De drie steden: Rome

Part 60

Chapter 603,782 wordsPublic domain

Ontroerd, beefde Pierre van vrees en bewondering bij het zien van deze buitengewone figuur, die daar voor hem oprees--den laatsten paus, die de begrafenis van het Katholicisme leidde. Hij begreep, dat Boccanera daar dikwijls van gedroomd moest hebben; hij zag hem voor zich, zooals hij in zijn Vaticaan, in zijn St. Pieter, die de bliksem getroffen had, met opgeheven hoofd stond, alleen te midden der reusachtige zalen, waaruit zijn bang en laf Hof gevlucht was. In zijn witte soutane--op die wijze in het wit rouwend om zijn Kerk, daalde hij nog eenmaal langzaam af naar het heiligdom, om daar te wachten, tot de hemel op den avond der tijden naar beneden viel en de aarde verpletterde. Driemaal hief hij het groote crucifix op, dat de laatste krampachtige trekkingen van den bodem omvergeworpen hadden. Dan, terwijl een laatste kraken den marmeren vloer spleet, drukte hij het tegen zich aan en verdween ermede onder de instortende gewelven. Een koninklijker, een woester grootschheid was niet te denken.

Met een gebaar--tot spreken niet meer in staat--maar zonder zwakheid, onoverwinlijk en ondanks alles zijn hooge gestalte recht opgericht, gaf kardinaal Boccanera aan Pierre, die in zijn hartstochtelijke liefde voor schoonheid en waarheid, vond, dat hij alleen groot was, hij alleen gelijk had, te kennen, dat hij het onderhoud als afgeloopen beschouwde. De jonge priester kuste de hand van den kerkvorst en ging heen.

's Avonds, na afloop der bezoeken, na het invallen van den avond, werden in de troonzaal de deuren gesloten en ging men over tot het kisten. De missen waren afgeloopen, de klokjes der elevatie weerklonken niet meer, het geprevel der Latijnsche woorden was verstomd. Niets was meer over dan de sterke geur der rozen en der twee waskaarsen. Daar deze het vertrek niet voldoende verlichtten, had men eenige lampen gehaald, die bedienden als fakkels in hun hand hielden. Naar oud gebruik was het geheele dienstpersoneel aanwezig, om een laatste vaarwel te zeggen aan hun meesters, die men voor eeuwig ter ruste zou leggen.

Er ontstond een vertraging. Morano, die sedert den vroegen ochtend over de talrijke bijzonderheden waakte, was wanhopig, dat de driedubbele kist nog niet was gekomen. Eindelijk droegen de bedienden die naar boven en kon men beginnen. Kardinaal Boccanera en donna Serafina stonden naast elkaar bij het bed. Pierre en don Vigilio waren ook aanwezig. Victorine begon de twee gelieven in hetzelfde doodskleed, een groot stuk witte zijde te naaien; het was, als kleedde men hen met hetzelfde bruidsgewaad. Dan traden twee bedienden naar voren en hielpen Pierre en don Vigilio hen in de eerste, vurenhouten, met rose zijde gecapitonneerde kist te leggen. Deze was nauwlijks grooter dan gewone kisten--zoo één geworden waren zij in hun liefdesomhelzing. Toen zij er lagen, zetten zij hun eeuwigen slaap voort, terwijl hun hoofden half verdwenen onder het zich door elkaar strengelende haar. En toen de eerste kist in de tweede, van lood, en dan in de derde, van eikenhout, gesloten was, en de drie deksels gesoldeerd en dichtgeschroefd waren, bleef men de gezichten der twee gelieven nog steeds zien door de ronde, met een dik stuk glas voorziene opening, die men volgens de Romeinsche gewoonte in de drie kisten had aangebracht. Voor eeuwig van de levenden gescheiden, alleen in hun driedubbele kist, lachten zij elkaar nog steeds toe, keken zij elkaar nog steeds aan met hun onverzettelijk geopende oogen: zij hadden nu de oneindigheid voor hun oneindige liefde.

ZESTIENDE HOOFDSTUK

Den volgenden dag dejeuneerde Pierre, na van de begrafenis teruggekeerd te zijn, alleen in zijn kamer; in den namiddag wilde hij afscheid nemen van den kardinaal en donna Serafina. Met den trein van 10.17 zou hij Rome verlaten. Niets hield hem er meer terug; hij had nog slechts een bezoek af te leggen aan den ouden Orlando, den held der onafhankelijkheid, aan wien hij plechtig beloofd had niet naar Parijs te zullen terugkeeren, voor hij nog een lang gesprek met hem gehad had. Dus liet hij tegen twee uur een rijtuig voorkomen, om hem naar de Via Venti Settembre te brengen.

