Part 61
"Neen, neen, men zou een minister, die dergelijke dingen zeide, uitjouwen. Dat is een bekentenis, die men van een volk niet verwachten mag. De harten zouden uit de borsten springen. En bovendien, zou het misschien nog niet veel gevaarlijker zijn, wanneer men alles, wat reeds gedaan is, plotseling liet instorten? Hoeveel teleurgestelde verwachtingen, hoeveel ruïnes, hoeveel onnut materiaal! Neen, wij kunnen ons slechts redden door geduld en moed, terwijl wij voorwaarts, steeds voorwaarts gaan. Wij zijn een heel jong volk, wij hebben in vijftig jaar de eenheid willen veroveren, waarvoor andere naties twee eeuwen noodig gehad hebben. Welnu, voor die overhaasting moeten wij boeten, we moeten wachten, tot de oogst rijp is en onze schuren vult."
En vol hoop weer ging hij voort:
"Ge weet, dat ik altijd tegen het verbond met Duitschland geweest ben. Ik heb het voorspeld, het heeft ons geruïneerd. Wij waren nog niet groot genoeg, om gemeenschappelijk met een zoo rijke en machtige persoonlijkheid op te trekken; slechts met het oog op den voortdurend dreigenden, onvermijdelijk geoordeelden oorlog gaan wij nu gebukt onder onze verpletterende budgetten van een groote natie. O, deze oorlog, die niet gekomen is, heeft het beste van ons bloed, ons sap, ons goud uitgeput, zonder dat we er eenig voordeel van hadden! Thans blijft ons niets meer over dan te breken met een bondgenoot, die onzen hoogmoed uitgebuit heeft, zonder dat hij ons in iets nuttig geweest is, zonder dat we iets anders van hem gekregen hebben dan wantrouwen en noodlottige raadgevingen... Maar dat alles was onvermijdelijk, en dat wil men in Frankrijk niet toegeven. Ik mag daar vrijuit over spreken, want ik ben altijd een vriend van Frankrijk geweest. Zeg dus aan uw landgenooten, die maar niet begrijpen willen, dat wij na de verovering van Rome in ons hartstochtelijk verlangen, om onzen rang van vroeger in te nemen, wel onze rol in Europa spelen, ons als een mogendheid, waarmede voortaan rekening te houden was, opwerpen moesten. Aarzeling was buitengesloten, al onze belangen schenen ons in de richting van Duitschland te drijven. De harde wet van den strijd om het bestaan drukt even fataal op de volkeren als op de menschen; en dat verklaart, dat rechtvaardigt de breuk tusschen de beide zusters, het vergeten van zooveel gemeenschappelijke banden: ras, handelsbetrekkingen, zelfs bewezen diensten... Twee zusters! Ja, en nu verscheuren zij elkaar, vervolgen zij elkaar met zoo'n haat, dat bij beiden het gezond verstand weg schijnt te zijn. Mijn arm, oud hart bloedt, wanneer ik de artikelen lees, die uw bladen en de onze als vergiftige pijlen op elkaar afschieten. Wanneer zal die broedermoord ophouden? Wie van beiden zal het eerst de noodzakelijkheid van vrede inzien en begrijpen hoe noodig het is dat de Latijnsche rassen zich vereenigen, indien zij te midden van den steeds stijgenden vloed van andere rassen staande willen blijven!"
En met zijn gulle hartelijkheid van door de jaren ontwapenden held ging hij voort:
"Kom, mijnheer Froment, ge moet mij beloven ons te helpen, zoodra ge in Parijs terug zijt. Zweer mij, dat gij op uw arbeidsveld, hoe klein het ook zijn mag, voor den vrede tusschen Frankrijk en Italië zult werken: een edeler taak bestaat er niet. Ge hebt nu drie maanden onder ons geleefd, ge kunt, o in alle vrijmoedigheid, zeggen wat ge gezien en gehoord hebt. Hebben wij onze fouten, gij hebt de uwe ook. Familieruzies kunnen, voor den duivel, toch niet eeuwig duren."
"Ongelukkig zijn het echter de langdurigste. Wanneer in de familie het bloed zich verbittert tegen het bloed, dan komt het mes en het vergif erbij te pas. Daar is geen vergiffenis mogelijk."
