De drie steden: Rome

Part 9

Chapter 93,831 wordsPublic domain

Hoewel reeds verminderd, omvatte de huishouding nog den auditor, die met het werk der congregatie belast was, den secretaris, die zich alleen met de correspondentie bezig hield, den kamerheer, die de bezoekers aandiende, den gentiluomo, die den kardinaalshoed droeg, den sleepdrager, den kapelaan, den hofmeester, den kamerdienaar, ongerekend de schaar ondergeschikt personeel, koks, koetsiers en stalknechten, een geheele bevolking, waarvan de reusachtige paleizen gonsden. En met deze bevolking vulde Pierre in zijn gedachte de drie groote antichambres van de troonzaal; deze vloed van lakeien in blauwe livrei met tressen in de kleuren van het wapen, die wereld van abbé's en prelaten in zijden mantels herleefde weer voor hem, bracht weer een hartstochtelijk en schitterend leven onder de hooge, ledige plafonds, in het halfdonker, dat zij met hun weder opgestane pracht lichter maakten.

Maar thans, vooral na den intocht der Italianen in Rome, waren bijna alle groote vermogens van den Italiaanschen adel en de pracht en de praal van de hoogwaardigheidsbekleeders der Kerk verdwenen. Het ten gronde gerichte patriciaat onttrok zich aan de geestelijke ambten, die slecht betaald werden en slechts weinig roem meer gaven; het liet die over aan de eerzucht der kleine burgerij. Kardinaal Boccanera, de laatste met het purper bekleede prins van ouden adel, had niet meer dan ongeveer dertig duizend francs, om zijn rang op te houden--de twee-en-twintig duizend francs van zijn salaris, vermeerderd met wat enkele andere functies nog opbrachten; en nooit zou hij daarmede alle kosten hebben kunnen bestrijden, indien donna Serafina hem niet geholpen had met de kruimpjes van het vaderlijk erfdeel, waarvan hij vroeger ten gunste van zijn beide zusters en zijn broeder afstand gedaan had. Donna Serafina en Benedetta hielden beiden haar eigen huishouden, hadden haar eigen personeel en droegen de kosten van haar persoonlijke uitgaven.

De kardinaal had alleen zijn neef Dario bij zich en gaf nooit een diner of een receptie. Zijn grootste uitgave was zijn eenig rijtuig, de zware karos met twee paarden, die het ceremonieel hem oplegde, want een kardinaal kan in Rome niet te voet gaan. Zijn koetsier, een oude knecht, spaarde hem ook nog een stalknecht uit, daar hij er beslist op stond alleen voor de karos en de twee paarden te zorgen, die, evenals hij, in de familie oud geworden waren. Verder waren er twee lakeien, vader en zoon, van wie de laatste in het paleis geboren was. De vrouw van den kok hielp in de keuken mede. Maar de inkrimping betrof voornamelijk de eere-antichambre en de eerste antichambre, het vroeger zoo schitterende en talrijke personeel bepaalde zich thans tot twee priesters, don Vigilio, den secretaris, die tegelijk auditor en majordomo was, en abbé Paparelli, den sleepdrager, die tevens als kapelaan en kamerheer fungeerde. Waar vroeger een schaar van bezoldigd personeel rondgeloopen en de zalen met hun schittering vervuld had, daar zag men thans slechts die twee zwarte soutanes geruischloos rondsluipen, twee bescheiden schimmen, die in de diepe duisternis der doode vertrekken verloren gingen.

Hoe begrijpelijk kwam Pierre thans de hooghartige zorgeloosheid van den kardinaal voor, die den tijd zijn werk van verwoesting liet volbrengen in dit paleis zijner voorvaderen, waaraan hij het glorierijke leven van vroeger niet teruggeven kon. Gebouwd voor den hofstaat van een vorst uit de zestiende eeuw, viel thans het huis, verlaten en donker, in op het hoofd van zijn laatsten meester, die niet genoeg personeel meer had om het te vullen, die niet geweten zou hebben, waar hij het geld had moeten vinden voor de voor de reparatie benoodigde kalk. Waarom zou men dus niet, nu de moderne wereld zich vijandig toonde, nu de religie geen koningin meer was, nu de maatschappij veranderd was en men, te midden van den haat en de onverschilligheid der nieuwe generaties, het onbekende tegemoet ging, waarom zou men nu niet de oude wereld met haar onzinnigen trots op haar eeuwenouden roem, in stof laten vallen? Slechts helden stierven staande, zonder iets van het verleden prijs te geven, tot aan hun laatsten ademtocht trouw aan hetzelfde geloof, zonder iets anders te bezitten dan den smartelijken moed om den langzamen doodsstrijd van hun God aan te zien. En in het majestueuse portret van den kardinaal, op zijn bleek, zoo trotsch, zoo wanhopig-dapper gelaat was de hardnekkige wil te lezen liever onder de puinhoopen van het oude, sociale gebouw begraven te worden dan er één steen aan te veranderen.

Het ritselen van heimelijke voetstappen, zacht muizengetrippel, deed den priester uit zijn gepeins opschrikken en omkijken. In het behang was een deur opengegaan en tot zijn verbazing zag hij een gezetten en korten, ongeveer veertigjarigen abbé voor zich staan; men zou hem voor een oude in het zwart gekleede jongejuffrouw hebben kunnen aanzien, heel oud reeds, zoo was zijn slap gezicht met rimpels doorgroefd. Het was abbé Paparelli, de sleepdrager, de kamerheer, die in deze laatste functie de bezoekers moest aandienen. Toen hij den jongen priester zag, wilde hij hem zijn naam vragen, maar don Vigilio kwam tusschenbeide, om hem op de hoogte te brengen.

"O, ja, prachtig! Mijnheer de abbé Froment, wien het Zijne Eminentie behaagt een audiëntie te verleenen... Wees zoo goed te wachten, wees zoo goed te wachten!"

En met zijn glijdenden, onhoorbaren stap ging hij weer terug naar de tweede antichambre, waar hij zich gewoonlijk ophield.

Pierre beviel dit door het celibaat verbleekte, door al te harde godsdienstige oefeningen verwoeste, oude vromebesjesgezicht niet; en daar don Vigilio, wiens hoofd moe was en wiens handen van koorts brandden, niet weer aan het werk gegaan was, waagde hij het hem het een en ander te vragen. O, abbé Paparelli! Een buitengewoon geloovig man, die alleen uit eenvoud en deemoed op zijn bescheiden post bij Zijne Eminentie bleef. Trouwens het behaagde dezen hem daarvoor te beloonen, daar hij zich een enkele maal verwaardigde naar zijn adviezen te luisteren. Bij die woorden lag er in de vurige oogen van don Vigilio een heimelijke ironie, een nog bedekte woede. Hij bleef Pierre aankijken; zijn gelaat kalmeerde zich wat; de zichtbare rechtschapenheid van dezen vreemdeling, die blijkbaar tot geen partij behoorde, stelde hem gerust. Hij liet dan ook zijn gewoon, ziekelijk wantrouwen varen, ja vergat zich zelfs zoozeer, dat hij een oogenblik bleef praten.

"Ja, ja, er is soms veel en dikwijls moeilijk werk... Zijne Eminentie heeft zitting in verscheidene congregaties: de Inquisitie-, de Index-, de Riten- en de Consistoriecongregatie. En al die dossiers gaan door mijn handen. Ik moet iedere zaak bestudeeren en een rapport daarover samenstellen, om alles voor hem in orde te maken... En bovendien heb ik voor de geheele correspondentie te zorgen. Gelukkig is Zijne Eminentie een heilige, die noch voor de eene, noch voor de andere partij intrigeert, zoodat we wat afgezonderd kunnen leven."

Pierre interesseerde zich zeer voor die intieme bijzonderheden uit het leven van een Kerkvorst, dat dikwijls zoo verborgen is en door de legende misvormd wordt. Hij wist, dat de kardinaal, winter en zomer, om zes uur opstond. Hij las de mis in zijn kapel, een klein vertrek met een altaar van beschilderd hout, dat nooit iemand betrad. Verder bestonden zijn particuliere appartementen slechts uit een slaapkamer, een eetkamer en een studeerkamer, alle drie bescheiden, eenvoudige vertrekken, die men door middel van beschotten uit een grooten salon gemaakt had. Hij leefde er zeer teruggetrokken, zonder eenige luxe, als een matig en arm man. Om acht uur ontbeet hij met een glas koude melk. Vervolgens begaf hij zich op de zittingsdagen naar de congregaties, waar hij lid van was, of wel bleef hij thuis, om audiëntie te verleenen.

Hij dineerde om één uur, dan volgde tot vier, in den zomer zelfs tot vijf uur, de siësta, de Romeinsche siësta, het heilige oogenblik, waarin geen bediende het gewaagd zou hebben zelfs maar op de deur te kloppen. Daarna maakte hij op mooie dagen een wandelrit in den omtrek van de oude Via Appia, waarvan hij bij het luiden van het Angelus terug kwam. Na van zeven tot negen uur ontvangen te hebben, soupeerde hij, trok zich in zijn kamer terug en vertoonde zich niet meer; hij werkte alleen of begaf zich ter ruste. De kardinalen begaven zich twee of drie maal per maand op vaste dagen naar het Vaticaan, om dienst te doen. Doch nu in bijna een jaar al was den kardinaal-voorzitter geen particuliere audiëntie verleend, wat een teeken van ongenade, een bewijs van oorlog was, waarover in de zwarte kringen zacht en voorzichtig gesproken werd.

"Zijne Eminentie is wat stroef," ging don Vigilio, die blij was zich eens te kunnen uiten, zacht voort: "maar u moet hem zien glimlachen, wanneer zijn nicht, de contessina, die hij aanbidt, hem komt omhelzen... Wanneer u goed ontvangen wordt, dan hebt u dat alleen aan de contessina te danken."

Op dat oogenblik werd hij in de rede gevallen. Uit de tweede antichambre kwam een geroezemoes van stemmen. Hij stond vlug op en maakte een diepe buiging, toen hij een dikken man in een zwarte soutane met een rooden gordel, en een zwarten hoed met roode en gouden troedels op, binnen zag komen, dien abbé Paparelli met tal van nederige buigingen begeleidde. Hij had Pierre een teeken gegeven eveneens op te staan en vond nog juist tijd, om hem in te fluisteren:

"Kardinaal Sanguinetti, de praefect van de Indexcongregatie."

Abbé Paparelli putte zich uit in dienstvaardigheid en herhaalde telkens weer met een vroom-tevreden gebaar:

"Uwe Eminentie wordt verwacht. Ik heb order Uwe Eminentie dadelijk binnen te brengen... Zijne Eminentie, de groot-penitentiarius is er reeds!"

Sanguinetti, een man met een harde stem en een dreunenden stap, kreeg plotseling een aanval van vertrouwelijkheid.

"Ja, ja, ik ben ook zoo opgehouden; al die menschen waren zoo lastig. Je kan nooit doen wat je wilt. Enfin, ik ben er nu!"

Het was een man van zestig jaar, ineengedrongen en dik, met een rond, opgeblazen gezicht, een grooten neus, dikke lippen, altijd even onrustige oogen. Vooral echter viel hij op door zijn jeugdig, bijna stormachtig-jong uiterlijk, zijn nog bruine haren, waarin nauwelijks een grijs haartje te ontdekken viel en die in dikke lokken om zijn slapen vielen. Hij was geboren te Viterbo, en had op het seminarie van die stad gestudeerd, alvorens zijn studiën aan de Gregoriaansche universiteit te Rome te gaan voltooien. Zijn geestelijke staat van dienst bewees voldoende zijn vlugge opklimming, zijn soepelen geest: eerst was hij secretaris van de nuntiatuur te Lissabon, daarna titulair-bisschop van Thebe geweest en had men hem een moeilijke zending naar Brazilië opgedragen.

Na zijn terugkeer werd hij nuntius te Brussel, vervolgens te Weenen en eindelijk kardinaal, ongerekend nog, dat hij het in de nabijheid van Rome gelegen bisdom van Frascati gekregen had. Zeer ervaren in allerlei zaken, daar hij geheel Europa afgereisd had, had hij alleen zijn eerzucht tegen zich, die hij te veel blijken liet, en de intriges, die hij steeds spon. Het heette thans, dat hij onverzoenlijk was en van Italië de overgave van Rome eischte, hoewel hij vroeger toenadering getoond had tot het Quirinaal. In zijn vurigen hartstocht om paus te worden, veranderde hij ieder oogenblik van meening, gaf hij zich eindelooze moeite, om menschen voor zich te winnen, die hij dan later weer losliet. Reeds tweemaal had hij onaangenaamheden gehad met Leo XIII, maar had het ten slotte politiek geoordeeld zich te onderwerpen. De waarheid was, dat hij, de bijna erkende candidaat naar het pausschap, zich uitputte in zijn voortdurende krachtinspanning, door zich met te veel dingen en te veel menschen te bemoeien.

Maar Pierre had in hem slechts den praefect der Indexcongregatie gezien; slechts één gedachte hield hem bezig, n.l. dat deze man over het lot van zijn boek zou beschikken. Hij kon zich dan ook, toen de kardinaal verdwenen en abbé Paparelli teruggekeerd was in de tweede antichambre, niet weerhouden te zeggen:

"Zijn Hunne Eminenties de kardinaal Sanguinetti en kardinaal Boccanera erg bevriend?"

Een glimlach kwam om de lippen van den secretaris spelen, terwijl in zijn oogen een ironie flikkerde, die hij nu niet meer verbergen kon.

"Zeer bevriend? Neen, neen!... Zij bezoeken elkaar, wanneer het niet anders kan!"

En hij legde uit, dat men eerbied toonde voor de hooge geboorte van kardinaal Boccanera, zoodat men zich gaarne vereenigde bij hem, wanneer een ernstige zaak, zooals dien dag, een samenkomst buiten de gewone zittingen noodzakelijk maakte. Kardinaal Sanguinetti was de zoon van een geneesheer te Viterbo.

"Neen, neen, Hunne Eminenties zijn in het geheel niet bevriend... Wanneer men niet dezelfde denkbeelden en hetzelfde karakter heeft, dan gaat dat zoo makkelijk niet. En vooral als daar nog bijkomt, dat men elkaar in den weg staat."

Hij had het zachter, als tot zichzelf gezegd. Trouwens Pierre, die geheel met zichzelf bezig was, hoorde het nauwlijks.

"Komen zij misschien voor de een of andere Index-aangelegenheid bij elkaar?" vroeg hij.

Don Vigilio moest weten waarom er vergaderd werd. Maar hij vergenoegde zich met te antwoorden, dat voor een zaak van den Index de bijeenkomst gehouden zou zijn bij den praefect der congregatie. In zijn ongeduld kon Pierre zich niet weerhouden een directe vraag te stellen.

"U kent mijn aangelegenheid--de zaak van mijn boek--niet waar? Daar Zijne Eminentie deel uitmaakt van de congregatie en de dossiers door uw handen gaan, zoudt u mij misschien een nuttige inlichting kunnen geven. Ik weet er niets van en ik zou zoo gaarne wat willen weten!"

Onmiddellijk werd don Vigilio weer door zijne angstige ongerustheid aangegrepen.

"Ik verzeker u, dat er nog geen stuk door mijn handen gegaan is. Ik weet er absoluut niets van."

Toen Pierre wilde aandringen, gaf hij hem een teeken te zwijgen en begon weer te schrijven, terwijl hij telkens heimlijk een blik in de tweede antichambre wierp, ongetwijfeld bang, dat abbé Paparelli luisterde. Blijkbaar had hij reeds veel te veel gezegd. En hij maakte zich weer klein aan zijn tafeltje, verdween als het ware geheel in zijn donker hoekje.

Pierre viel nu weer in zijn gepeins terug; weer maakte al dat onbekende, de oude, ingeslapen triestheid, die hem omgaf, zich geheel van hem meester. Eindeloos verliep de eene minuut na de andere, het was bijna elf uur. Het opengaan van een deur, het geluid van stemmen maakte hem weer wakker. Hij boog eerbiedig voor kardinaal Sanguinetti, die weg ging met een anderen, zeer mageren en langen kardinaal met een grauw, lang asketengezicht. Maar geen van beiden scheen zelfs dien eenvoudigen, vreemden priester, die zoo voor hen boog, op te merken. Zij spraken luid en vertrouwelijk met elkaar.

"Ja, de wind gaat liggen, het is warmer dan gisteren."

"We zullen morgen zeker een sirocco krijgen."

Plechtig viel de stilte weer in het groote, donkere vertrek terug. Don Vigilio schreef nog altijd, zonder dat men het gekras van zijn pen op het harde, geelachtige papier hoorde. Het zachte tingelen van een gebarsten belletje weerklonk. Abbé Paparelli kwam uit de tweede antichambre toegesneld, verdween een oogenblik in de troonzaal en kwam dan terug, om Pierre met een handgebaar te roepen.

"Mijnheer de abbé Pierre Froment," diende hij met zachte stem aan.

Ook deze groote zaal was een ruïne. Onder het prachtige plafond van gebeeldhouwd en geschilderd hout hing het roode behang, geheel van brocaat met groote palmen, in flarden. Op sommige plaatsen was het als bijgewerkt, maar door het lange gebruik vlamde het donkere purperrood der zijde, dat vroeger zoo schitterend geweest was, met bleeke tinten. Het merkwaardige van het vertrek was de oude troon, de fauteuil van rood fluweel, waarin vroeger de Paus, wanneer hij een bezoek bracht aan den kardinaal, plaats nam. Een baldakijn, ook van rood fluweel, stond erover heen, waaronder eveneens het portret van den regeerenden paus hing. Volgens het voorschrift stond de fauteuil naar den muur toe gekeerd, ten teeken, dat niemand er op mocht gaan zitten. Verder waren er in het groote vertrek slechte canapés, fauteuils, stoelen en een prachtige Louis XIV-tafel van verguld hout met een mozaïekblad, voorstellend de ontvoering van Europa.

Maar Pierre zag in den beginne niets dan kardinaal Boccanera, die bij een andere tafel, welke hij als bureau gebruikte, stond. In zijn eenvoudige zwarte soutane met roode zoomen en knoopen, scheen hij hem nog grooter en trotscher toe dan op het portret in zijn gala-kostuum. Het was wel hetzelfde grijze haar, hetzelfde lange gezicht met de diepe rimpels, den grooten neus en de dunne lippen; het waren dezelfde vurige oogen, die het bleeke gezicht onder de dichte, zwart gebleven wenkbrauwen verhelderden. Maar het portret gaf niet het van deze hooge gestalte uitgaande verheven en rustige geloof weer, de vaste overtuiging te weten waar de waarheid lag, den onwankelbaren wil zich daar eeuwig aan te houden.

Boccanera bewoog zich niet, toen hij met zijn donkeren blik den bezoeker naar zich toe zag komen; de priester, die het ceremonieel goed kende, knielde neer en kuste den grooten smaragd, dien de kardinaal aan zijn vinger droeg. Maar bijna onmiddellijk richtte de kardinaal zich op.

"Wees welkom bij ons, mijn lieve zoon... Mijn nicht heeft mij met zooveel sympathie over u gesproken, dat ik mij gelukkig voel u te ontvangen..."

Hij was bij de tafel gaan zitten, zonder Pierre te vragen ook plaats te nemen; hij bleef hem aankijken, terwijl hij op langzamen, zeer beleefden toon verder sprak.

"U is gisterenochtend gearriveerd, niet waar? En zeker heel moe?"

"Uwe Eminentie is te vriendelijk... Ja, ik was gebroken, zoowel van emotie als van vermoeienis. Deze reis is voor mij van zooveel beteekenis."

De kardinaal scheen niet dadelijk op die ernstige quaestie in te willen gaan.

"Zeker, dat begrijp ik. En bovendien is het een lange reis van Parijs naar Rome. Tegenwoordig gaat het vrij snel, maar vroeger was het een eindelooze reis!"

Hij begon langzamer te spreken.

"Ik ben éénmaal in Parijs geweest, o, al heel lang geleden, vijftig jaar bijna al, en ik ben er geen week gebleven... Een groote, mooie stad, ja zeker! Veel menschen in de straten, zeer goed opgevoede menschen, een volk, dat wonderbare dingen gedaan heeft. Men mag het zelfs in dezen droevigen tegenwoordigen tijd niet vergeten, Frankrijk is de oudste dochter der Kerk geweest... Na die eenige reis heb ik Rome nooit meer verlaten!"

Met een gebaar van kalme minachting voltooide hij zijn gedachte. Waarom reizen te ondernemen naar het land van twijfel en rebellie? Was Rome niet voldoende, Rome, dat de wereld beheerschte, de eeuwige stad, die eens, wanneer de tijden in vervulling zouden gaan, weer de hoofdstad der wereld zou worden?

Pierre, die zwijgen bleef, riep zich den gewelddadigen, strijdlustigen prins weer voor den geest, die er thans toe genoodzaakt was deze eenvoudige soutane te dragen; hij vond hem mooi in zijn trotsche overtuiging, dat Rome aan zichzelf genoeg had. Maar deze koppige onwetendheid, deze eigenzinnigheid, om andere naties slechts als vazallen te beschouwen, maakten hem ongerust, toen hij weer dacht aan het motief, dat hem hier bracht. Daar er een stilzwijgen ontstaan was, meende Pierre met een paar eerbiedig-huldigende woorden op het onderwerp te moeten terugkomen.

"Alvorens verdere stappen te doen, heb ik mijn hulde aan de voeten van Uwe Eminentie willen leggen, want Uwe Eminentie is mijn eenige hoop, en ik smeek Uwe Eminentie mij wel te willen raden en leiden."

Met een handbeweging noodigde Boccanera hem uit op een stoel tegenover hem te gaan zitten.

"Zeker, mijn lieve zoon, ik weiger volstrekt niet u met mijn raad ter zijde te staan. Ik ben dat verschuldigd aan alle Christenen, die het goede willen. Maar ge zoudt verkeerd doen op mijn invloed te rekenen: die beteekent niets. Ik leef volkomen afgezonderd, ik kan en ik wil niets vragen... Maar dat belet ons niet wat te praten."

Hij ging zonder eenigen omweg op de quaestie in. Zijn onafhankelijke, moedige geest schrikte voor de verantwoordelijkheid niet terug.

"Ge hebt een boek geschreven, niet waar? Het nieuwe Rome, als ik mij goed herinner; en ge zijt hierheen gekomen om dit boek, dat men bij de Indexcongregatie aangegeven heeft, te verdedigen... Ik heb het nog niet gelezen. Ge begrijpt, ik kan niet alles lezen. Ik lees alleen de boeken, die de congregatie, waarvan ik sedert verleden jaar deel uitmaak, mij zendt; en dikwijls stel ik mij zelfs tevreden met het rapport, dat mijn secretaris voor mij opstelt... Maar mijn nicht Benedetta heeft uw boek gelezen en mij gezegd, dat het niet oninteressant is. Eerst was zij er een beetje verbaasd over geweest, maar later heeft het haar zeer geroerd... Ik beloof u dus, dat ik het door zal lezen en de geïncrimineerde passages met groote zorg bestudeeren zal."

Pierre greep de gelegenheid aan, om zijn zaak te verdedigen. Hij meende, dat het maar het beste zou zijn zijn aanbevelingen uit Parijs mede te deelen.

"Uwe Eminentie zal begrijpen hoe verbaasd ik was, toen ik hoorde, dat mijn boek vervolgd werd. Mijnheer de vicomte de la Choue, die mij welwillend gezind is, zegt steeds weer, dat een dergelijk werk voor den Heiligen Stoel even veel waard is als het beste leger."

"O, de la Choue, de la Choue," herhaalde de kardinaal welwillend-spottend; "ik weet heel goed, dat de la Choue denkt een goed Katholiek te zijn... Hij is nog eenigszins aan ons geparenteerd, zooals u niet onbekend zal zijn. Wanneer hij hier in het paleis logeert, dan ontvang ik hem heel graag, op voorwaarde echter, dat over bepaalde onderwerpen, waarover we het toch nooit eens zouden worden, niet gesproken wordt. Maar per slot van rekening is het Katholicisme van dien voortreffelijken en goeden de la Choue met zijn corporaties, zijn werkliedenvereenigingen, zijn gezuiverde democratie en zijn vaag socialisme niets anders dan litteratuur."

Het woord trof Pierre onaangenaam, want hij voelde in de woorden van den kardinaal zeer duidelijk de minachtende ironie, die ook op hemzelf sloeg. Hij haastte zich dan ook zijn anderen repondant [4], dien hij voor een onaantastbare autoriteit hield, te noemen.

"Zijne Eminentie kardinaal Bergerot is wel zoo goed geweest zijn volkomen goedkeuring aan mijn boek te hechten."

Plotseling veranderde het gezicht van Boccanera heelemaal. Het was niet meer de spottende blaam, het medelijden, dat de ondoordachte en van te voren tot mislukking gedoemde daad van een kind te voorschijn roept. Een vlam van woede lichtte op in zijn donkere oogen; zijn gezicht werd hard van strijdlust.

"Zeker," zeide hij langzaam; "kardinaal Bergerot heeft in Frankrijk den naam heel vroom te zijn. Hier in Rome weten wij weinig van hem. Persoonlijk heb ik hem éénmaal gezien, toen hij den kardinaalshoed kwam halen. En ik zou mij niet veroorloven een oordeel over hem te vellen, indien onlangs zijn geschriften en zijn handelingen mijn ziel als geloovige niet hadden bedroefd. En, helaas, sta ik in dat opzicht niet alleen; ge zult in het Heilig College niemand vinden, die zijn daden goedkeurt."

Hij hield even op en zeide dan op zeer beslisten toon:

"Kardinaal Bergerot is een revolutionnair."

Ditmaal kon Pierre van verbazing een oogenblik niet spreken. Een revolutionnair, lieve God, die zachte zielenherder met zijn onuitputtelijke naastenliefde, wiens droom-ideaal het was, dat Jezus weer op aarde zou nederdalen, om eindelijk gerechtigheid en vrede te doen heerschen! De woorden hadden dus niet overal dezelfde beteekenis! En in welk een godsdienst kwam hij terecht, dat de godsdienst der armen en lijdenden een verdoemenswaardige, eenvoudig opstandige hartstocht werd?