Den geheelen nacht was er een fijne motregen gevallen, welks vochtigheid de stad nu nog in een grijzen nevel hulde. Regenen deed het niet meer, maar de lucht bleef bewolkt en de gevels der groote nieuwe paleizen van de Via Venti Settembre zagen er onder dien somberen Decemberhemel met hun gelijkvormige balkons, hun regelmatige ramenrijen, waaraan geen einde te komen scheen, vaal en troosteloos zwaarmoedig uit. Met name het ministerie van Financiën, die reusachtige opeenstapeling van metsel- en beeldhouwwerk, had geheel het aanzien van een doode stad, de eindelooze triestheid van een groot, bloedloos lichaam, waaruit het leven geweken is. De temperatuur was door den regen zachter geworden, het was bijna warm: een vochtige, klamme koortswarmte.

In den vestibule van Prada's klein paleis zag Pierre tot zijn verbazing vier of vijf heeren, die op het punt stonden hun overjassen uit te trekken; een bediende zeide hem, dat de graaf een conferentie met aannemers had. Maar daar mijnheer de abbé den vader van den graaf een bezoek wilde brengen, moest hij maar naar de derde verdieping gaan. De kleine deur rechts, op het portaal.

Doch op de eerste verdieping stond Pierre plotseling tegenover Prada, die zijn aannemers wilde ontvangen. Hij zag, dat de graaf, toen hij hem herkende, doodsbleek werd. Na het verschrikkelijke drama hadden zij elkaar niet gezien. De priester begreep dan ook heel goed, welk een angst, welk een onaangename herinnering aan een moreele medeplichtigheid, welk een doodelijke onrust zijn aanwezigheid dien man veroorzaken moest.

"Komt u voor mij? Hebt u mij iets te zeggen?"

"Neen, ik vertrek, ik kom afscheid nemen van uw vader."

Prada werd nog bleeker, een siddering ging over zijn gelaat.

"O, komt u voor mijn vader? Hij voelt zich minder goed. Spaar hem."

Zijn angst verried tegen zijn wil in duidelijk, waar hij bang voor was: een onvoorzichtig woord, misschien zelfs een laatste opdracht, den vloek van dien man en van die vrouw, die hij gedood had. Ongetwijfeld zou dat ook de dood van zijn vader zijn.

"Hoe vervelend, dat ik niet met u mede kan gaan. Maar die heeren wachten me... Lieve hemel, wat spijt het mij. Zoodra ik kan, kom ik ook, zoo gauw mogelijk!"

Daar hij niet wist, hoe hij hem verder tegenhouden moest, kon hij niet beletten, dat de jonge priester met zijn vader alleen was, terwijl hij hier vastgehouden werd door zijn geldzaken, die steeds slechter gingen. Maar met welke blikken vol angst zag hij hem naar boven gaan, hoe smeekte als het ware zijn heele trillen hem. Zijn vader, de eenige werkelijke liefde, de groote, reine, trouwe hartstocht van zijn leven!

"Laat hem niet te veel praten, vroolijk hem wat op!"

Boven werd de deur niet geopend door Batista, den zijn meester zoo trouwen oud-gediende, maar door een nog heel jongen man, wat Pierre in den beginne niet opmerkte. Hij vond het kale, witte, met een licht papiertje behangen kamertje met het eenvoudige ijzeren ledikant achter een scherm, zijn vier aan den muur gespijkerde en als bibliotheek dienende planken, zijn donkerhouten tafel en zijn twee rieten stoelen weer terug. En door het breede, lichte raam zonder gordijnen zag hij weer hetzelfde bewonderenswaardige panorama van Rome--geheele Rome tot aan de verre boomen van den Janiculus. De oude Orlando met zijn prachtigen leeuwenkop en zijn nog jonge oogen, die nog fonkelden van de hartstochten, welke in deze vurige ziel gegromd hadden, was evenmin veranderd. Pierre vond hem terug op denzelfden fauteuil, naast hetzelfde tafeltje, waarop dezelfde couranten slingerden, zijn beenen gewikkeld in dezelfde zwarte deken, alsof die doode beenen hem daar vasthielden in een steenen scheede, zoodat men er zeker van zijn kon hem na maanden, ja na jaren, zonder eenige verandering, met zijn levendig bovenlichaam en zijn van kracht en intelligentie stralenden kop terug te vinden.

