De Economische Toestand Der Vrouw Een Studie Over De Economisch
Chapter 15
Het gezin is een verdwijnend overblijfsel van de vroegste, aan menschen bekende, groepeering. Het huwelijk is een toenemende ontwikkeling van hoog maatschappelijk leven, dat nog niet ten volle ontwikkeld is. In plaats van identiek te zijn met het gezin, staat het huwelijk in omgekeerde verhouding tot het gezin; het wordt beter en hechter, naarmate het gezin in waarde afneemt; dit is duidelijk waar te nemen in het groote contrast dat bestaat tusschen de huwelijks-verhouding van Jacob en zijne vrouwen en den niet te bedwingen wensch naar een levenslange monogame echtvereeniging, zooals die heden ten dage in onze harten opwelt. Gedurende het patriarchale tijdperk kon men zich van een huwelijk als een levenslange vereeniging van twee bij elkaar passende individuen, geen begrip vormen. Vrouwen hadden toen alleen waarde als kinderenvoortbrengsters. Het gezin had behoefte aan vele familieleden, voornamelijk mannelijke, daardoor verwierven de vrouwen met het in de wereld brengen van een mannelijk kind de hoogste gunst. Het gezin stond toen slechts weinig graden boven de horde. Zijn vereenigings-banden waren zeer los;--er was alleen een gemeenschappelijke vader, maar verschillende moeders met tegenstrijdige belangen. Zulk een grondslag verhinderde voor goed elke hoogere individualisatie, en hooger individualisatie, steeds vergezeld gaande met den wensch naar een hooger echtvereeniging, kan niet met een gezinsleven van eenige beteekenis gepaard gaan. Steeds steeg het huwelijk en ontwikkelde zich in maatschappelijke beteekenis, wanneer het gezin in waarde daalde en het gezinsleven minder werd.
Het is zeer interessant dit op te merken bij de vestiging van Utah, die onder betrekkelijk gelijke omstandigheden plaats vond. De gemakkelijk gevoelde gemeenschappelijke belangen van veel menschen onder één hoofd, waardoor de polygame gezinnen zich onderscheiden, was een nuttige factor in deze groote baanbrekende onderneming. Met de verdere ontwikkeling dier maatschappij gevoelde men behoefte aan een vlottender, verstandiger, breeder opgevatte verhouding der individuen. Het gezin als een maatschappelijke éénheid, vormt een zwaarwichtig lichaam, dat uit eenigszins vijandige leden is samengesteld en waarbij een militaire regeling vereischt wordt, om het in zijn geheel te doen werken. Het is alleen nuttig zoolang het doel dat men er mede bereiken wil van eenvoudigen aard is en door de domste menschen begrepen kan worden. Het is gemakkelijk na te gaan, hoe het gezin door toeneming in aantal leden zich uitbreidde tot een stam, en dat in overeenstemming met dien groei de vader van het gezin veranderde in hoofd van den stam. Hoe daarna, door de steeds grooter wordende kracht der nationale éénheid de naam hoofd en de vorm stam niet meer toepasselijk waren en door de hoogere eischen aan de geslachts-verhouding gesteld, die met de primitieve economische behoeften van het gezin niet konden samengaan, het gezin zich op een monogamischen grondslag vestigde.
En verder, nu onze nog in wording zijnde sociale behoeften een steeds verfijnder en vrijer onderlinge en gemeenschappelijke hulp der individuen noodig maken, vinden wij zelfs dat hetgeen nog van economische éénheid van het gezin overbleef, snel aan het afnemen is. Doch met den achteruitgang en met de verdwijning van de economische-verhouding wordt de geslachts-verhouding in het huwelijk zuiverder; en de wensch der hedendaagsche wereld naar een hooger, een edeler geslachts-vereeniging wordt even scherp uitgesproken, als het aangroeiend bezwaar tegen de bestaande economische vereeniging. Wij zijn zoo lang gewend geweest die twee met elkaar te verwarren dat het ons vreemd zal toeschijnen juist in de verouderde overblijfselen van de gezins-verhouding, wel is waar voorheen van waarde, thans de oorzaak te vinden, waardoor de hoogere ontwikkeling van het monogame echtverbond zoo pijnlijk wordt belemmerd.
