De drie steden: Rome

Part 62

Chapter 623,846 wordsPublic domain

"Ik vertrek vanavond," zeide Pierre, die uitgeput als hij was, een einde aan het gesprek wilde maken. "Ik moet nu afscheid van u nemen... Hebt u geen boodschap voor mij in Parijs?"

"Neen, neen, geen enkele," zeide Orlando.

Doch dan plotseling:

"Ja, toch, ik heb een boodschap... Je herinnert je zeker het boek van mijn ouden strijdmakker Théophile Morin, een der Duizend van Garibaldi, nog wel, het handboek voor het baccalaureaat, dat hij wilde laten vertalen en bij ons invoeren. Tot mijn groote blijdschap hebben ze mij beloofd, dat men het op onze scholen gebruiken wil, als er enkele veranderingen in aangebracht worden... Luigi, geef mij dat deel even aan, dat daar op de plank ligt."

Toen zijn zoon hem het boek gegeven had, wees hij Pierre de aanteekeningen, die hij met potlood op den rand der bladzijden gemaakt had en legde hem de veranderingen, die men van den schrijver eischte, uit.

"Wees zoo vriendelijk zelf dat exemplaar aan Morin te brengen: zijn adres staat op de binnenzijde van den band. Je zult me daardoor een langen brief uitsparen en in tien minuten kan je het hem duidelijker en beter uitleggen dan ik in tien bladzijden doen kan... Groet hem hartelijk van mij en zeg hem, dat ik nog evenveel van hem houd als vroeger, toen ik mijn beenen nog had en we beiden als duivels in den kogelregen vochten!"

Er volgde een stilte--de pijnlijke stilte vóór het vertrek.

"Nu jongen, vaarwel! Geef me een zoen voor hem en voor jezelf; geef me een zoen, zooals de kleine Angiolo mij zooeven een zoen gegeven heeft... Ik ben zoo oud en zoo dicht bij den dood, dat je me zeker wel toestaan wilt je mijn jongen te noemen en je als een grootvader, die je den moed en den vrede en het geloof in het leven, dat alleen helpt om te leven, toewenscht, een zoen te geven."

Pierre was zóó ontroerd, dat de tranen hem in de oogen kwamen, en toen hij den verpletterden held op beide wangen kuste, voelde hij, dat deze ook weende. Met een hand, die nog bijna zoo krachtig was als een schroef, hield hij hem nog een oogenblik bij zijn ziekenstoel, terwijl hij met de andere in een wijdsch gebaar een laatste maal naar Rome wees, dat in zijn rouw onder den aschgrauwen hemel lag. Zijn stem begon te beven en te fluisteren.

"En zweer mij, om Godswil, het ondanks alles lief te hebben, want onze stad is de wieg, is de moeder! Heb haar lief, om wat zij niet meer is, om wat zij wil zijn... Zeg niet, dat zij dood is, heb haar lief, heb haar lief, opdat zij eeuwig bestaan blijve!"

Zonder te kunnen antwoorden, omhelsde Pierre hem nogmaals, geheel van streek door zooveel hartstocht bij dezen grijsaard, die over zijn stad sprak zooals men op dertigjarigen leeftijd over een aangebeden vrouw spreekt. En hij vond hem met zijn oude-leeuwe-manen, in zijn hardnekkigen wensch naar een spoedige herleving zóó mooi, zóó verheven, dat nog eenmaal de andere groote grijsaard, kardinaal Boccanera, voor hem oprees. Ook deze volhardde halsstarrig in zijn geloof, gaf niets prijs van zijn droom, ook al liep hij gevaar daarmede door den instortenden hemel verpletterd te worden. Zij stonden nog steeds aan de beide uiteinden van hun stad tegenover elkaar; slechts hunne hooge gestalten beheerschten den horizont, wachtten op de toekomst.

