Part 6
De politieke quaestie liet Ernesta totaal onverschillig; zij wist er eigenlijk niets van; het eenige wat zij hartstochtelijk begeerde, was, dat haar familie eindelijk dat vervloekte graf, dat stomme, donkere paleis Boccanera, waarin alle vreugden van haar vrouwenbestaan in een zoo lang sterven verstard waren, verlaten zou. Als jong meisje, als bruid, als echtgenoote had haar hart te veel geleden; zij gaf zich geheel over aan de woede over haar verloren leven, dat zij in domme berusting voorbij had laten gaan. Een nieuwe biechtvader, welken zij in dien tijd koos, had nog meer invloed op haar begeerte, want zij was heel vroom gebleven, vervulde trouw haar kerkelijke plichten en volgde de raadgevingen van haar biechtvader trouw op. Om zich nog vrijer te maken, biechtte zij niet meer bij den Jezuïetenpater, dien haar man voor haar gekozen had, maar bij abbé Pisoni, den pastoor van de Santa Brigittakerk op de piazza Farnese.
Het was een zeer zachte en goede man van een jaar of vijftig, voor Rome buitengewoon liefdadig, van wien de archaeologie en de liefde voor de steenen een vurig patriot gemaakt hadden. Men vertelde, dat hij ondanks zijn nederige positie meermalen in netelige quaesties als bemiddelaar tusschen het Vaticaan en het Quirinaal opgetreden was. Daar hij ook de biechtvader van Benedetta werd, sprak hij met moeder en dochter graag over de grootheid der Italiaansche eenheid, over de triompheerende heerschappij van Italië, wanneer de verzoening tusschen den paus en den koning tot stand zou zijn gekomen.
Benedetta en Dario hadden elkaar nog lief als op den eersten dag met die krachtige en rustige liefde, welke hun de zekerheid gaf, dat zij voor elkaar bestemd waren. Maar toen kwam Ernesta tusschen beide en verzette zich halsstarrig tegen het huwlijk. Neen, neen, niet Dario! Niet die neef, de laatste van den naam, die ook zijn vrouw zou opsluiten in het donkere graf van het paleis Boccanera. Dat zou het voortgezette begraven zijn beteekenen, een nog erger verval, dezelfde hoogmoedige ellende, het eeuwige, neerdrukkende en in slaap wiegende wrokken. Zij kende den jongen man goed, wist, dat hij een egoïst en een zwakkeling was, niet in staat om te denken of te handelen, dat hij voorbestemd was om zijn geslacht glimlachend te begraven en om de laatste steenen van het huis boven zijn hoofd te laten instorten, zonder een poging te doen om een nieuwe familie te stichten. En zij wilde juist een ander lot voor haar kind, wilde het rijk en in het leven van de overwinnaars en de machthebbers der toekomst tot nieuwen bloei zien ontluiken.
Van af dat oogenblik bleef de moeder er hardnekkig aan vasthouden haar dochter tegen haar wil gelukkig te maken; zij vertelde haar haar eigen lijden, bezwoer haar de jammerlijke geschiedenis niet opnieuw te beginnen. Toch zouden haar pogingen mislukt zijn, zouden zij gestrand zijn op den rustigen wil van het jonge meisje, dat zich voor altijd gegeven had, wanneer bijzondere omstandigheden haar niet in aanraking gebracht hadden met den schoonzoon van haar droomen. In dezelfde villa Montefiori, waar Benedetta en Dario elkaar trouw beloofd hadden, maakte zij kennis met graaf Prada, den zoon van Orlando, een der helden van de Italiaansche eenheid. Op achttienjarigen leeftijd was hij na de occupatie met zijn vader naar Rome gekomen en als eenvoudig ambtenaar bij het ministerie van Financiën in staatsdienst getreden, terwijl de oude held, die tot senator benoemd was, zeer bescheiden van een kleine rente leefde, de laatste overblijfselen van een in den dienst van het vaderland verdwenen kapitaal. Maar de edele krijgslust van Garibaldi's ouden strijdmakker was, na de overwinning, bij den jongen man in een woeste begeerte naar buit veranderd, en hij was een der werkelijke veroveraars van Rome geworden, een der roofvogels, die de stad in stukken scheurden en verslonden. In reusachtige bouwspeculaties gewikkeld en, naar men beweerde, bovendien reeds zeer rijk, was hij in aanraking gekomen met prins Onofrio, wien hij het hoofd op hol gebracht had door hem het denkbeeld in te fluisteren het groote park van de villa Montefiori te verkoopen, om daar een geheele nieuwe wijk te doen verrijzen. Anderen beweerden, dat hij de minnaar der prinses, de mooie Flavia, was, die, hoewel negen jaar ouder dan hij, nog steeds een pracht van een vrouw bleef.
