Part 64
Wat zou hij doen? Het zou vergeefsche moeite zijn, als hij trachtte dit thans te weten te komen. Alles was nog zwevende; hij had de geheele wereld voor zich. Zij was nog versperd door de ruïnes van het verleden, die echter misschien morgen reeds uit den weg zouden zijn geruimd. Daar, in de treurige voorstad, zou hij den goeden abbé Rose terugvinden, die hem den vorigen dag nog geschreven had toch heel gauw terug te komen, om zijn armen te redden, lief te hebben en te verzorgen, daar dit uit de verte zoo schitterende Rome doof was voor barmhartigheid. En om den vreedzamen priester zou hij ook den voortdurend wassenden vloed der ongelukkigen terugvinden--de uit het nest gevallen, van honger bleeke, van koude bevende kleinen, die hij opraapte--de in ontzettenden nood verkeerende huishoudens, waar de vader drinkt, de moeder zich prostitueert, de zoons en dochters tot ontucht en misdaad vervallen--geheele huizen, waardoor de honger blies--de afzichtelijkste vuilheid, het schandelijkste samenhokken--geen meubelen, geen linnengoed--een dierlijk leven, dat bevrediging zoekt, waar het die vinden kan. Dan zouden weer de wintervorsten komen, de rampen van het sluiten der werkplaatsen, de tering, die als een rukwind de zwakken wegrukte, terwijl de sterken wraakgierig hun vuisten balden. Dan zou hij misschien op een avond een kamer binnentreden, waarin een moeder zich met haar vijf kleinen, haar jongst-geborene nog aan haar leege borst, de anderen verspreid over den kalen vloer, gedood zou hebben. Neen, neen, deze zwarte, tot zelfmoord leidende ellende te midden van het groote, met rijkdommen opgepropte, van genot dronken Parijs, dat voor zijn pleizier millioenen op straat wierp, was niet meer mogelijk. Het sociale gebouw was in zijn grondvesten verrot, alles stortte neer in modder en bloed. Nooit had hij zoozeer de belachelijke nutteloosheid van de barmhartigheid gevoeld. En plotseling werd hij zich bewust, dat het verwachte woord, het woord, dat eindelijk uit den mond van den grooten, eeuwenouden Zwijgende, van het verpletterde en geknevelde volk, opsteeg, het woord "Gerechtigheid" was. Ja, gerechtigheid, geen barmhartigheid. De barmhartigheid had slechts de ellende tot in het oneindige doen voortduren, de gerechtigheid zou deze misschien genezen. Naar gerechtigheid hongerden de ongelukkigen, een daad van gerechtigheid kon alleen de oude wereld wegvagen, om de nieuwe te kunnen opbouwen.
De groote Zwijgende zou noch aan het Vaticaan, noch aan het Quirinaal, noch aan den paus noch aan den koning toebehooren; in zijn langen, nu eens geheimen, dan weer open strijd door alle tijden heen had het slechts gegromd en zich tusschen den paus en den keizer, die het ieder voor zichzelf wilden, slechts verzet, om weer tot zichzelf te komen, om op den dag, dat het "gerechtigheid" schreeuwen zou, te kennen te geven, dat het aan niemand toebehooren wilde. Zou morgen misschien reeds die dag van gerechtigheid en waarheid aanbreken? In zijn angst, zwevende tusschen zijn behoefte aan het goddelijke, dat de menschen kwelt, en de opperheerschappij der rede, die hem helpt staande te blijven, was Pierre slechts van één ding zeker: hij wilde zijn eed houden, als priester zonder geloof over het geloof van anderen waken, kuisch en eerlijk zijn taak vervullen, vol trotsche droefheid, dat hij geen afstand had kunnen doen van zijn rede, zooals hij afstand gedaan had van zijn liefdeszinnelijkheid en van zijn droom de redder der menschheid te worden. En weer, evenals na Lourdes, wilde hij wachten.
Maar bij dit raam, tegenover dat in donkerte gedompelde Rome, waren zijn overpeinzingen zóó diep geworden, dat hij niet eens hoorde hoe een stem hem riep. Eerst toen een hand op zijn schouder gelegd werd, verstond hij:
"Mijnheer de abbé! Mijnheer de abbé..."
En toen hij zich eindelijk omkeerde, zeide Victorine tegen hem:
"Het is half tien, mijnheer de abbé. Het rijtuig staat voor. Giacomo heeft de bagage al beneden gebracht... U moet gaan, mijnheer de abbé!"
