Part 7
"Pas maar op, dat u die afschuwlijke koortsen niet krijgt. Dat vlak bij de rivier wonen is niet gezond. Don Vigilio, de secretaris van Zijne Eminentie, heeft ze ook, en ik verzeker u, dat dat alles behalve lollig is."
Zij gaf hem dan ook den raad niet naar beneden te gaan, maar weer zijn bed op te zoeken. Zij zou hem wel excuseeren bij de prinses en de contessina. Hij liet haar praten en doen wat zij wilde, want hij was niet in staat zelf iets te willen. Op haar raad at hij echter wel wat; hij gebruikte een bord soep, een stukje kip en appelmoes, die Giacomo, de knecht, voor hem boven bracht. Dat deed hem goed; hij voelde zich weer zoo veel beter, dat hij weigerde naar bed te gaan en met alle geweld de dames vanavond nog voor haar hartelijke gastvrijheid wilde bedanken. Daar donna Serafina 's Maandagsavonds ontving, zou hij zich voorstellen.
"Goed, goed!" zeide Victorine. "Als u u weer goed voelt, zal dat een uitstekende afleiding voor u zijn... Het beste zal zijn dat don Vigilio, die hiernaast zijn kamers heeft, u om negen uur komt halen en met u naar beneden gaat. Wacht maar op hem!"
Pierre had zich juist gewasschen en zijn nieuwe soutane aangetrokken, toen er precies om negen uur bescheiden op de deur geklopt werd. Een kleine, nauwlijks dertigjarige, magere en ziekelijk uitziende priester met een lang, gerimpeld en saffraankleurig gelaat kwam binnen. Nu al twee jaar lang werd hij dagelijks op hetzelfde uur door de koorts verteerd. Maar in zijn geel gezicht brandden, door zijn vurige ziel ontstoken, de vlammen van zijn zwarte oogen, wanneer hij vergat die uit te dooven.
Hij maakte een buiging en zeide, eenvoudig, in heel zuiver Fransch:
"Mag ik mij even voorstellen, mijnheer de abbé? Don Vigilio, en geheel tot uw dienst!... Als u het goed vindt, kunnen we naar beneden gaan."
Pierre dankte hem voor zijn vriendelijkheid en volgde hem dadelijk. Don Vigilio zeide echter verder niets meer en antwoordde alleen maar met een glimlachje. Zij waren de kleine trap afgegaan en bevonden zich nu op het groote portaal van de eeretrap. Pierre voelde zich bij de armzalige verlichting droef te moede; op grooten afstand van elkaar flikkerden enkele vleermuizen als in een verdacht hôtel garni; de gele vlekken verlichtten nauwlijks de diepe duisternis van de hooge, eindelooze gangen. Het was iets gigantisch en doodsch tegelijk. Zelfs op het portaal, waarop, tegenover die van haar nicht, de appartementen van donna Serafina uitkwamen, wees niets erop, dat het de ontvangavond van de oude dame was. De deur bleef dicht, geen geluid drong uit de vertrekken in de doodelijke stilte, die uit het geheele paleis opsteeg. Zonder te bellen opende don Vigilio na een nieuwe buiging de deur.
Een enkele, op de tafel staande petroleumlamp verlichtte de antichambre, een groot vertrek met kale muren, waarop al fresco een behang in rood en goud geschilderd was. Op de stoelen lagen een paar jassen en twee mantels, terwijl een wandtafeltje met hoeden bedekt was. Tegen den muur zat een huisknecht te dommelen.
Toen don Vigilio ter zijde trad, om Pierre den eersten salon, een met rood brocaat behangen, half donker, schijnbaar leeg vertrek, te laten binnengaan, stond deze plotseling tegenover een zwarte gedaante, een in het zwart gekleede vrouw, wier trekken hij niet dadelijk onderscheiden kon. Gelukkig hoorde hij, hoe don Vigilio met een buiging zeide:
"Contessina, mag ik de eer hebben u abbé Pierre Froment, die vanochtend uit Frankrijk gekomen is, voor te stellen?"
Hij bleef een oogenblik alleen met Benedetta in het slapende licht der twee met kant omsluierde lampen van den verlaten salon. Maar dan kwam een geroezemoes van stemmen uit den salon ernaast, een grooten salon, welks deur, waarvan de beide vleugels open stonden, een vierkant van helderder licht afteekende.
De jonge vrouw begroette hem met eenvoudige hartelijkheid.