In elke jongere generatie vormen mannen en vrouwen geslachts-vereenigingen, waarbij steeds hooger eischen gesteld worden aan een gelukkig huwelijk; waarbij steeds meer behoefte gevoeld wordt aan geestverwantschap. In elke nieuwe generatie wenschen en vragen mannen en vrouwen meer van elkander. Een vrouw is nu niet meer tevreden en dankbaar wanneer zij "een goeden man" heeft; een man is niet meer tevreden met een geduldige huissloof. Indien echter alle mannen en vrouwen in hun huwelijk weder tot den ouden economischen staat van het gezin terugkeeren, dan komen zij steeds weder onder de omstandigheden, waardoor hun wederkeerige liefde vermindert en het huwelijk een soort van compromis wordt, meer of minder moeilijk te dragen, naarmate de betrokken personen beter opgevoed en liefvriendelijk van aard zijn. Zulke menschen zijn zich niet altijd bewust van hun "ongelukkig huwelijk". Hun huwelijk is immers even gelukkig als die, welke zij rondom zich zien, misschien zoo gelukkig als wij veronderstellen dat een huwelijk "op aarde" kan zijn; en in den hemel verwachten wij geen huwelijken. Maar het is toch niet wat zij in hun jeugd er van verwacht hadden.
Wanneer twee jonge lieden elkander liefhebben, zouden zij dan, in de lange uren van samenzijn, die hun nooit lang genoeg toeschijnen, wel eens stilstaan bij het verrukkelijk vooruitzicht der huishoudelijke plichten? Immers neen. Zij denken aan het genot een "tehuis" te zullen hebben, waar zij "eindelijk alleen" zijn kunnen; aan de gelegenheid om van elkanders bijzijn te genieten, maar vooral aan hetgeen zij samen zullen doen. Samen te werken, samen te wandelen, samen te lezen, schilderen, schrijven, zingen of iets anders dat men prettig vindt samen te doen, daarnaar verlangt liefde.
Menschelijke liefde, nu zij een steeds hoogeren vorm aanneemt, verlangt hoe langer hoe meer naar zulk een kameraadschappelijkheid. Maar de economische staat van het huwelijk verstoort wreedaardig den jongen liefdesdroom. Uit een economisch oogpunt, afgescheiden van al het zoete en oprechte van de geslachts-verhouding, wordt de vrouw in het huwelijk de dienstbode, of op zijn hoogst de huishoudster van den man. Wij kunnen gerust zeggen dat over de geheele wereld de vrouwen in de lichamelijke behoeften van het menschelijk dier voorzien. Gehuwde verliefden werken niet te zamen. Zij kunnen, als zij tijd hebben, te zamen rusten; zij kunnen misschien te zamen spelen; maar zij maken niet te zamen de bedden op, of vegen of koken te zamen; en zij gaan ook niet te zamen naar de werkplaats. Zij staan economisch op een geheel verschillend maatschappelijk terrein, en dit vormt een slagboom voor elke hooger, oprechter vereeniging dan wij rondom ons zien. Een huwelijk kan alleen dan volmaakt zijn, indien het gesloten is tusschen menschen van gelijke klasse. En er bestaat geen klasse-gelijkheid tusschen hen die deelnemen aan het werk der wereld, volgens de nieuwste, breedste, hoogste methode en hen die hun werk verrichten op de oudste, bekrompenste, laagste wijze.
Indien wij gulweg toegeven dat het de taak der vrouwen is het huiselijk leven overal gezond, waar en zonnig te maken, dan kan men ons toch niet tegenspreken dat de economisch afhankelijke vrouw dit niet doet en het ook nooit zal kunnen. Dit kan en zal alleen een economisch onafhankelijke vrouw doen. Evenmin als het gezin identiek is met het huwelijk, evenmin is het huiselijk leven in een of ander opzicht identiek met een dier beiden.
Een tehuis is een bestendige woonplaats, hetzij het dienst doet voor één, twee, veertig of duizend, voor een paar, een troep of een zwerm. De bijenkorf is het tehuis voor de bijen, even letterlijk en absoluut als het nest het is voor een vogelpaar in hun paartijd. Het tehuis en de liefde er voor kunnen zich inkrimpen tot de ééne kamer van een ongehuwde, of zich uitbreiden tot de oppervlakte van het vasteland, wanneer de terugkeerende reiziger land ziet en "thuis" roept. Er bestaat geen zoeter woord, er is geen dierbaarder plek, wij kennen geen gevoel dat meer tot ons hart spreekt, dan dit.