En inderdaad werd hij beheerscht door woeste begeerte, een drang om alles te veroveren, die hem voor niets deed terugdeinzen, als hij het goed of de vrouw van een ander wilde bezitten. Vanaf het eerste oogenblik wilde hij Benedetta. Haar kon hij niet als maîtresse nemen, met haar moest hij trouwen. Hij aarzelde geen oogenblik, brak op staanden voet met Flavia, plotseling hongerig naar die reine maagdelijkheid, naar het oude patricische bloed, dat in een zoo aanbiddelijk jong lichaam stroomde. Toen hij begreep, dat Ernesta, de moeder, voor hem was, vroeg hij, zeker van zijn overwinning, om haar hand. Het was een groote verrassing, want hij was vijftien jaar ouder dan zij; maar hij was graaf, droeg een reeds historischen naam, hoopte het eene millioen op het andere, was gezien op het Quirinaal en had de beste vooruitzichten. Heel Rome sprak erover.
Later heeft Benedetta zichzelf nooit kunnen verklaren, hoe zij ten slotte had toegestemd. Een half jaar vroeger of een half jaar later zou een dergelijk huwlijk wegens het vreeselijke schandaal, dat daardoor in de zwarte kringen ontstaan zou, niet tot stand zijn gekomen. Een Boccanera, de laatste van dit oude, pauselijke geslacht, gegeven aan een Prada, aan een van die Kerkroovers! Dit krankzinnige plan had juist moeten vallen op een zeer bijzonder en kortstondig oogenblik, juist toen een uiterste toenaderingspoging tusschen het Vaticaan en het Quirinaal gedaan werd. Het gerucht liep, dat men eindelijk tot overeenstemming zou komen, dat de koning erin zou toestemmen de souvereiniteit van den paus over de Leostad en over een smalle, tot aan de zee loopende strook gronds te erkennen. Werd daardoor het huwlijk van Benedetta en Prada als het ware niet het symbool van de nationale verzoening? Was dit mooie meisje, de reine lelie der zwarte kringen, niet het offer, het onderpand, dat men aan de witte kringen gaf?
Gedurende veertien dagen sprak men over niets anders. Maar het jonge meisje zelf bekommerde zich niet om die beweegredenen, luisterde slechts naar haar hart, waarover zij niet meer beschikken kon, omdat zij het reeds weggeschonken had. Doch van den vroegen ochtend tot den laten avond smeekte haar moeder haar, bezwoer haar het geluk, het leven, dat haar geboden werd, niet te weigeren. Vooral echter werd zij bewerkt door haar biechtvader, den goeden abbé Pisoni, wiens vaderlandslievende ijver bij deze gelegenheid tot volle uiting kwam: hij oefende door het geheele gewicht van zijn geloof aan de Christelijke bestemming van Italië een sterken druk op haar uit; hij dankte de Voorzienigheid, dat zij een zijner biechtkinderen uitverkoren had om een accoord te verhaasten, dat God in de geheele wereld zou doen triompheeren. En ongetwijfeld was de invloed van haar biechtvader een der beslissende oorzaken, die haar ten slotte deden toestemmen, want zij was zeer vroom en wijdde vooral een bijzonderen eerbied aan een Madonna, wier beeld zij iederen Zondag in de kleine kerk op de piazza Farnese ging vereeren.
Eén feit maakte vooral diepen indruk op haar: abbé Pisoni vertelde haar, dat de vlam van de lamp, die voor het beeld brandde, telkens wanneer hij zelf neerknielde, om de Heilige Maagd te smeeken zijn biechtkind het verlossing brengende huwlijk aan te raden, wit werd. Op die wijze werkten hoogere machten mede; en ten slotte gaf zij uit gehoorzaamheid aan haar moeder toe. De kardinaal en donna Serafina hadden zich eerst verzet, maar later, toen de religieuse quaestie tusschen beide kwam, hun tegenstand laten varen. Zij was in volkomen reinheid en in volkomen onschuld opgegroeid, wist niets van zichzelf en was zoo onwetend omtrent de wereld, dat het huwlijk met een ander dan Dario eenvoudig het verbreken van een lange belofte van gemeenschappelijk leven, geen physieke losscheuring van haar lichaam en van haar hart was. Zij weende veel en op een moedeloozen dag, toen haar de wilskracht ontbrak, zich tegen de haren en tegen de geheele wereld te verzetten, trouwde zij met Prada en sloot aldus een huwlijk, waaraan geheel Rome medeplichtig geworden was.