Toch scheen hij op dezen somberen dag terneergeslagen.

"Ha, bent u daar, waarde heer Froment! Sedert drie dagen denk ik aan u, ik kan mij zoo levendig voorstellen, welke verschrikkelijke dagen gij in dat tragische paleis hebt medegemaakt! Lieve God, hoe vreeselijk! Ik ben er kapot van, en die couranten met hun steeds weer nieuwe bijzonderheden maken me nog meer van streek."

Hij wees naar de op de tafel liggende couranten. Dan verjoeg hij met een gebaar de droevige geschiedenis, de figuur van de doode Benedetta, die hem steeds vervolgde.

"Nu, en jij?"

"Ik vertrek van avond, maar ik heb Rome niet willen verlaten, zonder nog eerst uw dappere handen te drukken."

"Ga je weg? En je boek dan?"

"Mijn boek... Ik ben ontvangen door den Heiligen Vader; ik heb mij onderworpen en mijn boek teruggenomen."

Orlando keek hem strak aan. Er volgde een korte stilte, waarin hun oogen elkaar over dit punt alles zeiden, wat zij elkaar te zeggen hadden. Geen van beiden voelden zij de noodzakelijkheid van een langere verklaring. De oude man zeide slechts:

"Je hebt gelijk, je boek was een hersenschim."

"Ja, een hersenschim, een kinderachtigheid, en ik heb het zelf veroordeeld uit naam van de waarheid en de rede."

Een glimlach kwam om de smartelijke lippen van den verpletterden held.

"Je hebt dus alles gezien en begrepen. Je weet nu alles?"

"Ja, ik weet nu alles en daarom heb ik niet weg willen gaan zonder nog eens openhartig en vrijmoedig met u te praten."

Dat was een heele vreugde voor Orlando. Maar plotseling scheen hij zich den jongen man te herinneren, die de deur geopend had en nu op een stoel dicht bij het raam zat. Het was bijna nog een kind, twintig jaar nauwlijks, zonder baard, blond, en mooi: een schoonheid, zooals men die menigmaal in Napels aantreft. Hij had lang kroeshaar, een lelie-achtige tint, een mond als een roos en droomerig-smachtende oogen vol oneindige zachtheid. De oude man stelde hem op vaderlijke wijze voor: Angiolo Mascara, den kleinzoon van een zijner krijgsmakkers, den epischen Mascara van de Duizend, die, met tallooze wonden bedekt, als een held gevallen was.

"Ik heb hem hier laten komen, om hem een standje te geven," ging hij voort. "Stel je voor, die kwajongen met zijn meisjesgezicht laat zich met nieuwe denkbeelden in! Hij is anarchist, een van de twee of drie dozijn anarchisten, die we in Italië hebben. In den grond der zaak een aardige jongen, die alleen zijn moeder nog maar heeft, die hij, dank zij een betrekkinkje, waaruit hij zich echter dezer dagen heeft laten wegjagen, kon onderhouden... Kom, jongen, je moet me beloven nu verder verstandig te zijn."

Toen zeide Angiolo, wiens versleten, maar goed onderhouden kleeren inderdaad de fatsoenlijke armoede verrieden, met een ernstige, muzikale stem:

"Ik ben verstandig, maar de anderen, al de anderen zijn het niet. Wanneer alle menschen verstandig zullen zijn en de waarheid en de gerechtigheid willen, zal de wereld gelukkig zijn."

"Als je denken zoudt, dat hij toegeeft, dan vergis je je!" riep Orlando uit. "Arme jongen, waarheid en gerechtigheid! Vraag maar eens aan mijnheer den abbé, of men ooit weet waar die zijn. Enfin, we moeten je tijd geven, om te leven, te zien en te begrijpen!"

En zonder zich verder met hem te bemoeien, wendde hij zich tot Pierre. Angiolo bleef heel bescheiden in zijn hoekje zitten, hield zijn brandende oogen op de beide mannen gevestigd en verloor geen van hun woorden.