Waarop berust, bij nauwkeurige ontleding, ons gevoel in dezen? Wat vormt den grondslag? Veel lager dan de menschheid, bij de vossen in hun holen en de vogels in hun nesten, begint reeds het diepe gevoel voor het tehuis. Het moederlijk instinkt zoekt een plaats waar het onbeschermd jong beschut wordt, wanneer de moeder afwezig is om voedsel te zoeken. De eerste scherpe indrukken uit de jeugd staan in verband met de beschuttende muren van een tehuis, moge dit de schommelende wieg in de takken der boomen, de zachte, donkere holte in den boomstronk of de kelder met zijn verborgen leger zijn. Een plaats waar men veilig is; een plaats waar men warm en droog is; een plaats waar men rustig slaapt en in vrede eet; een plaats wier enge, bekende grenzen de zenuwen rust geven van den voortdurenden toevoer van indrukken der buitenwereld; dezelfde plaats steeds en overal, waar elk moedeloos gevoel gesust en genezen wordt, in 't kort, elke plaats waar men gevoelt "dat men thuis is". Dit alles dateert uit onze eerste bewustwording. Dit alles bestaat reeds millioenen en millioenen jaren. Geen wonder dus dat wij het liefhebben.
Langzamerhand komen er dan nog de indrukken van teedere verhoudingen bij, de familiebanden uit den vroegsten tijd. Daarbij voegde zich, wel primitief doch wij zijn er nog niet geheel aan ontgroeid, het tastbaar-godsdienstig gevoel der vroegere ouder-vereering,--heiligheid bij veiligheid,--waardoor het gevoel voor tehuis zeer versterkt werd. Het was de plaats waar men bad, waar het heilig vuur brandde en waar plengoffers gestort werden voor gestorven voorvaderen. Voortgaande, kwam dan het langzaam uitgestorven tijdperk van vader-regeering hierbij een nieuw gevoel voegen, het gevoel van eer voor de plaats van comfort en van gebed. Het werd toen tevens de zetel der regeering,--het paleis en de troon. Op deze sterke fundeering hebben wij een torenhoog gebouw van gebruiken, gewoonten en wetten gebouwd, waar alle diepe, innige, teedere aandoeningen van het menschelijk individu huizen. Geen wonder dat wij doof en blind zijn voor elke voorgestelde verbetering van ons goddelijk lustslot.
Maar laat ons verder zien. Zonder een woord van het bovenstaande tegen te spreken, is het toch ook waar dat de hoogste aandoeningen der menschen opkomen en doorleefd worden buiten de woning en afgescheiden daarvan. Zoolang de godsdienst tehuis werd beoefend nam hij in dogma en ceremonie, in geest en uitdrukking een laag en benepen standpunt in. Hij kon zich niet verheffen, vóór dat hij nieuwe bezieling en nieuwe uiting vond in het menschelijk leven buiten de woning, vóórdat een plek gevonden werd, waar men gemeenschappelijk kon bidden en ceremoniën en moraal een menschelijken grondslag in plaats van den familie-grondslag aannamen. Voor wetenschap, kunst, regeering, opvoeding, onderwijs, industrie, is het huis de wieg, maar het zou ook hun graf worden, indien zij er in bleven. Alleen door te leven, denken, voelen en werken buitenshuis, worden wij menschelijk ontwikkeld, beschaafd, gesocialiseerd.
De flinke ontwikkeling van ons modern huiselijk leven is alleen mogelijk geworden, doordat het begeleid en voorafgegaan werd door modern maatschappelijk leven. Indien het omgekeerde waar was, wat gewoonlijk verondersteld wordt, dan zouden alle natiën, die in woningen leven, aanhoudend in beschaving moeten vooruitgaan. Doch dat doen zij niet. Integendeel, natiën waarbij het gezin en het familieleven nog het meest van kracht zijn, zooals in China, leveren een droevig voorbeeld van het resultaat van huiselijke deugden zonder maatschappelijke. Een waardig huiselijk leven is het product van een waardig maatschappelijk leven. De deugden waaraan de maatschappij behoefte heeft worden niet tehuis gekweekt. Maar de deugden noodig in gezinnen zooals die tegenwoordig gewenscht worden, worden wel in de maatschappij ontwikkeld. De leden van de vrijste, beschaafdste en meest geïndividualiseerde natiën vormen de beste leden van het gezin. De leden van de meest op zich zelf levende en hoogst vereerde gezinnen vormen niet noodzakelijk de meest gewenschte leden der maatschappij.