Toen Pierre van Prada afscheid genomen had en weer in de Via Venti Settembre stond, haastte hij zich terug naar de Via Giulia, om zijn koffer te pakken. Al zijn bezoeken waren achter den rug, hij behoefde nog slechts afscheid te nemen van donna Serafina en van den kardinaal en hen te danken voor hun hartelijke gastvrijheid. Hem alleen zouden zij ontvangen, want, zoodra zij van de begrafenis teruggekomen waren, hadden zij zich in hun kamers opgesloten en voor iedereen belet gegeven. Van af het invallen van de schemering kon Pierre zich dus alleen wanen in het groote, donkere paleis, waarin slechts Victorine hem nog gezelschap zou houden. Toen hij den wensch te kennen gaf, met don Vigilio te soupeeren, zeide zij hem, dat ook de abbé zich in zijn kamer opgesloten had; en toen hij zelf aan diens kamer klopte, om hem tenminste voor de laatste maal de hand te drukken, kreeg hij zelfs geen antwoord. Hij vermoedde, dat de secretaris in een nieuwen aanval van koorts en wantrouwen, hem, uit vrees zich nog aan nog meer gevaar bloot te stellen, niet ontvangen wilde. Dus was nu alles geregeld; zij spraken af, dat Victorine, daar de trein eerst om 10.17 vertrekken zou, hem zijn avondeten, zooals gewoonlijk om acht uur, in zijn kamer brengen zou. Zelf bracht zij een lamp en wilde voor zijn linnengoed zorgen. Maar hij wilde volstrekt niet, dat zij hem hielp, en zij moest hem rustig zijn koffer laten pakken.

Hij had een klein kistje gekocht, want zijn handkoffertje was niet voldoende, om het linnengoed en kleeren te bevatten, die hij, toen zijn verblijf in Rome steeds langer duurde, uit Parijs had laten komen. Toch duurde het werk niet lang: spoedig waren de kast en de laden ledig, het kleine kistje en het handkoffertje vol en gesloten. Het was eerst zeven uur, zoodat hij nog een uur voor het avondeten moest wachten. Dan vielen zijn blikken, die de muren nog eens rondgingen, om te zien of hij niets vergeten had, op de oude schilderij, het doek van een onbekenden meester, dat hem gedurende zijn verblijf hier zoo dikwijls ontroerd had. Toevallig viel het volle lamplicht erop; en ook ditmaal trof het hem diep en dit des te meer, toen hij zich in dit laatste uur verbeeldde in deze tragische vrouwefiguur, die half naakt, in lompen bijna gekleed, op den drempel van het paleis, waaruit men haar weggejaagd had, in haar gevouwen handen zat te weenen, het symbool van zijn echec in Rome te zien. Was deze verworpelinge, die daar zoo snikte, van wie men niets wist, noch hoe haar gezicht er uitzag, noch vanwaar zij kwam, noch wat zij gedaan had, niet het beeld van alle nuttelooze pogingen, om de deur der waarheid te forceeren, van de vreeselijke hulpeloosheid, waarin de mensch vervalt, zoodra hij zich stoot tegen den muur, die het onbekende afsluit. Lang keek hij haar aan en opnieuw greep de smart hem aan, dat hij weg moest gaan, zonder haar door haar lokken overstroomd gezicht te kennen, dat--hij voelde het--schitterend van jeugd en verrukkelijk in haar geheimzinnigheid zijn moest. Hij meende haar te kennen, hij stond op het punt haar eindelijk geheel te begrijpen, toen er op de deur geklopt werd.

Tot zijn verbazing zag hij Narcisse Habert binnenkomen, die drie dagen geleden naar Florence vertrokken was, een van die uitstapjes, welke de jonge gezantschapsattaché gaarne maakte. Narcisse verontschuldigde zich dadelijk voor zijn onverwacht bezoek.

"Daar staat uw bagage, zie ik. Ja, ik weet, dat u vanavond vertrekt, en ik wilde u niet uit Rome laten gaan, zonder u nog eenmaal de hand te drukken... Wat een verschrikkelijke dingen zijn er gebeurd, sedert we elkaar het laatst gesproken hebben. Ik ben vanmiddag pas teruggekomen, zoodat ik niet bij de begrafenis kon zijn. Maar u begrijpt, hoe ik schrok, toen ik die twee verschrikkelijke sterfgevallen hoorde."

Hij vroeg hem uit, want als een, die het donkere, legendarische Rome kende, vermoedde hij het een of ander duister drama. Maar hij drong niet al te zeer aan, want in den grond der zaak was hij veel te voorzichtig, om zich onnoodig met gevaarlijke geheimen te bezwaren. Hij geraakte echter in groote geestdrift over hetgeen de priester vertelde omtrent de twee gelieven, die, in den dood zoo bovenmenschelijk mooi, in elkaars armen te ruste waren gelegd. Ja, hij maakte er zich boos om, dat niemand er een schets van gemaakt had.