Hij durfde niet alles zeggen, wat hij dacht. Sedert hij te Rome was en zag en oordeelde, werd die twist tusschen Italië en Frankrijk voor hem samengevat in een mooi tragisch sprookje. Er waren eens twee prinsessen, die een machtige, de wereld beheerschende koningin tot moeder hadden. De oudste, die het rijk van haar moeder geërfd had, zag met leede oogen hoe haar jongste zuster, die in een naburig land woonde, langzamerhand toenam in rijkdom, kracht en glans, terwijl zij zelf, als het ware door ouderdom verzwakt, aftakelde en zoo uitgeput was, dat zij den dag, waarop zij een laatste poging deed, om de wereldheerschappij te heroveren, verslagen werd. Welk een bitterheid, welk een altijd open en bloedende wonde was het voor haar, toen zij zien moest, hoe haar zuster zich van de heftigste schokken herstelde, haar verblindende pracht terugkreeg en door haar kracht, haar gratie en haar geest over de aarde regeerde! Nooit zou zij het vergeven, welke houding de benijde en vervloekte zuster ook tegen haar aannemen zou! Dat was de onheelbare wonde in haar borst; het leven der eene wordt door dat van de andere vergiftigd, de haat van het oude bloed tegen het jonge zou eerst uitsterven met den dood. Misschien zou de oudere zuster zelfs op den dag, dat vrede tusschen haar bestaan zou, tegenover den triomf van de jongste in het diepst van haar hart het oneindige verdriet bewaren de oudste en de vazalle te zijn.
"Maar toch kunt u op mij rekenen," ging Pierre hartelijk voort. "Deze verwoede strijd tusschen de beide volkeren is inderdaad een groot gevaar. Maar ik zal aan u slechts zeggen, wat ik meen, dat de waarheid is. Ik ben niet in staat iets anders te zeggen. En ik ben bang, dat u die waarheid niet prettig zult vinden, dat u er noch door temperament noch door gewoonte op voorbereid zijt. De dichters van alle naties, die hierheen kwamen en met de traditioneele geestdrift van hun klassieke opvoeding over Rome spraken, hebben u met zulke loftuitingen bedwelmd, dat het mij voorkomt, dat u de echte waarheid over uw hedendaagsch Rome niet gaarne hooren zult. Alle mooie woorden beteekenen niets, men moet tot de werkelijkheid der dingen komen, en juist die werkelijkheid weigert gij onder de oogen te zien, verliefd als gij zijt op het mooie en lichtgeraakt als vrouwen, die zich bewust zijn niet mooi meer te wezen en wanhopig worden bij de minste opmerking over haar rimpels."
Orlando begon kinderlijk te lachen.
"Zeker, je moet de dingen altijd wat mooier maken! Waarom over leelijke gezichten praten? Wij houden in den schouwburg alleen van mooie muziek, mooie dansen, mooie stukken, waar we plezier in hebben. De rest, alles wat niet mooi is, moet verborgen blijven!"
"Maar," ging de priester voort, "ik beken gaarne de kapitale fout in mijn boek. Het Italiaansche Rome, dat ik over het hoofd zag, om het op te offeren aan het pauselijke Rome, van welks herleving ik droomde, bestaat, en wel zóó machtig reeds, dat zonder eenigen twijfel het andere mettertijd verdwijnen zal. Zooals ik reeds gezegd heb, de paus moge zich zoo koppig als hij wil in zijn Vaticaan, dat meer en meer scheurt en in puin dreigt te vallen, tegen iedere verandering verzetten--alles om hem heen deelt in de evolutie: de zwarte kringen zijn reeds de grijze geworden, doordat zij zich met de witte vermengd hebben. En nooit heb ik dat beter gevoeld dan op het bal, dat prins Buongiovanni gegeven geeft ter eere van de verloving van zijn dochter met uw achterneef. Toen heb ik gevoeld, dat ik voor uw zaak gewonnen was."
De oogen van den ouden man schitterden.