De strekking van sociale evolutie, zooals trouwens van elke evolutie, is om de "onbestemde, onzamenhangende homogeniteit te brengen tot bepaalde, samenhangende heterogeniteit", en het gezin met zijn koppig handhaven van een voortdurende homogeniteit staat daarom den maatschappelijken vooruitgang zeer in den weg. De menschelijke wezens moeten het huiselijk leven niet minder lief hebben, maar zij moeten het uitbreiden door een nieuwe en krachtige uiting.
Bovenal echter hebben wij behoefte aan een volledige ontwarring der denkbeelden omtrent de afwisselende en dikwijls lijnrecht tegenovergestelde belangen en werkzaamheden, die zoolang verondersteld zijn deel uit te maken van huis en gezin. De verandering van de economische positie der vrouw, van afhankelijkheid tot onafhankelijkheid, brengt tot ons groot voordeel ook een andere regeling der huiselijke belangen en werkzaamheden mede.
XI
Als een natuurlijk gevolg van onze arbeidsverdeeling naar het geslacht, de vrouw het huis en den man de wereld als arbeidsveld gevende, is het dwaze begrip gekweekt dat de huiselijke plichten als essentieel vrouwelijk en ieder ander soort van arbeid als essentieel mannelijk werk moet aangemerkt worden. Wij hebben stilzwijgend aangenomen dat de bereiding en toediening van voedsel en het verwijderen van stof en vuil,--de voedende en uitscheidende processen van het gezin,--vrouwelijke functiën zijn; doch tevens namen wij aan dat deze processen in de woning moeten geschieden, dat daarin eigenlijk de uiterlijke expressie van het gezin gelegen is. Het menschelijk wezen moet tehuis gevoed, gereinigd, verwarmd, en in 't algemeen verzorgd worden, wanneer het niet elders werkzaam is.
De voeding van den mensch is een ingewikkelde zaak. De weg van hand tot tand is lang, zegt een oud spreekwoord. Het voedsel wordt door het menschenras collectief voortgebracht, niet door individuen voor hun eigen gebruik, maar door onderling met elkaar in betrekking staande groepen van individuen, over de geheele wereld, voor het verbruik van allen. Dit gemeenschappelijk geproduceerd voedsel circuleert door de wereld, door middel van nauwkeurig werkende inrichtingen van transport, aflevering en bereiding, vóór dat het de monden der verbruikers bereikt, en alleen de eindprocessen, keuze en bereiding zijn in handen der vrouwen. De vrouw is de laatste kooper; in haar handen rust ook de laatste handeling der menschelijke voeding, het koken; dit is een soort van buiten het lichaam plaats vindende digestie, die voor de menschen bleek voordeelig te zijn. Deze laatste afdeeling der menschelijke voeding heeft men tot een geslachts-functie gemaakt en wordt verondersteld bij de vrouwen-natuur te passen.
Indien het voor het menschelijk ras voordeelig is dat het voedsel door een bepaalde sekse wordt gereed gemaakt, dan moet dit voordeel uit eene betere gezondheid en reinere gewoonten der menschen blijken. Dit voordeel bestaat evenwel niet. Ondanks onze macht en ervaring bij de voortbrenging en bereiding van voedsel, blijven wij, wat het eten betreft, "het ziekste beest der wereld." Ons machteloos geschreeuw tegen de vervalsching der voedingsmiddelen bewijst dat een deel van dit euvel in de ten verkoop aangeboden voedingsproducten ligt; de aandoenlijk groote oplagen der talrijke kookboeken bewijzen dat een ander deel van dit kwaad in de bereiding dezer producten ligt; en de nuttelooze vermaningen van doctoren en wijze moeders bewijzen dat ook een deel aan onzen ziekelijken smaak en eetlust moet worden toegeschreven. Oogenschijnlijk zou men meenen dat de menschen, na de eeuwenlange ondervinding, nog niet geleerd hebben hoe goed voedsel bereid, hoe het gekookt en hoe het gegeten moet worden,--wat helaas maar al te waar is!