"Ik had je wel gezegd, mijn waarde heer Froment, dat je denkbeelden zouden veranderen en dat een nadere kennismaking met Rome je tot juistere gedachten brengen zou, veel beter dan de mooiste redevoeringen, waarmede ik getracht zou hebben je te overtuigen. Zoo heb ik er bijvoorbeeld nooit aan getwijfeld of je zoudt je boek uit eigen beweging terugnemen als een treurige dwaling, zoodra het Vaticaan je in zijn volle beteekenis bekend zou zijn... Maar het Vaticaan zullen we verder maar laten rusten. Daar valt niets anders mede te beginnen dan het in zijn langzame, maar onvermijdelijke ruïne ineen te laten storten. Wat mij nog interesseert, is het Italiaansche Rome, ons Rome, dat we met zooveel liefde veroverd, zoo koortsachtig tot nieuw leven gewekt hebben, dat gij als een quantité négligeable behandeld hebt, en waarover wij thans, nu gij het kent, kunnen praten als mannen, die elkaar begrijpen."

Als een intelligent man met een goed, helder verstand, die, door zijn verlamming aan zijn kamer gebonden en ver van den strijd, geheele dagen nadenken kon, gaf hij dadelijk vele dingen toe, erkende hij de begane fouten, den deplorabelen toestand der financiën, de ernstige moeilijkheden van verschillenden aard. O, in welk onzegbaar lijden was zijn verovering, zijn aangebeden Italië, waarvoor hij gaarne nogmaals het bloed van zijn aderen geven zou, weer teruggevallen! Zij hadden gezondigd uit vergeeflijken hoogmoed, zij waren te hard van stapel geloopen door een groot volk te willen improviseeren, door uit het oude Rome als met een eenvoudigen tooverstaf, een groote moderne hoofdstad te willen maken. Vandaar de waanzin van die nieuwe wijken, die uitzinnige speculatie in bouwterreinen en bouwwerken, die de natie op den rand van den afgrond gebracht had.

Zacht viel Pierre hem in de rede, om hem te zeggen tot welke denkbeelden zijn wandelingen en studies in Rome hem gebracht hadden.

"O, die koorts, die vraatzucht van het eerste oogenblik, die financieele debacle zijn het ergste nog niet. Wonden, die het geld slaat, genezen weer. Maar het vreeselijke is, dat uw Italië nog geschapen moet worden... Geen aristocratie meer en geen volk nog, slechts een pas geboren, vraatzuchtige bourgeoisie, die bezig is den rijken oogst tot den laatsten halm op te eten."

Er volgde een stilte. Orlando schudde treurig zijn hoofd als een oude, voortaan machtelooze leeuw. De besliste hardheid van Pierre's woorden deed hem pijn.

"Ja, ja, dat is het, je hebt goed gezien! Waarom het te loochenen en te ontkennen, wanneer de feiten spreken... Mijn God, deze bourgeoisie, deze middenklasse, waarvan ik reeds verteld heb, dat zij zoo tuk is op betrekkingen, baantjes en onderscheidingen en daarbij zoo gierig en zoo bang voor haar geld, dat zij het in banken plaatst en nooit durft te wagen in industrieele of handelsondernemingen. Zij wordt slechts verteerd door den drang te genieten, zonder iets te doen en is zoo onintelligent, dat zij niet ziet, dat zij haar land doodt door haar afkeer van werken, door laag neerzien op het volk, door haar eenigen hartstocht, om kleinburgerlijk in de zon te leven om tot het een of ander departement van bestuur te behooren... En onze stervende aristocratie, dat onttroonde, geruïneerde, tot de ontaarding van uitstervende geslachten vervallen patriciaat! Het grootste gedeelte ervan is tot armoede gebracht; de hoogst enkelen, die hun geld behouden hebben, worden verpletterd onder de zware belastingen, bezitten nog slechts doode vermogens, die zich niet meer vernieuwen kunnen, door voortdurende deelingen verminderen en bestemd zijn weldra met de prinsen zelf en de ineenstorting van de oude, nu nutteloos geworden paleizen te verdwijnen... En het volk eindelijk, dat arme volk, dat zoo geleden heeft en nog lijdt, maar zoo gewend is aan het lijden, dat het niet eens op de gedachte schijnt te komen zich daaruit los te maken. Blind en doof drijft het de dingen zoover, dat het misschien de vroegere slavernij terugwenscht, ligt het in stomme verdomming als een dier op zijn mestvaalt, is het volkomen onwetend--de vreeselijke onwetendheid, die de eenige oorzaak van zijn ellende is--heeft het geen hoop, geen toekomst, zelfs den troost niet te beseffen, dat dit Italië, dit Rome voor hen en voor hen alleen zijn, dat wij ze voor hen veroverd hebben en tot nieuw leven trachten te wekken... Ja, ja, geen aristocratie meer, geen volk nog, alleen die zoo angstaanjagende bourgeoisie! Men moet bijna den pessimisten gelijk geven, die beweren, dat al ons ongeluk nog niets is, dat wij nog veel erger catastrophes tegemoet gaan, alsof wij pas bij de eerste symptomen van het einde van ons ras, de voorloopers van de totale vernietiging waren!"