"Gij zelf hadt het moeten doen. Dat ge niet kunt teekenen, is geen verontschuldiging. U met uw naïveteit had er misschien een meesterwerk van gemaakt."

En dan, kalmer wordend:

"Die arme contessina, die arme prins! Maar het komt er niet op aan, in dit land kan alles instorten, zij hebben de schoonheid bezeten, en de schoonheid blijft onverwoestbaar!"

Pierre werd door dit woord getroffen. Zij spraken nog lang over Italië, Rome, Napels en Florence. "O, Florence!" herhaalde Narcisse dwepend. Hij had een sigaret aangestoken en sprak op langzamen toon, terwijl hij zijn blikken door de kamer liet gaan.

"U hadt hier een mooie, rustige kamer. Ik was nog nooit op deze verdieping geweest."

Zijn blikken bleven ronddwalen, tot zij vastgehouden werden door het oude doek, dat de lamp verlichtte. Toen knipte hij verbaasd met zijn oogen; dan stond hij plotseling op en ging ernaar toe.

"Wat is dat? Wat is dat? Dat is heel goed, dat is heel mooi!"

"Ja, vindt u niet?" vroeg Pierre. "Ik heb van die dingen weinig verstand, maar van den eersten dag af aan heeft dit mij getroffen en sedert heb ik er menigmaal met kloppend hart voor gestaan."

Narcisse sprak niet meer, doch bekeek het doek van nabij met de zorgvuldigheid van een kenner, van een deskundige, wiens scherpe blik over de echtheid beslist en de waarde vaststelt. Een buitengewone vreugde teekende zich af op zijn blond, dwepend gezicht, terwijl zijn handen begonnen te beven.

"Het is een Botticelli, het is een Botticelli, er valt niet aan te twijfelen... Kijk die handen eens en die plooien in de kleeding. En de tint van het haar, de geheele opzet, de vlucht van de geheele compositie... Een Botticelli, lieve God, een Botticelli!"

Hij viel bijna in onmacht en zwijmelde weg in een bewondering, die grooter werd, naarmate hij verder in het zoo eenvoudige, maar ontroerende onderwerp doordrong. Was het niet heftig modern? De kunstenaar had onze geheele smartelijke eeuw, onzen angst voor het onzienlijke, onze wanhoop nooit de voor eeuwig gesloten deur van het mysterie te kunnen forceeren, voorzien. En welk een eeuwig symbool van de ellende der wereld was deze vrouw, wier gelaat men niet zag en die wanhopig snikte, zonder dat men haar tranen drogen kon. Een onbekende Botticelli, een Botticelli, die in geen enkelen catalogus voorkwam, welk een vondst!

"Wist u, dat het een Botticelli was?" vroeg hij aan Pierre.

"Waarachtig niet! Ik heb er don Vigilio eens naar gevraagd, maar hij scheen weinig waarde te hechten aan het doek. En Victorine, met wie ik er ook over gesproken heb, zeide, dat al die oude prullen niets dan stofnesten waren!"

"Wat, ze hebben in dit huis een Botticelli en zij weten het niet?" riep Narcisse verbaasd uit. "O, hoe proef ik mijn Romeinsche prinsen daar weer uit, die voor het meerendeel niet in staat zijn een meesterwerk te herkennen, als er geen etiquet op geplakt is... Een Botticelli, die ongetwijfeld een weinig geleden heeft, maar wanneer hij schoongemaakt is, een wonder zal blijken. Ik geloof, dat ik te laag schat, als ik zeg, dat een museum daarvoor..."

Plotseling zweeg hij; hij noemde het cijfer niet, maar voltooide zijn zin met een vaag gebaar. De avond verstreek en toen Victorine en Giacomo binnenkwamen, om de tafel te dekken, ging hij met zijn rug naar den Botticelli staan en sprak er geen woord meer over. Doch Pierre, wiens aandacht wakker geworden was, raadde wat er in hem om moest gaan, nu hij hem daar zoo koelbloedig staan en zijn malvekleurige oogen staalblauw worden zag. Hij wist heel goed, dat er onder dien engelachtigen jongeling, onder dien schijn-Florentijn een handige, in zaken zeer ervaren man stak, die zijn vermogen bewonderenswaardig bestuurde en, naar men zeide, zelfs eenigszins gierig was. Hij moest glimlachen, toen hij zag, hoe Narcisse voor de foei-leelijke Heilige Maagd, een slechte copie van een doek uit de achttiende eeuw, dat naast het meesterwerk hing, ging staan en zeide:

"Dat is heusch zoo slecht niet! Een vriend van me heeft me opgedragen een paar oude schilderijen voor hem te koopen... Zeg Victorine, geloof je, dat donna Serafina en de kardinaal, nu zij alleen zijn, graag een paar van die waardelooze doeken kwijt zouden zijn?"

