De drie steden: Rome

Part 8

Chapter 83,769 wordsPublic domain

Doch op dat oogenblik kwam een kardinaal binnen, gekleed met den rooden gordel en de roode kousen en de zwarte, roodomzoomde simarra [3] met roode knoopen, de gewone dracht, die de kardinalen bij bezoeken dragen. Het was kardinaal Sarno, een zeer oud vriend der Boccanera's. Terwijl hij zich verontschuldigde, dat hij zoo laat kwam, omdat hij lang had moeten werken, zwegen allen en omgaven hem vol eerbied. Pierre echter, die voor het eerst een kardinaal zag, voelde zich zeer teleurgesteld, want het was niet de majestueuze verschijning, de mooie decoratieve aanblik, dien hij verwacht had. Deze kardinaal leek klein en een weinig mismaakt, de linkerschouder was hooger dan de rechter, het gezicht uitgeteerd en vaal, de oogen als dood. Hij maakte op hem den indruk van een zeer afgeleefden, zeventigjarigen ambtenaar, die, door een halve eeuw van bekrompen bureauleven afgestompt, zwaar en misvormd geworden was, daar hij nooit den ronden leeren stoel verlaten had, waarop hij zijn geheele leven doorgebracht had.

En inderdaad was zijn geheele geschiedenis in het kort aldus weer te geven: hij was het ziekelijke kind van een kleinburgerlijke familie, werd in het Roomsche Seminarie opgevoed, was later tien jaar professor in het kanonnieke recht aan datzelfde Seminarie, daarna secretaris van de Propaganda en eindelijk sedert vijf-en-twintig jaar kardinaal. Kort geleden had hij zijn kardinaalsjubileum gevierd. Te Rome geboren, had hij nooit een enkelen dag buiten Rome doorgebracht; hij was het type van den priester, opgegroeid in de schaduw van het Vaticaan. Hoewel hij nooit een diplomatieke functie bekleed had, had hij aan zijn methodische werkwijze aan de Propaganda te danken, dat hij president geworden was van een der beide commissies, die onderling het bestuur van de uitgestrekte, nog niet Katholieke landen in het Westen verdeelden. Zoo kwam het, dat op den bodem van deze uitgestorven oogen, in dezen lagen schedel de uitgebreide kaart der Christenheid lag.

Zelfs Nani was vol heimelijken eerbied voor dien weinig op den voorgrond tredenden en verschrikkelijken man opgestaan, die, zonder ooit zijn bureau verlaten te hebben, tot in de verste hoeken der aarde zijn invloed gelden liet. Hij wist, dat hij, ondanks zijn schijnbare onbeduidendheid, door zijn langzamen, methodischen en goed geregelden veroveringsarbeid een macht was, die rijken aan het wankelen brengen kon.

"Is de verkoudheid van Uwe Eminentie weer beter?"

"Neen, neen, ik hoest nog altijd... Het is een gevaarlijke corridor. Ik ril van de koude, zoodra ik uit mijn kabinet kom."

Van af dat oogenblik voelde Pierre zich heel klein en nietig. Men vergat zelfs hem aan den kardinaal voor te stellen. En hij moest nog bijna een uur blijven, alleen rondkijkend en opmerkend. De geheele, verouderde wereld kwam hem zoo kinderlijk voor, als waren zij allen in een treurige kindsheid teruggevallen. Hij wist nu, dat zich onder de trotsche terughoudendheid, onder de hoogmoedige ingetogenheid een werkelijke schuchterheid, het onuitgesproken wantrouwen van een groote onwetendheid verborg. Dat het gesprek niet algemeen werd, was het gevolg van het feit, dat niemand durfde. In de hoeken echter hoorde hij kinderachtige, eindelooze gesprekken, de onbeteekenende historietjes van de week, de praatjes der sacristieën en salons. Men zag elkaar slechts zelden, de kleinste gebeurtenissen namen ontzaglijke afmetingen aan.