"Het is mij een groot genoegen u te zien, mijnheer de abbé! Ik was werkelijk bang, dat u ernstig ongesteld zoudt zijn. Maar nu voelt u zich weer beter, niet waar?"
Dadelijk kwam hij onder de bekoring van haar langzame, ietwat brouwende stem, waarin een diepe, bedwongen hartstocht over scheen te gaan in veel gezond verstand. Nu eindelijk zag hij haar met haar zware, bruine lokken, met haar witte, ivoorwitte huid. Zij had een rond gezicht, eenigszins dikke lippen, een zeer fijngeteekenden neus en bijna kinderlijk-zachte trekken. Maar vooral haar oogen leefden, groote, eindeloos diepe oogen, waarin niemand met zekerheid lezen kon. Sliep zij? Droomde zij? Verborg zij onder de onbeweeglijkheid van haar gelaat de vurige spankracht der groote heiligen en der groote amoureuses? Zij was zoo blank, zoo jong, zoo rustig, haar bewegingen waren harmonisch, haar geheele manier van doen weloverwogen, zeer edel en rhythmisch. In haar ooren droeg zij twee groote parelen van het zuiverste water, parelen afkomstig van een beroemden collier van haar moeder en die geheel Rome kende.
Pierre excuseerde zich en dankte haar.
"Madame, u maakt mij werkelijk verlegen, ik had u vanochtend al willen zeggen, hoe zeer ik uw te groote goedheid op prijs stel."
Hij had een oogenblik geaarzeld haar "Madame" te noemen, daar hij zich het in haar eisch tot nietigverklaring van het huwlijk aangevoerde motief herinnerde. Maar blijkbaar noemde iedereen haar zoo. Trouwens haar gelaatsuitdrukking was kalm en welwillend gebleven, en zij wilde hem op zijn gemak stellen.
"U doet hier precies alsof u thuis was, mijnheer de abbé. Het is voor ons voldoende, dat u de vriend bent van mijnheer de la Choue en dat hij zich voor uw werk interesseert. Zooals u waarschijnlijk weten zult, koester ik voor hem een groote genegenheid..."
Zij hield verlegen op, begreep, dat zij over het boek moest spreken, de eenige reden van de reis en de aangeboden gastvrijheid.
"Ja, de vicomte heeft mij uw boek gezonden. Ik heb het met heel veel genoegen gelezen. Het heeft mij zelfs zeer getroffen. Maar ik ben slechts een onwetend meisje en heb zeker niet alles goed begrepen. Wij moeten er samen eens over spreken en dan wilt u mij zeker uw denkbeelden wel eens nader uitleggen, niet waar?"
In haar groote, heldere oogen, die niet liegen konden, las hij de verbazing, de ontroering van een kinderziel, die in aanraking gebracht wordt met verontrustende problemen, welke zij nog nooit onder de oogen gezien had. Zij was het dus niet, die zich voor zijn boek geïnteresseerd had, die hem in haar nabijheid wilde hebben, om hem te steunen, om zijn bondgenoot te zijn in de overwinning? Hij vermoedde, en ditmaal zeer beslist, een geheimen invloed, iemand, wiens hand alles naar een onbekend doel leidde. Maar hij kwam onder de bekoring van zooveel eenvoud en zooveel openhartigheid in een zoo mooi, zoo jong en zoo edel wezen; hij gaf zich geheel aan haar na de eerste woorden, die zij tot hem gericht had. Hij wilde haar juist zeggen, dat zij geheel over hem beschikken kon, toen hij daarin gestoord werd door de komst van een andere, eveneens in het zwart gekleede vrouw, wier hooge, slanke gestalte scherp tegen de lichte lijst der wijd openstaande deur van den salon ernaast afstak.
"Heb je aan Giacomo gezegd, dat hij boven moet gaan kijken, Benedetta? Don Vigilo is juist gekomen, en hij is alleen. Dat past niet."
"Wel neen, tante, mijnheer de abbé is hier."
En vlug stelde zij voor.
"Mijnheer de abbé Pierre Froment... Prinses Boccanera!"