En toen, op den avond zelf van het huwlijk, sloeg plotseling de bliksem in. Toonde Prada, de Piemontees, de Noord-Italiaan en veroveraar, te veel de brutaliteit van den binnendringer, wilde hij de vrouw behandelen, zooals hij de stad behandeld had, als een meester, die zijn ongeduld, om zich te bevredigen, niet bedwingen kan? Of kwam de onthulling voor Benedetta te onverwacht, vond zij haar te bezoedelend van den kant van een man, dien zij niet lief had en aan wien zij zich niet onderwerpen kon? Nooit heeft zij zich daaromtrent duidelijk uitgesproken. Maar zij sloot heftig de deur van haar kamer, grendelde die en weigerde hardnekkig die weer voor haar echtgenoot te openen.
Een maand lang deed Prada, dien deze belemmering voor zijn hartstocht dol maakte, wanhopige pogingen. Hij was diep beleedigd, zijn trots bloedde, hij zwoer zijn vrouw te temmen, zooals men een onwillige merrie temt, met zweepslagen. En al die zinnelijke woede van den sterken man liep zich te pletter tegen den ontembaren wil, die in één avond achter het smalle, bekoorlijke voorhoofd van Benedetta opgeschoten was. De Boccanera's waren in haar ontwaakt: zij wilde niet--heel eenvoudig--en niets ter wereld, zelfs de dood niet, zou haar hebben kunnen dwingen, om te willen. Bovendien voelde zij, in deze plotselinge kennis der liefde, de oude genegenheid voor Dario weer met verdubbelde kracht terugkeeren; zij kwam tot de niet aan het wankelen te brengen zekerheid, dat zij haar lichaam slechts aan hem geven mocht, omdat zij het aan hem alleen beloofd had. Sedert het huwlijk, dat hij, naar men zeide, als een sterfgeval had aanvaard, reisde de jonge man in Frankrijk. Zij verborg hem niets, schreef hem, dat hij terug moest komen, beloofde hem nogmaals nooit aan een ander te zullen toebehooren.
Haar vroomheid was nog grooter geworden; de hardnekkige gedachte om haar maagdelijkheid te bewaren voor den uitverkoren geliefde paarde zich, in haar aanbidding, aan een gedachte van trouw aan Jezus. Een vurig liefhebbend hart had zich in haar geopenbaard, bereid voor het gegeven woord den marteldood te sterven. En toen haar moeder, wanhopig, haar met gevouwen handen bezwoer zich aan haar echtelijke plichten te onderwerpen, antwoordde zij, dat zij niets verplicht was, omdat zij bij haar huwlijk niets wist. Bovendien waren de tijden weer veranderd, de overeenkomst tusschen het Vaticaan en het Quirinaal was mislukt, en wel in die mate, dat de bladen van beide partijen met nieuwe heftigheid hun laster- en scheldcampagne weer begonnen waren. Zoo stortte ook dit triomfhuwlijk, waartoe de geheele wereld medegewerkt had als aan een onderpand van den vrede, met de algemeene debacle in, was nog slechts een ruïne naast zoovele andere.
Ernesta stierf eraan. Zij had zich vergist, haar mislukt bestaan, haar vreugdeloos huwlijksleven vonden haar bekroning in deze laatste dwaling als moeder. Het ergste was, dat zij geheel alleen bleef, dat de geheele verantwoordelijkheid van de ramp op haar rustte, want haar broer, de kardinaal, en haar zuster, donna Serafina, overlaadden haar met verwijten. Haar eenige troost was de wanhoop van abbé Pisoni, die dubbel getroffen werd: door het verlies van zijn patriottische verwachtingen en door het berouw aan zulk een catastrophe medegewerkt te hebben. En op een morgen vond men Ernesta koud en wit in haar bed. Men sprak van een slagaderbreuk; maar het verdriet alleen zou reeds een voldoende oorzaak geweest zijn, want zij leed vreeselijk, in het geheim, zonder te klagen, zooals zij haar geheele leven geleden had.
