# De Edda

## Part 1

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-edda-12822/index.md

De Edda

Nederlandsche bewerking van

Frans Berding

MCMXI

Inhoudsopgave

Godenliederen De Zending van Skirnir Hoe Dagdrager Goudvreugde verwierf Hoe Thonarr zijn hamer terug kreeg Dwerg Weetal wil vrijen De Roof van den Regendrank Godentwist Vermomde en Roodspeer Hymirs Ketel Het Feest bij Egir Wodan bij de Waarzegster Het Vóórspellied Billings Dochter Wodan bij Stormsterk De Wereldzang der Wichelares Een Lied voor Herleving Wodans Runenlied Hoe de Standen ontstonden Heldensagen De Welandsage Helgi, Zwaardwachts zoon Helgi, die Honding doodde De Siegfriedsage Goedroen Ortroens klacht De Zang bij den molen Werklaring van Werk en Inhoud

GODENLIEDEREN

De Zending van Skirnir

Freyer, de zoon van Njord, zat in zijn hooggelegen lichtpaleis, en zag over alle werelden heen. Hij zag neer op Vratenland, waar de ruige reuzen van den winter wonen, en zag er een mooi meisje, dat juist uit het huis van haar vader naar het verblijf van de vrouwen ging. Toen werd hij plotseling zeer ziek in zijn ziel.

Skirnir, de drager van het licht, was Freyer's trouwe dienaar. Hem vroeg Njord, dat hij met Freyer spreken zou. Toen zeide Skadi, de vrouw van Njord:

--"Skirnir, ga heen, en tracht van onzen zoon te hooren wat hem hindert, vraag hem waarom hij zoo stom en zoo star staart."

Toen ging Skirnir naar Freyer. Hij wilde van hem weten, waarom hij alle de dagen zoo eenzaam zat in de lange zaal van zijn zonnezilveren huis.

En Freyer vertelde hem het niet te lenigen leed van zijn hart:

--"Wel straalt het alfenrad licht door de donkere dagen, maar het lange verlangen van mijn liefde laat het leeg. In het verblijf van den winterreus Gymir heb ik een meisje gezien:--haar blanke armen gaven een glans aan golven en wolken als van schitterende sneeuw. Meer dan ooit een man een meisje beminde heb ik haar lief. Maar geen van de geesten gunt ons bij elkander te komen."

Toen stormde Skirnir op Freyers rennende ros, en met zijn stralende zwaard gewapend, door den rossigen nevel van den eindigenden nacht. Hij stormde naar het land van de reuzen en kwam voor Gymirs verblijf. Daar waren woedende honden gebonden voor de opening van het houten hek, dat Gerda's zaal omgaf. Skirnir reed naar den heuvel, waar de wachter zat, die alle wegen bewaakte en op de honden paste. Hij vroeg hem, of hij bij Gerda binnenkomen kon,--maar de wachter weerde hem af. Gerda echter, die door Skirnirs razenden ren, waar de aarde en alle gebouwen van beefden, en door de stemmen der twistenden in haar rust was gestoord, liet Skirnir bij zich komen en bood hem een gastvrijen dronk.

Elf gouden appels wilde Skirnir haar geven, en den negenvoudigen, gouden ring, dien Wodan op den brandstapel van Balder wierp, als zij Freyer meer dan alle mannen wilde beminnen. Met de scherpe snede van zijn zonnestraal-zwaard zou hij haar het hoofd afhouwen, wanneer ze niet gewillig was. Maar Gerda wilde de elf gouden appels voor de liefde van een man niet nemen, en in den grond van Gymir had zij goud genoeg. Voor Skirnirs bedreiging beefde zij niet.

Toen zeide haar Skirnir:

--"Zet u neder, en hoor wat jammer en smarten en winterwee ik zal noemen. De woede van Wodan zal u omvatten en hevig zal de haat van Freyer zijn. Met den tooverdoorn zal ik u treffen, die groeide in het wilde woud: gij zult verstard zijn en verstijfd, en geen oog zal u aanschouwen. Met driekoppige draken zult gij samenleven, altijd gedrukt onder de droefheid zijn. Verdor als de distel in de woning van de winterreuzen,--vreugde zij u vreemd.

