling beter te doen uitkomen. In de Godenliederen geschiedde dit vooral bij Vermomde en Roodspeer, van welk lied de oorspronkelijke tekst in alle uitgaven een strofenvolgorde heeft, welke geen verband houdt met de handeling in het lied;--bij den Zang der Wichelares, waarin ik de geleidelijke, door de zienares aanschouwde, wording en verwording der wereld naar den gang dezer verwording te rangschikken trachtte. In de Levensregels, die Wodan gaf na den zang van zijn Runenlied, liet ik mij zooveel mogelijk leiden door logischen gedachtengang, welke in Havamál, het oorspronkelijk, ontbreekt. Hans von Wolzogen's Eddavertaling (Reclam) hielp mij over vele moeielijkheden heen, en ook ik lichtte, als hij, de verhalende gedeelten Billings Dochter en De Roof van den Regendrank uit het laatstgenoemde Eddalied, en heb ze afzonderlijk behandeld.

Voor de wijze, waarop ik de Heldenzangen en meer in het bizonder de Siegfriedsage bewerkt heb, verwijs ik naar de verklaring, die ik er verder-op van geef.

Maar al is dit boek dan geen vertaling, het wil toch meer zijn dan een mededeeling van inhoud alleen, en zich nauwer aan het oorspronkelijke, als den neerslag van oud-noorschen geest verbinden, dan een vrije omwerking doorgaans doet. Die geest was ingegroeid in de mysteries der Natuur, en toch, stond er zoo vragend tegenover. Wat was het windewaaien in de wouden, de strijd van rijp en ijs en het flakkerende vuur, het sterven van de zon en het weer òpleven der eeuwig-jonge lente,--de geheimenissen van ondergang en altijd hernieuwden wederkeer,--de drakenwolken, die als wolven de zon en de maan verslinden, het dondergedaver over de bergen, die als reuzen zijn? De oud-noorsche geest was de geest van natuurkinderen en helden en wijzen tegelijk. Kon het anders in de koude landen van bergen en ijs en zee, die vol gevaren waren, welke overwonnen moesten worden om te kunnen leven, die vol grilligheden waren en mysteries, waarover te droomen was in de lange nachten bij den schijn van het vlammende Noorderlicht? Die geest moest worden bewaard--ook daar, waar hij zich in de meest bloederige wraakneming uitleven ging, en ik streefde er naar, zooals ik ook trachtte de soms zoo harde taal te benaderen en het stafrijm gebruikte, waar het zich aanbood.

Wat de namen betreft, die in de Edda voorkomen: bijna allen duiden een karaktereigenschap, wezenlijk kenmerk of bizonderheid aan van personen of plaatsen of zaken, die er mede worden genoemd. Ik trachtte ze zooveel mogelijk in nederlandsch weer te geven, waarbij ik op de woordelijke of wezenlijke beteekenis lette. Sommige echter, die door hun grootere bekendheid meer de bizonderheid van namen verkregen, en tegelijk de aanduiding der kenmerkelijkheid meer verloren hebben, liet ik onveranderd, of koos er den naam voor, die in onze germaansche streken bekend was. De Oppergod, dien de oude Noorschen Odinn noemden, heette hier Wodan; de naam Freyer bleef onveranderd. Waar ik echter Wodan niet b.v. de Waaiende noemde, en Freyer niet Heer, heb ik Vafthrudnir, Svipdagr, Geirrodh, enz. die al te onbekend of al te noorsch zouden klinken en onbegrijpelijk zouden zijn, Stormsterk, Dagdrager, Roodspeer, enz. genoemd. Andere weer zette ik in bijvoegelijke naamwoorden om en nam ze in een beschrijving op, opdat een min of meer lange lijst van namen, die niet wezenlijk tot den inhoud of tot het verhaal behoort, zou vermeden worden. Zoo geschiedde in het lied van Vermomde en Roodspeer, waar Vermomde ongeveer veertig namen noemt van stroomen, die uit de bron aan Schrikesch ontspringen; en met de namen der paarden, waarop de goden ter vergadering rijden, en waarvan er tien staan genoemd; en bij de slangen, die Schrikesch' voet omslingeren, en bij de Walkuren, die in Walhalla mede bieden aan de helden.