Benedetta was nu reeds bijna een jaar getrouwd en weigerde zich nog steeds aan haar echtgenoot, maar zij had de echtelijke woning niet willen verlaten, om haar moeder den vreeselijken slag van een publiek schandaal te besparen. Haar tante Serafina echter wendde al haar invloed op haar aan, door haar hoop te geven op een mogelijke ongeldigverklaring van het huwlijk, als zij zich voor de voeten van den Heiligen Vader wilde werpen. Ten slotte gelukte het haar haar te overtuigen, nadat zij--zelf gehoor gevend aan den raad van anderen--haar in plaats van abbé Pisoni den Jezuïetenpater Lorenza, bij wien zij zelf ook biechtte, als biechtvader gegeven had. Deze nauwlijks vijf-en-dertigjarige Jezuïetenpater was een ernstig en vriendelijk man met heldere oogen en een groote overredingskracht. Benedetta nam echter eerst na den dood van haar moeder een besluit; eerst toen ging zij weer in het paleis Boccanera de kamer bewonen, waar zij geboren en haar moeder zoo juist gestorven was. Onmiddellijk werd het proces tot nietigverklaring van het huwlijk tot eerste instructie voor den kardinaal-vicaris, die met de leiding van het diocees Rome belast was, gebracht. Men vertelde, dat de contessina er eerst toe overgegaan was, nadat haar een geheime audiëntie verleend was bij den paus, die haar zijn aanmoedigende deelneming betuigd had.
Graaf Prada dacht er in den beginne over zijn vrouw met den sterken arm van het gerecht te dwingen naar de echtelijke woning terug te keeren. Op aandrang van zijn vader echter, die de geheele zaak met leede oogen aanzag, gaf hij ten slotte toe, dat het proces voor de kerkelijke autoriteit gevoerd werd. Het meest verbitterde hem het feit, dat de eischeresse aanvoerde, dat het huwlijk door impotentie van den man niet voltrokken was. Dat was een der motieven, die voor het Hof van Rome altijd groote kracht bezaten. In zijn memorie verzuimde de kerkelijke advocaat Morano, een der autoriteiten van de Romeinsche balie, eenvoudig te zeggen, dat de eenige reden van die impotentie de tegenstand van de vrouw was; een geheel debat ontspon zich over dit teere punt, dat zoo scabreus werd, dat het onmogelijk scheen de waarheid aan het daglicht te brengen; van beide zijden gaf men intieme bijzonderheden in het Latijn, riep men getuigen voor, die allerlei details over het samenwonen en de voorgevallen scènes moesten geven.
Het meest beslissende stuk was een door twee vroedvrouwen onderteekende verklaring, dat haar na onderzoek gebleken was, dat de maagdelijkheid van het jonge meisje ongerept was. De vicaris had dus in zijn qualiteit van bisschop van Rome, de zaak overgedragen aan de Conciliecongregatie, wat voor Benedetta een eerste succes beteekende. Zoo stonden thans de zaken; zij wachtte nu op de definitieve uitspraak van de congregatie in de hoop, dat de kerkelijke nietigverklaring van het huwlijk een onweerstaanbaar argument zou zijn tot verkrijging van echtscheiding van de burgerlijke autoriteiten. In het kille vertrek, waarin haar moeder Ernesta, onderworpen en wanhopig, gestorven was, had de contessina haar jongemeisjesleven weer opgevat. Zij was heel kalm en beheerschte volkomen haar hartstocht, want zij had gezworen, dat zij zich aan niemand zou geven dan aan Dario, en ook aan hem eerst op den dag, dat een priester hen heilig voor God verbonden had.