Hij had zijn groote bevende armen naar het raam, naar het licht opgeheven, en Pierre, die diep onder den indruk was, herinnerde zich dit wanhopig smeekende gebaar, dat hij den vorigen dag kardinaal Boccanera had zien maken in zijn aanroepen van de goddelijke macht. Deze beide in hun geloof zoo tegengestelde mannen hadden dezelfde wanhopig-woeste grootschheid.

Hij sprak door, erkende alle ongelukkige eigenschappen van Rome als hoofdstad. Het was een zuiver decoratieve stad, wier bodem uitgeput was, een stad, die buiten het moderne leven was blijven staan, een stad, waarin geen industrie en handel mogelijk waren, een stad, die te midden van de onvruchtbare woestheid van haar Campagna onherroepelijk ten doode opgeschreven was. Dan vergeleek hij haar bij de andere steden, die haar benijden; Florence, dat zoo onverschillig en skeptisch geworden was en een na de woeste hartstochten en de bloedstroomen van zijn geschiedenis zoo gelukkige zorgeloosheid bezat; Napels, dat nog genoeg heeft aan zijn vroolijke zon, Napels met zijn kind-volk, waarvan men niet weet of men het beklagen moet over zijn ellende en onwetendheid, waarin het zoo 'n groot behagen schijnt te scheppen; Venetië, dat er zich bij neergelegd had niets meer te zijn dan een wonder van oude kunst, dat men onder glas moest zetten, om het ongeschonden te bewaren; Genua, geheel opgaand in zijn handel, druk en luidruchtig, een der laatste koninginnen van de Middellandsche Zee, dit thans zoo onbeteekenende meer, dat eenmaal de rijke zee was, waarheen alle rijkdommen der wereld stroomden; Turijn en Milaan vooral, de zóó levende en zóó gemoderniseerde industrie- en handelssteden, dat de toeristen er minachtend op neer zien, als zijnde geen Italiaansche steden meer, maar beide gered uit den slaap der ruïnen, daar zij zich aangesloten hebben bij de Westersche evolutie, die de komende eeuw voorbereidt. O, moet men dit oude Italië ter wille van kunstenaarszielen als een stoffig museum laten ineenstorten, zooals zijn kleine steden van Groot-Griekenland, Umbrië en Toscane bezig zijn in te storten als prachtige bibelots, die men niet durft repareeren uit vrees het karakter ervan te zullen bederven? Of de aanstaande, onvermijdelijke dood dus, of het houweel der sloopers, het neerwerpen der wankelende muren, het opbouwen van steden van arbeid, wetenschap en gezondheid, in één woord, een geheel nieuw Italië, dat werkelijk uit zijn asch verrijst en geschapen wordt voor de nieuwe beschaving, die de menschheid binnen treedt!