De godenleer der oude, uit Aziatischen stam gesproten, Germanen duidt velerlei verwantschap aan met de mythologie der volkeren van helleenschen grond. De alleroudste herinneringen waren dan ook gelijk,--nog afgezien van de gelijkheid in alle menschenwezen. Men zette, als voorbeeld, Prometheus, die aan de rots geklonken is maar wiens bevrijding de ondergang zal zijn van Zeus, eens naast den noorschen Loki-Veenrookwolf, die aan stevige banden ligt, maar op den dag der godenschemering zijn boeien zal verbreken om Wodan te verslinden;--vergelijke den verlamden Hephaistos met Weland, den smid, wiens kniepezen doorgesneden zijn. Maar de Germanenstam, die door Rusland naar het hooge Noorden ging en ten slotte IJsland bewoonde, bleef op zijn langen weg, en later in zijn nieuwe land, niet zonder invloed van de volkeren die hem omringden, en van het koude, ruwe klimaat. Van hun wereldbeschouwing en godenopvatting is de Edda de laatste--ook de eenige?--poëtische neerslag. Maar tevens is zij de voornaamste bron voor de kennis van de godenleer der Germanen, die woonden ten Zuiden van de zee. Wat in het Noorden Odinn was, was Wodan hier,--en de naam beteekent hetzelfde,--hun Thor was onze Thonarr. De hamer van den dondergod op het huis bleef in het midden en het Oosten van ons land tot zelfs in dèze tijden een weermiddel tegen den bliksem,--een hoefijzer van Wodans paard voorspelt ook hier geluk,--en op de Veluwe en in Drenthe, waar de grond van Germaansche graven en Germaansche woonplaatsen vol is, heerscht nog menig gebruik, dat de gewoonten en godsdienstplechtigheden onzer voorvaderen--althans aanduidend--bewaart.

De aandacht voor de Godenliederen en Heldensagen der oude Germanen is tot nu toe echter--wat Nederland betreft--vrijwel omsloten gebleven binnen de collegezalen der germanistische universiteitsprofessoren. En wat er, in een kring daarbuiten, die toch altijd nog beperkt bleef, werd bekend, kwam op de muziek van Wagner's "Ring des Nibelungen" hier heen. In Duitschland is dat anders: daar is op de scholen het Nibelungenlied, waarin de oude sage der Nevelingen een nieuwen vorm vond en tot groot nationaal ridderepos werd, gemeen goed van het volk, leesstof op scholen; en de wensch van Schiller, dat het tragische vergaan van het aan goden verwante geslacht een dramatische vervorming mocht beleven, heeft meer dan een te vervullen getracht.

Toch waren,--'t is reeds gezegd--de Noorsche goden ons niet vreemd, want zij waren onze eigen goden, en de middeleeuwsche Nibelungendichter deed zijn lied in Nederland geboren worden: Siegfried,--onze Zegevrijt....

Behalve de bewondering voor de poëzie der oude Nooren bracht de liefde voor een geestesleven, dat ook in onze landen eenmaal welig was, mij er toe de Edda-liederen in het Nederlandsch te bewerken. Wat tien eeuwen aan verandering brachten aan de mentaliteit van ons wezen weerhield mij van een vertaling.

_De Godenliederen_ volgen elkander in de volgorde der groepen van Lente-, Zomer-, en Herfst- en Winterzangen.

