De drie steden: Rome

Part 59

Chapter 593,812 wordsPublic domain

Samengedrongen in zijn vaal vet nam abbé Paparelli Pierre op met zijn kleine, grijze oogen, die midden in de duizenden plooien van zijn gezicht knipten. Deze begon een onrustig gevoel te krijgen, terwijl hij zich afvroeg, wat die beide Eminenties elkaar toch wel konden hebben te zeggen. Welk een pijnlijk gesprek moest dit zijn, wanneer Boccanera in Sanguinetti den bisschop zag, tot wiens protégé's Santobono behoorde. Welk een vermetele kalmte bezat de een, dat hij zich hier durfde vertoonen; welk een zielskracht, welk een zelfbeheersching bij den ander, dat hij in den naam van den heiligen godsdienst een schandaal vermeed door te zwijgen, door het bezoek als een eenvoudig bewijs van achting en toegenegenheid te aanvaarden! Maar wat kunnen zij elkander te zeggen hebben? Wat zou het opwindend-interessant zijn, hen tegenover elkander te zien, te hooren welke diplomatieke woorden, die voor een dergelijk onderhoud pasten, zij gebruikten, terwijl het in hun zielen gromde van woedenden haat!

Plotseling ging de deur open en kwam kardinaal Sanguinetti uit de kamer te voorschijn; zijn gezicht was kalm, niet rooder dan gewoonlijk, zelfs iets bleeker. Slechts zijn onrustige, steeds rondloerende oogen verrieden hoe blij hij was deze per slot van rekening toch zware corvée achter den rug te hebben. En in de hoop, dat hij van nu af de eenig mogelijke paus zijn zou, verwijderde hij zich.

Abbé Paparelli was naar hem toegevlogen.

"Als Zijne Eminentie zoo goed wil zijn mij te volgen... Ik zal Zijne Eminentie uitlaten!"

En zich dan tot Pierre wendend:

"U kunt nu naar binnen gaan."

Pierre keek hen na: de een zoo deemoedig, de ander zoo triomphantelijk. Dan ging hij naar binnen en zag onmiddellijk midden in de kleine, slechts met een tafel en drie stoelen voorziene studeerkamer kardinaal Boccanera nog in de hautaine en edele houding staan, die hij aangenomen had, om Sanguinetti, den gevreesden en verwenschten mededinger naar den pauselijken troon, te groeten. En blijkbaar waande Boccanera zich ook den eenig mogelijken paus, dengene, dien het conclave van morgen kiezen moest.

Maar toen de deur weer dichtgevallen was en hij den jongen priester, zijn gast, die getuige geweest was van den dood van zijn twee lieve kinderen, die nu voor eeuwig in de zaal ernaast sliepen, zag, werd hij weer door een onuitsprekelijke ontroering, door een onverwachte zwakheid, waarin al zijn energie onderging, aangegrepen. Het was de revanche, die zijn mensch-zijn nam, nu zijn mededinger hem niet meer zien kon. Hij wankelde als een boom, die trilt onder den bijlslag, en viel, plotseling verstikt door diepe snikken, op een stoel neer. Toen Pierre volgens het ceremonieel, den smaragd, dien hij aan zijn ringvinger droeg, wilde kussen, richtte hij hem op en wees hem recht voor zich een stoel aan, terwijl hij met gebroken stem stamelde:

"Neen, neen, mijn zoon, ga daar zitten... Excuseer me een oogenblik, mijn hart breekt in mij."

Hij snikte in zijn gevouwen handen, hij vermocht zich niet te beheerschen, zijn smart met zijn nog krachtige vingers, die hij tegen zijn wangen en slapen drukte, in zich terug te dringen.

Tranen kwamen nu ook in de oogen van Pierre, die eveneens het verschrikkelijke drama doorleefde en diep ontroerd werd, nu hij dien edelen grijsaard, dien gewoonlijk zoo trotschen en zichzelf beheerschenden, vromen kerkvorst, die nu niet meer was dan een arm, in doodsstrijd en smart worstelend wezen, zoo hulpeloos en zwak als een kind, huilen zag. Hoewel tranen ook zijn stem verstikten, wilde Pierre toch zijn deelneming betuigen en zocht hij naar een paar goede woorden, om deze wanhoop wat te verzachten.

"Ik smeek Uwe Eminentie aan mijn diep verdriet te gelooven. Ik ben bij u met weldaden overstelpt en stel er prijs op u onmiddellijk te zeggen, hoe dit onherstelbare verlies..."