En toen zij zag, hoe hij nog verschrikt met zijn oogen knipte, glimlachte zij.
"Neemt u afscheid van Rome? Een leelijke lucht, niet?"
"Ja, heel leelijk," zeide hij eenvoudig.
Toen gingen zij naar beneden. Hij gaf haar een biljet van honderd francs, om met het personeel te deelen. Zij nam de lamp en lichtte hem voor, omdat het, zooals zij zeide, dien avond zoo pikdonker in het paleis was.
O, dit vertrek, deze laatste gang door het zwarte en ledige paleis! Hoe werd Pierre erdoor van streek gebracht! Hij had een laatsten afscheidsblik door zijn kamer geworpen, den afscheidsblik, die hem steeds met wanhoop vervulde en een stuk van zijn ziel wegrukte, zelfs wanneer hij een vertrek verliet, waarin hij geleden had. Voor de kamer van don Vigilio, waaruit slechts een huiverende stilte kwam, stelde hij zich voor hoe deze het hoofd in het kussen drukte, zijn adem inhield, uit vrees, dat zijn adem nog spreken en hem de wraak van de Jezuïeten op den hals halen zou. Maar vooral op de portalen der tweede en eerste verdieping tegenover de gesloten deuren van donna Serafina en van den kardinaal, doorhuiverde een rilling hem, toen hij niets hoorde, zelfs geen zucht; het was, als liep hij langs graven.
Na hun terugkeer van de begrafenis hadden zij geen levensteeken meer gegeven; zij hadden zich opgesloten en daarmede het geheele huis tot onbeweeglijkheid gebracht, waarin men zelfs niet het fluisteren van een gesprek of het schuifelend sluipen van een bediende hoorde, Victorine liep nog steeds met de lamp in haar hand voor hem uit en Pierre volgde haar, steeds denkende aan deze twee, die alleen bleven in het in puin vallende paleis, de laatsten van een reeds half ingestorte, op den drempel van een nieuwe wereld staande wereld. Dario en Benedetta hadden alle levenshoop met zich mede genomen; nog slechts de oude ongetrouwde vrouw en de onvruchtbare priester waren er. Een herleving was niet meer mogelijk. O, deze eindelooze, luguber-donkere gangen, deze koude, reusachtige trap, die in het Niet scheen af te dalen, deze groote zalen, welker muren van armoede en verwaarloozing scheurden! En het op een kerkhof gelijkende binnenplein met zijn gras, zijn vochtige zuilengaanderij, waaronder de torso's van Venus en Apollo wegrotten! En de kleine tuin, doorgeurd door de rijpe oranjeappelen, waarin niemand meer komen zou, nu men er onder den laurierboom bij den sarkophaag de aanbiddelijke contessina niet meer zou ontmoeten. Dat alles ging onder in den afschuwlijken rouw, in de doodsche stilte, waarin de twee laatste Boccanera's in hun woeste grootschheid nog slechts behoefden te wachten, tot hun paleis, evenals hun God, op hun hoofden zou instorten. En Pierre hoorde niets anders dan een heel zacht geluid, het geritsel van een muis zeker of de tanden van een knaagdier, abbé Paparelli, die ergens in de afgelegen kamer bezig was den muur af te brokkelen, het oude huis van onderen af weg te knagen, om de instorting te verhaasten.
Het rijtuig met zijn twee lantaarns, waarvan de twee gele stralen door de donkerte der straat boorden, stond voor de deur. De bagage was er reeds ingezet: het kistje naast den koetsier, het handkoffertje op het bankje. En de priester stapte dadelijk in.
"O, u hebt tijd genoeg," zeide Victorine, die op het trottoir was blijven staan. "U hebt alles; ik ben blij, dat u zoo op uw gemak vertrekken kunt."
Het was een troost voor hem in deze laatste minuut deze landgenoote bij zich te hebben, deze goede ziel, die hem bij zijn aankomst begroet had en nu bij zijn vertrek hem uitgeleide deed.
"Ik zeg niet tot ziens, mijnheer de abbé, want ik geloof niet, dat u zoo gauw in deze verduivelde stad terug zult komen... Vaarwel, mijnheer de abbé!"
"Vaarwel, Victorine. En hartelijk, hartelijk dank."
