De economische toestand der vrouw Een studie over de economische verhouding tusschen mannen en vrouwen als een factor in de sociale evolutie

Part 21

Chapter 213,617 wordsPublic domain

Een jong man gaat naar een stad om te leven en te werken. Hij heeft even goed behoefte aan het gezelschap van vrouwen als van mannen. Voorheen had hij zijn moeder, zijne zusters en hare vriendinnen, zijne schoolkameraden. Nu moet hij onze onvrije sociale toestanden onder de oogen zien. Hij mag twee soorten van vrouwen bezoeken, degenen die wij "goed" noemen en degenen die wij "slecht" noemen. (Deze indeeling berust slechts op één zedelijke eigenschap en dat is een geslachts-eigenschap). Natuurlijk verkiest hij de goeden. De goeden zijn weder verdeeld in twee soorten, gehuwden en ongehuwden. Indien hij een gehuwde vrouw dikwijls bezoekt, wordt er aanmerking op gemaakt; dit vindt hij onpleizierig en laat het daarom na. Bezoekt hij een ongehuwde vrouw dikwijls, dan wordt er ook aanmerking op gemaakt; hij wordt dan beschouwd "bedoelingen" te hebben. De beste middenweg is een aantal ongehuwde vrouwen te bezoeken en de attenties zoo omzichtig te verdeelen, dat niemand ze zich persoonlijk kan aantrekken.

Nu treedt hij in de eerste phase van onze sexueel-economische verhouding: hij kan zelfs geen meisje vrijelijk bezoeken of het kost hem geld. Het meisje enkel in den familiekring te ontmoeten kan toch moeilijk verondersteld worden als door een der beide partijen gewenscht. Men ontmoet niet een half dozijn menschen van verschillenden leeftijd en van beide seksen zooals men een vriend alleen ontmoet. Te trachten haar alleen te zien, wordt als een "bedoeling" beschouwd. "Haar mede uit te nemen", kost geld en hij betaalt het graag. Maar hij kan dit niet te dikwijls doen, of hij wordt beschouwd "ernstige bedoelingen" te hebben, en elke stap van de verdere kennismaking wordt uit een sexueel oogpunt beschouwd en gekritiseerd.

Er bestaat geen natuurlijk, eenvoudig middelpunt van maatschappelijk verkeer tusschen mannen en vrouwen. De jonge man zal weldra ontdekken dat zijne bekendheid met vrouwen zeer hoog in zijn zakboekje genoteerd staat. Het geld dat hij voor het huwelijk zou kunnen bewaren, wordt nu voor deze verschillende voorbereidingen gebruikt. Wanneer hij ziet waarvan de vrouwen houden en hoeveel het kost ze te bevredigen, dan wijkt zijn hoop op een huwelijk al verder en verder naar den achtergrond. De periode waarin hij als individu moet leven duurt langer en hij gewent zich aan oppervlakkige kennismaking met veel vrouwen, hij leert haar van de meest onbeteekenende zijde kennen, zonder gelegenheid te hebben tot het vormen van een oprecht verbond en ware vriendschap. Is het dan te verwonderen dat de andere soort vrouwen, die ook geld kosten, dat is waar, maar die geen voortdurende verplichting medebrengen, zulk een bestendige factor in ons sociaal leven zijn geworden? De sexueel-economische verhouding bevordert de ondeugd op meer dan één wijze.

De economische onafhankelijkheid der vrouw zal al deze omstandigheden veranderen even natuurlijk en onvermijdelijk als haar afhankelijkheid ze ingevoerd heeft. Door zich te wijden aan een of anderen tak van nijverheid zal zij meer persoonlijkheid en minder sexualiteit ontwikkelen, en hierdoor zal de druk op de geslachts-verhouding verminderen, zoowel in mannen als in vrouwen. De nieuwe levenswijze en het nieuwe karakter dat er aan gegeven wordt, zal in ons maatschappelijk verkeer de vereeniging van menschen ten volle tot ontwikkeling brengen. Wanneer de eigen woning inderdaad een privaat leven mogelijk maakt en niet langer de maatschappelijke en industrieele horizon der vrouw is; wanneer de werkplaatsen overal--het gebied der vrouw zoowel als van den man,--huiselijk en gezellig worden door haar invloed; en wanneer mannen en vrouwen zich gezamenlijk vrij bewegen bij de uitoefening der gemeenschappelijke rasfunctiën,--dan zal de stroom van het menschelijk leven door nieuwe kanalen gaan.

