Part 7
Zie hier de verklaring van de Andromeda-figuur der jonge vouw die misschien-had-kunnen-trouwen, en voor de bespotting en het verwijt waaraan zij bloot staat. Zoolang de vrouwen alleen als geslachts-wezens beschouwd worden, zelfs door de vrouwen onderling; zoolang nog alles gedaan wordt om de macht van geslachts-attractie te vergrooten; zoolang zij hoofdzakelijk op dien grond huwbaar bevonden worden, tenzij er een "fortuin" naast haar bekoorlijkheden geplaatst wordt; zóólang zal niet-getrouwd-zijn beschouwd worden als gemis aan attractie, gemis aan geslachts-waarde. Zoolang zij geen andere waarde hebben, dan alleen om ondergeschikt huiswerk te doen, zijn zij heel natuurlijk weinig in tel. Voor wat deugt zoo'n schepsel, dat het doel waarvoor het geboren is gemist heeft? Zoo'n geslachtloos ding ondervindt de geringschatting van man en vrouw tegelijk; het is een menschelijk misbaksel.
Om die reden is het niet vreemd, ofschoon het even juist als treurig is, dat in het leven der vrouwen dit lange hoofdstuk van geduldig, stil, bitter lijden voorkomt, en evenmin is het vreemd de publieke opinie duidelijk en bestendig te zien veranderen, naar mate de vrouwen ook andere hoedanigheden ontwikkelen buiten en behalve die betreffende het geslachtsleven. Nu zij zoowel mensch is als vrouw, een economische positie in de maatschappij bekleedt, wordt zij verwelkomd en aangenomen als een menschelijk wezen en behoeft niet meer te trouwen met den eersten den besten man voor haar boterham. De reactie in dezen is zelfs zoo sterk, dat er heden een kleine groep vrouwen is die niet verkiezen te trouwen, omdat zij, "haar onafhankelijkheid", haar pas-geboren, zwaar-verdiende, duur-gekochte onafhankelijkheid niet willen prijs geven. Dat eenig levende vrouw haar onafhankelijkheid verkiest boven een tehuis en een man, boven liefde en moederschap, werpt een schel licht op hetgeen vrouwen vroeger moeten hebben geleden door gemis aan vrijheid.
Dat deze neiging algemeen zal worden behoeft men evenwel niet te vreezen. Zij is een zuivere reactie, die zeer natuurlijk is. Zij zal even natuurlijk verdwijnen als de vrouwen meer en meer onafhankelijk worden, wanneer het huwelijk niet meer de vrijheid kost. Dat men vreest dat vrouwen in het algemeen, eens geheel onafhankelijk, niet zullen trouwen, bewijst hoe goed het bekend was dat afhankelijkheid alleen de vrouwen dwong tot een huwelijk, zooals dit was. Noch lokaas, noch straf zal er noodig zijn om de vrouwen te dwingen tot een waar huwelijk met onafhankelijkheid.
Het is zeer interessant langs dezen weg den voortdurenden strijd op te merken tusschen natuurlijk instinkt en natuurwet, tusschen sociale gewoonten en sociale wetten, ons geheel opwaarts leven door. Met de natuurlijke functiën en het geslachts-instinkt beginnende, vervult de vrouw die haar hooge positie als kiezende uit de beste onder de wedijverende mannen hoog houdt, de schoone taak om het ras door een goed huwelijk te verbeteren. Het gevoel waardoor dit tot stand komt, wordt fijner naarmate wij beschaafder worden en ontwikkelt zich in die breede, diepe, ware, duurzame liefde, welke het hoogste goed is voor elk individu. Dezen stroom volgende, hebben wij altijd "ware liefde" vereerd en bewonderd, en van de vroegste tijden af vloeiden de romans over van lof voor de prinses die haar page of haar gevangene huwde, de teeltkeus in de vrouw vereerende, die den "rechten man" om bestwil koos. Hier tegen in druischt een sterke stroom van tegenovergestelde richting, die uitloopt in "het conventioneele huwelijk", iets wat de wereld altijd innerlijk gehaat heeft. De jonge Lochinvar is voor niets geen eeuwigdurende held. Het gepersonifieerde type van een groote sociale waarheid kan zeker zijn van een lang leven. De arme jonge held, mooi, moedig, goed, maar omringd van moeilijkheden, wordt altijd geplaatst tegenover den slechten man met rijkdom en macht. De vrouw weifelt dan tusschen die twee en tegen het einde wint de arme held het. Dat hij dan ten slotte met rijkdom en eer overladen wordt, beteekent niets anders, dan onze erkenning dat hij het meest waard is. Dit is beter dan een zonnemythe. Het is een rasmythe, die waar is als waarheid.