De huishoudster hief haar beide armen op, als om te zeggen, dat men, wanneer het van haar afhing, alles kon meenemen.

"O, mijnheer, aan een koopman zouden ze niets geven om de praatjes, die dan dadelijk zouden loopen; maar ik weet bijna zeker, dat zij een vriend dat pleizier graag zouden doen. Het huishouden is duur; een beetje geld zou zeer welkom zijn."

Vergeefs trachtte Pierre Narcisse over te halen bij hem te blijven soupeeren. De jonge man gaf zijn woord van eer, dat hij ergens anders verwacht werd. Hij was zelfs al te laat. En na den priester de hand gedrukt en hem hartelijk een goede reis gewenscht te hebben, ging hij heen.

Het sloeg acht uur. Zoodra hij alleen was, ging Pierre voor het kleine tafeltje zitten. Victorine zond Giacomo, die het vaatwerk en de schotels in een mand boven gebracht had, weg en bleef hem bedienen.

"Die lui hier maken met hun langzaamheid mijn bloed aan het koken," zeide zij. "En bovendien vond ik het heerlijk u bij uw laatsten maaltijd te bedienen. Zooals u ziet, heb ik een Fransch dinertje voor u laten klaar maken, een tong au gratin en een gebraden kip."

Hij werd door deze attentie zeer getroffen en was blijde deze landgenoote tot gezelschap te hebben, terwijl hij te midden van de groote stilte, die in het oude, donkere en verlaten paleis heerschte, at. Het was haar nog goed aan te zien, dat zij treurde om haar lieve contessina, hoewel de dagelijksche bezigheden, die haar geheel in beslag namen, haar reeds iets van haar gewone opgewektheid teruggegeven hadden. Zij praatte dan ook bijna vroolijk, terwijl zij de verschillende schotels voor hem neerzette.

"En te denken, mijnheer de abbé, dat u overmorgen al weer in Parijs bent. Ik voor mij heb net het gevoel, alsof ik gisteren Auneau pas verlaten heb! Het is een heerlijk land daar--vet, geel als goud, niet zooals die magere aarde hier, die naar zwavel ruikt! En de frissche, mooie wilgen langs de beek! En het boschje, waarin zooveel mos is. Die vindt je hier niet, hier hebben zij niets als blikken boomen onder hun zon, die het gras schroeit. In den eersten tijd zou ik, ik weet niet hoeveel gegeven hebben voor een fiksche regenbui, die al dat vuile stof eens weggejaagd had. Nou nog krijg ik een hartklopping, wanneer ik denk aan de heerlijke morgens bij ons, wanneer het den vorigen dag geregend heeft en het heele land er zoo vriendelijk en prettig uitziet, alsof het begon te lachen, na eerst gehuild te hebben... Neen, neen, ik zal me in dat verduivelde Rome nooit thuis voelen. Wat een menschen! Wat een land!"

"Maar wat houdt je hier nog terug, nu je jonge meesteres er niet meer is; waarom ga je niet met mij weg?"

Verbaasd keek zij hem aan.

"Ik met u weggaan, weer terug naar Frankrijk?... Neen, mijnheer de abbé, dat is onmogelijk. In de eerste plaats zou dat te ondankbaar zijn, want donna Serafina is aan mij gewend, en ik zou heel slecht handelen haar en Zijne Eminentie, nu zij verdriet hebben, te verlaten. En bovendien, wat zou ik ergens anders moeten doen? Mijn leven moet ik verder hier slijten."

"Dus je zal Auneau nooit terugzien?"

"Neen, nooit, dat staat vast."

"Maar vindt je het dan niet naar hier begraven te worden, te slapen in deze aarde, die naar zwavel ruikt?"

Zij begon hartelijk te lachen.