Hoort het, Vraten, gij winterreuzen, hoort, zonen van Zwelger, gezellen van goden, hoort hoe ik gemeenschap met mannen en ieder beminnen van dit meisje verban. IJsgrim, den reus, zal ze volgen als vrouw naar de poort van de dooden. Drie runen sneed ik in drie berketakken; onmacht, woede en ongeduld;--zooals ik ze insneed, snijd ik ze af, wanneer het mij goeddunkt."

Luide riep toen Gerda:

--"Heil u, zoon van helden. Neem den ijskelk die van liefdedrank vol is. Nooit dacht ik te dulden, dat een van de Wanen mij werven kwam. Bloesemenland, dat wij beiden kennen, is een windstil woud: daar zal na negen nachten Gerda vol vreugde de vrouw zijn van Freyer."

Toen reed Skirnir heen. Buiten voor zijn woning stond wachtend de zoon van Njord, en van verre riep hij Skirnir al aan, vol ongeduld om de tijding te weten:

--"Skirnir, hoor, Skirnir. Neem niet het zadel eerst van het paard af,--wat hebt gij bereikt in het land van de reuzen met wat wij beraamden?"

Hem antwoordde Skirnir:

--"Bloesemenland, dat wij beiden kennen, is een windstil woud: daar zal na negen nachten Gerda vol vreugde de vrouw zijn van Freyer."

Toen zeide Freyer:

--"Lang is de nacht, lang zijn twee nachten, dringend de drang naar den derde. Zoo dikwijls dacht ik een maand nog minder lang dan, wachtend, verlangend, een halve nacht is."

Hoe Dagdrager Goudvreugde verwierf

Wodan, de Veelwijze, zat als wachter voor den lichtburcht in het hooge Noorden, waar Goudvreugde de gevangene van den winter was.

Een hoog en stevig gestapelde omgording van ijs, die Dondergeschal heet, staat rondom den burcht,--een vlammende gloed van doodsvuren, door Wodan uit de ledematen van den Ruischreus gebrand, laait er rondom. Ze zijn sterk genoeg om stand te houden zoo lang de wereld staat. En om beurten houden Gierig en Gulzig, de wilde honden, de wacht tot de goden vergaan zijn.

Eens had een vreemdeling den brandgloed doorbroken en naderde den burcht, waar bedelaars niet lang blijven kunnen. Maar deze liet zich door Wodan niet weren. Want zijn oogen hadden iets schoons gezien, en zoet scheen het hem toe te mogen toeven in de gouden zaal.

Koeltewind noemde hij zich, toen de wachter zijn naam vroeg: Lentekoud en Strengkoud waren zijn voorvaderen. Hij wenschte wel te kunnen binnengaan in de zaal, waar het mooie meisje Goudvreugde woonde, die de dochter was van Slaapdoorn's zoon. En hij vroeg aan den wachter of er geen kost was voor de nimmer slapende honden, waardoor ze, vretend, vergaten hun wacht.

Veelwijze sprak toen:

--"Op Mimirs hoogen boom, die een dak van wolkig loof breidt over heel de wereld, woont Weerhaan in schitterenden schijn. Beide zijn wieken als gebraden bouten zouden een kost zijn, waardoor de honden, vretend, vergaten hun wacht."

Toen vroeg hem Koeltewind of er geen wapen was, waarmede hij Weerhaan naar het land van Hel kon zenden.

Veelwijze antwoordde:

--"Treftwijg is het wapen, dat Weerhaan kan dooden. Bij Sinmara diep onder de harde aarde ligt het gesloten achter een negenvoudig slot."

Koeltewind wilde nu weten, of wie er heen ging om die roede te rooven, ontkomen kon;--en welke gave Sinmara vroeg als geschenk.

