De Economische Toestand Der Vrouw Een Studie Over De Economisch
Chapter 12
Wanneer men de onderwerping der vrouwen zoekt te rechtvaardigen, dan wordt gewoonlijk aangevoerd dat het belang der kinderen die vereischt, omdat de vrouwen onder dezen toestand zich uitsluitend aan het moederschap kunnen wijden. In deze bewering zijn twee zwakke punten. Het een is dat dit belang der kinderen niet bewezen kan worden; het ander dat het niet de diensten van het moederschap zijn waaraan de vrouw zich geheel wijdt, maar dat het de diensten van het geslachts-leven zijn. In plaats dat de economische afhankelijkheid der vrouwen in het belang van het nageslacht werkt, heeft zij daarentegen een ziekelijk moederschap en een afnemend geboorte-cijfer ten gevolge.
In de eenvoudige tijden van voorheen was er een periode waarin het krijgen van kinderen voor de vrouwen een economische beteekenis had, toen beschouwde men hen alleen in dat opzicht van nut; vervulden zij die taak niet, dan stonden zij ook niet in eer of aanzien. Zulk een toestand leidde er toe, de hoeveelheid kinderen sterk te doen toenemen, al geschiedde dit ook ten koste van de hoedanigheid. Doch toen met de ontwikkeling der industrie het gewicht van economische zorgen op de schouders van den man toenam, begon men kinderen als een last te beschouwen en werd hun komst door den hard werkenden vader niet meer in die mate gewenscht. Zij verkleinen het inkomen van het gezin; en de moeder die uitsluitend met dat inkomen moet rondkomen en in haar positie van onbetaalde dienstbode overwerkt is, voelt zich volstrekt niet gedrongen onder dien economischen druk naar het moederschap te streven. Bij de werklieden,--waartoe toch de meerderheid van een volk behoort,--is de vrouw dan ook niet uitsluitend werkzaam in dienst van haar kinderen. En onder de verstandigste en nauwgezetste werklieden bestaat tegenwoordig een merkbare afkeer van groote gezinnen, en bestendig wordt getracht om de uitbreiding van het gezin te voorkomen.
Mocht men meenen dat deze beschouwing in geen direct verband staat met de economische positie der vrouw, maar veeleer met den algemeenen staat der werklieden, dan bezie men denzelfden toestand eens bij de rijke lieden naderbij. Hier is de economische afhankelijkheid der vrouw tot het uiterste opgevoerd. De dochters en vrouwen van de rijken doen nog niet eens het huiselijk werk dat door de vrouwen uit arme gezinnen moet verricht worden. Zij zijn van de wieg tot het graf volmaakt on-productief, zoowel in goederen als in arbeid van economische waarde en zij verteren daarentegen van zulke goederen en arbeid een hoeveelheid, welke alleen door de koopkracht van hunne mannelijke bloedverwanten begrensd wordt. Hun economische beteekenis, gehuwd of ongehuwd, ligt in hun macht de mannen aan te trekken en te bekoren; en deze macht is niet die van het moederschap. Integendeel, het moederschap ontrooft vele vrouwen haar persoonlijke bekoringen en neemt veel van haar tijd in beslag, waardoor zij allerlei genoegens en voordeel die voor een vrouw zonder kinderen verkrijgbaar zijn, moeten derven. Zij profiteeren het meest door de geslachtsverhouding zonder haar natuurlijke gevolgen; en daarom is het economisch in haar voordeel het moederschap tegen te gaan, in plaats van het in de hand te werken.
Indien men de uiterste grens van de sexueel-economische verhouding uit dit oogpunt beschouwt dan is het voor ieder duidelijk waar te nemen. Niets werkt toch de verbetering van het ras door het moederschap meer absoluut tegen dan de prostitutie. Met zich uitsluitend te wijden aan den dienst van het moederschap, zooals de koningin-bij doet, of met zich uitsluitend te wijden aan den dienst van het geslachts-leven zonder moederschap, zooals de prostituée doet, bevordert men niet de verbetering van het ras. En toch bestaat er nog steeds een krachtige volksmeening, dat het voor ons ras van het grootste belang is dat alle vrouwen van directe economische werkzaamheden bevrijd blijven, opdat zij zoodoende al hun krachten beschikbaar houden voor de schoone taak van het moederschap.