Reeds reed het rijtuig in vluggen draf weg en draaide door de nauwe en kronkelende straten, die naar den Corso Victor-Emanuele leidden. Het regende niet, de kap was niet opgeslagen; maar hoewel de vochtige lucht zacht was, kreeg de jonge priester het toch koud. Hij wilde echter geen tijd verliezen door den koetsier, ditmaal een, die geen woord zeide en slechts haast scheen te hebben om aan het station te komen, te laten ophouden.
Toen Pierre in den Corso Victor-Emanuele kwam, vond hij dezen tot zijn verbazing op het vroege uur al verlaten. De huizen waren gesloten, de trottoirs leeg, de electrische lampen brandden alleen in de melancholieke eenzaamheid. Het was inderdaad niet warm, de mist scheen dikker te worden en de gevels nog meer te omhullen. Toen hij langs de Cansellaria kwam, kreeg hij een gevoel alsof het strenge en reusachtige monument achteruitweek en als in een droom verdween. Verderweg, rechts, aan het einde van de door enkele lantaarns verlichte Via d'Aracoeli was het Kapitool in volkomen donkerte gedompeld. Dan werd de breede Corso smaller en reed het rijtuig tusschen de twee sombere massa's van de donkere Il Gesù en den zwaren palazzo Altieri; en in deze nauwe gang, waarin zelfs op mooie zonnige dagen de geheele vochtigheid der oude tijden voelbaar was, gaf hij zich over aan een nieuw gepeins.
Plotseling ontwaakte in hem weer de gedachte, die hem reeds zoo menigmaal verontrust had, dat de van Azië uitgegane menschheid steeds weer in de richting der zon voortgeschreden was. Een Oostenwind had steeds gewaaid en het menschelijk zaad voor de toekomende oogsten naar het Westen medegevoerd. En sedert lang hadden verwoesting en dood de wieg getroffen, alsof de volkeren slechts etappegewijze vooruit konden gaan, terwijl zij den uitgeputten bodem, de verwoeste steden, de gedecimeerde en ontaarde bevolkingen achter zich lieten, hoe verder zij van het Oosten naar het Westen, naar het onbekende doel gingen. Ninive en Babylon aan de oevers van den Euphraat, Thebe en Memphis op den oever van den Nijl, waren in puin gevallen, van ouderdom en moeheid in een verdooving verzonken, waaruit geen ontwaken mogelijk was. Vandaaruit had deze aftakeling de kusten van het groote Middellandsche meer bereikt en Tyrus en Sidon onder het stof der eeuwen begraven, om daarna het in zijn volle schittering door ouderdomszwakte overvallen Carthago in slaap te wiegen. Deze voorwaarts schrijdende menschheid, die door de verborgen kracht der beschavingen zoo van het Oosten naar het Westen gedreven werd, gaf haar dagreizen aan door bouwvallen. Welk een vreeselijke onvruchtbaarheid bezit thans die wieg der geschiedenis, dit Azië, dit Egypte, die, tot het stamelen van het kind teruggekeerd, onbeweeglijk, in onwetendheid en verval neerliggen op de puinhoopen der oude hoofdsteden, die vroeger de wereld beheerschten!
In het voorbijrijden, midden in zijn gepeins, kreeg Pierre het gevoel, dat de in donkerte gedompelde Palazzo di Venezia onder een aanval uit het onzichtbare scheen in te storten. De nevel had zijn tinnen bedekt, en de hooge, kale muren bogen onder den druk der toenemende duisternis. Dan na het diepe gat van den Corso, die ook eenzaam in het witachtig licht der booglampen lag, doemde rechts van hem de palazzo Torlonia op, waarvan de eene vleugel door het houweel van den slooper groote bressen vertoonde, terwijl links de donkere gevel van den palazzo Colonna zijn gesloten ramen aan elkander rijde, alsof hij, door zijn meesters verlaten en beroofd van zijn vroegere pracht, op zijn beurt de sloopers verwachtte.