--"Wel kan ontkomen," kreeg hij ten antwoord, "wie erheen gaat om de roede te rooven, als hij de leemgele Aardevrouw geeft wat weinige winnen. In Weerhaans vleugel is een zon-gouden veder. Wie haar die meebrengt als een geschenk, wil zij het wapen zeker geven."

Vol verlangen keek Koeltewind naar Goudvreugdes slot: aan alle zijden was het van vloeiende vlammen omslingerd.

--"Veelwijze," vroeg hij, "noem mij den naam van het slot, dat van vlammen is omslingerd."

--"Vuur," sprak Veelwijze, "is de naam: het zweeft op de stralen als de schitterende spits op een speer: van het heerlijke huis kan men op aarde slechts hooren: verblindend blinkt het voor het oog."

Toen wilde Koeltewind nog meer weten: hoe de berg heet, door de bruid bewoond,--en de namen van de dienende maagden,--en of ze hulpe bieden aan wien er om bidt.

Veelwijze verhaalde:

--"Wie den Kuifberg beklimt en goed den winter doorworstelt, wordt genezen van allen nood. Schutse en Schild en Volkenbeschermster noemt men de maagden, Zachte en Goede, Zilveren en Glans. Wie in den zomer op gewijde plaatsen bede-offers aan haar brengt,--geen ramp is zoo verschrikkelijk of zij zullen hem er van bevrijden."

Koeltewind zag weer verlangend naar Goudvreugdes woning en vroeg weer:

--"Veelwijze, wil mij nog zeggen: is er een man, die aan Goudvreugdes blanken boezem mag rusten?"

En dit was het antwoord:

--"Geen man mag aan Goudvreugdes blanken boezem rusten als Dagdrager alleen: lang reeds verbeidt zij haar bruidegom.

Toen sprak de vreemdeling:

--"Rukt open de deuren,--wijd open de poort! Dagdrager is gekomen. Ga, ik wil weten of Goudvreugde verlangende is naar mijn liefde."

Veelwijze ging naar binnen en zeide:

--"Goudvreugde, een man is gekomen, zie zelf den gast. De honden likken zijn handen, wagenwijd open vloog de poort. Mij dunkt dat Dagdrager er is."

Goudvreugde stond op en zeide:

--"Aan de galg zullen gulzige gieren uitpikken beide uw oogen, als ge het liegt, dat de lang verwachte mijn zaal bezoekt."

Toen ging zij naar buiten en vroeg aan den vreemde:

--"Vanwaar zijt ge gekomen? Langs welken weg? Hoe noemt men u bij de uwen? Uw naam en uw afkomst zullen mij zeggen, of voor u ik bestemd ben als bruid."

Ten antwoord sprak de vreemde:

--"Dagdrager ben ik. Langs windkoude wegen kwam Zonneberts zoon. Der Norne beschikking kan ook met listen niemand ontloopen."

Goudvreugde weende: "Heil, mijn liefde, wees welkom, ik kus u ten groet. Vervulling vond mijn verlangen. Zoolang al zat ik op den lichten berg, dag na dag, kwijnend van kommer, waar de bruidegom bleef. Nu zijt gij bij mij, kwaamt in mijn woning, o, leven van liefde, onverwacht weerzien, gouden geluk."

En Dagdrager lachend:

--"Mij martelde zoo lang het verlangen naar uw liefde als u martelde het verlangen naar mij. Nu is het beslist; wij zullen eeuwig te zamen blijven."

Hoe Thonarr zijn hamer terug kreeg

Thonarr, den Dondergod, doorvlamde de toorn, toen hij uit zijn winterslaap ontwaakte en zijn hamer niet vond. Woedend schudde hij zijn woeste haren en waaienden baard, en hij ging aan het zoeken.

Toen was zijn allereerste woord:

--"Loge, luister, u alleen wil ik het zeggen; op aarde en in den hemel mag niemand het hooren: mijn hamer is weg."

Naar Freya's woning gingen zij samen. Daar was zijn allereerste woord:

--"Freya, zoudt gij mij uw vederenkleed kunnen leenen,--dan ga ik mijn hamer halen."

Freya antwoordde:

--"Dat wil ik u heel graag geven, al was het van goud,--ik zou het u leenen, al was het van zilver."

Loge vloog heen, het vederenkleed ruischte, hij vloog onvermoeid van Asengaarde tot hij in het Rijk van de Reuzen kwam.

Daar zat op een heuvel Thrym, die de vorst van de Dorstigen is. Honden hield hij aan gouden halsbanden, die blonken als de lichte randen om de wolken, en van zijn merries streek hij de manen glad, die fladderden als grauwe nevelflarden in den wind.

Toen hij Loge zag, vroeg hij hem, hoe het met de Asen en met de Alfen ging, en waarom hij zoo alleen naar Reuzenland kwam. Loge antwoordde, dat het den Asen slecht ging en den Alfen ook, en dat hij gekomen was om te vragen, of Thrym het wapen verborgen had van den God, die bliksems slingert.

Daarop zeide Thrym:

--"Goed verborgen houd ik het wapen van den God, die bliksems slingert, zoo diep onder de aarde als in den tijd gemeten acht maanden van den winter zijn. En niemand zal het mij daar ontnemen, tenzij Freya mij gebracht werd als bruid."

Loge vloog heen, het vederenkleed ruischte, hij vloog onvermoeid van het Rijk der Reuzen tot hij in Asengaarde kwam.

Daar stond Thonarr in den voorhof, en toen hij hem komen zag, was zijn allereerste woord:

--"Zeg, Loge, volbracht gij uw taak even voorspoedig als uw tocht? Vertel mij alles van verre: wie zit verzuimt soms iets te zeggen, en leugens verzint men als men ligt."

En Loge verhaalde, dat hij zijn taak even voorspoedig volbracht had als zijn tocht: dat Thrym, der Dorstigen vorst, den hamer had, maar dat niemand hem dien zou ontnemen, tenzij Freya hem gebracht werd als bruid.

Weer gingen zij samen naar Freya's woning. Daar was zijn allereerste woord:

--"Bruidslinnen, o Freya, zult gij om de leden u hangen: samen reizen wij dan naar het land van de Reuzen."

Maar Freya werd zoo woedend, dat onder haar toorn de burcht der Goden stond te beven, en dat haar halssieraad van gevlochten goud in stukken vloog.

En ze sprak:

--"Gek wel moest ik zijn op mannen, als ik meeging naar het Rijk der Reuzen."

Nu gingen de Goden en Godinnen allen te zamen in beraad, hoe men den Dondergod toch weer aan zijn hamer kon helpen. Het eerste sprak Helderwit, die de glanzendste van alle Goden is, en, wijs als een Wane, de toekomst kan zien. En hij zeide:

--"Bruidslinnen zullen wij Thonarr om de leden hangen, hem tooien met het halssieraad van gevlochten goud, en aan zijn zijde laten wij een ring met sleutels rinkelen. Vrouwekleeding omgolve zijn knie, zijn borst bedekken schitterende steenen en sierlijk zij hem het hoofd gekroond."

Thonarr sprak, de sterkste der goden:

--"Verwijfd zullen de goden mij vinden en uitlachen mijn lafheid, als bruidslinnen mij om de leden hangt." Maar Loge antwoordde hem, dat het nu de tijd niet was om zulke dingen te zeggen, en dat de reuzen Asgard ras bestormen zouden, als hij niet spoedig zijn hamer had.

De Goden hingen nu Thonarr bruidslinnen om de leden, tooiden hem met het halssieraad van gevlochten goud en lieten aan zijn zijde een ring met sleutels rinkelen. Vrouwekleeding omgolfde zijn knie, zijn borst bedekten schitterende steenen en sierlijk werd hem het hoofd gekroond.

Slimme Loge wilde als dienares met hem mee, en te zamen met hem naar Reuzenland reizen.

Vlug werden de bokken naar huis gehaald en voor den wagen gespannen, ijlings renden ze heen.

Rotsen spleten, vonken spatten op den weg, dien Wodans zoon naar Reuzenland nam.

Toen Thrym hem daar van verre zag aankomen, riep hij luide:

--"Reuzen staat op, en rangschikt de zetels: Freya brengt men mij tot vrouw. Drijft naar huis mij de koeien, die zwart zijn als wolken en wier hoornen lichten als goud: vele schatten bezit ik, alleen ontbrak mij nog Freya als bruid."

Het was nog vroeg in den avond, toen de gasten bijeen kwamen. Ook kwam er de oude wintergrauwe zuster van den Reus. Die bedelde een bruidsgeschenk:

--"Geef mij de graangouden ringen, die glinsteren aan uwe handen, als gij mijn liefde en gunsten verwerven wilt."

Veel schuimend bier werd er op het feest geschonken. Thonarr alleen at een os en acht zalmen, en alle koeken, die men klaar gezet had voor de vrouwen, en hij dronk drie emmers mede leeg, hij alleen.

Thrym vond dat vreemd, en hij zeide:

--"Nog nooit heb ik een bruid zoo gulzig gezien, en geen meisje ooit zooveel mede zien drinken."

Maar de sluwe dienares, die aan zijn zijde zat, antwoordde geslepen:

"Acht nachten lang gunde Freya zich geen eten: zóó hunkerde haar hart naar Reuzenland."

Thrym, die zijn bruid wilde kussen, lichtte nu verlangend haar sluier op. Bijna stoof hij van ontsteltenis de zaal uit en zeide:

--"Wat vreeselijk flikkeren Freya's oogen! Als bliksem brandt haar blik!"

Maar de sluwe dienares, die aan zijn zijde zat, antwoordde geslepen:

--"Acht nachten lang heeft Freya's oog geen slaap gesloten: zoo hunkerde haar hart naar Reuzenland!"

Toen stond Thrym op, der Dorstigen vorst, en sprak:

--"Brengt mij den hamer om de bruid te wijden, legt Mjölnir in den schoot van de maagd: dat een onverbreekbaar verbond ons verbinde."

Wat lachte van vreugde Thonarrs sterke hart, toen hij zijn bliksemhamer herkende!

Thrym trof hij het eerst, daarna versloeg hij gansch het geslacht der Reuzen, heel de bende beukte hij neer.

En ook de wintergrauwe Reuzenzuster, die om een bruidsgeschenk gebedeld had, werd door den moker vermorzeld: van Mjölnir kreeg ze mooie munten--graan-gouden ringen gaf haar de hamer.

Zoo kreeg Thonarr zijn hamer terug.

Dwerg Weetal wil vrijen

Toen Thonarr eens uitgereden was naar het Oosten en den zomer medegenomen had op zijn tocht, was zijn dochter, het vruchtbare zaad, alleen achtergebleven in de macht van de krachten, welke onder de aarde wonen, en een van de dwergen had zich met haar verloofd. De goden hadden dit goed gevonden, want geen van allen had zich om haar bekommerd, acht maanden lang.

Zoodra Thonarr terugkwam van zijn reis ging de dwerg naar diens woning om zijn bruid te halen. De banken in zijn steenige aardehuis had hij laten versieren met mos en jonge sprietjes, opdat er een aangename rustplaats voor zijn bruid zou zijn.

Thonarr echter zeide hem:

--"Wie ben je, bleeke kerel, heb je vannacht naast lijken gelegen? Mij dunkt, dat er iets van reuzenruwheid steekt in je ziel. Hoor eens, jij bent voor die bruid niet geboren."

Dat viel den dwerg lang niet mee. Hij had gedacht, dat niemand zich verzetten zou tegen wat de goden toch hadden goed gevonden, en nu stootte hij op de stugheid van den vader, die hem geen toestemming wilde geven,--en het meisje nog veel minder.

Hij zeide:

--"Weetal ben ik,--in het gesteente staat mijn huis,--door negen werelden ben ik gewandeld--wat verborgen was werd mij bekend,--kom, schenk mij uw sneeuwschoone dochter."

Toen sprak Thonarr:

--"Welnu, Weetal, ge kunt haar winnen, als ge mij zeggen zult wat uit iedere wereld ik wensch te weten."

Daarover was Weetal zeer verheugd. Vol vertrouwen op zijn sluwheid wreef hij zich de handen, ongeduldig verwachtend wat Thonarr wel vragen zou.

--"Zeg mij," sprak deze,--"o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen--met welken naam wordt in iedere wereld de aarde genoemd?"

Weetal antwoordde hem:

--"Aarde bij de menschen, bij Asen veld, weg noemen haar de Wanen. De Reuzen zeggen: immergroen, Alfen: begroeide, omlaag-wonende dwergen spreken van slijk."

Ten tweede vroeg Thonarr:

--"Zeg mij, Weetal,--o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen--met welken naam wordt in iedere wereld de hemel genoemd?"

En Weetal zeide:

--"Hemel bij menschen, bij goden beschutting, windwever zeggen de Wanen. Van hoogwereld spreken de Reuzen, van glinsterdak Alfen, dwergen van druip-zaal."

Toen vroeg hem weer Thonarr:

--"Zeg mij, Weetal--o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen--met welken naam wordt in iedere wereld de maan genoemd?"

En Weetal gaf ten antwoord:

--"Maan bij menschen, goedlicht bij goden, in Hel rollend rad, renner bij Reuzen, jaarmaat bij Alfen, wij, dwergen, zeggen maar: schijn."

Weetal was zeer tevreden over alle antwoorden, die hij gaf. Heimelijk verheugde hij zich, dat hij den sterken God zoo te pakken had, en reeds dacht hij diens dochter bij zich in het gesteente thuis.

Maar Thonarr was met zijn vragen nog niet klaar. Ook van de zon wilde hij weten, hoe ze genoemd werd in iedere wereld, van wolken en wind. En naar de namen van de zee en van het zaad en van het vuur vroeg hij den dwerg.

Toen hij hem al deze dingen had gevraagd, en Weetal op alles had geantwoord, vol ijver en vreugde, en verwaand op zijn wijsheid, keek Thonarr tersluiks naar het Oosten, toen weer naar den dwerg.

In het Oosten was het nog donker--en Weetals gezicht grijnsde van genot.

Toen ging Thonarr weer verder met vragen:

--"Zeg mij, Weetal--o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen,--met welken naam wordt in iedere wereld de luwte genoemd?"

En Weetal antwoordde:

--"Luwte bij menschen, bij goden rust, windstilte noemen haar Wanen, zoelte de Reuzen, de Alfen sluimer, dwergen: kalme-dag."

Toen Thonarr weer:

--"Zeg mij, Weetal,--o, ik twijfel niet, of ge zult het mij zeggen--met welken naam wordt in iedere wereld de nacht genoemd."

En Weetal:

--"Bij menschen nacht en nevel bij goden, masker bij wijze Wanen, lichtloos noemen de Reuzen hem, slaaplust de Alfen, wij, dwergen: wever van droomen."

Thonarr keek weer naar het Oosten, waar nu een lage lichtstreep lag. En glunder gluurde de dwerg of zijn bruid niet gebracht werd.

Nogmaals vroeg Thonarr:

--"Zeg mij, Weetal,--o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen--met welken naam wordt in iedere wereld het woud genoemd?"

--"Woud bij de menschen, manen des velds bij de goden, Hel noemt het heuvelriet, Reuzen noemen het brandstof, hout heet het bij Wanen, en Alfen spreken van siertuin."

Weer keek Thonarr naar het Oosten--er kwam al blanke glans--en de bleeke dwerg wachtte op verdere vragen.

Toen sprak Thonarr:

--"Zeg mij nu nog,--o, ik twijfel niet of ook dat zult gij mij zeggen--met welken naam wordt in iedere wereld het bier genoemd?"

--"Bier," sprak Weetal, "zeggen de menschen, brouwsel de goden, Wanen: roes. Reuzen noemen het klaarnat, de Dorstigen: dronk, in Hella noemt men het mede."

Toen schoot over den heuvel ten Oosten de eerste zonnestraal, die dwergen versteenen doet.

En Thonarr lachte, lachte, dat zijn baard er van beefde:--"Wondere wijsheid heeft je mond mij verkondigd,--meer kennis ontmoette ik nooit. Domme dwerg, dien mijn list misleidde, kijk, daar straalt de zon, verstard stuk steen."

De Roof van den Regendrank

Wodan was eens uit Walhalla weggegaan om den verjongenden drank van den lenteregen weer terug te halen, dien de Reuzen hem ontstolen hadden en in den harden winterbodem hielden verborgen.

Lang reeds hadden de goden uitgekeken, of Wodan nog niet wederkeerde, tot eindelijk een vogel hun heilige hallen binnenvloog. De vogel gaf hun overvloedigen drank en de goden verheugden zich zeer. Want het was Wodan zelf, die zoo tot hen teruggekomen was. Toen verhaalde hun Wodan:

--"Daar ben ik dan terug van den berg der Reuzen. Heel wat woorden werden er gewisseld in de zaal van den ouden Drinker. Want zwijgen zou in het geheel niet helpen. Doorbek, de slang, liet ik door den berg knagen: zelf kroop ik toen door het gat. Ik dacht leven en lijf te zullen verliezen, want boven en beneden was de berg van Vratenholen vol.

Nooit zou ik ook uit het rijk van de Reuzen ontkomen zijn, als de aardevrouw Strijdvreugde niet goed voor mij was geweest, en als zij haar armen niet om mijn hals had geslagen.

Want wij zaten beiden op een gouden zetel, en zij gaf mij te drinken haar kostelijken drank. Spoedig vloog de vogel Vergeten door de zaal;--ook mijn verstand ging fladderen, en ik werd zoo licht als een wolkenvogel. Toen heb ik heel het vat leeggedronken--dat was mijn vergelding voor Strijd vreugde's gunst.

Zoo had ik vreugde bij het drinken. Zoo haalde ik de vreugde tegelijk met den drank naar huis."

Godentwist

In den tijd van de zomeronweders, toen Thonarr van zijn reis naar het Oosten wederkeerde, kwam hij voor een heel breed water. Aan den anderen oever stond een veerman met een schip. Thonarr riep tot deze:

--"Wat voor een kerel is die kerel aan den anderen kant van het water?"

De veerman, die hem hoorde schreeuwen, riep tot hem terug:

--"Wat voor een man is die man, die zoo verschrikkelijk schreeuwt?"

De veerman droeg een mantel, die zoo blauw was als de hemel. Hij had slechts één oog, maar dat eene oog was zoo licht als de zon. Want de veerman was Wodan. Hij noemde zich echter niet Wodan, maar Haarbaard, om den langen baard, dien hij droeg, en die hem omsluierde, zooals regenwolken de zon omsluieren en den helderen hemel.

Thonarr zag er uit als een boef, en Haarbaard sprak tot hem:

--"Ik geloof, dat gij geen drie dingen bezit;--beware! ge hebt niet eens een broek aan."

Maar Thonarr wilde, dat de veerman hem over het water zou halen, en hij vroeg hem, wien het schip behoorde, waarop hij voer.

--"Strijdwolf," sprak Haarbaard, "heeft mij dat schip gegeven. Maar boeven en dieven mag ik niet overbrengen,--alleen eerlijke lieden. Noem mij ten minste je naam, als je met mij wilt varen."

Toen noemde Thonarr zijn naam. Hij vertelde, dat hij de zoon van Wodan was en de vader van Macht, en dat hij reus Berggevaarte gedood had. En hij vroeg aan Haarbaard wat deze had gedaan.

--"Vijf volle winters," sprak Haarbaard, "was ik op een eiland, dat Altijdgroen heet. Daar heb ik met vijanden gevochten, maar veel meer nog met meisjes gestoeid. Dat waren vroolijke vrouwen, en door list werd ik haar aller verleider. Bij zeven zusters heb ik geslapen: zij behoorden mij met lichaam en ziel. Wat deed Thonarr ondertusschen?"