Ten slotte kreeg hij het zeer duidelijke gevoel, dat hij verplaatst was in een Franschen salon in een der groote bisschoppelijke provinciesteden onder de regeering van Karel X. Ververschingen werden niet rondgediend. De oude tante van Celia had zich meester gemaakt van kardinaal Sarno, die haar geen antwoord gaf, doch slechts nu en dan zijn kin optrok. Don Vigilio had den geheelen avond geen mond opengedaan! Nani en Morano voerden reeds eenigen tijd een fluisterend gesprek, terwijl donna Serafina, die zich over hen heen boog om te kunnen luisteren, telkens goedkeurend knikte. Ongetwijfeld spraken zij over de scheiding van Benedetta, want zij keken nu en dan met een ernstig gezicht naar haar. En in het groote, door de lampen rustig verlichte vertrek scheen alleen de door Benedetta, Dario en Celia gevormde groep te leven. Zij praatten halfluid en hadden soms moeite hun lachen in te houden.

Plotseling viel Pierre de groote gelijkenis op, die hij zag tusschen Benedetta en het aan den muur hangend portret van Cassia. Het was dezelfde kinderlijke teerheid, dezelfde hartstochtelijke mond, dezelfde groote oogen in hetzelfde kleine ronde, verstandige en gezonde gezichtje. Beiden hadden ongetwijfeld een rechtschapen ziel en een vurig hart. Dan flitste een herinnering door zijn brein: de herinnering aan een portret van Guido Reni, de aanbiddelijke kuische kop van Beatrice Cenci, waarvan het portret van Cassia hem op dat oogenblik de nauwkeurige reproductie scheen te zijn. Die dubbele gelijkenis ontroerde hem en deed hem met bange deelneming naar Benedetta kijken, als zou het geweldige noodlot van het land en van het ras op haar neerstorten. Maar zij was zoo kalm, zag er zoo vastberaden en gelaten uit. Sedert hij in den salon was, had hij tusschen haar en Dario geen ander dan een zuiver broederlijke en geestelijke en opgewekte teederheid kunnen opmerken, vooral van haar kant; haar gelaat behield de vroolijke uitdrukking van een groote liefde, die voor de wereld niet verborgen behoefde te blijven. Eenmaal had Dario schertsend haar handen in de zijne genomen en die gedrukt; doch toen hij eenigszins zenuwachtig begon te lachen en vluchtige vlammen onder zijn wimpers òplichtten, had zij kalm zijn vingers losgemaakt als bij een spel van oude kameraden. Zij had hem lief, het was duidelijk te zien, met haar geheele wezen, voor het geheele leven.

Maar nadat Dario een geeuw onderdrukt, op zijn horloge gekeken en zich uit de voeten gemaakt had, om naar zijn vrienden te gaan, die bij een dame speelden, gingen Benedetta en Celia op een canapé zitten naast den stoel van Pierre, die, zonder het te willen, enkele woorden van haar gesprek opving. De kleine prinses was de oudste dochter van prins Matteo Buongiovanni, vader van vijf kinderen reeds en getrouwd met eene Mortimer, een Engelsche, die hem vijf millioen aangebracht had. Trouwens de Buongiovanni's gingen door voor een der weinige patricische families te Rome, die nog rijk waren en zich staande hadden weten te houden te midden van de van alle kanten instortende ruïnes van het verleden. Ook zij hadden twee pausen in de familie gehad, wat echter voor Matteo geen beletsel geweest was zich bij het Quirinaal aan te sluiten, zonder daarom nog met het Vaticaan te breken. In zijn aderen vloeide, daar hij zelf de zoon van een Amerikaansche was, niet meer het zuivere Romeinsche bloed; zijn politiek was soepeler; ook zeide men, dat hij gierig was. Hij streed om als een der laatsten den vroegeren rijkdom en de vroegere almacht, die, zooals hij voelde, ten doode gedoemd waren, te behouden. In deze trotsche familie nu, wier glans nog steeds de stad vervulde, was plotseling iets gebeurd, dat eindelooze praatjes veroorzaakte: de plotselinge liefde van Celia voor een jongen luitenant, dien zij nog nooit gesproken had; de hartstochtelijke eensgezindheid der twee, die elkaar dagelijks op den Corso zagen en alleen maar door hun blikken met elkaar spreken konden; de taaie vasthoudendheid van het jonge meisje, dat aan haar vader verklaard had, dat zij nooit een anderen man wilde hebben, en nu onwrikbaar wachtte in de vaste overtuiging, dat men haar den man van haar keuze geven zou. Het ergste was, dat deze luitenant, Attilio Sacco, de zoon was van den afgevaardigde Sacco, een parvenu, dien de zwarte kringen minachtten als verkocht aan het Quirinaal en tot de gemeenste dingen in staat.