Een ceremonieele begroeting volgde. Zij moest niet ver meer van de zestig zijn, maar zij reeg zich zoo sterk, dat men haar van achteren voor een jonge vrouw zou hebben aangezien. Dat was echter haar laatste coquetterie; haar haar, nog dik en vol, was geheel grijs, slechts de wenkbrauwen in haar lang gezicht met de diepe plooien en den grooten, eigenzinnigen familieneus, waren nog zwart. Zij was nooit mooi geweest en maagd gebleven; nooit was de wonde, welke de keus van graaf Brandini, die zijn oog op Ernesta, haar jongere zuster, had laten vallen, haar toegebracht had, genezen; van dat oogenblik af had zij besloten al haar vreugde te zoeken in de bevrediging van den overgeërfden trots op den naam, dien zij droeg. De Boccanera's hadden reeds twee pausen in de familie gehad, en zij hoopte niet te sterven, voordat haar broeder, de kardinaal, de derde was. Zij was zijn geheime huishoudster geworden, zij had hem nooit verlaten, waakte over hem, was zijn raadsvrouw, deed wonderen, om het langzame verval, dat de plafonds van het huis boven hun hoofden deed ineenstorten, te verbergen. Uit hooge politiek, om den salon van de zwarte kringen, om een macht en een gevaar te blijven, ontving zij sedert dertig jaar iederen Maandag enkele intieme vrienden, die allen tot de partij van het Vaticaan behoorden.
Uit haar ontvangst begreep Pierre onmiddellijk, hoe weinig hij, de kleine vreemde priester, die niet eens prelaat was, voor haar beteekende. En dat deed zijn verwondering nog grooter worden, deed opnieuw de vraag in hem opkomen: waarom had men hem hier uitgenoodigd, wat moest hij in deze voor de nederigen gesloten wereld doen? Hij wist, dat zij uiterst vroom was, en meende ten slotte te moeten begrijpen, dat zij hem alleen uit égard voor den vicomte ontving, want op haar beurt wist zij niets anders te zeggen dan:
"Het doet ons zoo'n genoegen goede berichten van mijnheer de la Choue te ontvangen! Twee jaar geleden is hij hier met zoo'n mooien pelgrimstocht geweest!"
Zij ging den jongen priester voor naar den salon ernaast. Het was een groot vierkant vertrek met oud, geel brocaat met groote Louis XIV-bloemen behangen. Het zeer hooge plafond had een prachtige bekleeding van gesneden en beschilderd hout en vakken met gouden rosetten. De meubileering was zeer gemengd. Hooge spiegels, twee prachtige, vergulde wandtafeltjes, een paar mooie fauteuils uit de zeventiende eeuw; maar al het overige was jammerlijk-leelijk, een zware empire-guéridon van God weet waarvandaan, allerlei vreemde dingen, die uit den een of anderen bazar afkomstig moesten zijn, afschuwlijke photographieën op het kostbare marmer der wandtafeltjes. Er was geen enkel interessant kunstvoorwerp. Aan de muren hingen oude middelmatige schilderijen, uitgezonderd een prachtige onbekende primitief: een Visitatie uit de veertiende eeuw: de Heilige Maagd was heel klein en had de teere reinheid van een tienjarig kind, terwijl de Engel zeer groot en schitterend was en haar deed baden in de golven van een verblindende, bovenmenschelijke liefde. Daartegenover hing een oud familieportret, een zeer mooi jong meisje met een tulband op het hoofd voorstellend, waarschijnlijk Cassia Boccanera, die zich met haar broeder Ercole en het lijk van haar geliefde, Flavio Corradini, in den Tiber geworpen had. Vier lampen verlichtten met haar sterk, rustig licht het verwelkte, als door een melancholieken zonsondergang geel bestraalde, ernstige, ledige en kale vertrek, waarin geen enkele bloem te zien was.
Dadelijk stelde donna Serafina Pierre met enkele woorden voor. In de onmiddellijk daarop volgende stilte en het plotselinge staken der gesprekken voelde hij hoe aller blikken zich tot hem wendden als naar een beloofde en verwachte curiositeit. Er waren hoogstens een tiental personen bijeen, waaronder Dario, die stond te praten met de kleine prinses Celia Buongiovanni, welke hier gebracht was door een oude bloedverwante, die in een donker hoekje zat te fluisteren met een prelaat, monsignor Nani. Pierre was echter het meest getroffen door den naam van den kerkelijken advocaat Morano, van wiens bijzondere positie in dit huis de vicomte, toen hij Pierre naar Rome zond, gemeend had hem op de hoogte te moeten brengen, opdat hij geen verkeerde dingen zeggen of doen zou.