Maar met een moedig gebaar legde de kardinaal hem het zwijgen op.

"Neen, neen, zeg niets, om Godswil, zeg niets!"

En stilte heerschte. Geschokt door den inwendigen strijd, weende hij nog steeds en wachtte hij tot hij weer sterk genoeg zijn zou, om zich te beheerschen. Eindelijk wist hij zijn ontroering te bedwingen, nam hij langzaam zijn handen van zijn gezicht weg, dat langzamerhand weer dat van een door zijn geloof sterken, aan Gods wil onderworpen geloovige geworden was. Nu God geweigerd had een wonder te doen, nu hij zijn huis zoo wreed trof, had hij daar ongetwijfeld zijn redenen voor, en hem, een van zijn dienaren, een der grootwaardigheidsbekleeders van zijn aardsch Hof, bleef niets anders over dan zijn hoofd in ootmoed te buigen.

De stilte duurde nog een oogenblik voort--dan begon hij te spreken en het gelukte hem zijn stem een natuurlijken, vriendelijken klank te geven.

"Gij verlaat ons, niet waar, mijn zoon? Gij vertrekt morgen?"

"Ja, morgen, ik zal mij de vrijheid veroorloven afscheid te nemen van Uwe Eminentie en u nogmaals te danken voor uw onuitputtelijke welwillendheid."

"Dus hebt u gehoord, dat de Indexcongregatie uw boek veroordeeld heeft, wat trouwens onvermijdelijk was?"

"Ja, de buitengewone eer is mij ten deel gevallen door den Heiligen Vader ontvangen te worden, en aan zijn voeten heb ik mij onderworpen en mijn boek verloochend."

In de vochtige oogen van den kardinaal lichtte weer een vlam op.

"Zoo hebt ge dat gedaan? Dan hebt ge goed gehandeld, mijn zoon! Het was weliswaar niets meer dan uw eenvoudigen priesterplicht, maar er zijn er helaas in onze dagen zoo velen, die zelfs hun plicht niet doen... Als lid der Congregatie heb ik mijn belofte, die ik u gegeven had, gehouden, uw boek gelezen en vooral de door de aanklagers aangegeven bladzijden zorgvuldig bestudeerd. En dat ik ten slotte neutraal gebleven ben, dat ik mij hield als had de zaak voor mij niet het minste belang, zoodat ik zelfs de zitting, waarin het geval behandeld is, niet bijgewoond heb, is alleen geweest, omdat ik mijn arme lieve nicht, die van u hield, die u verdedigde, een plezier wilde doen..."

Weer overmanden zijn tranen hem; hij hield op, want hij voelde, dat hij weer zwak zou worden, indien hij zich de aangebeden en beweende Benedetta voor den geest riep. En met strijdlustige grimmigheid ging hij dan ook voort:

"Neem mij niet kwalijk, dat ik het u zeg, maar welk een vloekwaardig boek, mijn zoon! Ge hadt mij verzekerd, dat ge het dogma respecteerde, en ik vraag me nog steeds af, door welke dwaling ge zóó verblind zijt geworden, dat ge zelfs het besef van uw misdaad verloren hebt. Het dogma respecteeren--lieve God, terwijl het geheele boek één doorloopende negatie van onzen heiligen godsdienst is!... Hebt ge dan niet gevoeld, dat het vragen om een nieuwen godsdienst gelijk staat met het veroordeelen van den ouden, den eenigen waren, den eenigen goeden, den eenigen eeuwigen? Dat alleen reeds was voldoende, om van uw boek een der doodelijkste giffen te maken, een van die infame boeken, die men vroeger door beulshanden verbranden liet, maar die in onze dagen, nadat ze op den Index geplaatst en juist daardoor aan de perverse nieuwsgierigheid aangewezen zijn, in omloop gebracht worden, iets waardoor de besmettelijke rotheid van onze eeuw maar al te goed wordt verklaard... O, hoe goed heb ik in dit alles de denkbeelden van onzen vereerden en poëtischen bloedverwant, vicomte Philibert de la Choue teruggevonden! Een litterair ontwikkeld iemand, zeer zeker! Maar het is litteratuur, niets dan litteratuur! Ik smeek God hem vergiffenis te schenken, want hij weet ongetwijfeld niet, wat hij doet noch waarheen hij gaat met zijn elegisch Christendom, dat bestemd is voor mooi-pratende arbeiders en voor jonge menschen van beiderlei kunne, wier ziel door de wetenschap toch reeds in het ijle zweeft. Neen, mijn toorn richt zich alleen tegen Zijne Eminentie, kardinaal Bergerot, want hij weet, wat hij doet, doet wat hij wil... Neen, zeg niets, verdedig hem niet. Hij is de revolutie in de Kerk, hij is tegen God!"