De aarde bevindt zich in de macht van den winter als de zonnegod haar ziet. Hij tracht zich met haar te vereenigen, en de bruiloft van zon en aarde is de lente in Bloesemenland. In den winter was er geen onweer: de dondergod was zijn hamer kwijt, maar na lentebegin haalt hij hem terug. Dan komt de zomer met menigvuldige onweders, maar ook met de warmte van de zon, die het graan doet rijpen. Als de zon haar hoogsten stand heeft bereikt, nadert de tijd van den herfst: de tijd van godenondergang. Maar de herleving mag worden verwacht, als in de nieuwe lente de zon opnieuw de aarde zal verwerven. Dat is het mysterie van eeuwige jeugd en wederkeer. Fluisterde Wodan dit geheimzinnige woord in Balder's oor,--was dit het woord, dat winterreus Stormsterk niet kende?

Ondergang en opstanding is de oude, eeuwig-jonge wijsheid, te gelijk het mysterie van het bestaan. En dit mysterie ging van de godenliederen over in de helden-sagen, waaraan het opkomen en vergaan van geslachten ten grondslag ligt. De Welsingen, met Siegfried als heldenkind, stammen van Wodan, en de gunst van den hoogen God ging met Siegfried op de Nevelingen over. Maar Nevelingen vergaan, en als de laatste afstammelingen van het geslacht door Gothenhanden vallen, staat Wodan aan de zijde van de nieuwe menschheid, die meer aan de geschiedenis, dan aan de sage behoort. Wodan was de God, en Siegfried het godenkind der sage. En als het razende Noodlot Siegfried en Goedroen en alle verwanten van beiden heeft gedood, verrijst het historische geslacht der Gothen. In de laatste fragmenten der eddaïsche heldenzangen wordt Diederik van Bern genoemd: "Diederik en Goedroen klaagden elkander hun rampspoed." Zoo loopt er als het ware een lijn van de Godenmythen door de heldensagen naar de geschiedenis: de idee van ondergang en wederkeer.

_De zending van Skirnir_, den zonnegezant, moge het eerste der lenteliederen zijn. Gerda, de Aarde, bevindt zich in de macht van de winterreuzen, door Wodan als wintergod en de beide doodshonden bewaakt. In het volgende lied is haar verblijf door een omgording van ijs en door den vlammengloed der morgenvuren als van een doodenbrandstapel omgeven.

Freyer, de jonge lentezonnegod, zag en beminde haar en hij zond zijn bode om haar voor zich te verwerven. Gerda-Aarde erkent de macht van de zonnewarmte en de heerlijkheden, welke de liefde van Freyer haar geven zal na al de jammerlijkheden van winterwee, en de bruiloft wordt in Bloesemenland gevierd.

In het lied van _Dagdrager en Goudvreugde_ gaat Freyer zelf uit om het aarde-meisje voor zich te werven. Goudvreugde is Freya, als godin van de aarde, die zich in het gouden graan verheugt. Zij is voorgesteld als de dochter van Slaapdoorn, d. i. van den winter. Zooals de slaapdoorn-treftwijg (zie het motief in de teekening) des avonds alle wezens steekt, "opdat ze rusten zouden", zoo steekt in den nacht van het jaar de winter de aarde in slaap. De sluimerende winteraarde is de dochter van Slaapdoorn, en hij voert macht over haar,--zooals Gerda de dochter was van Gymir, d. i. van de winterzee, waaruit de aarde ontsproot, en in gevangenschap leefde.