Het bestaat zoo nog in het hedendaagsche leven, maar eindeloos bewerkt en door overvloedige bijzonderheden verzwakt, zooals de aard van het leven het nu medebrengt. Het meisje dat den ouden rijken man huwt of den adellijken losbol, wordt door de publieke opinie veroordeeld; het meisje dat den armen jongen man huwt en haar best doet om hem door het leven te helpen, wordt geprezen door denzelfden grooten scheidsrechter. Maar waarom zouden wij het meisje verwijten dat zij haar roeping najaagt? Zoolang het huwelijk haar eenige weg is om geld te verdienen, waarom mag zij dan niet trachten langs dien weg geld te verkrijgen? Waarom wordt het gewicht van het geheele eigen-belang bij de practische uitvoering zoo krachtig geslingerd tegen het geslachts-belang van individu en ras? Het gekochte huwelijk is een volkomen natuurlijke consequentie van de economische afhankelijkheid der vrouw.
Neem aan den anderen kant eens het gevolg van deze afhankelijkheid waar op de mannen. Wanneer het overdreven geslachts-kenmerk en de economische afhankelijkheid der vrouwen toeneemt, dan neemt tegelijkertijd de kans om te huwen af en de moeilijkheid van het huwelijk toe; het huwelijk wordt dan uitgesteld en vermeden, wat voor beide geslachten en voor de maatschappij tevens een direct nadeel is. In eenvoudiger verhoudingen op het land, waar vrouwen een persoonlijke waarde in de economische verhouding vertegenwoordigen, even goed als een vrouwelijke waarde in de geslachts-verhouding, is een vroeg huwelijk een voordeel. De jonge boer krijgt een voordeelige meid als hij trouwt. De jonge handelsman krijgt niets van dien aard,--een aardig meisje, een mooi vrouwtje, gereed voor het huwelijk en het moederschap, zoo lang haar gezondheid het toelaat,--maar hoegenaamd geen economische waarde hebbende. Zij is alleen een verbruikster, en hij moet wachten tot hij genoeg verdient, om te kunnen trouwen. Dit zijn overal dikwijls voorkomende voorbeelden, ons allen bekend, van de tastbare gevolgen van onze sexueel-economische verhouding in het gewone leven.
Indien er in het menschelijk leven een kwaad bestaat dat in elk opzicht slecht is, dan is het zonder twijfel dat, hetwelk bekend is onder den populairen naam van "een noodzakelijk kwaad", en dat bestaat in gemengde en tijdelijke geslachts-verhoudingen. Het inherente kwaad in deze verhoudingen is een sociologisch kwaad, eer nog dan een wettig of zedelijk kwaad. Indien het zedelijkheidsgevoel iets als slecht erkent, moet het van den beginne af slecht geweest zijn. Iets is niet slecht alleen omdat het zoo genoemd wordt. De slechtheid van dezen vorm van geslachts-verhouding in een beschaafde maatschappij rust stevig op natuurwetten. Met de steeds verbeterde middelen om de soort voort te planten ontwikkelde zich tevens een langere periode van kindsheid. Deze langere periode van kindsheid vereischte langere zorg en overeenkomstig daarmede kwam men tot het inzicht dat de beste zorg gedurende dezen tijd door beide ouders werd gegeven. Dit gaf aanleiding tot eene duurzamere paring. En de duurzamere paring bond de ouders te zamen door gezamenlijke belangen en plichten, ontwikkelde in hen door het gebruik hooger geestelijke hoedanigheden, en door overerving gingen deze op de kinderen over. Daarom heeft de maatschappij het recht om van de haar samenstellende individuen de deugd der kuischheid, de heiligheid van het huwelijk te eischen. De maatschappij heeft hierop volkomen recht, want de sociale evolutie is een even natuurlijk proces als de individueele evolutie, en de bestendige bond der ouders is gebleken een voordeel voor de maatschappij te zijn. Maar de sociale evolutie, diep, onbewust, langzaam en de zelfbewuste, over-sekste leden der maatschappij zijn twee verschillende zaken.