Hoewel hij zich voorgenomen had niet te antwoorden, niet te discussieeren, had hij een gebaar van protest bij dezen aanval op den man, dien hij op deze wereld het meest vereerde en liefhad, niet kunnen onderdrukken. Dan echter boog hij nogmaals.

"Ik kan mijn afschuw, ja mijn afschuw voor dezen heelen ledigen droom van een nieuwen godsdienst niet genoeg zeggen," ging Boccanera ruw voort. "Het is niets dan een speculatie op de gemeenste hartstochten, die de armen tegen de rijken opzet, door hun God weet wat voor een deeling, voor een thans onmogelijke gemeenschap, belooft! Het is niets dan een lage vleierij van de lagere volksklassen, doordat men hun, zonder het ooit te kunnen uitvoeren, een gelijkheid en een gerechtigheid belooft, die alleen van God komt, die God alleen op den door zijn almacht aangewezen dag zal kunnen doen heerschen! Het is niets dan een zelfzuchtige naastenliefde, die men tegen den hemel zelf misbruikt om hem aan te klagen van onrechtvaardigheid en onverschilligheid! Het is niets dan larmoyante, verslappende, krachtige en sterke harten onwaardige naastenliefde! Alsof het menschelijk lijden niet noodzakelijk is voor zijn heil; alsof wij, naarmate wij meer lijden, niet grooter, niet reiner worden, niet dichter bij het oneindige geluk komen!"

Hij wond zich op, zijn hart bloedde en hij verzette zich daartegen. Zijn smart verbitterde hem; de bijlslag had hem een oogenblik terneergeworpen, maar nu stond hij weer op, uitdagend tegen de smart, koppig vasthoudend aan zijn stoïcijnsche voorstelling van een almachtig God, die heer en meester over de menschen is en zijn gelukzaligheid voor zijn uitverkorenen alleen bewaart.

Toen deed hij weer een poging om kalmer te zijn, en zachter ging hij voort:

"Enfin, mijn zoon, de schaapskooi staat steeds open; en uit uw berouw blijkt, dat ge erin teruggekeerd zijt. Ge kunt niet gelooven, hoe gelukkig mij dat maakt!"

Op zijn beurt trachtte Pierre verzoenend te zijn, om deze heftige, door smart gewonde ziel nog niet meer te treffen.

"Uwe Eminentie kan er zeker van zijn, dat ik trachten zal geen van uw vriendelijke woorden te vergeten, evenmin als ik de vaderlijke ontvangst van Zijne Heiligheid Leo XIII vergeten zal."

Maar deze zin scheen Boccanera juist weer op te winden. Eerst uitte hij slechts half uitgesproken woorden, als streed hij met zichzelf, om den jongen priester niet direct uit te vragen.

"O, ja, gij hebt den Heiligen Vader gesproken, gij hebt met hem gepraat en hij heeft u zeker, zooals aan alle vreemdelingen, die hem hun opwachting maken, gezegd, dat hij verzoening, vrede wil... Ik zie Zijne Heiligheid nog slechts, wanneer het niet anders kan; het is reeds meer dan een jaar geleden, dat ik tot een particuliere audiëntie toegelaten ben..."

Dit openlijke bewijs van ongenade, deze heimelijke strijd, die, evenals ten tijde van Pius IX, tusschen den Heiligen Vader en den kardinaal-voorzitter gevoerd werd, vervulde dezen laatste met groote bitterheid. Het was hem onmogelijk zich te bedwingen; hij bleef spreken, waarbij hij ongetwijfeld tot zichzelf zeide, dat hij iemand voor zich had, op wien hij kon vertrouwen en die bovendien den volgenden dag vertrekken zou.

"Vrede, verzoening! Met die mooie woorden, waarmede zoo dikwijls het gemis aan ware vrijheid en moed bemanteld wordt, komt men ver... De vreeselijke waarheid echter is, dat de achttien jaar van Leo XIII's concessies alles in de Kerk aan het wankelen gebracht hebben en dat het Katholicisme, wanneer hij nog lang regeert, in puin zal vallen als een gebouw, waarvan men de zuilen ondermijnd heeft."