Terwijl het rijtuig langzamer de Via Nazionale op begon te rijden, zette Pierre zijn gepeins voort. Had de verwoesting, die de voorwaarts schrijdende volkeren steeds achter zich lieten, ook Rome niet aangegrepen? Was ook zijn uur niet gekomen, om te verdwijnen? Griekenland, Athene en Sparta sliepen onder hun roemrijke herinneringen, telden in de tegenwoordige wereld niet meer mede. Het Zuiden van het Italiaansche schiereiland was reeds door de verlamming aangetast. Nu was, tegelijk met Napels, Rome aan de beurt. Het lag op de grens der besmetting, op den rand van de doodsvlek, die zich steeds verder over het oude vasteland uitbreidt, op den rand, waar de doodsstrijd begint, waar de uitgeputte bodem geen steden meer voeden of dragen wil, waar de menschen zelf reeds bij hun geboorte oud schijnen te zijn. Sedert twee eeuwen takelde Rome af, trok het zich langzamerhand uit het moderne leven terug, had het zijn handel en industrie verloren, bezat het zelfs geen wetenschap, kunst en letterkunde meer. En het was niet alleen de St. Pieter, die steeds meer afbrokkelde en, zooals vroeger de tempel van Juppiter Capitolinus, het gras met zijn puin bezaaide, maar in zijn duister, pijnlijk gedroom stortte geheel Rome met een laatste gekraak in en bedekte de zeven heuvelen met den chaos van zijn kerken, paleizen en nieuwe wijken, die onder distels en doornen sliepen. Evenals Ninive en Babylon, evenals Thebe en Memphis was Rome niet meer dan een kale, door bouwvallen hobbelig gemaakte vlakte, te midden waarvan men vergeefs de plaats der gebouwen trachtte te herkennen en waarin slechts kronkelende slangen en benden ratten huisden.
Het rijtuig maakte een bocht en Pierre herkende rechts in een donker gat de zuil van Trajanus. Maar in dit avonduur was zij geheel zwart, als de doode stam van een reuzenboom, welks takken door zijn hoogen ouderdom afgevallen zijn. En toen hij iets verder zijn blik omhoog sloeg, kwam de echte boom, dien hij tegen den loodkleurigen hemel onderscheidde--de piniepijn der villa Aldobrandini, die daar als de gratie en de trots van Rome stond--hem voor als een vuile vlek, als een kleine wolk van stof, die uit de volkomen ineenstorting der stad opsteeg.
Nu, aan het einde van zijn tragischen droom, werd zijn door broederliefde vervuld hart door schrik aangegrepen. Wanneer de door de verouderde wereld voortschrijdende verstijving Rome voorbij zou zijn, wanneer zij zich meester gemaakt zou hebben van Lombardije en Genua, Turijn en Milaan zouden inslapen, zooals thans Venetië reeds slaapt, dan zou eindelijk de beurt aan Frankrijk komen! Zij zou de Alpen overtrekken, Marseille zou zijn havens verzand zien als die van Tyrus en Sydon, Lyon in eenzaamheid en slaap wegzinken, Parijs eindelijk veranderd worden in een onvruchtbaar, met distelen bezaaid veld van steenen en Rome, Ninive en Babylon in den dood volgen, terwijl de volkeren met de eeuwige zon hun tocht van het Oosten naar het Westen voortzetten zouden. Een luide kreet steeg op uit de duisternis, de doodskreet der Latijnsche rassen. De Geschiedenis, die in het bekken der Middellandsche Zee geboren scheen te zijn, verplaatste zich en thans werd de Atlantische Oceaan het middelpunt der wereld. Hoe hoog stond de zon der menschheid? Bevond de menschheid, die van haar wieg, van het Oosten uitgegaan was en van etappe tot etappe haar weg met bouwvallen bezaaide, zich reeds op het midden van den dag, wanneer de middagzon brandt? Dan zou dus de andere helft van den dag beginnen, dan kwam de Nieuwe Wereld in de plaats van de Oude, dan waren de Amerikaansche steden, waar de democratie werd voorbereid, waar de godsdienst van morgen kiemt, de onbeperkt heerschende koninginnen der komende eeuw. En dan kwam, aan de overzijde van den anderen Oceaan, de wieg weer dichter naderend, het onbeweeglijke Verre Oosten, het geheimzinnige China en Japan, het dreigende gele gevaar.