De natuurwetten hebben er krachtig toe medegewerkt in het menschelijk ras zuivere, langdurige, monogame huwelijken te ontwikkelen. Maar onze bijzondere regeling om het eene geslacht door het andere te laten voeden, heeft getracht geheel iets anders tot stand te brengen en is daarin geslaagd. In geen andere diersoort is het vrouwtje economisch afhankelijk van het mannetje. In geen andere diersoort is de geslachts-gemeenschap te koop, een overeenkomst. Waar aan de eene zijde elke levensomstandigheid neigt om in de vrouw het geslacht te doen uitkomen, om de macht en den wensch naar economische productie en ruil te vernietigen en de eeuwenoude gewoonte te ontwikkelen alle aardsche goederen in een mannenhand te zoeken en daarvoor slechts één ding terug te geven; waar aan de andere zijde de man buitensporige geslachts-drift erft en nimmer voor het toegeven daaraan berispt wordt, en waar hij ook de eeuwenoude gewoonte ontwikkelt om alles wat hij wenscht van vrouwen te nemen, voor wier hulpelooze berusting hij een economische belooning teruggeeft, wat moest daarvan het natuurlijk gevolg zijn? Immers juist wat gevolgd is. Wij leven in een wereld van wetten en de menschheid maakt daarop geen uitzondering. Wij hebben een zeker percentage vrouwen voortgebracht met geëvenredigde geslachts-drift en buitensporige begeerte naar stoffelijk voordeel. Wij hebben een zeker percentage mannen voortgebracht met buitensporige geslachts-drift en een grootmoedige bereidwilligheid om voor hun geslachts-bevrediging te betalen. Aangezien het percentage van zulke mannen grooter is dan dat van zulke vrouwen, hebben wij zeer slechte methoden uitgedacht om aan de vraag te voldoen. Het gezonde deel der maatschappij wist altijd wel dat die methoden slecht waren, slecht in de gevolgen voor het ras, de bron van al het kwaad. In deze mannenwereld is het heel begrijpelijk dat de vrouw alleen de schuld kreeg van hun wederzijdsch misdrijf. Daarvoor bestaat ook wel een reden. Hoe slecht de man ook is, hij zoekt alleen een bevrediging die natuurlijk is in soort, ofschoon abnormaal in graad. De vrouw doet dit in sommige gevallen ook, maar in de meeste gevallen toont zij het scheeve der verhouding door het voor geld te doen, een physisch bedrog, een zonde tegen de natuur.
Het zuiver instinkt komt in opstand tegen een broodwinning door gebruik der geslachtsfunctiën. Maar waarom zijn wij er dan tevreden mede, zoodra zij geschiedt in het huwelijk? Wettig en godsdienstig kunnen wij zeggen dat zij juist is, maar de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de betrokken paren en voor de maatschappij in haar geheel, zijn slecht. De physische en psychische gevolgen zijn verkeerd, ofschoon gewijzigd door onze meening dat zij goed zijn. De physische en psychische gevolgen van de prostitutie waren ook verkeerd, toen de jonge Babylonische meisjes door zich te prostitueeren hun bruidschat verdienden in den tempel van Bela en meenden dat zij daaraan geen kwaad deden. Het zedelijk karakter van een daad die wij doen, verandert in ons bewustzijn door hetgeen wij denken en gevoelen, maar de daaruit voortspruitende gevolgen blijven dezelfde. De economische afhankelijkheid van vrouwen van de geslachts-verhouding rechtvaardigen wij en keuren wij goed in het huwelijk. Buiten het huwelijk veroordeelen wij haar zonder voorbehoud. Wij volgen met onze verachting en beschuldigingen tot zelfs aan de huwelijkspoort--de verkochte bruid, maar van de verkochte vrouw, die de zakken van haar man 's nachts ledigt, denken wij geen kwaad. Het huwelijk maakt alles heilig, zeggen wij; liefde moet er mede gepaard gaan.