Pierre, wiens belangstelling nu ook weer geheel opgewekt was, kon zich niet weerhouden eenige tegenwerpingen in het midden te brengen, om daardoor den kardinaal nog meer aan het praten te krijgen.

"Maar is hij niet altijd zeer voorzichtig opgetreden, heeft hij het dogma niet in een oninneembare vesting ondergebracht? In één woord, heeft hij, al schijnt hij op veel punten toegegeven te hebben, dat niet altijd in vormquaesties gedaan?"

"Ja natuurlijk, vormquaesties!" antwoordde de kardinaal in toenemende opwinding. "Hij heeft u, zooals aan alle anderen gezegd, dat hij, in principes op zijn stuk staan blijvend, gaarne toegaf in vormquaesties! Een betreurenswaardig woord, een dubbelzinnige diplomatie, wanneer het tenminste geen eenvoudige, lage huichelarij is! Mijn ziel komt in opstand tegen dit opportunisme, tegen dit Jezuïetengedoe, dat listen gebruikt tegen den geest der eeuw, dat alleen bestemd is twijfel te brengen onder de geloovigen, de verwarring van een overijlde vlucht, die de eerste oorzaak is van onherstelbare nederlagen! Het is een lafheid, een lage lafheid, het neergooien van de wapenen, om des te sneller te kunnen terugtrekken, het zich schamen om zichzelf te zijn, het masker, dat men zich voorzet in de hoop de wereld op een dwaalspoor te brengen, op verraderlijke wijze bij den vijand binnen te dringen en hem te vernietigen. Neen, neen, de vorm is alles bij een overgeleverden, onveranderlijken godsdienst, die achttien eeuwen lang geweest is, thans nog is en altijd, tot aan het einde der eeuwen, blijven zal de wet zelf van God!"

Hij kon niet blijven zitten; stond op en begon door het kleine vertrek, dat hij met zijn hooge gestalte geheel scheen te vullen, op en neer te loopen. En nu bestreed, veroordeelde hij heftig de geheele regeering, de geheele politiek van Leo XIII.

"De eenheid, de beroemde eenheid, die hij, wat men hem als grooten lof nageeft, in de Kerk wil herstellen, is niets dan de razende, blinde eerzucht van een veroveraar, die zijn rijk uitbreidt, zonder zich af te vragen, of de nieuw onderworpen volkeren zijn oud, tot dusverre zoo trouw volk zullen desorganiseeren, bederven, besmetten met alle zonden. En wanneer de Oostersche schismatici, wanneer de schismatici van andere landen door hun terugkeer in de Katholieke Kerk die zóó veranderen, dat zij haar dooden, dat zij er een nieuwe Kerk van maken? Er bestaat maar één wijsheid: slechts dat zijn, wat men is, maar het krachtig zijn! En is ook niet dat zoogenaamde verbond met de democratie, een politiek, die voldoende is om den eeuwenouden geest van het pausdom te veroordeelen, niet een gevaar en een schande tegelijk? De monarchie is een goddelijk recht, haar opgeven staat gelijk met in te gaan tegen God, met scharrelen met de Revolutie, met het droomen van de monsterachtige oplossing, om gebruik te maken van de verblindheid der menschheid, ten einde weer een groote macht over hen te krijgen. Iedere republiek is een toestand van anarchie en daarom is de erkenning der Republiek enkel en alleen met het doel, om den droom van een onmogelijke verzoening te willen verwezenlijken, de misdadigste fout, de eeuwige vernietiging van het denkbeeld van gezag, orde, ja zelfs van godsdienst... Denk bijvoorbeeld eens na over hetgeen hij met de wereldlijke macht gedaan heeft. Hij eischt die nog wel op, hij doet wel, alsof hij op het punt van Rome's teruggave intransigent blijft, maar heeft hij in werkelijkheid niet definitief afstand er van gedaan, nu hij het recht der volkeren erkent om over zich zelf te beschikken, hun koningen weg te jagen en als dieren vrij in de bosschen te leven?"

Plotseling bleef hij staan en hief dan in een opwelling van heiligen toorn zijn armen ten hemel.