"Maar waarom wanhopen?" ging hij krachtig voort. "Rome moge op dit oogenblik zwaar op onze schouders drukken, het blijft desniettemin de top, dien wij hebben willen bereiken. Wij zijn er, wij zullen er blijven en de gebeurtenissen afwachten... Al heeft in den laatsten tijd de bevolking opgehouden toe te nemen, zij blijft stationnair met haar vierhonderdduizend zielen, en den dag, dat de oorzaken, die den aanvoer tegenhielden, verdwijnen, kan zij weer zeer goed de hoogte ingaan. Wij hebben de fout begaan te gelooven, dat Rome een Berlijn of een Parijs zou worden; allerlei maatschappelijke, historische, ja, zelfs ethnische verhoudingen schijnen zich daar tot dusver tegen te verzetten; maar wie kent de verrassingen, die de toekomst brengen kan? Kan men ons verbieden te hopen, te gelooven in het bloed, dat in onze aderen stroomt, het bloed der oude wereldveroveraars? Ik, die met mijn twee doode beenen niet meer uit mijn kamer komen kan, heb uren, waarin mijn oude overmoedige geestdrift mij weer aangrijpt, waarin ik in Rome geloof als in mijn moeder, waarin ik geloof, dat het onoverwinlijk, onsterflijk is, waarin ik de twee millioen inwoners verwacht, welke deze jammerlijke, nieuwe wijken, die gij bezocht hebt, bevolken moeten. O zeker, zij zullen komen. Waarom zouden zij niet komen? Ge zult zien, ge zult zien, alles wordt vol, men zal er nog bij moeten bouwen... En bovendien kan men een natie arm noemen, die Lombardije bezit? Is ook ons Zuiden niet onuitputtelijk rijk? Laat er vrede komen, het Zuiden samensmelten met het Noorden en een geheel nieuwe generatie van arbeiders opgroeien, dan moet, daar de zoo vruchtbare bodem aanwezig is, eenmaal de groote, verwachte oogst opschieten en in de brandende zon rijp worden."

Zijn geestdrift sleepte hem mede, een jeugdig vuur gloeide in zijn oogen. Pierre glimlachte en zeide:

"Men moet het probleem van onderen af, bij het volk, aanvatten. Men moet menschen scheppen."

"Juist, dat is het!" riep Orlando uit. "Dat herhaal ik steeds, we moeten Italië scheppen. Men zou kunnen denken, dat een oostenwind het menschelijke zaad, het zaad van krachtige volkeren elders heen, ver van onze oude aarde, weggevoerd heeft. Ons volk is niet, zooals het uwe in Frankrijk, een reservoir van menschen en geld, waaruit men met volle handen putten kan. Dat onuitputtelijke reservoir zou ik bij ons willen zien! Ja, van onder af aan moeten we beginnen te werken! Ja, overal scholen! De onwetendheid moet verjaagd, de ruwheid en luiheid met boeken bestreden worden, de intellectueele en moreele opvoeding moet ons het arbeidende volk geven, dat wij noodig hebben, als wij niet uit het concert der groote naties willen verdwijnen. Ik herhaal het: voor wien anders hebben we gewerkt, toen wij Rome heroverden, dan voor de democratie van morgen? En hoe verklaarbaar is het, dat alles ineenstort, dat niets er krachtig opgroeien wil, zoolang die democratie er totaal afwezig is!"

Pierre waagde het niet te zeggen, dat een natie niet makkelijk verandert, dat Italië was wat de bodem, de geschiedenis, het ras ervan gemaakt hadden, en dat het een gevaarlijk werk zijn zou, indien men het plotseling hervormen wilde. Hebben de volkeren niet, evenals de menschen, een bloeienden middelbaren leeftijd, een meer of minder langzamen ouderdom, die met den dood eindigde? Een modern, democratisch Rome, groote God! De moderne Rome's heeten Parijs, Londen, Chicago. Hij zeide dan ook slechts voorzichtig:

"Maar gelooft u niet, dat gij, in afwachting van dat groote werk der hernieuwing door het volk, goed zoudt doen door voorzichtig te zijn? Uw financiën verkeeren in een zóó deplorabelen toestand, gij maakt zulke groote sociale en economische moeilijkheden door, dat gij gevaar loopt tot de ergste catastrophes te komen, alvorens menschen en geld te hebben. O, waarom zegt niet een van uw ministers van af de tribune: "Welnu, onze trots heeft zich vergist, wij deden verkeerd, toen wij ons in een ommezien in een groote natie hervormen wilden; daarvoor is meer tijd, meer werk, meer geduld noodig. Wij leggen er ons bij neer voorloopig niets meer te zijn dan een jong volk, dat in zijn eigen hoekje werkt, om zich krachtig te maken, zonder in den eersten tijd een eerste rol te willen spelen. Wij ontwapenen, wij schrappen het oorlogsbudget, het marinebudget, alle budgetten van uiterlijk vertoon, om ons geheel te wijden aan de innerlijke welvaart, het onderwijs, de lichamelijke en moreele opvoeding van het groote volk, dat wij ons plechtig zweren binnen vijftig jaar te zijn? Schrappen, ja schrappen, dat is uw redding!""

Orlando had naar hem geluisterd; langzamerhand was hij weer somber geworden en in zijn droefgeestig peinzen teruggevallen. Hij maakte een moe gebaar en zeide zacht: