Part 17
De organisatie der huishoudelijke werkzaamheden zal de reinigingsprocessen vereenvoudigen en centraliseeren, door toepassing van vele mechanische uitvindingen en door de aanwending van wetenschappelijke kennis. Onze huizen zullen reiner zijn dan ooit te voren. Er zal minder werk te doen zijn en beter middelen om het uit te voeren. De dagelijksche bezigheden van een goed ingericht huis konden gemakkelijk gedaan worden door elk individu in eigen kamer, of door iemand die zulk werk wenscht te doen; en het werk dat niet zoo dikwijls voorkomt kon door een deskundige geschieden, die het eene huis na het andere schoonmaakt met de vlugge bekwaamheid van oefening en ondervinding. Onze woning zou dan niet langer een werkplaats en een museum zijn, maar zou meer de persoonlijke eigenaardigheden van den bewoner uitdrukken,--de plaats van rust en vrede, van liefde en afzondering,--dan het in zijn tegenwoordigen toestand van achtergebleven industrieele ontwikkeling kan zijn. En de vrouw zal dan haar werkzaamheden met veel beter resultaten kunnen vervullen, dan zij nu met haar voortdurende moeilijkheden, haar stipte toewijding, haar aandoenlijke onwetendheid en machteloosheid doet.
XII
Als zelfbewuste schepselen, die gemakkelijk in de dwaling verkeeren de gewaarwording voor het feit te houden, in wier bewustzijn de gewaarwording inderdaad het feit is,--er wordt een dieper doordenken vereischt om de gewaarwording uit het feit af te leiden,--zijn wij er niet erg om te berispen dat wij zooveel gewicht aan gevoel en aandoening hechten. Misschien zullen wij in het licht der koude redeneering toestemmen dat het huis niet de geschikte plaats is voor zooveel werk en dat de echtgenoote en moeder niet de aangewezen persoon is om het te verrichten. Deze verstandige meening verandert evenwel op geenerlei wijze ons gevoel over dit onderwerp. Dit gevoel, diep ingeworteld en overprikkeld, bedekt met een dikke laag het geheele veld van huiselijk leven. Niet wat wij er van denken (want wij hebben er nooit veel over na gedacht), maar wat wij er van voelen, stelt in dezen de som van onze meeningen vast. Vele zijn ware, rechtmatige, gewettigde gevoelens. Sommige zijn domme ongerijmdheden, niets anders dan reliquien uit lang vervlogen tijden, waarvan wij ons langzaam zullen ontdoen, zoodra wij wijzer worden.
Men denke bijvoorbeeld eens na over het reeds lang bestaand geloof aan het "vrij zijn in eigen huis". Er ligt voor velen iets terugstootends in het denkbeeld dat het voedsel gekookt zou worden buitenshuis, zelfs wanneer het in huis wordt opgedischt; meer nog in het idee dat het gezin uitgaat om te eten en nog meer dat de individuen afzonderlijk uitgaan om te eten. De bijzondere smaak van verschillende personen door het "koken te huis" ontwikkeld, kon wel eens de eigen bruine kleurschakeering van de ham, het naar eigen smaak gekruid vischschoteltje, het eigen biscuittrommeltje moeten ontbeeren.
Dit bezwaar moet eerlijk in aanmerking genomen worden en gedeeltelijk worden toegestemd. Een menu, hoe ruim ook uitgedacht door beroeps-koks, zal toch nooit dat vrij spel aan persoonlijke eigenaardigheden bieden als de menu's, bereid door de talrijke op zich zelf staande koks die ons nu bedienen. Er zal dan een veel grooter keus in bestanddeelen zijn, maar de bereidingswijze en bediening zullen niet zooveel verschil opleveren. Het verschil zal gelijk staan met dat, wanneer ieder man zijn eigen jas maakte of door zijn eigen vrouwelijke bedienden liet maken en wanneer hij zijn keuze deed uit een aantal in voorraad gemaakte jassen of er een bij een beroeps-kleermaker bestelde.