"O, die man, die man, die door zijn ijdelheid, door zijn zucht naar succes de ondergang der Kerk geweest zal zijn! Deze man, die niet opgehouden heeft alles te bederven, los te maken, te verbrokkelen, om de wereld, welke hij op deze wijze denkt te heroveren, te regeeren! Waarom, o, Almachtige, waarom hebt gij hem nog niet tot u teruggeroepen?"

En deze aanroeping van den dood had een zoo oprechten klank, de haat, welke daarin lag, werd door het vurige verlangen om God, die hier op aarde in gevaar verkeerde, te redden, zoo veredeld, dat Pierre door een hevige rilling doorhuiverd werd. Nu eerst begreep hij ten volle dezen kardinaal Boccanera, die Leo XIII vroom, hartstochtelijk haatte, hij begreep, dat hij uit de diepte van zijn donker paleis reeds jaren lang loerde op den dood van den paus--den dood, dien hij in zijn qualiteit van kardinaal-voorzitter officieel vast zou moeten stellen. Hoe moest hij daarop wachten, hoe verlangde hij met koortsachtig ongeduld naar het gelukzalige uur, waarop hij, gewapend met zijn zilveren hamer, de drie symbolische slagen op het hoofd van den koud en stijf op zijn bed uitgestrekten Leo XIII zou gaan geven. O, kon hij eindelijk eens kloppen op dien hersenwand, om zeker te zijn, dat er geen antwoord meer kwam, dat er niets meer in was dan nacht en zwijgen! En de roep: "Joachim! Joachim, Joachim!" zou driemaal weerklinken! En, wanneer het lijk niet antwoordde, zou hij zich, na even gewacht te hebben, omkeeren en zeggen: "De paus is dood!"

"Maar toch," begon Pierre, die hem tot het heden wilde terugbrengen, weer; "maar toch is verzoening een wapen van den tijd. Alleen om des te zekerder te zijn van de overwinning, geeft de Heilige Vader in vormquaesties toe."

"Hij zal niet overwinnen, hij zal overwonnen worden!" riep Boccanera. "Nog nooit heeft de Kerk een overwinning behaald, wanneer zij niet volhardde in de onveranderlijke eeuwigheid van haar goddelijk wezen. En het is zeker, dat zij op den dag, waarop zij toelaten zal, dat aan één steen van haar gebouw geraakt wordt, in puin vallen zal... Herinner u den vreeselijken tijd maar, dien zij tijdens het Concilie van Trente doorgemaakt heeft. De Hervorming had haar tot in haar grondvesten doen wankelen, de ontaarding der discipline en der zeden werd steeds erger; het was een steeds stijgende vloed van nieuwigheden, van door den geest van het kwade ingeblazen denkbeelden, van ongezonde plannen, die de hoogmoed van de in volle vrijheid toegelaten menschheid vormde. En in het concilie zelf waren verscheidene leden onrustig geworden, besmet, bereid om de dolzinnigste wijzigingen goed te keuren; het was een waar schisma, dat zich bij de andere aansloot... En dat in die kritieke oogenblikken, waarin een zoo groot gevaar dreigde, het Katholicisme van ondergang gered is, is alleen een gevolg van het feit, dat de meerderheid, voorgelicht door God, het oude gebouw intact gehandhaafd heeft, dat zij de goddelijke hardnekkigheid bezat, om zich op te sluiten in het enge dogma, dat zij in niets toegegeven heeft, in niets, in niets, noch in principieele, noch in vormquaesties... O, zeker, thans is de toestand niet erger dan ten tijde van het Concilie van Trente. Laten wij aannemen, dat hij even moeilijk is, en zeg mij dan eens eerlijk of het niet edeler, niet zekerder voor de Kerk is, wanneer men, evenals vroeger, den moed bezit luide te zeggen, wat zij is, wat zij geweest is, wat zij zijn zal. Voor haar is alleen heil te vinden in haar volkomen, onbestrijdbare souvereiniteit; en daar zij altijd door haar intransigentie overwonnen heeft, staat het gelijk met haar te dooden, wanneer men haar met den geest der eeuw verzoenen wil."

Hij begon weer door de kamer op en neer te loopen.