"Dat gezegde van Morano daareven was natuurlijk voor mij bestemd," fluisterde Celia Benedetta in. "Ja zeker, daarnet, toen hij den vader van Attilio naar aanleiding van het ministerschap, waar men het zoo druk over heeft, zoo uitmaakte... Hij heeft mij een lesje willen geven."

De twee jonge meisjes hadden elkaar in het nonnenklooster een eeuwige vriendschap gezworen. Benedetta, die vijf jaar ouder was dan Celia, speelde een beetje moedertje over haar.

"Ben je nu nog niet verstandig geworden? Denk je nog altijd aan dien jongen man?"

"Begin jij nu ook al mee te doen? Attilio bevalt me en ik wil hem hebben. Hem, versta je, en geen ander! Ik wil hem hebben en ik zal hem hebben, omdat hij van mij houdt en ik van hem... Het is zoo eenvoudig mogelijk."

Pierre keek haar verbaasd aan. Met haar zacht, jonkvrouwelijk gezicht was zij een witte, gesloten lelie. Een voorhoofd en een neus, zoo rein als een bloem; een onschuldige mond, welks lippen zich vastberaden over de witte tanden sloten; oogen, helder als bronwater en zonder grond. Geen rilling liep over de als zijde zoo zachte wangen, niet de minste onrust was in den naïeven blik te bespeuren. Dacht zij? Wist zij? Wie zou het hebben kunnen zeggen? Zij was de maagd in al haar angstig makende verborgenheid.

"Kom, lieve kind," begon Benedetta weer, "ga mijn treurige geschiedenis niet herhalen. Het gaat nu eenmaal niet, paus en koning trouwen niet samen."

"Maar," zeide Celia in alle kalmte, "jij hieldt niet van Prada en ik wel van Attilio. En leven is nu eenmaal liefhebben."

Dit woord uit den mond van dit onschuldige kind trof Pierre zóó zeer, dat hij de tranen in zijn oogen voelde komen. De liefde, ja, dat was de oplossing van alle geschillen, de band tusschen de volkeren, de vrede en de vreugde in de geheele wereld. Maar donna Serafina, die het gesprek van de twee vriendinnen niet geheel scheen te vertrouwen, was opgestaan. Zij wierp don Vigilio een blik toe, dien deze dadelijk scheen te begrijpen, want hij ging heel zacht tegen Pierre zeggen, dat het tijd was om te gaan. Het sloeg elf uur, Celia vertrok met haar tante. Blijkbaar wilde advocaat Morano, dat kardinaal Sarno en Nani nog even bleven, om in den familiekring nog even te spreken over de een of andere moeilijkheid, die zich ten opzichte van de echtscheiding voorgedaan had. Toen Benedetta Celia op beide wangen gekust had, nam zij in den eersten salon hartelijk afscheid van Pierre:

"Morgenochtend zal ik den vicomte antwoorden en hem schrijven, hoe prettig we het vinden u bij ons te hebben, en voor heel wat langer dan u zelf gelooft... En vergeet vooral niet morgenochtend om tien uur uw opwachting bij mijn oom, den kardinaal, te maken."

Toen boven op de derde verdieping Pierre en don Vigilio, ieder met een blaker, dien een knecht hun gegeven had, in de hand, elkaar voor hun deuren goeden nacht zeiden, kon de eerste zich niet weerhouden den ander een vraag te doen, die hem kwelde.

"Is die monsignor Nani een invloedrijk iemand?"

Don Vigilio schrok opnieuw. Hij maakte slechts een gebaar, waarbij hij zijn beide armen uitbreidde, als wilde hij de wereld omarmen.

"U hebt hem vroeger reeds gekend, niet waar?" vroeg hij zonder te antwoorden.

"Ik? Geen quaestie van!"

"Dan begrijp ik er niets van!... Hij kent u heel goed. Ik heb hem verleden Maandag over u hooren spreken in zulke termen, dat het mij toescheen alsof hij op de hoogte was van de kleinste bijzonderheden van uw leven en van uw karakter."

"Ik heb zelfs zijn naam nooit hooren noemen."

"Dan zal hij zeker naar u geïnformeerd hebben."

Don Vigilio groette en ging zijn kamer binnen, terwijl Pierre, die tot zijn verbazing de deur van zijn kamer open vond, er Victorine op haar rustige manier uit zag komen.