In een geregelden, als beroep uitgeoefenden, voedingsdienst zou een goede algemeene regelmaat heerschen, en voor bepaalde gelegenheden zou het werk van specialiteiten dienst kunnen doen. Wij hebben dit reeds lang kunnen opmerken bij de aanhoudende toename van beroepsmatig bereid voedsel, van de goedkoope eetgelegenheden tot de deftige restaurants, van de gewone scheepsbeschuit tot de fijne wafel. Doch ook wanneer men het "tehuis koken" eens zijn beroepsmatig bereide toevoegsels ontneemt, zou het heel veel minder worden. Wij bedenken niet hoe ver wij reeds in die richting gegaan zijn en hoe snel wij verder gaan.
Een van de belangrijkste gevolgen van een voortdurend algemeene goede voedingswijze zal zijn, dat de volkssmaak verbeterd wordt. Wij zullen daarmede de waardeering van wat inderdaad goed voedsel is aankweeken, veel beter dan dit door de dwalende en onberedeneerde zelf-toegevendheid van de eigen tafel kan geschieden. Onze eenige maatstaf voor smaak in gekookt voedsel is thans persoonlijke eetlust en luim. Dat wij van een schotel houden is voldoende om er onze volle instemming aan te schenken. Maar van iets te houden is niets anders dan aanpassingsvermogen. Natuur zoekt steeds het organisme naar de omgeving te wijzigen en wanneer het organisme zoo gewijzigd is geworden, zoo aan de omgeving passend is gemaakt, dan houdt het van de omgeving. Vroeger zeide men: "het past mij", wat duidelijk de bedoeling weergeeft.
Elke natie, elk volk, elk gezin, elk individu houdt bovenal van die dingen waaraan het gewoon is geworden. Waarvan het anders zou hebben gehouden, indien het dat andere gehad had, kan men nimmer weten; maar het langzaam doordringen van nieuwe smaken en gewoonten, het tegenstribbelend in gebruik nemen van aardappelen, tomaten, maïs en andere nieuwe groenten door de menschen in oude landen, bewijst dat het toch mogelijk is verandering te brengen in hetgeen men lust.
Door de beperkte macht van het gezin om in de voeding te voorzien en zijn onbekwaamheid om het te bereiden en door onze overdreven voorkeur voor enkele zaken, zijn wij in het kleine veld van keuze zeer vasthoudend geworden. Wij vinden onze eigen manier van doen bij het koken het best en wij keuren de wijze van doen van onze buren af, zonder eenig hoogeren maatstaf voor kritiek te hebben dan onzen onontwikkelden smaak. Wanneer wij van onze jeugd af gewend worden aan wetenschappelijk en met kunst bereid voedsel, dan zullen wij later weten wat goed is en daarvan kunnen genieten, zooals wij ook goede muziek leeren waardeeren, door ze te hooren.
Als wij een ruimer keus en beter bereid voedsel hebben leeren waardeeren, dan zullen wij ook leeren eenvoudigheid in het koken op prijs te stellen. Onder ons tegenwoordig systeem kunnen de meeste menschen het niet zoover brengen. Wanneer het koken wordt afgescheiden van het gezin, dan zullen wij langzamerhand ophouden er aandoeningen aan vast te knoopen; wij zullen het dan onpersoonlijk leeren beoordeelen op wetenschappelijken en artistieken grondslag. Dit zal natuurlijk niet beletten dat sommige personen een bijzonderen smaak hebben, maar deze zullen dan weten dat zij bijzonder zijn en ook hun buren zullen het weten. Het zal ook niet beletten dat een vrouw, die er veel van houdt nu en dan het een of ander te koken, om zich zelf of haar vrienden te tracteeren, een klein kooktoestel binnen haar bereik houdt, evenals zij een naaimachine of een kleine draaibank kan bezitten.
Met betrekking tot het buitenshuis nuttigen van het voedsel ondervinden wij nog sterker tegenkanting door het bezwaar van onvrijheid, en wij ontwaren een sterk uitgesproken, zelfs pijnlijken tegenzin als wij deze functie van het huiselijk leven willen scheiden. Samen te eten vormt natuurlijk een tijdelijken band. Om een middel tot gedachtewisseling tusschen ongelijke personen vast te stellen, moet een of ander gemeenschappelijke grondslag gevonden worden,--een ceremonie, een of ander spel, eenig vermaak,--iets wat zij te zamen kunnen doen. En indien de personen die met elkander in verbinding wenschen te komen geen andere gemeenschappelijke basis hebben dan deze lichamelijke functie,--welke inderdaad zoo gemeenschappelijk is, dat zij niet alleen het geheele menschdom, maar ook het geheele dierenrijk insluit,--laten zij die dan vooral aangrijpen. Bij gelegenheden van algemeen maatschappelijk vreugdebetoon, waarbij een of andere gebeurtenis van algemeen belang gevierd wordt, zal een feestmaal altijd een natuurlijke en voldoening gevende instelling zijn.