"Zoo, was je daar ook? Nou, was het geen onvergetelijk schouwspel? Je twijfelt nu toch zeker niet meer aan onze levenskracht, aan het volk, dat we zijn moeten, wanneer de eerste moeilijkheden overwonnen zullen zijn? Wat komt daarbij een kwart eeuw, een heele eeuw desnoods op aan? Italië zal in zijn ouden roem herleven, zoodra het groote volk van morgen uit de aarde opgeschoten zijn zal!... O zeker, ik haat dien Sacco, omdat hij voor mij de verpersoonlijking is van de intriganten, van de genotzoekers, wier begeerten alles hebben opgehouden, doordat zij zich op den nog warmen buit van onze overwinning stortten, die ons zooveel bloed en tranen gekost heeft. Maar ik herleef in mijn Attilio, dat vleesch van mijn vleesch; hij is zoo zacht en toch zoo dapper, hij zal de toekomst zijn, het geslacht der helden, wier komst het land ontwikkelen en louteren zal... O, moge het groote volk van morgen geboren worden uit hem en die Celia, de aanbiddelijke kleine prinses, die mij onlangs met mijn nicht Melana, een verstandige vrouw in den grond der zaak, is komen opzoeken. Als je eens gezien hadt, hoe dat kind mij om den hals vloog, mij met de zoetste naampjes aansprak, me zei, dat ik de peet zou zijn van haar eersten zoon, opdat hij zou heeten als ik en een tweede maal Italië redden zou... Ja, ja, moge om deze wieg de vrede ontstaan, moge de echtverbintenis van die twee lieve kinderen het onverbrekelijke huwelijk zijn tusschen Rome en de geheele natie, moge door hun liefde alles weer goed worden en weer nieuwe schittering krijgen!"
Tranen waren in zijn oogen gekomen. Diep getroffen door deze vaderlandsliefde, die als een onuitbluschbare vlam in dezen verpletterden held brandde, wilde Pierre hem moed inspreken.
"Dat is de wensch, dien ik zelf ook op hun verlovingsfeest uitgesproken heb tegenover uw zoon, aan wien ik toen ongeveer hetzelfde gezegd heb. Ja, moge hun huwlijk eeuwig en vruchtbaar blijven, moge uit hen het groote land, dat ik u met geheel mijn ziel toewensch te zijn, sedert ik u heb leeren kennen, geboren worden!"
"Heb je dat gezegd?" riep Orlando uit; "heb je dat gezegd? Dan vergeef ik je je boek, want nu heb je eindelijk begrepen. En het nieuwe Rome, daar ligt het! Het Rome, dat ons toebehoort, dat wij zijn roemrijk verleden waardig, voor de derde maal tot koningin der wereld maken willen!"
En met een van zijn breede gebaren, waarin hij alles, wat er nog aan leven in hem over was, legde, wees hij door het lichte, gordijnlooze raam naar het panorama, dat zich voor hem ontrolde--naar Rome, dat zich in de verte van het eene einde van den horizont naar het andere uitstrekte. Onder den leikleurigen hemel, in dezen zoo weinig voorkomenden winterrouw nam de stad een soort hoogere majesteit aan, de melancholieke grootheid van een koninginnestad, die, thans nog vervallen, zwijgend en onbeweeglijk in de droeve lucht wacht op haar glorierijk ontwaken, op haar eindelijk door allen erkend koningschap, dat men haar opnieuw beloofd heeft. Van de nieuwe wijken op den Viminalis tot de verre boomen van den Janiculus, van de rosachtige daken van den Capitolinus tot de groene toppen van den Pincio, lag de deining der terrassen, der campanila's en der dommen als een breede oceaan, welks diepe, grijze golven eindeloos heen en weer wiegden.
Maar plotseling keek Orlando, door een vaderlijke verontwaardiging aangegrepen, om en ging tegen den jongen Angiolo Mascara te keer.
"En dat Rome wil jij, leelijke booswicht, met bommen verwoesten en als een oud, wankel en half verrot huis met den grond gelijk maken, om er de aarde voor altijd van te bevrijden."
Angilio had tot nog toe zwijgend naar het gesprek geluisterd. Op zijn baardeloos, blond, mooi meisjesgezicht verried zich de minste opwinding door een plotselingen blos; vooral zijn groote, blauwe oogen hadden gebrand, toen hij over het volk hoorde spreken, over het nieuwe volk, dat men scheppen moest.
"Ja," zeide hij langzaam met zijn heldere, muzikale stem; "ja, haar met den grond gelijk maken, geen enkelen steen heel laten! Ja, maar haar verwoesten, om haar weer op te bouwen!"
"Dus je bent nog wel zoo goed haar weer op te bouwen!" viel Orlando hem op spottenden toon in de rede.