Ook hier houdt Wodan-Wintergod als wachter den lichten Freyer tegen, en hun strijd--de strijd tusschen lente en winter--is, op echt noorsche wijze, voorgesteld als een vragen- en antwoordenspel. Daar komt ter sprake, wat de lente van den winter: Dagdrager van Goudvreugde, scheidt: de ijsomgording, Wodan's wakende doodswolven en de wintervuren van den noordelijken hemel.--Weerhaan, die boven op den wereldboom zit, is de zon. Zijn gouden veder, de zonnestraal, moet eens in de aarde zijn weggezonken vóór Sinmara, de aardevrouw, de treftwijg geeft die de aarde in slaap gestoken houdt, en waarmede Weerhaan gedood kan worden, zooals Balder gedood wordt door den misteltak, die in den winter groeit. De vleugels van den gedooden Weerhaan is een kost, waardoor de honden, die Goudvreugde bewaken, hun wacht vergeten. Wie Goudvreugde bevrijden en voor zich verkrijgen wil moet de vleugels van Weerhaan aan de honden geven,--wie Weerhaan dooden wil moet treftwijg hebben,--wie de treftwijg wil verkrijgen moet Weerhaan's zongouden veder aan Sinmara geven, of met andere woorden: wie Weerhaan dooden wil--moet Weerhaan dooden! Gaf hier de oude dichter op wonderlijke wijze aan hoe zwaar de strijd is tusschen lentezon en winteraarde,--of bedroog zijn lust tot vertoon van mythologische kennis zijn wijsheid?

Freyer, de zon, is de heer van de warmte en het nieuw-ontluikende leven, hij is de meester van de koesterende zonnestralen, hij is lentedrager, Dagdrager. Voor hem is de aarde bestemd en Goudvreugde verwachtte hem sinds lang.

Het Freyermotief, met den naam van den zonnegod in runen (germaansche letterteekens) er boven, is de zonne-ever met de gouden borstels op den rug.

_Hoe Thonarr zijn hamer terugkreeg_, is het lied van den eersten donder. De dondergod was zijn hamer kwijt, en Thrym, (d. i. die veel geraas maakt), de vorst van de Dorstigen,--de winterreus hield dien hamer onder de harde winteraarde verborgen. Dat wist Loge te vertellen, de slimme god van het vuur, die in Freya's wolkige vederenkleed vooruit was gevlogen naar Reuzenland: zoo gaat het schemerige weerlichten in de samengepakte wolken aan den komenden donder vooraf. Thonarr verkleedt zich als Freya, de lichte godin, en gaat naar Thrym, den reus. Loge, de listige, vergezelt hem. Bij het bruidsmaal, dat de reus hun aanbiedt, eet Thonarr twee ossen, en drinkt hij drie emmers mede leeg,--gulzig, zooals de wolken van een zich samenpakkend onweer alle dampen van de aarde opslurpen. Dan breekt het onweer los: Thonarr is weer in het bezit van den hamer.--De Noorsche humor durfde met den populairen dondergod, die de beschermer van de menschen, want groote vijand van de reuzen, van de brutale krachten in de natuur is, wel eens lachen.

Het Thonarr-motief is de hamer, Mjölnir, waarmede de dondergod op de reuzen beukt, van den rondslingerenden bliksem omgeven en Thonarr's naam staat er boven. Het reuzenmotief: de gapende muil, waar de tanden in staan als rotsen om een afgrond. De reuzen zijn de woeste elementen, de tot ontzaggelijke menschwezens gemaakte vormen van het berggevaarte. Zij heetten in het oud-noorsch: Jotnar d. i. eters, Vraten, Thursen, Dorstigen.

Het motief van Loge: de opflikkerende vlam, waarboven in runen de naam: Loge.

In _Dwerg Weetal wil vrijen_ is Thonarr de goede god van de landbouw, de weldoener van de boeren. In den winter, toen hij op reis was--'s winters als er geen onweer is, was Thonarr altijd in het Oosten de reuzen aan 't bevechten--had een van de dwergen, die onder de aarde wonen (Innewoonds zonen, zie Vermomde en Roodspeer) macht gekregen over het zaad, dat de dochter van Thonarr is. De hard bevroren bodem hield alle groeikracht gevangen. Zoodra Thonarr terugkwam ging de dwerg tot hem, meenende, dat hij de bruid wel van den vader krijgen zou. 't Was tegen het aanbreken van den dag, 't was in de lente, de morgen van zomertij. De oolijke god hield den dwerg aan den praat, tot de zon over de heuvelen scheen, en de zon doet de dwergen versteenen, zoodra ze op hen schijnt. Zoo verdwijnen de spookgestalten voor het licht, zoo verliest de winter zijn beangstigende macht over het leven.