Liefde ging echter nog nimmer met eigenbelang samen. De grootste tegenstrijdigheid bestaat tusschen deze beide; zij zijn lijnrecht tegenovergestelde krachten. In het schoone evolutie-proces vinden wij voortdurend oppositie tusschen het instinkt en het proces van zelf-behoud en tusschen het instinkt en het proces van ras-behoud. Van die beginnende vormen, waar nieuw leven dood ten gevolge heeft, zooals in de bloeiende aloë of bij de ééndaagsche meivlieg, tot op de hoogste glorie van zelf-opofferende liefde, werken deze twee machten elkander tegen. Wij hebben ze te zamen gebonden. Wij hebben de vrouw, de moeder,--de ware bron van opoffering door liefde,--er toe gebracht om winst te maken uit liefde, een afzichtelijke paradox. Het is geen wonder dat ons dagelijksch leven van in 't oogloopende gebreken door dezen onnatuurlijken stand van zaken vol is. Geen wonder dat de menschen zich met walging afkeeren van het soort vrouwen dat zij gemaakt hebben.
VI
De eigenaardige vereeniging van functiën welke wij bestudeeren, heeft niet alleen een onmiddellijk gevolg op individuen door geslachts-handelingen en door de geslachtelijk-beheerschte individuen op de maatschappij, maar oefent evenzeer invloed uit op de maatschappij door economische handelingen en door de economisch beïnvloede maatschappij op het individu.
Door dit vraagstuk uit een economisch oogpunt te beschouwen, wordt het tegenwoordig duidelijk dat niet alleen onze eigen gezondheid en geluk en het voortplantingsproces er mede gemoeid zijn, maar eveneens de algemeene gezondheid en het algemeene geluk en het verloop der sociaal economische ontwikkeling. Nu de maatschappij in deze eeuw tegenover de ingrijpendste economische vraagstukken geplaatst wordt, hebben wij behoefte aan een duidelijk begrip van de factoren die daarop inwerken. Deze vraagstukken zijn nagenoeg geheel sociaal, meer nog dan physisch en betreffen niet de vraag of een bepaalde maatschappij in staat is om genoeg welvaart voort te kunnen brengen en te kunnen verdeelen om in haar onderhoud te voorzien, maar zij betreffen eenige slecht geregelde inwendige processen, die de voortbrenging en verdeeling belemmeren en die zulke ongeregelde en ziekelijke uitkomsten van niet-gevoed zijn, slecht-gevoed zijn en overvoeding opleveren, dat voortdurend de gezondheid en werkzaamheid van het sociale organisme daardoor benadeeld wordt. De moeilijkheid voor ons is niet om welvaart uit den grond te halen, maar om die elkander afhandig te maken. In de ontwikkeling der sociaal-economische verhoudingen doen zich verschijnselen voor, die analoog zijn met die welke onze ontwikkeling in de geslachts-verhouding vergezellen.
Toen de maatschappij nog in den primitieven toestand verkeerde en het menschelijk dier in zijn oorspronkelijken staat, toen waren de economische processen van zuiver individueelen aard. De hoeveelheid voedsel die ieder mensch verkreeg stond in rechtstreeksche verhouding tot zijn persoonlijke inspanning. Andere menschen waren voor hem zuiver ongewenschte mededingers naar dezelfde goederen, en hoe geringer hun aantal, hoe meer goederen er voor hem overbleven. Daarom doodde hij zooveel van zijn mededingers als mogelijk was. Gegeven een zekere hoeveelheid benoodigd voedsel, zooals de eetbare beesten of vruchten in een bosch en een zeker aantal individuen, die door eigen inspanning dit voedsel bemachtigen moesten, dan volgt daaruit, dat hoe grooter het aantal individuen, hoe geringer de hoeveelheid voedsel is die door elk van hen verkregen kon worden; en omgekeerd, hoe kleiner het aantal individuen, hoe meer voedsel door ieder verkregen kon worden. De oorspronkelijke wilde versloeg daarom zijn makker op het eerste gezicht op goede economische gronden. Dit is de individueele concurrentie tot het uiterste doorgedreven, doch volkomen logisch en in haar tijd economisch te rechtvaardigen. Die tijd is voor altijd voorbij. De grondslag van het menschelijk leven is vereeniging; de organische sociale verhouding; de onderlinge ruil van functioneele diensten, waarbij het individu het meeste voordeel heeft, is niet inspanning alleen voor eigen goederen, maar de ruil van zijn inspanning met de inspanning van anderen voor goederen door hen te zamen voortgebracht. Het ligt niet in mijne bedoeling hier eene communistische theorie te verdedigen, met gelijke verdeeling der voortgebrachte welvaart, maar om een eenvoudige waarheid in sociale economie te constateeren, dat rijkdom een maatschappelijk product is. Welke meening men ook is toegedaan omtrent de verdeeling der goederen, niemand kan loochenen dat de voortbrenging dier goederen, de vereenigde werkkracht van vele individuen vereischt. Van de eenvoudigste krachtvereeniging die menschen in staat stelt den mammoet te overwinnen of den steen te lichten, wat één alleen nooit had kunnen volbrengen, tot den fijn uitgesponnen en ingewikkelden onderlingen ruil in de verst doorgevoerde verdeeling van arbeid, waardoor het mogelijk wordt een modern huis te bouwen, rust de vooruitgang der maatschappij op toenemende samenwerking van de verschillende werkkrachten.