"O, wanneer ik dood ben, is het mij onverschillig waar ik ben... Om te slapen is het overal goed, mijnheer de abbé! Het is komiek, zooals de menschen het zich druk maken met wat er na den dood is. Er is heelemaal niets! De gedachte, dat het voor goed uit is en dat ik eens lekker zal uitrusten, is juist zoo'n geruststelling voor me. De goede God is dat ons, die zoo hard gewerkt hebben, wel verschuldigd. U weet, dat ik niet vroom ben, heelemaal niet! Maar dat heeft mij niet belet, om me fatsoenlijk te gedragen; zoo waar als u mij ziet, heb ik nooit een vrijer gehad! Wanneer je zoo iets op mijn leeftijd zegt, dan klinkt dat gek. Maar toch zeg ik het, omdat het de zuivere waarheid is."

Zij bleef lachen als een brave vrouw, die "niets van de pastoors hebben moest" en geen zonde op haar geweten had. En weer verwonderde Pierre zich over dezen eenvoudigen levensmoed, over dit gezonde verstand bij deze zoo toegewijde huishoudster. Zij belichaamde voor hem het kleine, ongeloovige volk van Frankrijk, hen, die niet meer geloofden, die nooit meer gelooven zouden. O, zijn als zij, zijn plicht doen en gaan slapen voor den eeuwigen slaap in de vreugde zijn deel in het werk gedaan te hebben!

"Wil ik dan, wanneer ik ooit in Auneau kom, dat kleine boschje met mos voor je goeden dag zeggen, Victorine?"

"Graag, mijnheer de abbé. En zeg, dat ik er nog altijd aan denk."

Toen Pierre klaar was, liet zij het overblijvende door Giacomo weghalen. Daar het pas half negen was, ried zij den priester aan nog rustig een uurtje in zijn kamer te blijven. Waarom zou hij te vroeg op het station koude gaan lijden? Om half tien zou zij een rijtuig laten komen, en zoodra het voor was, hem waarschuwen en de bagage beneden laten halen. Hij kon dus gerust zijn; hij behoefde zich nergens mede te bemoeien.

Toen zij weggegaan en Pierre alleen was, kreeg hij inderdaad een gevoel van leegte. Zijn bagage, zijn kist en zijn handkoffertje, stond op den grond in een hoek van de kamer. En hoe stom, hoe uitgestorven, hoe vreemd kwam die kamer hem reeds voor! Hem bleef niets over dan weg te gaan; hij was reeds weg: Rome om hem heen was niets meer dan een beeld--het beeld, dat hij in zijn herinnering zou medenemen. Een uur nog. Hoe eindeloos lang scheen het hem toe! Onder hem sliep het oude, donkere en verlaten paleis in de vernietiging van zijn stilte. Hij was gaan zitten en verzonk in een diep gepeins.

Zijn boek, Het Nieuwe Rome, rees voor hem op, zooals hij het geschreven had, zooals hij het was komen verdedigen. Hij herinnerde zich zijn eersten ochtend op den Janiculus, op den rand van het terras van San Pietro in Montorio, tegenover het Rome, waarnaar hij zoo verlangd had, dat zoo jong, zoo kinderlijk-zacht onder den wijden helderen hemel lag, als opgeheven in den frisschen ochtend. Daar had hij zich de beslissende vraag gesteld: kan het Katholicisme zich vernieuwen, terugkeeren tot den geest van het oorspronkelijke Christendom, de godsdienst der democratie zijn, het geloof, waarop de moderne, op haar grondvesten bevende, in doodsgevaar verkeerende wereld wachtte, om rustig verder te kunnen leven? Zijn hart klopte van geestdrift en hoop; nauwlijks hersteld van zijn nederlaag in Lourdes, was hij hier gekomen, om een tweede en laatste proef te nemen, om aan Rome een antwoord te vragen. En nu was de proef mislukt: hij kende het antwoord, dat Rome hem door zijn ruïnen, zijn monumenten, zijn bodem, zijn volk, zijn prelaten, zijn kardinalen, zijn paus gegeven had. Neen, het Katholicisme kon zich niet vernieuwen; neen, het kon niet terugkeeren tot den geest van het oorspronkelijke Christendom; neen, het kon niet de godsdienst der democratie zijn, het nieuwe geloof, dat de oude, ineenvallende, in doodsgevaar verkeerende maatschappij redden zou. Al scheen het ook van democratische afkomst te zijn, het was voortaan aan dezen Romeinschen bodem vastgenageld, koning ondanks zichzelf, genoodzaakt krampachtig vast te houden aan de wereldlijke macht, als het geen zelfmoord plegen wilde, gebonden door de traditie, geketend door het dogma, ontwikkelde zich slechts schijnbaar en was in werkelijkheid gedoemd tot zulk een onbeweeglijkheid, dat, achter de bronzen deur van het Vaticaan, het pausdom in zijn ononderbroken droom van de wereldheerschappij de gevangene, het spook van achttien eeuwen atavisme was. Daar, waar zijn door de liefde voor armen en lijdenden verwarmd priestergeloof een herleving van de Christelijke gemeenschap was komen zoeken, daar had hij den dood gevonden, het stof van een uitgeputte wereld, waaruit nooit meer iets anders zou kunnen opgroeien dan dit despotische pausdom, dat meester zijn wilde der lichamen, zooals het reeds meester was der zielen. Op zijn wanhoopskreet, die om een nieuwen godsdienst vroeg, had Rome geantwoord met de veroordeeling van zijn boek, als was het met ketterij bevlekt; en hij zelf had het in de bittere smart over zijn desillusie teruggenomen. Hij had gezien, hij had begrepen, alles was ingestort, en hij zelf, zijn ziel en zijn rede, lag onder de puinhoopen.