De sluw-kijkende oogen en de lange neus, die als een smeedhamer op het aanbeeld tikt, daar boven de schitterende edelsteen werden tot een motief van het geslepen, in smeedkunst ervarene onderaardsche dwergenvolk vereenigd,--het geheel den indruk gevend van den nachtuil.

_De roof van den regendrank_ een lied van den verfrisschenden lenteregen, en van dichterweelde tevens. De reuzen hadden dien drank gestolen en onder de aarde verborgen, en zij plaatsten er Gunnlödh (d. i. die ten strijde draagt, Strijdvreugde) bij als wachteres. Wodan kroop door het gat, dat hij een slang liet knagen, kwam bij Strijdvreugde en bleef drie nachten bij haar. Strijdvreugde liet hem drie teugen drinken van den drank, die in drie ketels werd bewaard, en in iedere teug dronk Wodan een ketel leeg. Hij werd licht als een vogel, zoodra hij den drank gedronken had, waar alle wijsheid en alle dichterkracht in ligt, en hij vloog terug naar Walhalla, als een regenwolk op den wind.

Daar gaf hij den drank weer van zich weg en verheugde de goden, zooals de lenteregen de aarde verfrischt,--zooals dichterschap blijheid brengt in het leven.

In _Godentwist_ vinden wij een wel wat plat en boersch gehouden--lied van den strijd tusschen de zon en het opkomende onweer. Wodan, de éénoogige, is zonnegod, hij draagt den hemelsch-blauwen mantel, maar zijn lange grauwe baard waait erover heen, zooals een wolk waait over het winderige water. Tegenover Thonarr, die verhaalt van zijn krijgsverrichtingen tegen de reuzen en van de weldaden, die hij aan de menschen doet, beroemt Wodan zich op zijn gestoei met vrouwen en meisjes en hoont den dondergod schamper. Nadat hij lang is opgehouden en tevergeefs, vragend en dreigend, trachtte over het water te komen, trekt Thonarr af. Zoo moet ook het onweer, na uitgeraasd te zijn, in een andere richting aftrekken, en is de zon weer meester aan den hemel.

Het Wodan-motief: speerspits, ravenvleugels en oog; Wodan's naam in germaansche runen erboven;--de zwaan als motief van de Walkuren.

Wodans spot over den angst van Thonarr, toen deze zich in een handschoen verborg, doelt op de volgende gebeurtenis: Thonarr kwam, gedurende een reis door Reuzenland, op zekeren avond aan een groote woning, waarvan de ingang zoo breed was als het geheele huis. De Dondergod nam er intrek met zijn dienaar, en toen bij nacht een hevige aardbeving ontstond, verborg hij zich in een zijvertrek, dat zeer ruim was, maar minder groot dan de uitgestrekte zaal. Zoodra het dag was geworden begaf Thonarr zich naar buiten, en zag daar een man slapen, die zoo groot was als het gebergte en wiens snurken de aardbeving veroorzaakt had. Thonarr nam zijn hamer om den man te dooden, doch deze ontwaakte en Thonarr stond voor de eerste maal in zijn leven ontsteld van schrik. De man nam zijn handschoen van den grond; en nu zag Thonarr, dat deze de woning was, waarin hij gedurende den nacht verblijf had gehouden.

Het was Loge, die bij Thonarr's vrouw Sippia "op bezoek" was, en door haar verborgen werd gehouden: zoo wordt gedurende den winter, als er geen onweders zijn, de warmte verborgen gehouden in de aarde, en brandt het vuur in den huiselijken haard. Zie ook Loges verwijt aan Sippia op het Feest bij Egir.