"O, mijnheer de abbé, ik heb mij persoonlijk willen overtuigen, dat er niets ontbrak. U hebt uw kaars, u hebt suiker, water en lucifers... Wat gebruikt u 's ochtends? Koffie? Neen? Alleen melk met een broodje. Goed! Om acht uur zeker?... En rust u nu maar eens goed uit! Ik heb de eerste nachten in dit oude paleis een vreeselijken angst voor spoken gehad! Maar ik heb er nooit één gezien. Wanneer je dood bent, dan ben je veel te blij, dat je het bent, en rust je lekker uit."

Eindelijk was Pierre alleen. Hij was blij, dat hij uit de plooi kon komen, dat hij kon ontsnappen aan het onbehaaglijk gevoel, dat die onbekende omgeving, die salon, die menschen, welke zich in het rustige licht der lampen als spoken vermengden en weer verdwenen, hem gaven. De spoken, dat zijn de oude dooden van vroeger, wier onrustige zielen terugkwamen om lief te hebben en te lijden in het hart der levenden van thans. Ondanks zijn lange dagrust had hij zich nooit zoo moe gevoeld, nooit zoo'n behoefte aan slaap; zijn hoofd was geheel verward, hij was bang niets begrepen te hebben. Toen hij zich begon uit te kleeden, maakte de verwondering, dat hij hier was, dat hij hier naar bed ging, zich opnieuw met zulk een heftigheid van hem meester, dat hij een oogenblik meende een ander te zijn. Wat dachten al die menschen van zijn boek? Waarom had men hem in dit kille huis laten komen, dat hem--hij voelde het--vijandig gezind was? Was het om hem te helpen of om hem te overwinnen? En hij zag in het gele licht van den salon niets meer dan donna Serafina en advocaat Morano, ieder aan een kant van den haard, terwijl achter het hartstochtelijke en rustige hoofd van Benedetta, het glimlachende gezicht van monsignor Nani met zijn listige oogen en zijn van ontembare energie getuigende lippen verscheen.

Hij ging liggen, maar stond al heel gauw weer op; hij had het benauwd, voelde zoo'n behoefte aan frissche, vrije lucht, dat hij het raam geheel openzette en eruit leunde. Maar de nacht was inktzwart, de horizont lag in het duister gedompeld. De sterren aan het firmament werden waarschijnlijk door nevels bedekt, het ondoorzichtige hemelgewelf hing loodzwaar neer. De huizen van den tegenoverliggenden Trastevere sliepen reeds lang; geen enkel raam was meer verlicht; slechts flikkerde in de verte een lantaarn als een verloren ster. Vergeefs zocht hij den Janiculus. Alles ging in dit meer van Niets onder, de vier-en-twintig eeuwen van Rome, de oude Palatinus, de moderne Quirinalis, de reusachtige dom van de St. Pieter, die in de schaduwgolf van den hemel verdrongen werd. En onder zich zag hij zelfs niet, hoorde hij zelfs niet den Tiber, de doode rivier in de doode stad.

DERDE HOOFDSTUK

Den volgenden ochtend om kwart voor tienen ging Pierre naar de eerste verdieping van het paleis, om zich aan te melden voor de audiëntie van kardinaal Boccanera. Vol moed was hij wakker geworden, vol naïeve geestdrift van zijn geloof; niets was er meer overgebleven van zijn ongewone terneergeslagenheid van den vorigen dag, van den twijfel, van den argwaan, die hem na de vermoeienis van de reis bij het eerste contact met Rome hadden aangegrepen. Het weer was zoo mooi, de hemel zoo helder, dat zijn hart weer vol hoop was gaan kloppen.

De op het groote portaal uitkomende deur van de eerste antichambre stond wijd open. De kardinaal, een der laatste kardinalen van het Romeinsche patriciaat, had, hoewel hij de op de straat uitkomende, van ouderdom wegrottende gala-salons had gesloten, den ontvangsalon van een zijner oud-ooms, die tegen het einde der achttiende eeuw eveneens kardinaal geweest was, behouden. Het was een reeks van vier groote, zes meter hooge vertrekken, die op het hellend, naar den Tiber loopend steegje uitzagen. De zon, waaraan door de zwarte huizen aan den overkant de weg versperd werd, drong er nooit in door. De inrichting met al haar pracht en praal, die de vroegere hoogwaardigheidsbekleeders der Kerk ten toon spreidden, was intact gebleven. Maar hersteld of gerepareerd of onderhouden was er niets. Het behang hing aan flarden, het stof vrat de meubelen op; in de volkomen verwaarloozing voelde men den hautainen wensch den tijd tegen te houden.