Voor den oorspronkelijken echtgenoot die vocht voor zijn beroep, de oorspronkelijke vrouw die huishoudwerk deed voor het hare, de oorspronkelijke kinderen die alleen in lichamelijke verwantschap tot hun ouders stonden, voor dezulken was de gemeenschappelijke tafel de eenige gemeenschappelijke band; en hun eenvoudig voedsel schonk het middel dat niemand kwetsen kon. Doch in de hoogere ontwikkeling van het moderne leven is de etenskwestie volstrekt niet het eenige punt van algemeen belang der leden van een gezin en in geen geval het beste. De liefste, teederste, heiligste herinneringen van het familieleven staan niet met de tafel in verband, ofschoon menige vroolijke en pleizierige herinnering daarmede vereenigd kan zijn. Doch bij vele gebeurtenissen van diep gevoel, hetzij van vreugde of van pijn, wordt het ongevoelig verzadigen van een heele groep, drie keer daags aan tafel, een ondragelijke inspanning. Indien een groote verscheidenheid van goed voedsel altijd te verkrijgen was, zou een gezin te zamen kunnen gaan feest vieren, wanneer het dat verkoos; of te zamen eenvoudig gaan eten, wanneer het dat wilde; en elk individu kon alleen gaan, wanneer hij niet met het heele gezelschap verkoos te eten. Men behoeft dit niet te dwingen of te verhaasten, doch zoodra er steeds voedsel in voorraad bestaat, dat gemakkelijk binnen ieders bereik is, behoeft de maag niet langer verplicht te worden als familieband dienst te doen.
Men heeft beweerd dat de lagere dieren in hunne redeloosheid alleen eten en dat menschen het eten tot een gezamenlijke functie gemaakt en het daardoor verheven hebben. De verheffing is het moeilijkst te bewijzen, wanneer wij de ruwe gewoonten, ziekelijken smaak en doodelijke ziekten, de geveinsdheid en ongemanierde gulzigheid en onmatigheid der menschen waarnemen. De dieren mogen lager staan dan wij, omdat zij eenvoudig eten wat goed voor hen is wanneer zij honger hebben, maar hun doel dient het goed.
Een van de gevolgen, voortspruitende uit het maken van het eten tot een gezamenlijke functie is, dat hoe nauwgezetter wij die socialiseering doorvoeren, des te meer behoefte wij hebben bij onze maaltijden aan een groot aantal vreemden, die van het onderling gesprek zijn uitgesloten,--personen, die niet mede-eten, niet mede-spreken en die zelfs niet door het knippen der oogleden mogen verraden, dat zij eenig belang in het gesprokene stellen,--die alleen de grove benoodigdheden voor de gelegenheid op een zuiver koopcontract leveren en toedienen. Zulk een tegenwoordigheid van vreemden moet en doet het gesprek op een bepaalde hoogte houden. In een gezin zonder dienstbode zijn vader en moeder beide te vermoeid van het werken om den maaltijd tot een sociabele functie te maken, terwijl in gezinnen met een dienstbode het gesprek tot op zekere hoogte beperkt wordt. De uitwerking van ons gezamenlijk eten, hetzij in gezinnen of in grooter groepen, is niet in elk opzicht goed. De vraag moet gesteld worden of wij niet, vooral in dit geval, onze levenswijze verbeteren kunnen.