Dan zullen de vrouwen zich niet meer hoofdzakelijk bewegen van de geïsoleerde woning naar den geïsoleerden winkel en terug, in een wereld die uit elkander gerukt en in tweespalt gebracht wordt door de zelfzuchtige voortbrenging van het eene geslacht en het zelfzuchtig verbruik van het andere; dan zullen wij leven in een wereld van mannen en vrouwen, die even goed menschelijk als geslachtelijk vereenigd zijn, en die tezamen voor het algemeen welzijn werken, wat hun ware bestemming is. De woning zal dan niet langer een economische éénheid zijn, waar de vervelende huishoudelijke werkzaamheden heel gemeen gauw aan toegevoegd zijn, maar zij zal een vredige uitdrukking zijn van persoonlijk leven, wanneer dat zich uit de maatschappelijke omgeving terugtrekt; en voor aanraking met de maatschappij zal gezorgd worden door de vele plaatsen van samenkomst, die door de organisatie der huiselijke werkzaamheden noodig geworden zijn.

De vereenigings-kamer is inderdaad een even groote behoefte voor het menschelijk leven als de afzonderingskamer,--geen balzaal of theater, waar men voor een bepaald doel moet uitgenoodigd worden, maar groote gemeenschappelijke leesmusea en conversatie-kamers, bad-inrichtingen en gymnastiek-zalen, werk- en speelkamers, waarin beide geslachten op dezelfde wijze en voor hetzelfde doel toegang hebben, en waar zij vrij kunnen bijeen komen om uiting te geven aan algemeen menschelijke gevoelens. De soort gebouwen, door de organisatie der huiselijke werkzaamheden ontstaan, zullen ook voor deze plaatsen moeten zorgen. Zij zullen afzonderlijke kamers voor individuen en afzonderlijke woningen voor gezinnen moeten bevatten, doch de gemeenschappelijke zaal, de kamer voor allen, mag er evenmin ontbreken. Zij behooren een plaats voor de kinderen te hebben, ontworpen en bedoeld als prettige speelplaats van veel kinderen voor veel jaren, een woning zooals kinderen tot nu toe nooit gehad hebben. Eveneens moeten er gezelschapskamers voor jonge en oude menschen zijn, waarin men even natuurlijk bijeenkomt alsof men in zijn eigen kamer gaat, zonder moeite, navraag of aanmerking.

Zulk een inrichting zou een vrije vereeniging, op gemeenschappelijk belang gebaseerd, onder ons mogelijk maken, en door de natuurlijke en gemakkelijke samenvloeiing zouden wij veel hooger eigenschappen ontwikkelen, dan nu met de inspanning om in onze tegenwoordige kringen elkander zonder bepaald doel te bezoeken, mogelijk is. Het zou voor de vrouwen veel gemakkelijker worden den rechten man te kiezen. Zij zouden de mannen in hun dagelijksche werkzaamheden en ontspanning kunnen gadeslaan en leeren kennen, waartoe zij nu ten eenenmale de gelegenheid missen. De koopkracht van den man, welke hem nu den gemakkelijksten weg verschaft om aan zijn geslachts-lust te voldoen, zou dan hierop zonder invloed zijn. De vrouw, ontwikkeld door een vrij en nuttig leven, helder van hoofd en open van oog,--een vrouw nog, maar een zelfstandig wezen tevens,--die als meisje opgevoed werd tot economische onafhankelijkheid en vrij mocht omgaan met jonge mannen in gemeenschappelijk spel en werk, zal geleerd hebben edele mannen naar waarde te schatten.

De jonge man, wetende dat hij zijne tekortkomingen niet langer met een gekleede jas kan bedekken en dat hij niet meer alles mag doen eenvoudig op boete van er voor te betalen, die eigenlijk ook niet veel kwaad meer kan doen, omdat de vroegere gelegenheid en aansporing ontbreken, zal, voortdurend bijgestaan en bezield door den vriendschappelijken omgang met eerlijke en ernstige vrouwen, met al de kracht die de natuur hem biedt zich kunnen verheffen, in plaats van, zooals nu, steeds met geweld naar omlaag gerukt worden.

Wanneer de druk van ons over-ontwikkeld geslachts-instinkt uit de wereld verwijderd is, kan en zal de man, rein en sterk geboren uit edelhartige, edeldenkende en edelgebouwde moeders, groot gebracht met de uitgebreide kennis van de nieuwe opvatting van het moederschap, en dagelijks in vrijen omgang levende met de beste vrouwen, een geheel nieuw karakter aannemen. Wat dit het ras aan macht en vrede en geluk zal aanbrengen kan niemand voorspellen. Maar dit zien wij nu reeds:--dat wij bezig zijn aan onze eens zoo nuttige sexueel-economische verhouding te ontgroeien; dat deze verhouding thans vele slechte gevolgen heeft en dat hare verwisseling met economische vrijheid der vrouw nieuwe krachten in de wereld zal brengen, die door hare natuurlijke werking de deugden, waarnaar wij reeds zoo lang gestreefd en verlangd hebben, in ons ontwikkelen zullen.

Deze verandering wordt niet voorspeld en wij kunnen er ook niet voor pleiten. Zij is reeds in wording en met bewonderenswaardige snelheid wint zij elk jaar meer en meer veld. Vrouwen noch mannen wenschen de verandering. Vrouwen noch mannen hebben haar gezocht. Maar dezelfde groote kracht van sociale evolutie, welke ons in de oude verhouding bracht,--tot groot verdriet en ellende,--is bezig ons er uit te brengen, eveneens met droefheid en smart. De tijd is daar, waarin het voor de wereld beter is dat vrouwen economisch onafhankelijk zijn en daarom beginnen zij het te worden.

Onderwijl loont het de moeite, den toestand ten volle en eerlijk onder de oogen te zien, opdat wij weten wat met ons gebeurt en opdat wij de gelukkigste verandering in menschelijke omstandigheden, die ooit door de wereld aanschouwd werd, met vreugde kunnen begroeten. De helft der menschheid uit een gekunstelde positie te bevrijden; sterke natuurkrachten uit haar gespannen en pijnlijken toestand te verlossen en ze vrij te maken om ongehinderd te kunnen werken, wat ook haar bestemming was; toestanden in het leven te roepen, die de menschheid innerlijk zal veranderen door een beter moederschap en vaderschap, een beter jeugd en zuigelingsperiode, beter voedsel, beter woningen, beter maatschappelijken omgang,--beteekent: verbetering der menschheid langs natuurlijke banen. Zij zal daarom grooten vooruitgang van het ras en wel met groote snelheid ten gevolge hebben, omdat deze verandering niet behoeft te wachten tot er nieuwe krachten geschapen worden, maar omdat zij eenvoudig krachten vrijmaakt, die reeds machtig en sterk zijn, en de menschheid dus kan opvliegen als een losgelaten springveer. En het gebeurt reeds. Alles wat wij nog te doen hebben is te begrijpen en te helpen.

XV

Nu wij weten hoe nauw ons geestelijk bestaan verband houdt met onze uiterlijke omstandigheden, hoe het zedelijk gevoel en het gedrag van den mensch gewijzigd worden door de omgeving, moeten wij natuurlijk uitzien naar kenmerkende gevolgen in de geestelijke ontwikkeling, voortspruitende uit een zoo belangrijke omstandigheid als onze sexueel-economische verhouding.

Voortdurend is opgemerkt dat de verhouding der geslachten, in welken vorm ook, op den zedelijken aard van het menschdom van sterken invloed was, en dat is één der redenen, waarom in dit boek zulk een groote nadruk is gelegd op de bijzondere zedelijke kracht dier verhouding. In het dagelijksch leven beteekent het woord "zedelijk", "kuisch" en wanneer men van vrouwen spreekt heeft het woord "deugd" alleen beteekenis als deugd van kuischheid. Groote volksbegrippen zijn nimmer zonder grondslag. Zij zijn geworteld in diepzinnige waarheden, die beter gevoeld dan gezien worden en, hoe dom en onwaar zij ook in hun woordelijke vertolking zijn, in hun algemeene strekking kan men ze vertrouwen. Niet omdat de deugd van kuischheid voor het ras zooveel belangrijker is dan de deugd van trouw, de deugd van moed, de deugden van blijmoedigheid, hoffelijkheid, vriendelijkheid, maar omdat de geslachts-verhouding waarin wij leven zooveel invloed uitoefent op de verdere ontwikkeling en regeling van onzen geheelen zedelijken aard, daarom hechten wij er zooveel beteekenis aan.

Wat wij zedelijk gevoel noemen, is een erkenning van de betrekkelijke belangrijkheid van zekere handelingen en hare gevolgen. Vaag en zwak kwam dit bij de vroegere wilden voor en het werd gedurende langen tijd hoofdzakelijk toegepast bij onduidelijk omschreven en willekeurig vastgestelde godsdienstige plechtigheden en ceremoniën. Maar de gewoonte om een gevoel van deugdzaamheid te verbinden met zekere handelingen door welke lof en voordeel werd ingeoogst, wortelde zich in de kinderlijke ziel en de reeks van zedelijke handelingen werd grooter. Sedert is die reeks steeds grooter, hooger en ingewikkelder geworden, met de andere maatschappelijke hoedanigheden zich uitbreidende.

Geen menschelijke eigenschap is meer absoluut maatschappelijk dan het zedelijk gevoel. Ethica is een sociale wetenschap. Er bestaat geen zedeleer voor het individu. Op zich zelf genomen is de mensch maar een dier; zijn gedrag staat dan alleen in betrekking tot zijn dierlijke behoeften,--zelf-behoud en ras-behoud. Elke deugd en de wil ze te erkennen en er naar te streven is een maatschappelijke hoedanigheid. De hoogste deugden zijn die waarmede wij op de beste wijze de meeste menschen dienen en haar ontwikkeling in ons houdt gelijken tred met de ontwikkeling der maatschappij. Door onze maatschappelijke verhouding worden onze deugden te voorschijn geroepen en blijven zij in stand.

Een eenvoudig voorbeeld hiervan vinden wij in het gemakkelijk tot wreedheid vervallen van iemand, die afgesneden is van zijn stamgenooten en gedwongen wordt in een woeste omgeving te leven. Zelfs een korte en gedeeltelijke verandering van toestand wijzigt dikwijls op eens het gedrag, wat men bij de vroomste Nieuw-Engelanders heeft kunnen opmerken toen zij tijdelijk in de mijnwerken vertoefden. Het blijkt ook uit het verschil van deugd bij de verschillende klassen van menschen en in de verschillende takken van nijverheid.

Elke sociale verhouding heeft haar eigen zedewetten; en de algemeene behoeften der maatschappij, als een geheel, vormen de grondslagen der zedeleer. Dit kan voor iedere eeuw en voor elk ras nagegaan worden en steeds zal men een duidelijk verband vinden tusschen de deugden en ondeugden van een gegeven volk en zijne plaatselijke toestanden. De economische omgeving beheerscht hoofdzakelijk de ontwikkeling der zedewetten. Voor iemand die gewend is de zedewetten te beschouwen als niet van deze wereld afkomstig en die ziet hoe dikwijls deugdzaamheid den bezitter duur te staan komt, kan dit vreemd schijnen. Het zedelijk gedrag van een gegeven aantal menschen hangt ten eerste van het bestaan van deze menschen af. Een gedrag dat er toe zou leiden om hen uit te roeien, zoude eveneens hunne zedewetten uitroeien. Een gedrag dat hen doet in stand blijven en toenemen, is het eenige gedrag waarvan de zedelijke waarde kan worden vastgesteld. Daarom wordt de zedeleer absoluut beheerscht door het leven en de handhaving daarvan. Van het laagste en meest bekrompen inzicht dat een handeling goed of slecht noemt naar gelang van haren onmiddellijken invloed op iemands tegenwoordig leven, tot het helder vooruitzien van latere gevolgen dat een gedrag goed of slecht noemt naar gelang het van invloed is op iemands leven hiernamaals, wordt onze zedeleer, de wetenschap van het menschelijk gedrag, alleen beoordeeld naar zijne gevolgen.

Daarom vinden wij onvermijdelijk bij alle rassen die handelingen waardoor menschen leven, als goed aangemerkt en wij zien hooge goedkeuring geschonken aan hem, die het best die handelingen volbrengt. In de jacht- en vischperiode werd de beste jager en de beste visscher ook als de beste man, door zijn stam geprezen en geëerd. Men kweekte die deugden aan, die den bezitter in staat stelden met het meeste succes te jagen en te dooden, niet alleen om zelf te kunnen leven, maar ook om een vertrouwde hulp te zijn voor zijn vrienden. Barbaarsche deugden waren enkel de terugkaatsing van barbaarsche toestanden. Geduld en zelfbedwang te bezitten, was voor den jager een economische behoefte; pijn en langdurige inspanning gemakkelijk te dragen, was voor den krijger een noodzakelijkheid. Daarom werden deze deugden, door voorbeeld en voorschrift, bij de wilden aangekweekt.

In de lange landbouw- en militaire tijdperken geschiedde hetzelfde. Arbeidzaamheid en geduld werden als deugden in de boeren geprezen, want het vereischt ijver en geduld om koren te oogsten. De deugden van moed en gehoorzaamheid werden in den soldaat hoog verheven, en iedereen moest de deugd van geloof bezitten omdat die een eerste vereischte was voor het bestaan van den godsdienst. En er werd een groote mate van geloof vereischt om den godsdienst van die tijden aan te nemen. De deugd van geloof verminderde in belangrijkheid, zoodra de godsdienst verstandiger en toepasselijk op het leven werd. Het vereischt geen inspanning om te gelooven wat men kan begrijpen en begrijpt. Langzamerhand ontstond het nijverheids-tijdperk en ontwikkelde zich dit van de zwakke, sporadische pogingen van den nederigen marskramer en handwerksman,--het slachtoffer van de overheerschende klasse van militairen--tot onze hedendaagsche kolossale industrieele organisatie, waarin de soldaat onbarmhartig geëxploiteerd wordt voor het een of ander financieel belang. Met deze verandering in economische omstandigheden werd ook de schaal der deugden veranderd.

Lichamelijke moed verminderde in waarde; gehoorzaamheid, geduld, geloof en de rest staan niet meer zoo hoog aangeschreven als vroeger. Evenals altijd prijzen en waardeeren wij heden de deugden waardoor wij leven. Elk dier ontwikkelt de deugden passend voor zijn omstandigheden; het kenmerkend verschil voor den mensch ligt hierin dat hij de macht van het bewust begrip en de persoonlijke wilskracht bij de werking der natuurkracht voegt. Niet alleen voor ons eigen ras, maar ook voor andere rassen noemen wij die hoedanigheden "goed" en "slecht," naarmate zij ons tot voordeel strekken; en de beesten die wij grootbrengen en gebruiken, ontwikkelen noodzakelijkerwijze de eigenschappen die hun in hun nieuwen toestand het meest tot nut strekken, zooals bijv. onze welbekende vriend, de hond.

De hond is een dier dat sedert lang van zijne natuurlijke onderhoudsmiddelen is afgesneden en voor zijn voedsel geheel afhankelijk is van den mensch. Als een vrije, wilde hond, was hij onverschrokken, moedig, wreed. Als een tamme, slaafsche hond, bezit hij lage onderworpenheid, kruipende willoosheid; hij klaagt wanneer hij een trap krijgt en likt den voet die hem kastijdt. Wij hebben den oorspronkelijken hond geheel herschapen en zijn zedelijke aard, zijn geest, toont de verandering meer dan zijn lichaam. De kracht waardoor dit tot stand werd gebracht is een economische,--de bron van voedsel en de wijze om het te bemachtigen werden veranderd.

Laat ons eens de kenmerkende deugden der menschheid in het kort nagaan, haar wijze van ontstaan en ontwikkeling onderzoeken en zien hoe die ééne bijzondere verhouding, de sexueel-economische, er op geïnfluenceerd heeft.

Het voornaamste kenmerk van menschelijke deugdzaamheid ligt in, wat wij ruwweg als altruisme beschrijven,--"zelfopoffering." Elkander lief te hebben en te dienen, voor elkander zorg te dragen, voor en met elkander te voelen,--het bijvoegelijk naamwoord van ons ras, "menschelijk", sluit deze eigenschappen in. Het eigenlijk bestaan der menschheid maakt deze hoedanigheid tot zekere hoogte noodzakelijk en de ontwikkeling der menschheid gaat met hare ontwikkeling hand aan hand.

Wanneer wij deze dingen bestudeeren, dan maken wij gewoonlijk de fout, de noodzakelijkheid van zulke zedelijke hoedanigheden in het menschelijk leven niet genoeg te waardeeren. Wij hebben gemeend dat het in toepassing brengen van deze maatschappelijke deugden persoonlijke inspanning en opoffering kost, en dat er een eeuwigdurende strijd bestaat tusschen de cosmische ontwikkelingsprocessen en de ethische processen, zooals Huxley het voorstelt. De sociale evolutie brengt evenwel de essentieele hoedanigheden van de sociale verhouding mede, en dat zijn dan onze deugden, waarop wij zoo trotsch zijn. De natuurlijke veranderingen in het onderling verkeer en de onderlinge verhouding der menschen ontwikkelden van zelf de hoedanigheden, zonder welke dat verkeer en die verhouding niet mogelijk waren; en deze ontwikkeling verliep even geregeld, even natuurlijk, even "cosmisch", als de organische werkzaamheden in het menschelijk lichaam. Het is even natuurlijk voor een industrieele maatschappij om in vrede, als voor een jagersvolk om in oorlog te leven. Die vrede is geen gevolg van heldhaftige en zelfopofferende inspanning van de leden der industrieele maatschappij; het is niets anders dan een noodzakelijke voorwaarde voor hun bestaan.

In het ontwikkelingsverloop der menschelijke zeden wordt een trapsgewijze uitbreiding van ons begrip van algemeen "goed" en "kwaad" opgemerkt, in tegenstelling met ons oorspronkelijk begrip van individueel "goed" en "kwaad." Dit komt bij de personen die zich geheel aan de maatschappij wijden zeer sterk uit, zooals bij de groote staatkundigen, patriotten en philanthropen. Ieder van deze woorden toont in zijne samenstelling reeds dat de beschreven hoedanigheid van socialen aard is,--de staatsman denkt en werkt voor den staat; de patriot heeft zijn land lief en werkt er voor, de philanthroop handelt uit liefde voor de menschheid. Deze eigenschappen zijn allen van het begin tot het einde een bloote erkenning van het gelijk recht van den naaste, rechtvaardigheid en hoffelijkheid voor allen; zij zijn slechts het natuurlijk product der maatschappelijke omstandigheden, welke door de noodzakelijkheid om in de economische behoeften te voorzien op het individu inwerken. Het individu dat economisch absoluut alleen staat evenals het beest, wordt door zuiver egoisme bevoordeeld, en ontwikkelt dat.

Onze deugden kunnen allen op deze wijze opgespoord en verklaard worden. De groote voorname stam van alle deugden, welke wij "liefde" noemen, is niets anders dan de eerste voorwaarde voor ons maatschappelijk bestaan. Het is cohaesie, waardoor de afzonderlijke deelen der maatschappij saamgehouden worden. Indien er niet een of andere aantrekking tusschen ons bestond, dan zouden wij niet in staat zijn om samen te blijven; en deze aantrekking die door ons bewustzijn wordt waargenomen, noemen wij liefde. De deugd van gehoorzaamheid bestaat in de overgave van den eigen wil, wat dikwijls noodzakelijk is voor het algemeen welzijn; en zij staat daarom bij militairen zoo hoog aangeschreven, omdat bij hen dikwijls een groot aantal mannen te zamen moet handelen ten dienste der gemeenschap tegen hun persoonlijk belang, zelfs met opoffering van hun leven.

Toen wij ons tot een voller maatschappelijk leven ontwikkelden, ontdekten wij langzaam en zoekend, na vele droevige en kostbare ervaringen, welk soort van mensch de beste maatschappelijke factor was. Het type van een goed lid der hedendaagsche maatschappij is een zich zelf beheerschend, vriendelijk, beschaafd, sterk, verstandig, dapper, hoffelijk, opgeruimd, waar mensch. In de Middeleeuwen zoude sterk, moedig en waar, aan de eischen van dien tijd voldaan hebben. Wij eischen nu voor ons algemeen welzijn een grooter reeks van hoedanigheden, een meer doorwrochte zedelijke organisatie. Dit alles geschiedt op eenvoudige, evolutionaire wijze in het maatschappelijk leven, en moest niet meer verwarring, inspanning en smart veroorzaken dan eenig ander natuurlijk proces.

De zedelijke ontwikkeling der menschheid was echter een zeer verward en ingewikkeld proces. Enkele deugden hebben wij in geregelden vorm ontwikkeld, nauwelijks bemerkende dat het deugden waren, omdat zij zoo gemakkelijk in gebruik kwamen. Nauwkeurigheid en stiptheid zijn deugden die de wilden niet kenden, omdat zij ze voor hunne bezigheden niet noodig hadden. Wij hebben ze ontwikkeld, omdat zij vereischt werden en zoo werden zij door den druk der economische behoeften langzamerhand aangenomen. Gehoorzaamheid, zelfs in haren uitersten vorm van zelfopoffering, werd den soldaat geleerd; toch bestaat er geen hoedanigheid die altruistischer en onnatuurlijker is, of moeilijker valt aan te nemen voor den krachtigen individueelen wil. De gewone, wet-eerbiedigende burger beschouwt zich zelf niet als een held; toch openbaart hij een hooge mate van maatschappelijke deugdzaamheid, dikwijls een groote zelfopoffering.