"Ik zou haar weer opbouwen," herhaalde het kind opstaande, met bevende stem; "ik zou haar weer opbouwen, groot, mooi, edel! Heeft de werelddemocratie van morgen, de eindelijk vrije menschheid niet een éénige stad noodig, die de ark des verbonds, het centrum zelf der wereld is? En is Rome niet de uitverkoren stad, de stad, die door de prophetieën aangewezen is als de eeuwige, de onsterfelijke, als degene, waarin zich het lot der volkeren voltrekken zal? Maar om het blijvende heiligdom, de hoofdstad van de verwoeste koninkrijken te worden, waarin zich eenmaal per jaar de wijzen van alle landen vereenigen zullen, moet men haar eerst door het vuur reinigen en niets van het vroegere vuil overlaten. Dan, wanneer de zon alle pestilenties uit den ouden bodem weggezogen zal hebben, zullen wij hem tienmaal mooier, tienmaal grooter dan zij ooit geweest is, opbouwen. En welk een stad van waarheid en gerechtigheid zal dit sedert drie duizend jaar voorspelde en verwachte Rome zijn--geheel van goud en van marmer, de Campagna van de zee tot de Sabijnsche en Albaansche bergen vullend, zóó bloeiend en zóó wijs, dat haar twintig millioen inwoners, na de wet van den arbeid geregeld te hebben, in onvergelijkelijke vreugde leven zullen."
Met open mond luisterde Pierre. Wat, werkte het bloed van Augustus zelfs daar door? In de Middeleeuwen hadden de pausen geen meesters van Rome kunnen zijn, zonder in hun oud verlangen om opnieuw over de wereld te regeeren, den dringenden drang in zich te voelen de stad opnieuw op te bouwen. Onlangs, toen het jonge Italië zich van Rome meester gemaakt had, bezweek het dadelijk onder den atavistischen waanzin der wereldheerschappij, wilde het op zijn beurt er de grootste stad van maken, bouwde het geheele wijken voor een bevolking, die nog niet gekomen was. En nu waren zelfs de anarchisten, ondanks hun vernielingswoede, bezeten door denzelfden hardnekkigen, ditmaal mateloozen droom van het ras; zij wilden een vierde, monsterachtig groot Rome, welks voorsteden ten slotte de continenten bezetten zouden, om hun libertaire, tot één familie vereenigde menschheid daarin onder te brengen. Dit was het toppunt: nooit zou er een phantastischer bewijs gegeven kunnen worden voor het trotsche en heerschzuchtige bloed, dat de aderen van dit ras verbrand had, sedert Augustus het de erfenis van zijn onbeperkt rijk en het woeste instinct, om te gelooven, dat het een wettig recht op de wereld bezat, had nagelaten. Dat kwam voort uit den bodem zelf, het was een sap, dat al de kinderen van dezen historischen bodem bedwelmd had en hen aandreef uit hun stad de eenige stad te maken, degene, die geheerscht had en die, schitterend, tot aan den door de orakelen voorspelden tijd heerschen zou. En Pierre herinnerde zich de vier voorspellende letters, het S. P. Q. R. [30] van het oude Rome, die hij overal in het tegenwoordige Rome teruggevonden had. Zij stonden als een aan het lot gegeven bevel op de muren, op alle uithangborden, tot op de vuilniskarren der gemeentereiniging, die 's morgens het vuil kwamen ophalen. En Pierre begreep nu de wonderbaarlijke ijdelheid van deze menschen, die door de grootschheid van hun voorvaderen vervolgd en door het verleden van hun Rome gehypnotiseerd werden, de ijdelheid, waarvan zij beweerden, dat het alles in zich sluit, dat zij zelf er niet in slagen het te kennen, dat het de sphinx is, die eenmaal de verklaring van het wereldraadsel geven moet. Het is zoo groot en edel, dat alles er groot en edel wordt, dat zij ertoe komen voor hun stad den afgodischen eerbied der geheele aarde te eischen.
"Maar ik ken jouw vierde Rome," begon Orlando, weer vroolijk wordend, opnieuw. "Het is het Rome van het volk, de hoofdstad der universeele Republiek, waarvan Mazzini reeds gedroomd heeft. Weliswaar voegde deze den paus er aan toe... Zie je, mijn jongen, wanneer wij, oude republikeinen, ons gerallieerd hebben, dan hebben wij dat gedaan, omdat we bang waren, het land, in geval van revolutie, in handen te zien vallen van de gevaarlijke gekken, die jou het hoofd op hol gebracht hebben. Waarachtig, wij hebben ons bij de monarchie neergelegd, die niet zoo heel veel verschilt van een goede, parlementaire Republiek... Nu, tot ziens, wees verstandig en bedenk dat het de dood van je arme moeder zijn zou, wanneer jou iets overkwam... Kom, laat ik je maar een zoen geven!"
Angiolo bloosde onder den liefdevollen kus van den held als een jong meisje. Dan ging hij, na den priester beleefd met een hoofdknikje gegroet te hebben, met zijn zacht dwepersgezicht weg.