Toen Pierre het eerste vertrek, de antichambre der bedienden, binnenging, werd hij door een lichte ontroering aangegrepen. Vroeger stonden daar voortdurend twee pauselijke gendarmes in hun uniform te midden van een groote schaar lakeien; thans echter verhoogde één enkele bediende door zijn spookachtige aanwezigheid nog de melancholie van dit groote, half donkere vertrek. In het bijzonder viel tegenover het raam een met rood gedrapeerd altaar op onder een eveneens rooden baldakijn met het wapen der Boccanera's, den gevleugelden, vlammenspuwenden draak en het devies: Bocca nera, Alma rossa. Ook de roode kardinaalshoed van den oud-oom, de oude, groote, voor plechtige gelegenheden bestemde hoed, bevond zich hier, evenals de twee kussens van roode zijde en de twee aan den muur hangende parasols, die vroeger bij iederen uitgang in de karos werden medegenomen. In de volkomen stilte meende men het zachte leven van de maden te hooren, die sedert een eeuw aan dat geheele doode verleden knaagden, dat door één streek van een plumeau in stof gevallen zou zijn.

De tweede antichambre, waarin vroeger de secretaris zijn verblijf hield, was leeg; Pierre vond don Vigilio eerst in de derde, de eere-antichambre. Daar het personeel tot het strikt noodzakelijke beperkt was, gaf de kardinaal er de voorkeur aan zijn secretaris vlak bij de hand te hebben, dicht bij de deur van de voormalige troonzaal, waarin hij audiënties verleende. Don Vigilio, zoo mager, zoo geel, zoo rillend van koorts, zat daar als verloren aan een heel klein, armoedig, zwart, met paperassen beladen tafeltje. Verdiept in een dossier, keek hij op, herkende den bezoeker en zeide op fluisterenden toon, zoodat het in de stilte als een gemompel klonk:

"Zijne Eminentie is bezig... Wees zoo goed te wachten."

Dan verdiepte hij zich weer in zijn lectuur, blijkbaar om iedere poging tot een gesprek af te snijden.

Pierre, die niet durfde gaan zitten, keek het vertrek rond. Het verkeerde misschien in een nog meer vervallen toestand dan de twee andere met zijn door ouderdom versleten behang van groen damast, dat denken deed aan verkleurd mos op oude boomen. Maar het plafond was nog prachtig, een schitterende decoratie, een fries met geschilderde en vergulde versieringen, die een Triomf van Amphitrite, een fresco van een van Raffaël's leerlingen, omgaven. Volgens oud gebruik lag in dit vertrek de kardinaalshoed op een wandtafeltje aan den voet van een groot crucifix van ebbenhout en ivoor.

Toen Pierre wat aan het halfdonker gewend geraakt was, werd zijn aandacht plotseling getrokken door een kort geleden geschilderd levensgroot portret van den kardinaal. Hij was er afgebeeld in groot gala, de soutane van rood moiré, het kanten koorhemd, de kappa koninklijk om de schouders geworpen. En deze grijsaard van zeventig jaar had in dat kerkelijke gewaad zijn trotsche, vorstelijke houding bewaard: hij was geheel geschoren, zijn grijs haar was nog zóó dik, dat het in zware lokken om zijn schouders golfde. Het was het majestueuze gezicht der Boccanera's--de krachtige neus, de groote mond met de dunne lippen, het lange, diepgerimpelde gezicht. Vooral de oogen van zijn geslacht verhelderden het bleeke gezicht--bruine, vurige oogen onder de dikke, nog zwarte wenkbrauwen. Wanneer zijn hoofd met een lauwerkrans omgeven geweest was, zou men hem voor een Romeinsch keizer gehouden hebben; hij was verheven en gebiedend, alsof het bloed van Augustus in zijn aderen klopte.