Wanneer de kookkunst zich ten volle kan ontwikkelen en uitgeoefend wordt door hen, die door aangeboren talent en geduldige studie geleerd hebben, hoe het best aan de behoeften van het lichaam te gemoet gekomen kan worden, door een smakelijke en geschikte samenvoeging van de voedingsbestanddeelen, dan zullen wij beginnen te begrijpen, wat het voedsel voor ons beduidt en op welke wijze het menschelijk lichaam in goede gezondheid en volle kracht moet opgebouwd worden. Een wereld van reine, sterke, schoone mannen en vrouwen, die weten wat zij eten en drinken moeten en het nemen wanneer het noodig is, zal ons een hooger en verhevener vorm van verbond te aanschouwen geven, dan die veel geprezen gemeenschappelijke tafelverbonden. De tevreden ruwheid van het heden, de volhardende zelfzucht van overigens verstandige menschen, de vetheid en luiheid en zwakheid, de heele reeks digestie-stoornissen en het gebruik van velerlei kruiderijen, al deze ziekelijke verschijnselen zijn meerendeels toe te schrijven aan de abnormale aandacht aan het eten en koken geschonken en die zullen blijven bestaan, zoolang het eten als een familie-functie beschouwd blijft. Zoodra wij het eten en koken uit deze valsche verhouding hebben losgemaakt, door onze sexueel-economische verhouding te verbreken, zullen wij de natuurkrachten een kans geven hun eigen reinen weg in ons te volgen en ons beter te maken.
Men vreest dat het private leven te huis bedreigd wordt door de invoering van beroeps-schoonmakers. Maar wij zullen zien dat een huis zonder keuken veel minder behoeft te worden schoongemaakt en dat het dagelijks in orde brengen van iemands eigen kamer heel gemakkelijk, door ieder die het doen wil, zelf kan geschieden. Velen wenschen zoo van harte, dat hun eigen kamer, hun persoonlijk verblijf, nooit anders dan door hun dierbaarste vrienden, hun naaste betrekkingen betreden wordt. Zoo 'n ideaal van privaat leven mag dwaas schijnen aan hen, die nu tevreden de ruwe openbaarheid van onze tegenwoordige levenswijze aannemen. Van alle bekende tegenstrijdigheden is er geen zoo ongerijmd dan ons te hooren pochen op ons "vrij zijn te huis", en dat in een plaats waar wij volgaarne tot onze tafelgesprekken en onze kamerdiensten toelaten,--ja, tot het opmaken van onze bedden en het hanteeren van onze kleedingstukken,--een volslagen vreemdeling, vreemdeling niet alleen door de nieuwe kennismaking of om het verkeerde begrip dat vreemde oogen zich onvermijdelijk van onze eigenaardigheden vormen, maar vreemdeling door geboorte, door opvoeding,--iemand die ons nooit geheel begrijpen kan.
Ieder onzer die het betalen kan neemt zoo'n vreemdeling in huis, één of meer op eens en velen in opvolging. Indien wij, even als de barbaarsche koningen deden in de oude en bloedige zeeroover-geschiedenissen, hun tongen uitsneden, zoodat zij niets konden navertellen, dan nog zou het een vervelende indringerij blijven. Maar zooals zij nu zijn, met oogen om te zien, ooren om te hooren en tongen om te spreken, en geen andere belangen dan de onze om hun geest bezig te houden en met de wraaknemende uitvallen, volgende op het gedwongen stilzwijgen van hen die niet mogen "tegenspreken"; met dit opmerkzame en oververtellend leger, gehuisvest in den schoot der familie, moeten wij toch bitter glimlachen over ons dwaas ideaal van "het vrij zijn te huis."
Het vlugge werk van menschen die van beroep vegen, stoffen en schrobben en ontboden kunnen worden waar en wanneer wij ze in de kamers noodig hebben, is in elk geval niet zoo kwetsend voor het intieme leven als de tegenwoordige wijze van doen. De afschaffing van dienstboden en het optreden der vrouw op een maatschappelijk en voor haar persoon belangrijker gebied, zal in de wereld een nieuw begrip van de heiligheid van het huiselijk leven vestigen, de rechten van het individu in dezen doen gevoelen, zooals tot nu toe onbekend was.
Nauw verwant aan het schoonmaak-vraagstuk is het inrichten en het meubileeren van de woning. De economisch afhankelijke vrouw, alle energie in haar kleine kooi verkwistende, stort een verwarde massa in die kleine ruimte uit, evenals een groote plant een hoop wortelen uitzendt in een kleinen pot. Zij heeft haar beperkte woning met een onbeperkt aantal dingen overvuld, nuttige en nuttelooze, sierlijke en smakelooze, gemakkelijke en ongemakkelijke zaken, en tot haar levenstaak behoort, deze zaken te bewaken en in orde te houden.