Verhevener, en van grooter dramatische kracht is de onweersmythe in het lied van _Vermomde en Roodspeer_. Wodan, de door wolken bedekte zon, is als Vermomde in het land gekomen waar Roodspeer, de bliksem, koning is. Wodan is Doodengod, heer van de doodshemden, en daarom durven de honden niet tegen Vermomde blaffen. Maar Roodspeer nam hem gevangen en plaatste hem tusschen wolken, die van bliksemvuur doortrokken waren. Tevergeefs smeekte Vermomde, dat de vuren van hem weggenomen mochten worden: Roodspeer wil het niet. Meer en meer openbaart Vermomde zich in zijn beleeringen, zooals de zon achter de donderwolken zich tracht door te breken tot een nieuw uitzicht op aarde. Vermomde verhaalt van de wonderen der wordende wereld, maar de wijsheid, die hij toont door dat alles te weten, doet hem aan Roodspeer niet kennen als de wijze God. Dan spreekt Vermomde van den wereldboom, van het geheimnisvolle werken des tijdeloozen Levens, van de goden, wier dagelijksche doen hij kent, van de paarden, waarop zij ter vergadering rijden aan Schrikesch' stam. Maar voor Roodspeer blijft Wodan Vermomde. Al meer openbaart Vermomde de geheimen van Godenland, zijn eigen land, beschrijft de burchten van de Asen, die hem allen bekend zijn,--doch Roodspeer herkent den Oppergod niet. Zelfs de zaal van Walhalla, Wodans zaal, zijn honden die hem altijd begeleiden, de raven, die hem op den schouder zitten of uitvliegen om te zien en hem te melden wat ergens ter wereld gebeurt, de helden-meisjes die er mede bieden, alles kent Vermomde als een, die het van nabij heeft gezien, maar de heilige openbaring dringt niet tot Roodspeer door. Zelfs de bekentenis van Vermomde, dat de Walhalla-meisjes ook hèm den beker bieden, gaat Roodspeers hoofd voorbij. Dan noemt Vermomde zijn namen: het zijn de namen van Wodan,--doch slechts zijn woorden: "Vermomde was ik bij Roodspeer, nu ben ik Wodan geworden" slaan Roodspeer den schrik in het hart. Roodspeer staat op om Wodan van de vuren te bevrijden, maar het is te laat. Hij heeft de gunst van de goden verloren, is dronken van schrik, struikelt en doodt zich in zijn eigen zwaard: dat is de laatste bliksemstraal van het onweer. Agnar volgt Roodspeer op in de landen waar deze koning was. Agnar, die eens den regen had gegeven als een verfrisschenden drank, is hier nevengestalte van Wodan, zon. Aan hem geeft Wodan de heerschappij voor zeer langen tijd.

Die lange tijd is de zomer, waarin de zon en de warmte heersenen. Reeds roept Wodan de goden op om het oogstfeest te gaan vieren.

_Egir_ is de god van de zomerzee, maar Hymir, (Gymir) de winterzeegod, regeert nog over het water: Egirs ketel is in Hymirs macht. Beiden, Egir en Hymir, zijn dezelfde reuzengod, lager in rang dan de Asen, en voorgesteld als twee personen. Hymir, de winterzeegod, is de zoon van de vrouw met negenhonderd hoofden--het gebergte dat de zee omgeeft,--voor zijn blik breken de zuilen en doet de ketels naar beneden vallen, zooals de winterzee met storm en kou en ijs de klippen vergruizelt. Als Hymir terugkomt van de jacht is zijn baard bevroren, en hij stapt zoo zwaar, dat de aarde ervan beeft. Om het oogstfeest te kunnen vieren bij Egir gaat Thonarr diens ketel halen: eerst moet de macht van den zomer volkomen heerschen, de ketel moet in het bezit van den zomerzeegod zijn, vóór dat het graan is gerijpt en de oogst kan binnengehaald worden.