Morano was sedert dertig jaar de vriend van donna Serafina. Deze verhouding was vroeger strafbaar, daar de advocaat vrouw en kinderen had, maar nadat hij weduwnaar geworden was en vooral onder den invloed van den tijd werd het een door allen geëxcuseerde en aanvaarde liaison, een van die langdurige natuurlijke huwlijken, welke door de verdraagzaamheid der wereld gewijd worden. Daar beiden zeer vroom waren, hadden zij zich ongetwijfeld van de noodige aflaten verzekerd. Zoo zat Morano op de plaats, die hij sedert meer dan een halve eeuw innam, naast den haard, hoewel er nog geen vuur brandde. Toen donna Serafina zich van haar plicht als gastvrouw gekweten had, ging zij op haar eigen plaatsje aan den anderen kant van den haard tegenover hem zitten.
Terwijl Pierre, zwijgend en bescheiden op een stoel naast don Vigilio plaats nam, vertelde Dario op luideren toon het verhaal, dat hij aan Celia deed, verder. Hij was een knappe jonge man van middelbare grootte, slank en elegant, met een bruinen, zeer gesoigneerden baard, een lang gezicht en den grooten neus der Boccanera's; maar zijn gelaatstrekken waren zachter, als door de eeuwenlange verarming van het bloed verslapt.
"O, een schoonheid!" herhaalde hij met nadruk; "een buitengewone schoonheid!"
"Wie bedoel je toch?" vroeg Benedetta, die zich bij hen voegde.
Celia, die op de boven haar hoofd hangende kleine Maagd van den primitief leek, begon te lachen.
"O, een arm meisje--een arbeidster, die Dario vandaag gezien heeft."
En Dario moest zijn verhaal opnieuw beginnen. Hij liep in een smal straatje, dicht bij de piazza Navona, toen hij op de treden van een bordes een groot, krachtig meisje van een jaar of twintig zag, dat vreeselijk zat te snikken. Getroffen door haar schoonheid, was hij naar haar toegegaan en had eindelijk begrepen, dat zij in het huis, een fabriek van wasparelen, werkte, maar dat de fabriek gesloten was en zij nu niet naar huis durfde gaan, omdat daar toch al zoo'n armoede heerschte. Onder den zondvloed van haar tranen had zij zulke mooie oogen naar hem opgeslagen, dat hij ten slotte wat geld uit zijn zak gehaald had. Toen was zij echter, rood en verlegen, opgesprongen, had haar handen onder haar rok verborgen en niets willen aannemen; als hij wilde, kon hij met haar medegaan en het aan haar moeder geven. Vervolgens was zij weggeloopen in de richting van de Engelenbrug.
"O, een schoonheid," herhaalde hij met geestdriftige extase; "een buitengewone schoonheid!... Grooter dan ik, maar desniettemin toch slank, met een hals als van een godin! Een echte antieke, een twintigjarige Venus--de kin iets te krachtig, mond en lippen zeldzaam regelmatig, oogen--o, die reine, groote oogen! En blootshoofds, niets dan de kroon van haar zware, zwarte lokken--een stralend gezicht, als verguld door de zon!"
Allen luisterden verrukt in dien hartstocht voor de schoonheid, welken Rome trots alles bewaart.
"Die mooie meisjes uit het volk beginnen zeldzaam te worden," zeide Morano. "Je kan heel Trastevere doorloopen, zonder er een tegen te komen. Maar dit bewijst, dat er tenminste nog één is."
"En hoe heet je godin?" vroeg Benedetta, die even verrukt was als de anderen, glimlachend.
"Pierina," lachte hij terug.
"En wat heb je gedaan?"
Maar het gelaat van den jongen man kreeg een uitdrukking van onbehagen en angst, als dat van een kind, dat onder het spelen een leelijk dier ziet.
"Praat me daar niet over, ik heb er spijt genoeg van... Een ellende, een ellende, om er ziek van te worden."
Hij was haar uit nieuwsgierigheid gevolgd naar den anderen kant van de Engelenbrug tot in de nieuwe wijk, die op de oude Prati del Castello gebouwd werd; en daar, op de eerste verdieping van een der verwaarloosde, nauwlijks droge en toch reeds in verval verkeerende huizen, was hij getuige geweest van een vreeselijk tooneel, waar hij nu nog van walgde: een heele familie, vader, moeder, een oude zwakke oom, kinderen, die bijna stierven van honger en in het vuil vervuilden. Hij gebruikte bij zijn schildering de mooiste woorden, verjoeg het vreeselijk visioen met een verschrikte handbeweging.
"Enfin, ik maakte, dat ik wegkwam, en ik verzeker je, dat ik niet meer terug ga."