Maar hoe verder het rijtuig de Via Nazionale opklom, des te meer voelde Pierre zijn beklemming wijken. Er woei een lichtere bries, hoop en moed kwamen weer in zijn ziel terug. Toch maakte de Bank met haar leelijke nieuwheid en haar nog vochtige kolossaalheid op hem den indruk van een spook, dat in zijn lijkwade door den nacht wandelt, terwijl boven de schemerachtige tuinen het Quirinaal niet meer was dan een zwarte lijn tegen den nog zwarteren hemel. Maar de straat steeg steeds hooger, en op den top van den Viminalis, op het Thermenplein, toen Pierre langs de puinhoopen van de thermen van Diocletianus reed, kon hij eindelijk uit volle borst adem halen. Neen, neen, de dag der menschheid kon niet eindigen; hij was eeuwig, de etappes der beschaving zouden elkaar zonder einde opvolgen. Wat beteekende die Oostenwind, die de als door de kracht der zon voortgedreven volkeren naar het Westen droeg? Wanneer het noodig was, zouden zij aan de andere zijde van de aardbol terugkomen, zouden zij meermalen de reis om de wereld maken, tot den dag, waarop zij zich in vrede, waarheid en gerechtigheid blijvend zouden kunnen vestigen. Na de volgende beschaving om den Atlantischen Oceaan, die dan het middelpunt en met groote steden omzoomd zijn zou, zou weer een nieuwe beschaving ontstaan; haar middelpunt zou de Stille Oceaan zijn met andere kusthoofdplaatsen, die men nog niet voorspellen kon en wier kiemen nog aan onbekende stranden sluimerden. Dan weer andere, nog andere, steeds andere!
En in deze laatste minuut kwam de moedgevende en reddende gedachte in hem op, dat de groote beweging der menschheid het instinct, de drang zelf was, dien de volkeren voelden, om terug te keeren tot de eenheid. Uitgegaan van één enkele familie, streefden zij, hoewel zij zich later gescheiden en in stammen verdeeld en elkaar met haat en broedermoord vervolgd hadden, ondanks alles ernaar weer één enkele familie te worden. De provincies vereenigden zich tot volkeren, de volkeren vereenigden zich tot rassen, de rassen zouden zich ten slotte tot één onsterfelijke menschheid vereenigen. Eindelijk een menschheid zonder grenzen, zonder oorlog--een menschheid, die van den rechtvaardigen arbeid in algeheele gemeenschap van goederen leeft! Was dat niet de evolutie, het doel van alle werk, de oplossing der Geschiedenis. Moge dus Italië een gezond en krachtig volk zijn, moge eendracht tusschen Italië en Frankrijk ontstaan, moge deze broederschap der Latijnsche rassen het begin der universeele broederschap zijn! O, een eenig vaderland, de aarde in vrede en gelukkig! Hoeveel eeuwen nog? Welk een droom!
In het station, te midden van het gedrang, dacht Pierre niet meer. Hij moest zijn kaartje nemen, zijn bagage laten inschrijven. En onmiddellijk stapte hij in zijn coupé. Overmorgen, bij het aanbreken van den dag, zou hij weer terug zijn in Parijs.
EINDE.
AANTEEKENINGEN
[1] Badhuizen der oude Romeinen.
[2] Klokketorentje.
[3] Een lang kleed.
[4] Iemand, die zich borg stelt voor een leerling, een boek enz.
[5] God en volk.
[6] Het beroemde spreekgestoelte.
[7] Halve, afgeknotte zuilen als symbool van den dood.
[8] Het Grieksche woord ichthus, waarvan de vijf letters (ch en th zijn beide één letter) de initialen zijn van Ièsous, Christos, Theou, Uios, Soter.
[9] Grijsachtig, geaderd marmer.
[10] Daar is hij, daar is hij!
[11] Lang kleed.
[12] Een soort schouderbedekking.
[13] Gedeelte van de mis, waarin de priester zijn handen wascht en een psalm, aanvangende met dat woord, aanheft.
[14] De opheffing der hostie.
[15] Leve de paus-koning!
[16] "Gij zijt Petrus (de steen) en op dezen steen zal ik mijn kerk bouwen."
[17] Hoe mooi!
[18] Pauselijke kanselarij.
[19] Overdekt bootje der Middellandsche Zee met een driehoekig zeil.
[20] Dank, dank.
[21] Poussin, een bekend Fransch schilder.
[22] Groep van drie nummers, die alle drie bij één loting moeten uitkomen, om te winnen.
[23] Een der werken van Virgilius.
[24] Een van de meest bekende giftmengsters te Rome.
[25] "Vrede zij dit huis." "En allen, die daarin wonen."
[26] "Gij besprenkelt mij met hysop, Heer, en ik zal gereinigd worden; Gij wascht mij, en ik zal witter worden dan sneeuw."
[27] Ik geloof in den eenigen God.
[28] Moge God door deze heilige zalving en zijn Goddelijke barmhartigheid u al wat gij door uw gezicht, uw gehoor, uw reuk, uw smaak en uw gevoel gezondigd hebt, vergeven!
[29] Verstopping van een bloedvat door geronnen bloed.
[30] S(enatus) P(opulus) Q(ue) R(omanus). Senaat en volk van Rome.