Pierre kreeg het benauwd. Hij stond op en zette het op den Tiber uitziende raam wijd open, om er een oogenblikje uit te leunen. Tegen den avond was het weer gaan regenen, maar nu was het weer droog. Het was zacht, klam, drukkend-loom. Aan den aschgrauwen hemel moest de maan reeds opgegaan zijn, want men voelde haar als het ware achter de wolken, die zij met een geel, dof, eindeloos triest schijnsel verlichtte. Onder dit schijnsel als van een donker nachtlichtje leek de horizont zwart en spookachtig: tegenover hem lag de Janiculus met de op elkaar gestapelde huizen van Trastevere; links stroomde in de richting van de onduidelijke helling van den Palatinus de Tiber; rechts teekende de alles overheerschende ronding van den dom der St. Pieter zich tegen den kleurloozen achtergrond af. Het Quirinaal kon hij niet zien, maar hij wist, dat het achter hem lag en stelde zich voor, hoe het in dezen zoo zwaarmoedigen en droomachtigen avond met zijn eindeloozen gevel een hoek van den hemel afsloot.

Hoe ten einde loopend zag dit door het duister half verteerde Rome eruit! Hoe verschilde het van het Rome der jeugd en der chimère, zooals hij het den eersten dag gezien en hartstochtelijk lief gehad had van af den top van den Janiculus, welks in donkerte badende massa hij thans nauwlijks onderscheiden kon. Een andere herinnering kwam in hem op: de herinnering aan de drie hoogste punten, de drie symbolische toppen, welke van af dien dag, voor hem de samenvatting geworden waren van Rome's eeuwenoude geschiedenis: het oude, het pauselijke en het Italiaansche Rome. Maar al mocht ook de Palatinus dezelfde ontkroonde berg gebleven zijn, waarop zich niets verhief dan het spook van den voorvader, van Augustus, keizer en pontifex en wereldbeheerscher, met geheel andere oogen zag hij St. Pieter en het Quirinaal, die als het ware van plaats verwisseld waren. Aan het koningspaleis, dat hij toen als een quantité négligeable beschouwde en dat hem een platte en lage kazerne toescheen, aan den nieuwen regeeringsvorm, die toen op hem den indruk maakte van een heiligschennende poging tot moderniseering van een uitverkoren stad, kende hij thans, zooals hij tegen Orlando gezegd had, de voornaamste, steeds grooter wordende plaats toe aan den horizont, dien zij weldra in zijn geheel zouden innemen; de St. Pieter daarentegen, de dom, die hem triomphantelijk, hemelsblauw, als een de stad beheerschende, door niets aan het wankelen te brengen reuzenkoning toegeschenen was, kwam hem nu gescheurd en kleiner voor, als een van die reusachtige oudheden, welker massa's dikwijls tengevolge van het heimelijke slijten, het niet opgemerkte afbrokkelen der getimmerten plotseling instorten.