In de koude en verlegen stilte, die volgde, schudden allen afkeurend hun hoofd. Morano verklaarde met bittere woorden, dat de roovers, de mannen van het Quirinaal, de eenige oorzaak van al die ellende van Rome waren. Liep niet het gerucht, dat men den afgevaardigde Sacco, dien in allerlei verdachte zaken gecompromitteerden intrigant, minister wilde maken? Dat zou het toppunt van onbeschaamdheid zijn, het onvermijdelijke en nabije bankroet.
Alleen Benedetta, wier blik zich op Pierre richtte, prevelde, denkend aan zijn boek:
"Die arme menschen! Hoe vreeselijk! Maar waarom niet naar hen teruggaan?"
Pierre, in den beginne verstrooid en zich niet op zijn gemak voelend, was diep ontroerd door het verhaal van Dario. Hij doorleefde weer zijn apostolaat te midden der ellenden van Parijs, en een innig medelijden maakte zich van hem meester, nu hij bij zijn aankomst in Rome weer dezelfde ellende terugvond. Zonder het te willen, verhief hij zijn stem en zeide luid:
"O, madame, laten we er samen heengaan! Breng mij er! Die quaesties interesseeren mij zoo."
De aandacht van allen werd daardoor weer op hem gevestigd. Men begon hem vragen te stellen; hij voelde, dat zij nieuwsgierig waren naar zijn eersten indruk, naar wat hij over hun stad en over hen zelf dacht. Vooral moest hij Rome niet naar den uiterlijken schijn beoordeelen. Wat had hij gezien, hoe vond hij de stad? Doch hij verontschuldigde zich beleefd, zeide, dat hij daarop geen antwoord geven kon, daar hij nog niets gezien had, zelfs nog niet uit geweest was. Maar toch bleef men bij hem aandringen; hij kreeg het zeer besliste gevoel, dat men een druk op hem wilde uitoefenen, hem met geweld tot bewondering en liefde dwingen wilde. Men gaf hem van alle kanten raad, bezwoer hem zich niet door teleurstellingen, die niet uit konden blijven, te laten beïnvloeden, doch vol te houden, te wachten, tot Rome hem zijn ziel openbaarde.
"Hoe lang denkt u hier te blijven, mijnheer de abbé?" vroeg een beleefde, zachte en heldere stem.
Het was monsignor Nani. Hij zat nog steeds in hetzelfde donkere hoekje en sprak nu voor het eerst met luide stem. Meermalen meende Pierre reeds opgemerkt te hebben, dat de prelaat zijn blauwe, zeer levendige oogen niet van hem af had, terwijl hij aandachtig scheen te luisteren naar het langzame gepraat van Celia's tante. Voor hij antwoordde, keek hij hem aan. In zijn soutane met de smalle karmijnroode zoom en de violetzijden sjerp om zijn middel, zag hij er met zijn nog blond haar, zijn rechten, fijngeteekenden neus, zijn krachtigen mond en zijn schitterend-witte tanden, nog jong uit, ofschoon hij de vijftig reeds gepasseerd was.
"Een veertien dagen, monsignor, drie weken misschien."
De geheele salon protesteerde. Wat? Drie weken? En verbeeldde hij zich heusch Rome in drie weken te leeren kennen? Daar waren zes maanden, een jaar, tien jaar voor noodig! De eerste indruk was altijd ongunstig, en om dien te overwinnen was een langer verblijf beslist noodzakelijk.
"Drie weken!" herhaalde donna Serafina met een minachtend gebaar. "Kan men elkaar in drie weken leeren kennen en lief hebben?"
Om de lippen van Nani, die zich met de anderen opgewonden had, speelde slechts een flauw glimlachje. Met zijn fijne hand, die zijn aristocratische geboorte verried, maakte hij een klein gebaar. En toen Pierre zeer bescheiden uitlegde, dat hij alleen gekomen was, om enkele stappen te doen, en weer terug zou gaan, zoodra die gedaan waren, zeide de prelaat nog steeds glimlachend:
"O, mijnheer de abbé zal langer blijven dan drie weken. Ik hoop, dat we het genoegen zullen hebben hem nog lang in ons midden te zien."
Hoewel deze woorden met rustige beleefdheid uitgesproken werden, maakten zij op Pierre toch een zeer onaangenamen indruk. Wat wist de prelaat? Wat wilde hij daarmede zeggen? Hij vroeg zacht aan don Vigilio, die nog steeds zwijgend naast hem zat:
"Wie is toch die monsignor Nani?"