De evolutie van het organisch leven volgt een meetkundige reeks; cellen vereenigen zich en vormen organen; organen vereenigen zich en vormen organismen; organismen vereenigen zich en vormen organisatiën. De maatschappij is een organisatie. De maatschappij is de vierde macht van de cel. Zij is samengesteld uit individueele dieren van het geslacht mensch, die in organische betrekking tot elkander staan. In het verloop der sociale evolutie komt de organische verhouding tusschen de individuen langzamerhand tot stand en deze organische verhouding berust op zuiver economische gronden. In de eenvoudigste samenvoeging van de oorspronkelijke cellen was het de kracht der economische noodzakelijkheid die hen te zamen dreef en te zamen hield. Het was een voordeel voor hen om vereenigd te leven. Die het deden bleven bestaan en die het niet deden gingen te niet. Dit geschiedde eveneens bij de verschijning der meest samengestelde organismen, het was een voordeel voor hen om een complex van leden en organen te vormen in ondeelbare verhouding. Een zoo opgebouwd lichaam blijft bestaan, terwijl dezelfde massa ongeorganiseerde levensstof verdwenen zou zijn. En zoo gaat het letterlijk en precies in een samengestelde maatschappij, met al haar nauwkeurige specialiseering van individuen in kunsten en ambachten, handel en beroepen. Een zoo samengestelde maatschappij blijft bestaan, terwijl hetzelfde aantal levende ongeorganiseerde wezens zou verdwijnen. De verdeeling van arbeid en de ruil der producten in een maatschappelijk lichaam is in wezen identiek met de verdeeling en ruil van functiën in het lichaam van het individu. Volgens den geregelden loop der evolutie sluit dit proces in zich, dat de individueele inspanning voor het individueele welzijn langzamerhand ondergeschikt moet worden aan de collectieve inspanning voor het collectief welzijn, niet uit een zoogenaamd altruïsme, maar uit economische noodzakelijkheid voortspruitende. Het is voor het bestaan der maatschappij even noodzakelijk het leven zoo in te richten dat de individueele burgers samenwerken voor het sociale welzijn, als het voor het menschelijk lichaam noodzakelijk is dat handen en voeten, tanden en oogen, hart en longen samenwerken voor het individueel welzijn. De maatschappelijke evolutie leidt naar een toenemende verdeeling van functiën en naar een toenemende onderlinge afhankelijkheid van de samenstellende leden, met een wederkeerige afneming, door onbruikbaarheid, van den eens zoo waardevollen individueelen strijd voor het bestaan. Dit is gebaseerd zoowel op het individueele voordeel als op dat van de maatschappij.
Doch wanneer wij dit ontwikkelingsproces bestudeeren en met bewondering de progressieve veranderingen in de menschelijke verhouding opmerken, de nieuwe functiën, de uitgestrekte structuur, het toenemende gevoel voor de medeburgers met hunne talrijke gelegenheden voor pleizier en gezonde gevoeligheid voor pijn, dan worden wij getroffen door de zichtbare aanwezigheid van de een of andere tegenwerkende macht, die de normale ontwikkeling belemmert en de nadeeligste uitkomsten oplevert. Even als wij in onzen geregelden voortgang in geslachts-ontwikkeling belemmerd worden door verouderde impulsiën, die door valsche toestanden kunstmatig gehandhaafd worden, evenzoo zien wij in onzen geregelden voortgang in sociaal-economische ontwikkeling dit zelfde dwaze bestaan blijven van rudimentaire aandriften, die wij reeds lang gemakkelijk te boven hadden moeten zijn. Het is nu niet meer voordeelig voor iemand om te strijden voor eigen voordeel ten koste van anderen: zijn voordeel vereischt nu de gecoördineerde inspanningen van die anderen; toch blijft hij zoo voortstrijden.