De vrije vrouw, die zich geheel kan uiten in haar economische werkzaamheden en haar maatschappelijke positie, voelt zich niet gedrongen haar ziel uit te storten in antimacassars en photographiestandaards. Haar huis zal haar plaats van rust en niet van rustelooze bezigheid zijn, en zij zal inzien dat eenvoudigheid ten slotte het aangenaamst is. Hiervan zullen beter hygiënische voorwaarden in de woningen en meer schoonheid en minder werk het gevolg zijn. De nieuwe omstandigheden, waardoor de waarde van het huiselijke leven verhoogd en het schoonheidsgevoel ontwikkeld zal worden, zullen het inwendige van onze woningen een beschaafder en liefelijker aanzien geven, en ze zullen zonder overmatige inspanning van den eigenaar in orde te houden zijn.
Buiten en behalve deze betrekkelijk uiterlijke omstandigheden, ondervindt het gezin door de sexueel-economische verhouding geestelijke gevolgen, die niet allen een gunstigen invloed op onze ontwikkeling uitoefenen. Een van die gevolgen toont duidelijk op welke wijze de druk van deze verhouding werkt. Het private leven in onze huizen is een privaat leven van het gezin, een vereenigd privaat leven; dit verzekert ons niet,--integendeel werkt tegen,--het individueel privaat leven. Dit is een ander van de nog bestaande rudimenten van een levenswijze uit tijden die wij reeds lang ontgroeid zijn en die gehandhaafd blijven door het zorgvuldig bewaren van de primitieve gewoonten in den onveranderden toestand der vrouwen. In zeer vroege tijden kon een ruw en onverschillig volk in groote groepen in een kleine tent te zamen huizen, zonder ernstig ongerief of nadeel te ondervinden. De gevolgen van zulk groepeeren op moderne menschen kan men waarnemen in sommige wijken van groote steden, waar blokken huizen bij kamers verhuurd worden; zij zijn bepaald van demoraliseerenden aard.
De menschelijke wezens gaan voort zich hoe langer hoe meer door kleine verschillen van elkander te onderscheiden, waardoor een eigen tehuis, of ten minste een eigen kamer voor elk individu een vereischte wordt. Deze behoefte wordt voor een deel in het familie-leven erkend en voor zoo ver de beurs het toelaat, wordt er aan te gemoet gekomen; maar voor de groote meerderheid der bevolking is dit een onmogelijkheid. Voor vrouwen in het bijzonder is de weelde van een eigen kamer alleen voor de rijken weggelegd. Zelfs waar door den druk der maatschappelijke ontwikkeling voor een deel in deze behoefte voorzien wordt, daar werkt de druk van het familieleven haar aanhoudend tegen. Het tehuis is de eenige plaats op aarde waar niemand der familieleden ware afzondering kan genieten. Een gezin is een ruwe samenvoeging van personen, verschillend in leeftijd, grootte, geslacht en karakter, die door geslachts-banden en economische behoeften te zamen gehouden worden; en de liefde die tusschen de verschillende familieleden bestaan moest, wordt door dien economischen druk niet vermeerderd, doch eerder verminderd. Een door economische krachten onderhouden liefde, is trouwens de soort niet welke de menschheid het meest noodig heeft.
Elke neiging om zich tegenwoordig aan de oude sleur te onttrekken en een eigen leven te leiden, te leven naar eigen opvatting, wordt sterk tegengewerkt en door andere familieleden kwalijk genomen. Dit hindert de vrouwen meer dan de mannen, omdat de mannen zeer weinig te huis en zeer veel in de wereld leven. De man heeft zijn individueel leven, zijn persoonlijke uiting met de daaraan verbonden rechten, zijn kantoor, studeerkamer of werkplaats; de vrouwen en kinderen leven te huis, omdat zij moeten. Men beschouwt het van een vrouw slecht als zij elders veel tijd wenscht te besteden, en de kinderen laat men geen keuze. De historische neiging der vrouwen om "op straat te slenteren"; en van de kinderen om van huis te loopen, of om steeds ergens anders dan te huis te willen spelen; de onophoudelijke, nuttelooze, goed gemeende pogingen om "de jongens tehuis te houden", deze feiten, saam genomen met de bepaalde hoeveelheid tijd die de man buitenshuis doorbrengt, vormen een vreemd commentaar op ons gewillig geloof dat wij "tehuis" leven en het prettig vinden. En toch binden de banden van tehuis ons met een zachten druk, dien slechts weinigen kunnen weerstaan. Wie weerstand bieden en het doorzetten volgens eigen opvatting te leven, betalen dit met verlatenheid en ontbering; zij moeten zooveel van hun dagelijksche comfort en genegenheid opofferen, dat vele anderen er door teruggeschrikt worden hun voorbeeld te volgen.