Er volgde een stilzwijgen. Toen de blikken van den ouden Orlando op de couranten vielen, begon hij echter weer over het vreeselijke drama in het paleis Boccanera. O, die Benedetta, die hij in de treurige dagen, dat zij bij hem woonde, als een dochter vereerd en aangebeden had! Welk een verpletterende daad, welk een tragisch lot, om zoo medegesleurd te worden in den dood van den man, dien zij liefhad! En daar de verhalen der couranten hem vreemd voorkwamen en hij gekweld en gepijnigd werd door al het duistere, dat hij erin voelde, wilde hij juist een paar bijzonderheden vragen, toen zijn zoon Prada met een door onrust vertrokken gelaat en buiten adem van het hard naar boven loopen, binnenkwam. Hij had zijn aannemers met ongeduldige ruwheid afgescheept, zonder rekening te houden met zijn ernstigen toestand, zijn gevaar loopend vermogen; hij werd door een zoo groot verlangen, om boven bij zijn vader te zijn, gemarteld, dat hij bijna niet eens naar hen luisterde, onverschillig ervoor of zijn huis boven hem zou instorten of niet. Toen hij bij den ouden man was, gold zijn eerste blik het gezicht van zijn vader, om zich te overtuigen, of de priester hem niet door een onvoorzichtig woord doodelijk getroffen had.
Hij begon te beven, toen hij zag, hoe de oude man door de verschrikkelijke gebeurtenis, waarover hij sprak, tot tranen toe bewogen was. Een oogenblik dacht hij, dat hij te laat kwam, dat het ongeluk reeds geschied is.
"Mijn God, vader, wat hèbt u? Waarom huilt u?"
Hij had zich aan zijn voeten geworpen, nam zijn handen in de zijne, keek hem in een zóó hartstochtelijke vereering aan, dat hij zijn hartebloed scheen te willen geven, om hem het minste verdriet te besparen.
"Ach, het is de dood van die arme Benedetta," antwoordde Orlando droevig. "Ik zeide juist aan mijnheer Froment, hoe diep bedroefd ik erover ben en dat het heele geval mij zoo duister scheen... De couranten spreken van een plotselingen dood en dat is altijd zoo iets vreemds."
Doodsbleek was Prada opgestaan. De priester had niet gesproken. Maar welk een vreeselijk oogenblik. Als hij antwoordde, als hij sprak!
"Je was erbij, niet waar?" vroeg de grijsaard weer. "Je hebt alles medegemaakt?... Vertel me toch eens hoe alles in zijn werk is gegaan."
Prada keek Pierre aan. Hun blikken boorden zich als het ware in elkaar. Alles speelde zich nog eenmaal tusschen hen af. Weer schreed het noodlot voort; weer ontmoetten zij aan den voet van de Frascatische heuvelen Santobono met zijn mandje; weer spraken zij op hun terugrit door de droefgeestige Campagna over het vergif, terwijl het mandje zacht schommelde op de knieën van den pastoor; weer waren zij in de in de wildernis sluimerende osteria, zagen zij het plotseling gestorven doode hennetje met het violette bloedstraaltje uit zijn snavel. Dan kwam denzelfden avond het bal der Buongiovanni's--één geur van vrouwen, één triomf der liefde. Ten slotte stond voor het zich zwart tegen de zilveren maan afteekenende paleis Boccanera de man, die zijn sigaar aanstak, en langzaam, zonder om te kijken, zich verwijderde en het noodlot zijn doodswerk verrichten liet. Deze geschiedenis kenden zij beiden, doorleefden zij nogmaals, zij behoefden die niet luid te herhalen, om zeker te zijn, dat zij elkander tot in het diepst van hun ziel lazen.
Pierre had den ouden man niet dadelijk geantwoord.
"O, er zijn verschrikkelijke dingen gebeurd, verschrikkelijke dingen," zeide hij eindelijk.
"Dat had ik wel gedacht," antwoordde Orlando. "Ge kunt vrijuit spreken... Mijn zoon heeft tegenover den dood alles vergeven."