De groote functie der menschelijke voeding werd met de geslachtsverhouding verward en als een geslachts-functie beschouwd; zij werd in de hulpelooze handen dier lieve doch onvolmaakte bemiddelaars, de economisch afhankelijke vrouwen gesteld; en het valt niet moeilijk aan te toonen dat zulke bemiddelaars werkelijk voor die taak onbekwaam zijn. In haar positie van huishoudster in eigen gezin is de vrouw de laatste kooper van het voedsel; en hier vinden wij de oorzaak wan de ongelooflijk groote vervalsching der voedingsmiddelen.
Elk soort van bedrog en misleiding in den dienst der menschheid moet toegeschreven worden aan de zucht om te ontvangen zonder te geven, welke zucht, zooals in vorige hoofdstukken werd aangetoond, grootendeels een gevolg is van de opleiding der vrouwen tot onproductieve verbruikers. Maar de bijzondere vorm van bedrog en misleiding door den een of anderen verkooper in praktijk gebracht, wordt door het verstand en de macht van den kooper beheerscht. Het is zeer gemakkelijk, voordeel te trekken uit verdunning en vervalsching der voedingsmiddelen, omdat de laatste kooper over bijna geen macht en zeer weinig verstand beschikt. De huisvrouw koopt bij korte tusschenpoozen en bij kleine hoeveelheden. Men weet zeer goed dat dit financieel nadeelig is, maar dat ook de kwaliteit der koopwaren daaronder lijdt, is niet zoo algemeen bekend. Alleen wanneer de vrouw aan het hoofd van een rijke huishouding staat en in groote hoeveelheden moet inkoopen voor gezin, bedienden, gasten, krijgt haar handel genoegzame waarde om op de kwaliteit van de waar invloed uit te oefenen. Een winkelier met honderd arme vrouwen tot klant, levert een veel mindere kwaliteit dan hij, die eenzelfde hoeveelheid aan één persoon verkoopt. Van daar dat het gezin bij den inkoop van voedsel wezenlijk in een voortdurend ongunstige positie verkeert; en daarenboven de voornaamste oorzaak is van het lage gehalte der voedingsmiddelen, waartegen wij met lastige wettelijke bepalingen moeten strijden.
De meeste huishoudsters zijn onnoozel genoeg hunne onbekendheid met deze zaken te bewijzen, door te ontkennen dat de voedingsmiddelen van zoo'n laag gehalte zijn. Laten zulke vrouwen eens de verordeningen en instellingen van de stad hunner inwoning--en van elke beschaafde stad--onderzoeken en nagaan hoe het brood, de melk, het vleesch, het fruit enz. onder aanhoudend wettelijk toezicht staan, met het doel, den onwetenden, hulpeloozen kooper voor bedrog te beschermen. Indien de huishoudster van het gezin zooveel technisch verstand bezat dat zij de gekochte voedingsmiddelen kon keuren, indien zij zich geoefend had de melk te onderzoeken, de vreemde bestanddeelen in koffie en specerijen te ontdekken, de hoedanigheid van vleesch te bepalen, de soort en rijpheid der vruchten en groenten vast te stellen, dan zou zij ten minste in staat zijn tegen haar leverancier te protesteeren en voor zoover tijd, afstand en beurs het toelaten, een beteren op te zoeken. Dit technisch verstand verkrijgt men echter alleen door bepaalde studie en ondervinding; doch voor dengeen die alleen voor zich zelf koopt, zou deze kennis slechts moeilijkheid en ellende medebrengen, omdat hij de macht mist de eischen te stellen, die het verstand alsdan aangeeft.
Zooals de toestand nu is bezit de vrouw bij het koopen der voedingsmiddelen alleen haar onwetenschappelijke ondervinding, opgedaan door oefening op haar hulpeloos gezin en nog wel gedurende den tijd dat het opgroeiend kroost zoozeer behoefte heeft aan eene verstandige verzorging, die de moeder slechts in staat is in later jaren te verschaffen. Deze ondervinding met hare treurige begrenzing en praktische belemmering door den persoonlijken smaak en de financieele omstandigheden van het gezin, gaat telkens verloren waar zij gevonden werd. Ieder moeder verkrijgt langzamerhand een beetje kennis van haar bezigheden door ze uit te oefenen, ten koste dikwijls van het leven en de gezondheid van het gezin en door op te merken welke gevolgen ze op de overlevenden hebben. En elke dochter begint op nieuw even onwetend als haar moeder was. Men schijnt deze kunst niet aan anderen te kunnen mededeelen. Het is geen geregelde opleiding, zooals elk belangrijk werk vereischt, maar een langzaam opzuigen van ondervinding, waarmede op het beschermen van de gezondheid der maatschappij geen invloed kan worden uitgeoefend. Als de laatst handelende tusschenpersoon bij de voeding der menschheid voldoet de huisvrouw niet; dit is geen gevolg van gebrek aan goeden wil, maar van haar positie als individueele kooper. Alleen door organisatie kunnen zulke gebreken, als de in het groot voorkomende vervalsching der voedingsmiddelen, verholpen worden en de vrouw, als dienstbode, behoort tot den laagsten graad van ongeorganiseerden arbeid.
Wanneer wij thans den inkoop van voedingsmiddelen laten rusten en de bereiding van het voedsel nagaan, dan mogen wij natuurlijk verwachten dat de bestemming van een geheele sekse, voor het vervullen van deze functie, zeer merkwaardige resultaten oplevert. Die resultaten zijn merkwaardig, doch niet gunstig zoo als verwacht mocht worden. De kunst en wetenschap van het koken vereischt een grondige kennis van de voedingswaarde der voedingsmiddelen en van de physiologische en hygiënische wetten. Als een wetenschap grenst het aan de preventieve geneeskunde. Als een kunst is het in staat tot nobele expressie, binnen zijn natuurlijke perken. Het standpunt dat het tot heden bij ons inneemt is zoo ver van wetenschap verwijderd en houdt zoo weinig verband met preventieve geneeskunde, dat het op de laagste sport van amateurs-handenarbeid staat en een vruchtbare bron voor ziekte is. Als een kunst heeft het zich, onder den eigenaardigen prikkel van zijn toestand als geslachts-functie, tot een wellustige overdaad ontwikkeld, die even valsch als slecht is. Ons onschuldig gezegde: "de weg tot het hart van den man gaat door zijn maag," verklaart treurig duidelijk hoe wij aan tafel onze lichamen bederven en onzen geest verlagen.
Zoolang de eene helft van het menschdom als amateurkok voor de andere helft werkt, zal het onmogelijk zijn, dat de kennis van dit vak een hoogen graad van wetenschappelijke nauwkeurigheid of technische bekwaamheid bereikt. De ontwikkeling van een of ander menschelijk werk vereischt specialisatie en specialisatie is onmogelijk bij ons stelsel, waarbij verondersteld wordt dat elke vrouw van nature kok is. Voor zoo ver de kookkunst is vooruit gegaan, hebben wij dit te danken aan de studie en ondervinding van de mannelijke beroeps-koks en scheikundigen en niet door den Sisyphus-arbeid van onze eindelooze generaties van op zich zelf staande vrouwen, waarvan ieder weder begon, waar ook haar moeder begonnen was.
Natuurlijk zullen hier weer smartelijke verzuchtingen gehoord worden over "moeders lekkere schoteltjes", en in antwoord daarop kunnen wij alleen verwijzen naar onze tweede premisse in het laatste hoofdstuk. Het feit dat wij van iets houden bewijst nog niet dat dit juist en goed is. Een kind uit Missouri kan de gekruide beschuiten van zijn moeder erg lekker vinden, maar dat neemt niet weg dat zij op zijn geest en lichaam een slechte uitwerking hebben. Kookkunst berust op wetten, zij is geen onschuldig verbeeldingsspel. Bouwkunst zou misschien vermakelijker en afwisselender zijn, indien ieder zijn eigen huis bouwde, maar dan was zij nooit de kunst en wetenschap geworden, waartoe wij haar nu hebben opgevoerd. Zoolang iedere vrouw het voedsel bereidt voor haar eigen gezin, zal het koken zich nooit boven het niveau van amateurs-werk kunnen verheffen.