Er bestaat geen enkele reden waarom deze pijnlijke keuze ons opgelegd behoeft te worden, geen reden waarom het huiselijk leven niet zoo ingericht kan worden, dat veroorloofd, ja, dat bevorderd zou worden, de hoogste ontwikkeling zijner persoonlijkheid te bereiken. Wij hebben behoefte aan het gezelschap van menschen die wij lief hebben, aan hun liefde en omgang. Dit zal bestaan blijven. Maar de gelegenheid om te koken en te eten, zooals in onze technisch onontwikkelde huizen, met alle daarmede samenhangende gebreken, is daarvoor niet noodzakelijk en behoeft niet te blijven.
Wij houden het er meestal voor dat de woning, zooals zij nu is ingericht, voor ons het beste is. Wij verbeelden ons daar hooger opvattingen, edeler aandoeningen op te doen, daar onderricht te worden hoe wij moeten leven. De waarheid aan deze volksmeening ten grondslag liggende is, dat de liefde van de moeder voor het kind de basis vormt van alle hoogere wederkeerige liefde. Maar men vergeet dat achter moederliefde de krachtige aandrift tot geslachts-liefde, de zich te buiten gaande kracht van den geslachtslust ligt. De familie-verhoudingen die daarvan een gevolg zijn, staan niet zoo hoog als onze breeder, dieper, maatschappelijke verhoudingen.
Voor het behoud van ons individueel leven hebben wij behoefte aan huiselijke geriefelijkheden. Het dragen en verdragen van het huiselijk leven, met zijn heerschenden en onophoudelijken invloed van den conservatieven geest der vrouw, houdt den onregelmatig snellen aandrang der mannelijke energie zeer goed in toom. Zoolang de wereld duurt zullen wij niet alleen aan individueele woningen behoefte hebben, maar ook aan het familieleven; een gemeenschappelijke scheede voor de onontloken blaadjes van elken nieuwen tak, bijeengehouden aan den ouderlijken stam, vóórdat zij ten slotte uiteen vallen.
Stemmen wij dit alles toe, dan blijft nog te bestrijden de steeds toenemende slechte uitwerking, niet van het huiselijk leven als zoodanig, maar van de soort van huiselijk leven, welke op de sexueel-economische verhouding gegrondvest is. In een gezin, waarin de terecht overheerschende vrouwelijke energie op een primitieve ontwikkelingshoogte wordt gehouden, en de vrouw de vrije deelname aan de snelle, breede, voorwaartsche beweging der wereld wordt ontzegd, ondervinden al de leden den invloed daarvan. Waar de buitengewone behoefte om dingen te ontvangen zonder er iets voor terug te geven, in de eene sekse wordt bevorderd en de woeste begeerte om zooveel mogelijk te verkrijgen in de andere sekse zorgvuldig wordt aangekweekt, daar ondervindt het kind dezen invloed onophoudelijk en groeit op in het denkbeeld, dat het leven slechts bestaat in het hebben van eten en het verkrijgen van geld om er voor te betalen, en dat men alleen werkt om voedsel van den leverancier te huis te krijgen, het te koken en op te disschen. Dat zijn de op den voorgrond tredende handelingen in het huiselijk leven, zooals wij het geregeld hebben. De zorg waarin wij ons leven doorbrengen, de zaken die ons hinderen en kwellen, zijn zaken die wij reeds lang en lang geleden ontgroeid moesten zijn, indien het menschdom geregeld vooruitgegaan was. De man is vooruitgegaan, maar de vrouw bleef achter. Door erfelijkheid gaat zij vooruit, door ondervinding komt zij achteraan; altijd teruggeduwd tot een economischen graad van vele duizenden jaren geleden.