Weer zocht Prada's blik dien van Pierre en bleef zoo vurig smeekend daarin rusten, dat de priester er diep door ontroerd werd. Hij herinnerde zich den tweestrijd van dien man op het bal, de wreede jaloersche martelingen, die hij ondergaan had, alvorens hij aan het noodlot zijn wraak overliet. En hij stelde zich voor wat daarna, na de vreeselijke ontknooping, in hem moest zijn omgegaan: eerst de verbijstering over de ruwe snelheid, waarmede het wreede noodlot zijn werk gedaan had, over de wraak, die gruwlijker uitgevallen was dan hij gewild had; dan de ijzige kalmte van den koelbloedigen speler, die de gebeurtenissen afwacht, de couranten leest en geen andere wroeging kent dan de veldheer, wien de overwinning te veel manschappen gekost heeft. Onmiddellijk had hij begrepen, dat de kardinaal ter wille van de eer der Kerk de zaak zou begraven. Slechts één ding drukte misschien nog zwaar op zijn hart--misschien het verlangen naar die zoo vurig begeerde vrouw, die hij niet gehad had, die hij nooit hebben zou--misschien ook een vreeselijke jaloezie, die hij zichzelf niet bekende en waaronder hij altijd lijden zou, de jaloezie, nu hij wist, dat zij, in het graf, voor eeuwig in de armen van een ander lag. En nu rees uit deze laatste krachtsinspanning, om zijn kalmte te bewaren, uit dat koelbloedige, wroeginglooze wachten de straf op, de vrees, dat het met de vergiftigde vijgen voortschrijdende noodlot nog op zijn tocht zou stilstaan en thans zijn vader treffen. Nog een bliksemstraal, nog een slachtoffer, en nu het meest onverwachte, het meest aangebedene. Zijn laatste weerstandsvermogen was in één minuut ingestort; hulpeloozer en banger dan een kind stond hij daar tegenover het afschuwlijke noodlot.
"Maar," begon Pierre langzaam, alsof hij naar zijn woorden zocht; "de couranten hebben u zeker toch verteld, dat de prins het eerst bezweken en dat de contessina, toen zij hem voor het laatst omhelsde, van smart gestorven is. En wat de oorzaak van den dood betreft, lieve hemel, u weet even goed als ik, dat de doktoren zelf zich daarover niet met beslistheid durven uitspreken..."
Hij hield op: hij hoorde plotseling de stem van de stervende Benedetta hem het vreeselijke bevel geven: "U, die zijn vader zien zult, u draag ik op hem te zeggen, dat ik zijn zoon vervloekt heb. Ik wil, dat hij het weet, hij moet het weten ter wille van de waarheid en de gerechtigheid." Groote God, moest hij gehoorzamen? Was dit een van de heilige bevelen, die men uitvoeren moet, ook al moesten daardoor tranen en bloed bij stroomen vloeien? Gedurende enkele seconden woedde een allerpijnlijkste tweestrijd in hem, verscheurd als hij werd tusschen deze door de doode ingeroepen waarheid en gerechtigheid eener- en zijn persoonlijk verlangen, om te vergeven, den afschuw, dien hij voor zichzelf hebben zou, wanneer hij door zijn onverzoenlijke zending te vervullen, dezen ouden man dooden zou, anderzijds. En zekerlijk moest de andere, de zoon, begrijpen, dat een moeilijke strijd in hem gevoerd werd, waarvan het lot van zijn vader afhangen zou, want zijn blik werd nog dringender, nog smeekender.
"Eerst heeft men gedacht aan een storing in de spijsvertering," ging Pierre voort. "Maar het werd plotseling zooveel erger, dat men bang werd en een dokter halen liet."
O, de oogen, die oogen van Prada! Zij waren zoo wanhopig geworden, dat de priester er alle beslissende redenen in las, die hem beletten zouden te spreken. Neen, neen! Hij zou den onschuldigen grijsaard niet zoo treffen, hij had niets beloofd, hij zou geloofd hebben de herinnering van de doode met een misdaad te bezwaren, indien hij gehoorzaamd had aan het laatste bevel, dat de haat haar had ingegeven. In die enkele seconden van spanning had hij een geheel leven van zoo afschuwlijke smart doorleden, dat ondanks alles reeds gerechtigheid geschied was.
"De dokter," ging Pierre voort, "heeft onmiddellijk infectiekoortsen geconstateerd. Er was geen twijfel mogelijk... Ik ben vanochtend bij de begrafenis geweest, het was heel mooi en indrukwekkend."
Orlando ging niet verder op de zaak in, zeide nog slechts, hoe hij den geheelen ochtend met zijn gedachten bij de begrafenis geweest was. Toen hij zich omkeerde en met zijn nog bevende handen de couranten op de tafel recht legde, keek Prada, door het koude doodszweet verstard en, om niet te vallen, zich aan den rug van een stoel vasthoudend, Pierre nogmaals aan, maar nu met een zachteren blik vol vurige dankbaarheid.