Ook Dario was een half jaar vroeger ten gevolge van den dood van zijn vader en van een catastrophe, die hem geruïneerd had, in het paleis Boccanera komen wonen. Prins Onofrio had zich namelijk, nadat hij op raad van Prada de villa Montefiori voor tien millioen aan een financieele maatschappij verkocht had, in plaats van verstandig zijn tien millioen in zijn zak te houden, zich laten medesleepen door de speculatiekoorts, die Rome toen verteerde; hij begon zelfs zoo te spelen, dat hij zijn eigen terrein terugkocht, en verloor alles in den verschrikkelijken krach, die het vermogen der geheele stad verslond. Geheel geruïneerd, ja zelfs niettegenstaande hij vele schulden had, bleef de prins toch als populair man glimlachend zijn wandelingen op den Corso voortzetten, totdat hij plotseling ten gevolge van een val van zijn paard stierf. Elf maanden later trouwde zijn weduwe, de nog steeds mooie Flavia--die het zoo had weten aan te leggen, dat zij uit de ramp een moderne villa en een rente van veertig duizend francs had opgevischt--met een prachtigen, tien jaar jongeren man, een Zwitser, Jules Laporte, oud-sergeant van de garde van St. Pieter, daarna beunhaas van een reliquieënhandel, en thans markies Montefiori, daar hij door een speciale breve van den paus tegelijk met de vrouw den titel veroverd had. Prinses Boccanera was weer markiezin Montefiori geworden.
Diep gekrenkt in zijn trots had kardinaal Boccanera toen van zijn neef Dario geëischt, dat hij een paar kleine appartementen op de eerste verdieping van het paleis in de Via Giulia zou betrekken. In het hart van den heiligen man, die voor de wereld afgestorven scheen te zijn, leefde nog de trots op den naam en een teedere liefde voor dezen tengeren knaap, den laatste van het geslacht, den eenige, door wien de oude wortel weer groen kon worden. Hij toonde zich volstrekt niet afkeerig van een huwlijk met Benedetta, die hij eveneens met vaderlijke toegenegenheid liefhad. Hij was zoo hooghartig en zoo ten volle overtuigd van hun vroomheid, dat hij zich, toen hij hen beiden bij zich aan huis nam, in het minst niet stoorde aan de gemeene praatjes, die de vrienden van graaf Prada onder de witte kringen rondstrooiden sedert neef en nicht onder één dak woonden. Donna Serafina waakte over Benedetta, zooals hij zelf over Dario waakte, en in de stilte en in de donkerte van het groote verlaten paleis, dat vroeger door zulke tragische en bloedige gewelddaden bevlekt was, leefden nu nog slechts deze vier met hun thans ingeslapen hartstochten--de laatste overlevenden van een wereld, die op den drempel van een nieuwe wereld ineenstortte.
Toen abbé Pierre Froment plotseling met een zwaar hoofd uit zijn benauwde droomen ontwaakte, zag hij tot zijn groote spijt, dat de dag al ver gevorderd was. Zijn horloge wees zes uur. Hij, die hoogstens een uur wilde rusten, had in een onoverwinnelijke uitputting bijna zeven uur geslapen. En hoewel hij nu wakker was, bleef hij toch op bed liggen, gebroken, als reeds overwonnen voor den strijd. Vanwaar kwam toch die uitputting, die ongemotiveerde ontmoediging, die huivering van twijfel, die zich in zijn slaap, hij wist niet hoe en waarom, van hem meester gemaakt had en zijn heerlijk-jonge geestdrift van dien ochtend geheel uitdoofde. Hadden de Boccanera's iets met deze plotselinge zwakheid van ziel te maken? In het donker van zijn droomen had hij zulke verwarde, zulke verontrustende gestalten gezien; zijn angst bleef bestaan, hij riep ze zich nogmaals voor den geest, schrikkend zoo in deze vreemde kamer wakker te worden, bang voor het onbekende.
De dingen schenen hem zoo onbegrijpelijk toe; hij kon zich niet verklaren waarom juist Benedetta aan vicomte de la Choue geschreven en hem opgedragen had hem te zeggen, dat zijn boek bij de Indexcongregatie aangegeven was. Welk belang kon zij erbij hebben, dat de schrijver zich te Rome kwam verdedigen? Met welk doel had zij de vriendelijkheid zoo ver gedreven, dat zij wilde, dat hij hier logeeren zou? Zijn groote verbazing was, dat hij, een vreemdeling, zich in dit bed, in dit vertrek, in dit paleis bevond, waarvan hij de diepe, doodsche stilte om zich heen hoorde. Zijn ledematen waren als geradbraakt, zijn hoofd leeg; plotseling echter zag hij duidelijk, begreep hij, dat er dingen waren, die hem ontgingen, dat zich achter de schijnbaar eenvoudige feiten een geheele complicatie verbergen moest. Maar dat was slechts een lichtflits, zijn argwaan verdween weer; hij stond op, schudde zich eens flink, zeide tot zichzelf, dat die trieste schemering de eenige oorzaak van dien angst en die wanhoop was, waarover hij zich nu reeds schaamde.