In dit gebrek om overeenstemming te brengen tusschen de individueele en maatschappelijke belangen, liggen onze economische moeilijkheden. Dit kan men zien in fabrieken van bereide voedingsmiddelen. Dit werk kan onmogelijk door een enkel persoon gedaan worden, terwijl het in samenwerking zeer voordeelig is voor het individu;--een geheel natuurlijk economisch proces, voordeelig in verhouding tot de hoeveelheid en hoedanigheid van het bereide voedsel. Wij vinden echter steeds dat de producten van dezen arbeid verdund en vervalscht worden, ten nadeele van de maatschappij en ten voordeele van een enkel persoon, den fabrikant. Het is alsof een van de organen van ons lichaam,--de lever bijvoorbeeld,--haar aandeel in de afscheiding opzettelijk zou verzwakken of vergiftigen, opdat door minder te geven er meer voor haar kon overblijven en zij groot en vet kon worden. Een orgaan kan zoo iets doen, doet het zoo nu en dan, maar dat is een ziekelijke werking, die ziekte veroorzaakt. Het lichaam wordt dan benadeeld, verzwakt, verwoest en daardoor gaat ten slotte het orgaan ook te gronde. Het is een valsch begrip van voordeel, en de valschheid ligt in de niet-erkenning van de ware verhouding tusschen individueele en sociale belangen. Dit niet-erkennen of ten minste handelen alsof wij de sociale belangen niet kenden, door de individueele belangen meer te doen gelden, is de aanleidende oorzaak van onzen economischen tegenspoed. Daar de maatschappij uit individuen is samengesteld, moeten wij hun onze aandacht wijden om de oorzaak van deze ziekelijke maatschappelijke processen op te sporen, en aangezien de individuen handelen onder den druk van omstandigheden, moeten wij zien welke omstandigheden op de individuen invloed uitoefenen om die werking te veroorzaken.
In het algemeen ontwikkelen zich de menschen onder maatschappelijke wetten in goede richting, maar de een of andere geheimzinnige oorzaak schijnt hen telkens in een verkeerde richting te sturen. In de sexueel-economische verhouding ligt deze geheimzinnige oorzaak voor ons. Stonden wij nog op den individueel-economischen grondslag, dan zou de slechte invloed daarvan niet zulke ernstige ziekelijke gevolgen hebben gehad, maar nu wij in de sociaal-economische verhouding groeien, nemen de nadeelen met onze beschaving toe. De geslachts-verhouding is van het begin tot het einde individueel. Zij is een lichamelijke verhouding tusschen individueele lichamen. Omdat zij zich ook kan uitstrekken tot een geestelijke verhouding tusschen individueele geesten, daarom wordt zij nog geen sociale verhouding, hoewel zij haar persoonlijke ontwikkeling naar de sociale behoeften wijzigt.
De geslachts-verhouding is in haar geheele wezen en in haar gevolgen persoonlijk, zij werkt door individuen op individuen en ontwikkelt tot groot voordeel van de maatschappij individueele karaktertrekken en bijzonderheden. De hoedanigheden die zich door de sociale verhouding ontwikkelen, worden door de geslachts-verhouding in het ras opgenomen, maar de geslachts-verhouding zelf is geheel persoonlijk. Daarentegen is onze economische verhouding, ofschoon oorspronkelijk individueel, door de sociale evolutie in steeds toenemende mate collectief geworden. Door nu de menschelijke geslachts-verhouding te vereenigen met de menschelijke economische verhouding, hebben wij een bestendig-individueel proces met een voortgaand-collectief proces vereenigd. Dit verschaft beiden een kracht, toenemende in directe verhouding tot onze socialisatie, en waar zulke onvereenigbare krachten op het sociale organisme inwerken, moet het ten slotte ondergaan.