Maar de secretaris antwoordde niet dadelijk. Zijn koortsachtig gelaat kreeg een nog grauwere tint. Zijn vurige oogen zagen rond, vergewisten zich, dat niemand naar hem keek. Dan fluisterde hij:
"De assessor van het Heilig College!"
Die inlichting was voldoende, want Pierre wist heel goed, dat de assessor, die zwijgend de vergaderingen van het Heilig College bijwoonde, zich iederen Woensdagavond na de zitting naar den Heiligen Vader begaf, om hem op de hoogte te brengen van de dien middag behandelde zaken. Die wekelijksche audiëntie, dat vertrouwlijke uurtje bij den paus, dat het mogelijk maakte allerlei onderwerpen te bespreken, gaf aan den functionaris een bijzondere positie en zeer uitgebreide macht. Bovendien leidde dit ambt tot de kardinaalswaardigheid; de assessor kon later nog slechts tot kardinaal benoemd worden.
Monsignor Nani, die een zeer eenvoudig en vriendelijk man scheen te zijn, bleef den jongen priester zoo aanmoedigend aankijken, dat deze zich verplicht voelde plaats te nemen op den stoel, dien de oude tante van Celia eindelijk naast hem vrij gemaakt had. Was deze kennismaking, dadelijk op den eersten dag, met een machtig prelaat, wiens invloed misschien alle deuren, voor hem zou openen, niet een voorteeken voor de overwinning? Hij was dan ook zeer ontroerd, toen deze hem dadelijk na de eerste woorden op zeer belangstellenden toon vroeg:
"Dus hebt gij, mijn waarde zoon, een boek het licht doen zien?"
En Pierre, weer geheel medegesleept door zijn geestdrift en geheel vergetend, waar hij was, vertelde hem, hoe hij door de lijdenden en ongelukkigen ingewijd was in brandende naastenliefde, droomde hardop van den terugkeer tot de Christelijke gemeenschap, juichte over het verjongde Katholicisme, dat de godsdienst der universeele democratie geworden was. Langzamerhand was hij met stemverheffing gaan spreken en in den ouden strengen salon ontstond een stilte; allen luisterden te midden van een toenemende verbazing, een ijzige koude, die hij echter niet voelde.
Eindelijk viel Nani hem zacht in de rede met zijn eeuwig glimlachje, waarin het ironisch trekje zelfs niet op te merken was:
"Zeker, zeker, mijn waarde zoon, het is heel mooi, ongetwijfeld heel mooi, de reine en edele phantasie van een Christen volkomen waardig... Maar wat wilt ge nu doen?"
"Regelrecht naar den Heiligen Vader gaan, om mij te verdedigen."
Een zacht, onderdrukt lachje volgde en donna Serafina drukte aller gevoelen uit, door te zeggen:
"Maar dat gaat zoo maar niet!"
Doch Pierre wond zich op.
"Maar ik hoop hem toch te spreken. Heb ik geen uitdrukking gegeven aan zijn denkbeelden? Heb ik zijn politiek niet verdedigd? Kan hij mijn boek laten veroordeelen, waarin ik volgens mijn overtuiging door het beste in hem zelf geïnspireerd ben?"
"Zeer zeker, zeer zeker," haastte Nani zich te herhalen, alsof hij bang was, dat men te heftig te werk ging met dezen jongen enthousiast. "De Heilige Vader heeft zulke hooge en verheven denkbeelden! Ge moet hem spreken... Maar, mijn lieve zoon, ge moet u niet zoo opwinden, denk een weinig na en wacht uw tijd af."
En zich dan tot Benedetta wendend:
"Zijne Eminentie heeft mijnheer den abbé nog niet gezien, wel? Het zou goed zijn, indien Zijne Eminentie hem morgenochtend zou willen ontvangen, om hem met zijn wijze raadgevingen te leiden."
Kardinaal Boccanera woonde nooit de ontvangavonden van zijn zuster bij. Maar in den geest was hij altijd als afwezige, opperste gebieder aanwezig.
"Maar ik ben bang," antwoordde de contessina aarzelend, "dat mijn oom niet medegaat met de denkbeelden van mijnheer den abbé."
Nani begon weer te glimlachen.
"Juist daarom zal hij hem des te beter kunnen raden."
En onmiddellijk werd met don Vigilio afgesproken, dat deze Pierre voor een audiëntie zou inschrijven voor den volgenden ochtend om tien uur.