Om zijn gedachten wat afleiding te geven, begon Pierre in zijn twee kamers rond te kijken. Zij waren eenvoudig, bijna armoedig, van ongelijksoortige mahoniehouten meubelen uit het begin der vorige eeuw voorzien. Het bed had, evenmin als de ramen en deuren, geen gordijnen. Op den kalen, roodgeverfden en geboenden grond lagen alleen voor de stoelen kleine matjes. Bij het zien van die kille kaalheid dacht hij terug aan de kamer, waarin hij, als kind, te Versailles bij zijn grootmoeder geslapen had, die daar onder Louis Philippe een garen- en bandwinkeltje gehad had. Maar aan den muur van het bed hing tusschen kinderachtige en waardelooze gravures een oud doek, dat zijn aandacht trok. Het stelde, nauwlijks door den stervenden dag verlicht, een vrouwefiguur voor, die op den drempel van een groot en streng gebouw zat, waaruit men haar weggejaagd scheen te hebben. De bronzen vleugeldeuren hadden zich voor altijd achter haar gesloten en zij zat daar, in een eenvoudig wit linnen kleed gehuld, terwijl andere kleedingstukken, ruw weggeworpen, her en der op de granieten treden lagen. Haar voeten en haar armen waren bloot, het gelaat rustte in haar van smart krampachtig verwrongen handen--een gezicht, dat men niet zag, dat, door de golven van haar prachtige lokken overstroomd, als door een dofgouden sluier omhuld was.
Welk een naamlooze smart, welk een vreeselijke schande, welk een afschuwlijk aan haar lot overgelaten zijn verborg deze uitgestootene, deze hardnekkig liefhebbende vrouw, over wier geschiedenis--de geschiedenis van een heftig hart--men tot in het oneindige peinzen kon? Men raadde, dat zij in haar ellende, in die om haar schouders geworpen flarden linnen, aanbiddelijk jong en mooi was; maar al het overige van haar--haar hartstocht en misschien haar ongeluk en haar schuld wellicht--was gehuld in mysterie. Tenzij zij het symbool was van alles, dat, zonder een eigen gelaat, rillend en weenend voor de eeuwig gesloten deur van het onzienlijke staat. Lang keek hij naar haar, zóó strak, dat hij zich ten slotte verbeeldde haar goddelijk rein, lijdend profiel te onderscheiden. Doch het was slechts een illusie, want het doek had veel geleden, was zwart geworden en verwaarloosd, en hij vroeg zich af van welken onbekenden meester dit paneel, dat hem zoo ontroerde, wel zijn kon? Aan den anderen kant irriteerde een Heilige Maagd, een slechte copie van een doek uit de achttiende eeuw, hem door haar banalen glimlach.
Het daglicht werd al zwakker en zwakker. Pierre opende het raam en ging er op zijn ellebogen uit liggen. Tegenover hem, aan de overzijde van den Tiber, verhief zich de Janiculus, vanwaar hij 's ochtends Rome gezien had. Maar thans, in dit doffe licht, was het niet meer de stad van jeugd en droomen, die zich ophief in de ochtendzon. De avond omsluierde alles met een aschgrauw: de horizont, onduidelijk en droefgeestig-dof, zonk weg. Daarboven links, over de daken, raadde hij nog den Palatinus: daarbeneden rechts stak de dom van de St. Pieter nog steeds leikleurig tegen den loodgrijzen hemel af, terwijl achter hem de Quirinalis, dien hij niet zien kon, ook wel in den mist zou wegsomberen. Een paar minuten verliepen, en alles werd nog waziger; hij voelde Rome verdwijnen, zich verliezen in zijn hem onbekende onmetelijkheid. Opnieuw grepen twijfel en onrust hem zoo pijnlijk aan, dat hij niet langer aan het raam kon blijven staan; hij sloot het weer, ging zitten, liet zich door de duisternis met een eindelooze triestheid omhullen. En aan zijn droef gepeins kwam eerst een einde, toen de deur zacht openging en het schijnsel van een lamp het vertrek opvroolijkte.
Het was Victorine, die voorzichtig het licht binnen bracht.
"Zoo, mijnheer de abbé, al op! Om vier uur ben ik ook wezen kijken, maar ik heb u laten slapen. Heel verstandig van u, om eens goed uit te slapen!"
Maar toen hij over pijn in zijn ledematen en over koude rillingen klaagde, begon zij ongerust te worden.