Pierre kende zijn geschiedenis, en zijn portret riep hem die weer voor den geest. Opgevoed in het adellijke College, had Pio Boccanera slechts éénmaal Rome verlaten, toen hij nog maar heel jong en pas diaken was, om als pauselijk gezant een kardinaalshoed naar Parijs te brengen. Daarna had zijn kerkelijke carrière zich zeer geleidelijk ontwikkeld; de eere-ambten vielen hem als op natuurlijke wijze ten deel, zooals trouwens in verband met zijn voorname afkomst te verwachten was. Hij werd door Pius IX persoonlijk gewijd, later tot canonicus aan de Vaticaansche Basilica en tot geheim kamerheer, na de Italiaansche occupatie tot majordomo en eindelijk in 1874 tot kardinaal benoemd. Sedert vier jaar was hij kardinaal-voorzitter van de apostolische kamer, en men vertelde, dat Leo XIII hem voor dit ambt uitverkoren had, zooals Pius IX hem zelf vroeger daartoe uitverkoren had, om hem van de opvolging op den pauselijken troon uit te sluiten, want, al was het conclave bij zijn keuze afgeweken van de traditie, volgens welke de kardinaal-voorzitter niet tot paus gekozen kon worden, voor een nieuwe inbreuk daarop zou het waarschijnlijk toch terugschrikken.

Ook vertelde men, dat, evenals onder de vroegere regeering, de heimelijke strijd tusschen den paus en den kardinaal-voorzitter voortgezet werd; deze laatste veroordeelde de politiek van den Heiligen Stoel, was in alles van precies tegenovergestelde meening en wachtte in de feitelijke onbeduidendheid van zijn ambt op den dood van den paus, die hem tot aan de keuze van den nieuwen paus de interimaire macht zou geven, de plicht om het conclave bijeen te roepen en over den goeden tijdelijken gang van zaken der Kerk te waken. Lag het eerzuchtige verlangen naar het pausschap, de droom, om het avontuur van kardinaal Pecci, die kardinaal-voorzitter en toch paus was, te herhalen, achter dit hooge, strenge voorhoofd, in de vlam zelf van die donkere oogen. Zijn Romeinsche prinsentrots kende niets dan Rome; hij stelde er bijna een eer in niets van de moderne wereld te weten. Overigens was hij zeer vroom, streng godsdienstig, onwankelbaar in zijn geloof, niet in staat den geringsten twijfel te koesteren.

Maar een fluisteren rukte Pierre uit zijn overpeinzingen. Don Vigilio vroeg hem te gaan zitten.

"Het zal misschien een tijdje duren; neemt u zoo lang een tabouret."

En hij begon een groot, geelachtig vel papier met een fijn schrift te beschrijven, terwijl Pierre machinaal op een der eikenhouten tabouretjes, die in een rij langs den muur tegenover het portret stonden, plaats nam. Hij viel weer in zijn overpeinzingen terug en meende om zich heen de vorstelijke pracht der vroegere kardinalen te zien herleven en schitteren. In de eerste plaats gaf de kardinaal op den dag, dat hij benoemd werd, groote feesten, volksvermaken, waarvan er sommige thans nog door hun pracht en praal bekend zijn. Gedurende drie dagen blijven de deuren der ontvangsalons wijd openstaan; iedereen, die wilde, mocht binnenkomen, van zaal tot zaal riepen de deurwachters elkaar de namen toe--namen van patriciërs, van gezeten burgers, van het gewone volk, in het kort geheel Rome, dat de kardinaal met de welwillendheid van een souverein ontving, zooals een koning zijn onderdanen.

Vervolgens werd een geheele koninklijke hofhouding georganiseerd, sommige kardinalen brachten vroeger meer dan vijfhonderd personen met zich mede, hadden een huishouding, die zestien bureaux telde, leefden te midden van een waar Hof. Zelfs in lateren tijd, toen het leven reeds veel eenvoudiger geworden was, had een kardinaal, als hij van vorstelijken bloede was, het recht op een galastoet van vier met zwarte paarden bespannen rijtuigen. Vier knechts, in de livrei van zijn kleuren, gingen hem vooraf en droegen den hoed, de kussens en de parasols. Bovendien was hij vergezeld van zijn secretaris in een violetzijden mantel, van den sleepdrager in zijn croccia, een soort gewatteerde jas van violette wol met zijden revers, en van den gentiluomo in de kleederdracht van Henri II, die den kardinaalshoed in zijn gehandschoende handen droeg.