In The Forum van November 1888 schrijft Lester F. Ward een artikel getiteld: "Our better halves" (onze betere helft), waarin hij duidelijk de superioriteit van het vrouwelijk geslacht uit een biologisch oogpunt aantoont. Natuurlijk verwekte dit artikel veel tegenspraak; en in een weerleggend stuk "Woman's place in nature" (de plaats der vrouw in de natuur), (The Forum Mei 1889) zet Mr. Grant Allen zeer uitvoerig de algemeene opinie over dit onderwerp uiteen. Van de vrouw zegt hij: "ik geloof dat het waar is dat de vrouw veel minder dan de man het ras vertegenwoordigt, dat zij waarlijk op het oogenblik nog zelfs niet ten halve tot het ras behoort, maar eerder een deel er van uitmaakt, bepaald bestemd voor de instandhouding van de soort; precies als hommels en mannelijke spinnen deelen zijn van hun soort, alleen aangewezen voor de uitoefening van hun mannelijke functiën, of zoo als honingbijen individueele insekten zijn, alleen bestemd om als levende honingpotten voor de gemeenschap te werken. De vrouw moet zich alleen aan de voortplanting wijden."
Sedert op biologische gronden bewezen werd dat het zeer langzaam ontstaan en ontwikkelen van het mannelijk organisme uitsluitend als een reproductieve noodzakelijkheid moet opgevat worden; en sedert vrouwen worden opgeofferd niet aan reproductieve noodzakelijkheden, maar aan zeer onnoodige en beleedigende geslachtelijke handelingen onder den druk hunner economische afhankelijkheid, vertoont een bewering als die van Mr. Grant Allen een sterk humoristische zijde. Zijne meening wordt evenwel niet alleen gedeeld door menschen die beweren van sociologie en biologie een bijzondere studie te hebben gemaakt, maar het groote publiek denkt er evenzoo over en daarom is het noodig dat wij er onze aandacht aan wijden. Wie de meening van Mr. Grant Allen deelen, moeten echter toestemmen dat de over-ontwikkeling van het geslacht een gevolg is van de economische verhouding tusschen mannen en vrouwen en dat een reeks individueele en maatschappelijke zonden uit deze over-ontwikkeling voortspruiten. Zij moeten verder zelfs toegeven dat de economische ontwikkeling van het ras er eenige schade door lijdt. Maar zij zullen in antwoord daarop beweren dat deze ziekelijke toestanden bij den menschelijken vooruitgang behooren; dat door de vrouw voor den dienst van het moederschap te bestemmen de menschheid meer goed dan kwaad ondervindt, hoe groot dit laatste ook mag zijn; en omgekeerd, dat het individueele en maatschappelijke voordeel door economische vrijheid der vrouw verkregen, niet opweegt tegen het verlies het ras toegebracht, door opheffing van een moederschap, waaraan de vrouwen zich speciaal wijden.
Om dit te weerleggen is het noodig aan te toonen dat onze groote toewijding aan de kinderen niet zulke voordeelige resultaten heeft als wel verondersteld wordt; dat de invloed van ons moederschap op het ras eerder beneden dan boven die van andere diersoorten staat; dat deze mindere invloed zijn oorzaak vindt in de sexueel-economische verhouding; dat het weder instellen van de economische vrijheid der vrouw het moederschap zal ten goede komen; en ten slotte langs welke lijn van sociale en individueele ontwikkeling deze verbetering praktisch te verkrijgen is.
Bij de behandeling van dit onderwerp hebben wij behoefte aan een bijzondere geestelijke voorbereiding. Wij dienen aan te toonen dat onze denkbeelden hierover door vooroordeel een eigenaardige tint hebben aangenomen, en dat wij in geen andere gedachtensfeer zoo door onze aandoeningen verblind worden. Dit onderwerp is altijd boven eenig ander, meer een kwestie van gevoel dan van verstand geweest. Ook de verhouding der seksen is grootendeels een kwestie van gevoel, maar wij hebben die tevens tot een onderwerp van studie, van vergelijking, van bespiegeling gemaakt. Er bestaan dientengevolge verschillende meeningen over de geslachts-verhouding, maar over het moederschap bestaan er geene. Hier en daar durft de een of ander philosoof, een Plato, een Rousseau, eenige gedachten wijden aan dit onderwerp; maar over het geheel is geen thema van zooveel belang zoo weinig als dit bestudeerd geworden. Men beschouwt het moederschap als heiliger dan godsdienst, bindender dan de wet, bekender dan de wijze van eten; wij zijn allen geboren en opgevoed in de aangenomen verheerlijking er van, en op ouderen leeftijd deelen wij het weder evenzoo aan de jongeren mede. Iemand kan met minder gevaar om uitgejouwd te worden den wil en de daden van zijn God dan van zijn moeder in twijfel trekken. Deze moeder-vergoding is een zoo diep ingeworteld, zoo wijd verspreid en lang bestaand gevoel dat zij zich op iederen trap van geestelijke ontwikkeling vertoont. Zij is met onze godsdienstige gevoelens eenerzijds en met onze geslachts-neigingen anderzijds zoodanig saâmgeweven, dat het bijna onmogelijk is over dit onderwerp helder en kalm na te denken; immers lang was het verboden om over godsdienst en geslachts-kwesties van gedachten te wisselen, wijl het een te heilig en het andere te onheilig was. Het is daarom gemakkelijk te begrijpen waarom wij in dezen zoo vol vooroordeel zijn.
Het instinkt dat het kind naar de moeder drijft is even oud als dat wat de moeder naar het kind drijft, beide dateeren uit de periode toen het kind voor het eerst zorg noodig had, misschien reeds uit den tijd der latere reptiliën. Deze band tusschen moeder en kind heeft onafgebroken door de geheele lijn van progressie bestaan en is bij ons sterker dan bij eenig ander schepsel, omdat in onze sociale ontwikkeling de ouders voor het kind niet alleen het geheele leven door, maar wegens ons erfrecht, zelfs nog na den dood van belang zijn. Een zoo vroeg, zoo hoogst belangrijk, zoo lang opgehoopt dierlijk instinkt, dat nog door maatschappelijke wetten versterkt wordt, is een groote kracht, waarbij bovendien nog gevoegd moet worden de lange periode van groote ouder-vereering. Daardoor veranderen de dwaze begrippen van vroegere vergoders van de idee der ouderlijke heiligheid geheel, want zij die eerst een God van hun vader gemaakt hadden, maakten daarna een vader van God, en dit diep godsdienstig gevoel heeft het gewicht van instinkt zeer verhoogd. Ook familie-regeering, onbegrensd als zij was in het patriarchale tijdperk, heeft ons eerbiedig, blind vertrouwen in het ouderschap zoo hoog opgevoerd, tot het majesteitsschennis werd aan de goede plichtsvervulling er van te twijfelen. Op twee zeer belangwekkende overgangen in deze sfeer moet gewezen worden. De een is dat het toppunt van kinderlijke toewijding in het patriarchale tijdperk bereikt werd, in den tijd toen de vader de eenige machthebbende en de voeder van het gezin was en naar goedvinden zijn kinderen mocht slaan of verkoopen; doch dit overblijfsel van onder-vereering verminderde bestendig met de wijziging van den regeeringsvorm tot in onzen democratischen tijd, waarin met volle ontwikkeling van persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid de laagste graad van kinderlijken eerbied en onderwerping aangetroffen wordt. In plaats daarvan is in aller belang de ongedwongen, liefelijke omgang tusschen ouders en kinderen gekomen, die vroeger, toen de kinderen een kruipende houding tegenover hen moesten aannemen, volkomen onbestaanbaar was.
De ander is de langzame overgang van de hoogste vadervereering "de schepper van mijn bestaan", zooals het kind gewoon was hem te beschouwen, naar onze moderne moederwaardeering. De stervende soldaat op het slagveld denkt aan zijn moeder, verlangt naar haar, niet naar zijn vader. De reiziger en banneling droomt van zijn moeders zorgen, zijn moeders versnaperingen. De pathos der volkssprookjes gaat heden reeds zoover dat men "den verloren zoon" naar zijn moeder terugbrengt, niet naar zijn vader. Indien de oorspronkelijke "verloren zoon" een moeder had gehad, dan zou die zeker bezig geweest zijn het vetgemeste kalf te braden, toen hij terugkwam. Indien de tegenwoordige "verloren zoon" een vader heeft, dan heeft die alleen de verplichting het kalfsvleesch te betalen. Onze teederste gevoelens, onze diepste eerbied, onze hoogste verbolgenheid over een beleediging concentreeren zich tegenwoordig allen meer om de moeder dan om den vader; en dit is een sterk bewijs dat de erkenning van de werkelijke waarde van de vrouw in het leven en de plaats die zij er moet innemen, ons wordt ingegeven, terzelfder tijd dat ons verstand beide kan begrijpen. Niets kan ooit de waarheid van de waarde der moeder overschatten. Ons instinkt geeft ons den rechten weg aan, zooals trouwens alle diep ingewortelde sociale instinkten doen; maar rondom dit instinkt zijn een hoop valschheden en dwaasheden opgegroeid, die er altijd toe leiden den vooruitgang er van te vertragen en te beletten.
Als de hoofdpersoon bij de voortplanting wordt de moeder hoofdzakelijk op eenvoudige physiologische gronden vereerd. Als de hoofdpersoon in vormende liefde, de groote voorwaarde voor menschelijk geluk, is zij de bron van onzen geheelen groei. Als de beginner der industrie is zij nog eens een bron van vooruitgang. Als de eerste en laatste opvoedster vormt zij buiten haar lichaam wat zij daar binnen schiep; en daar zij de zichtbare, voelbare, beminnelijke, levende type van dit alles is, het wezen in wiens persoon de volle som van goedheid voor het individu is uitgedrukt, is het geen wonder dat onze sterkste, diepste, teederste gevoelens zich groepeeren om het beteekenisvolle woord "moeder".
Stemmen wij met dit alles volkomen in, dan blijft nog voor ons over het volle licht der wetenschap en het eerlijke werk der gedachte naar deze, evenals naar iedere andere phase van het menschelijk leven te richten; ons gevoel te laten rusten en ons verstand te gebruiken; uit te maken of wij zelfs hier wel gerechtigd zijn om het belangrijkste werk van het individueele leven volgens de methoden van het primitieve instinkt te blijven verrichten. Het moederschap is slechts een levensproces en als alle levensprocessen mag het bestudeerd worden. Onder onbewuste, beginnende levensvormen volbrengt het zijn taak door een eenvoudig instinkt. In het bewuste en samengestelde menschelijk leven eischt het veel talrijker en verschillender krachten om zijn taak goed te vervullen. Bij ons is het een bewust proces,--een proces dat goede of slechte gevolgen kan hebben. Deze willekeurige macht brengt nieuwe verantwoordelijkheden en de behoefte aan nieuwe methoden mede,--een behoefte die niet enkel hierop neerkomt, om te overwegen of wij de plichten van het moederschap wel aanvaarden mogen, maar hoe wij ze het best vervullen kunnen.
Het moederschap moet evenals ieder ander natuurlijk proces beoordeeld worden naar zijn resultaten. Het is goed of slecht naarmate het aan zijn doel beantwoordt. Het menschelijk moederschap moet beoordeeld worden naarmate het aan zijn doel voor het menschelijk ras beantwoordt. Zijn eerste doel is het ras voort te planten door reproductie van het individu; het tweede het ras te verbeteren, door verbetering van het individu. Het zuiver eenvoudige werk van voortplanting wordt evengoed volbracht door het leggen van eieren, die soms na den dood van de moeder eerst worden uitgebroed, als door jarenlang dienstbetoon aan de kinderen; maar voor het verbeteren van het ras komen wij met andere eischen. De functiën van het moederschap zijn even natuurlijk vermeerderd als de functiën van de voeding, en elk ontwikkelingsstadium heeft voor de moeder nieuwe plichten mede gebracht. De moeder-vogel moet haar jongen uitbroeden, de moeder-koe moet haar jongen zoogen, de moeder-kat moet jagen voor ze; en van elken afzonderlijken dienst welken de moeder verricht, moet de waarde beoordeeld worden naar de gevolgen voor de jongen. De maatstaf voor het ware moederschap wordt gevonden in datgene wat gedaan wordt in het werkelijk belang der jongen, en het beste voor de jongen zal wel datgene zijn, wat hun een beter toekomstig bestaan verschaft dan dat van hun ouders. Het doel van het ware moederschap is een beter wezen dan de ouders in de wereld achter te laten.
Dit doel wordt in het menschenras door twee processen gediend: door de eenvoudige individueele functie van voortplanting, waartoe ook alle zorg en verpleging behooren; en door de saamgestelde, maatschappelijke functie van opvoeding. Aanvankelijk was deze laatste een moederlijke functie en daarom een individueele, maar sedert lang is zij eerder een ras- dan een individueele functie geworden, die in geen betrekking meer staat tot de sekse of eenige andere persoonlijke beperking. De kinderen hebben voor een goede ontwikkeling niet alleen de liefde en zorg der moeder noodig, maar bovendien de zorg en opvoeding van vele anderen. Dit is in zulk een uitgebreiden zin waar, dat men in het algemeen kan zeggen dat het tegenwoordig voor een kind beter zou zijn om totaal verlaten, zonder moeder of eenig familielid, in de straten eener groote stad te staan, dan met een groote en aanhankelijke familie overgebracht te worden naar het "donkerste Afrika".
Menschelijke functiën zijn ras-functiën, maatschappelijke functiën, en daartoe behoort opvoeding. De plicht van de mensch-moeder en de maatstaf voor een goede of slechte vervulling er van moet beoordeeld worden naar de vruchten der voortbrenging en opvoeding. Aangezien er geen diersoort boven ons staat bij wie wij ons moederschap kunnen vergelijken, moeten wij den maatstaf bij lager diersoorten aanleggen. Wij moeten bewijzen kunnen dat wij in de functiën, die wij met hen gemeen hebben, hooger staan dan zij.
Slaagt de mensch-moeder beter in de voortplanting van haar soort dan andere dieren van de orde mammalia? Brengt zij de jongen beter in de wereld en voedt zij ze beter op dan moeders van lager diersoorten? Deze dieren, minder bewust dan wij, handelen eenvoudig door hun instinkt: zij paren in het daarvoor bestemde jaargetijde; zij voeden, bewaken, verdedigen hun jongen zoo goed als zij kunnen en zij laten schepsels in de wereld achter even goed of beter dan hunne ouders. Wij hebben van wilde dieren weinig vertrouwbare gegevens, en het is moeilijk om de natuurlijke processen van de tamme dieren los te maken van onze inmenging. Maar bij beide toont de eenvoudige handhaving der soort dat het moederschap ten minste tamelijk goed in de voortplanting slaagt; en bij de dieren die wij voor ons voordeel laten broeden, zien wij duidelijk de mogelijkheid dat het ras door het voortplantingsproces alleen reeds verbeteren kan. Kunnen wij nu met ons menschelijk verstand en ons menschelijk geweten, rijk door macht en wijsheid en door het heerschen over de andere rassen, kunnen wij als moeders de vergelijking met onze voorgangers doorstaan?
Het menschelijk moederschap vertoont meer ontaardingskenmerken dan eenig ander; het is ongezonder, onvolmaakter, zieker. De jongen van de menschen zijn eveneens ziekelijk. Wij als dieren, zijn in deze omstandigheid zeer inferieure dieren. In plaats van ons zelf te verheffen op den grooten moed waarmede wij "de gevaren van het moederschap" onder de oogen zien en te pochen dat wij ons "in levensgevaar begeven" voor onze kinderen, moesten wij ons liever schamen, dat wij moeder en kind beide aan zulke gevaren blootstellen. In levensgevaar begeven? Maar dat is het levenslicht voor de ongeborene; en daar bestaat trouwens geen levensgevaar, behalve wat wij, de moeders, door ons onnatuurlijk leven, over onze eigen kinderen gebracht hebben. Levensgevaar, natuurlijk, voor de duizende kinderen die te-laat-geboren, ontijdig-geboren, tot-ongeluk-geboren, en dood-geboren worden omdat het ware moederschap niet aanwezig is. In de eerste lichamelijke functiën van het moederschap kan de vrouw niet bewijzen dat haar veronderstelde bijzondere roeping voor deze taak de vervulling er van verbeterde, eer het tegendeel. Waar dan ook de mensch-moeder zich bezig houdt met de natuurlijke werkzaamheden van een menschelijk wezen, zooals de vrouw bij de wilde volksstammen, de boerin en overal de werkende vrouw doet, daar vervult zij, zoolang zij zich niet behoeft te overwerken, deze functiën oneindig veel beter.
Doch waar een vrouw uitsluitend bestemd wordt voor geslachts-functiën en van alle economische werkzaamheden wordt uitgesloten, waar haar geslachtsverhouding moet dienen als middel tot levensonderhoud, daar zal haar moederschap aan ziekelijke afwijkingen onderhevig zijn. De overdreven geslachts-ontwikkeling, veroorzaakt door haar economische afhankelijkheid van den man, werkt nadeelig terug op haar wezenlijke plichten. Zij is te vrouwelijk voor een volmaakt moederschap! De overdreven ontwikkeling van haar secondaire geslachts-eigenschappen vormen bij overerving een verwoestend element. Kleine, zwakke, zachte, slecht geproportioneerde vrouwen brengen geen groote, sterke, forsche, krachtige, welgevormde mannen en vrouwen voort. Toen Frederik de Groote stevige grenadiers wilde hebben, liet hij groote mannen met groote vrouwen paren,--niet met kleine. De vrouw die alleen voor de geslachts-functiën leeft, ontaardt natuurlijk in ras-ontwikkeling en brengt even natuurlijk die ontaarding op haar nakomelingschap over. De mensch-moeder toont in de voortplantingsprocessen niet boven maar beneden de lagere dieren te staan, en geeft in dat opzicht geen blijk dat haar opgaan in geslachtsfunctiën haar jongen ten goede komt. De moeder van een dood kind of het kind van een doode moeder; het zieke, kreupele of idiote kind; de uitgeputte, zenuwachtige, te vroeg-oude moeder,--zijn bij ons niet onbekend en zijn geen bewijzen dat wij in ons moederschap boven andere dieren staan.
Nu wij de wijze waarop bij den mensch het moederschap vervuld wordt, met het oog op de lichamelijke voortplantingsprocessen niet kunnen goedkeuren rijst de vraag, of er soms voordeelen van het menschelijk moederschap in de andere afdeeling, de opvoeding, zijn aan te toonen? Indien de moeder ziekelijk is en het kind eveneens, zal dan misschien haar liefderijke zorg voor het kind daar tegen opwegen? Zal niet de teedere toewijding van de moeder en haar onvermoeide bewaking van het kind genoegzame resultaten opleveren om voor het menschelijk moederschap, in vergelijking met dat van andere diersoorten, onze bijzondere wijze van doen te rechtvaardigen? Ter beantwoording dezer vraag moeten wij aantoonen dat ons moederschap, voor zoover wij daaronder gewoonlijk verstaan de "zorg" voor het kind, (duidelijker omschreven door het woord opvoeding), van superieuren aard is.
Hier missen wij weder het voordeel van een vergelijking. Bij geen andere diersoort vereischt het jong zulk een langen tijd zorg, heeft het zooveel onderricht noodig. Voor zoover die andere dieren deze zorg en dit onderricht hebben te geven, doen zij het goed. De hen met haar kuikens is in dit opzicht een algemeen aangenomen voorbeeld van moederschap. Zij legt niet alleen de eieren en broedt ze uit, maar zij onderwijst en beschermt ook haar jongen voor zoo ver het noodig is. Doch behalve dit eenvoudig voorbeeld bezitten wij geen maatstaf van vergelijking voor het opvoedend moederschap. Wij kunnen dit alleen onder ons zelf bestudeeren, door vergelijking van het kind dat moederloos is, met het kind dat moederlijke zorg ontvangt; het kind dat een moeder heeft en niets anders, met het kind wiens moeder geholpen wordt door bedienden en onderwijzers; het kind van wat wij verstaan onder een superieure moeder, met het kind van een inferieure moeder. Deze laatste onderscheiding, een vergelijking tusschen twee moeders, is van groot gewicht. Wij hebben reeds stilzwijgend een vage maatstaf voor het menschelijk moederschap vastgesteld en losweg toegepast, door te spreken van een "natuurlijke" en "onnatuurlijke" moeder.