"Neen, neen, geen schikkingen, geen opgeven, geen zwakheid! De muur uit erts, die den weg verspert, de grenspaal van graniet, die een wereld afbakent!... Ik heb het u op den dag van uw aankomst reeds gezegd, mijn zoon! Het Katholicisme willen aanpassen aan de nieuwe tijden staat gelijk met zijn einde verhaasten, wanneer het werkelijk, zooals de atheïsten beweren, door een naderenden dood bedreigd wordt. En het zou laag, schandelijk sterven zijn, in plaats van waardig en trotsch in zijn oude, roemrijke koninklijkheid... O, waardig te sterven, niets te verloochenen van zijn verleden, de toekomst trotseerend, zijn geloof zonder vrees bekennend!"

En deze grijsaard van zeventig jaar, die zonder vrees met het gebaar van een held, welke de toekomstige eeuwen trotseert, de finale vernietiging onder het oog zag, scheen nog grooter te worden. Het geloof had hem dezen kalmen vrede gegeven, den vrede, dien de verklaring van het onbekende door het goddelijke geeft aan den geest, wiens behoefte aan zekerheid zij geheel bevredigt. Hij geloofde, hij wist, was zonder twijfel omtrent en zonder vrees voor het hiernamaals. Maar een trotsche zwaarmoedigheid klonk nu uit zijn stem.

"God kan alles, zelfs zijn werk vernietigen, als hij het slecht vindt. Wanneer morgen alles zou instorten, wanneer de heilige Kerk te midden der puinhoopen verdwijnen zou en de meest vereerde heiligdommen begraven worden zouden onder de invallende werelden, dan nog zou men zijn hoofd in ootmoed moeten buigen en God aanbidden, wiens hand, na de wereld geschapen te hebben, deze vernietigt tot grootere verheerlijking van zijn naam... Ik wacht, ik onderwerp mij bij voorbaat aan zijn wil, want niets geschiedt zonder zijn wil. Indien werkelijk de tempels aan het wankelen gebracht zijn, indien het Katholicisme werkelijk morgen in puin moet vallen, dan zal ik op mijn post staan, om de dienaar des doods te zijn, zooals ik de dienaar des levens geweest ben... Zelfs, waartoe zou ik het ontkennen, staat het vast, dat er oogenblikken zijn, waarop vreeselijke teekenen mij treffen. Misschien is inderdaad het einde der tijden nabij en zullen wij getuigen zijn van het instorten der oude wereld, waarmede men ons dreigt. De waardigsten, de hoogst staanden worden verpletterd, alsof de hemel zich vergiste en in hen de misdaden der wereld strafte. Heb ik niet den ademtocht van den afgrond, waarin alles ondergaan zal, gevoeld, sedert mijn huis voor zonden, die ik niet ken, getroffen is door dezen vreeselijken rouw, die het voor eeuwig in den nacht terug doet keeren."

Hij riep zich de twee dierbare dooden, die daar in het vertrek naast hem lagen, voor den geest. Snikken stegen weer op naar zijn keel; zijn handen beefden, zijn geheele lichaam schokte van de opwelling van smart, voor hij zich met inspanning van zijn krachten bedwong. Ja, nu God zich veroorloofd had hem zoo wreed te treffen, zijn geslacht deed uitsterven en aldus met zijn grootsten en trouwsten dienaar begon, moest de wereld wel definitief verdoemd zijn. Het einde van zijn huis, stond het niet gelijk met het naderend einde van alles? En ondanks zijn hoogen vorsten- en priestertrots vond hij een kreet van de grootste berusting.

"O, almachtige God, Uw wil geschiede! Laat alles sterven, laat alles ineenstorten, laat alles terugkeeren tot den nacht van den chaos. Ik zal met opgeheven hoofd in dit verwoeste paleis blijven, ik zal wachten tot ik onder de puinhoopen begraven ben. En indien uw wil er mij toe roept, dat ik de verheven doodgraver zijn zal van uw heiligen godsdienst, o, wees dan zonder vrees: ik zal niets onwaardigs doen, om zijn leven met eenige dagen te verlengen. Ik zal hem hoog houden zooals ik mijzelf hoog houd, even trotsch, even intransigent als in den tijd van zijn almacht. Ik zal hem belijden met dezelfde dappere hardnekkigheid, zonder iets prijs te geven van zijn discipline, zijn riten, zijn dogma. En als de dag daarvoor gekomen is, zal ik hem met mij begraven, zal ik hem liever geheel met mij in de aarde nemen dan iets van hem af te staan, zal ik hem in mijn verstijfde armen drukken, om hem aan u terug te geven zooals gij hem aan uw Kerk in bewaring gegeven hebt. O almachtige God, o allerhoogste Meester, beschik over mij, maak van mij, indien dat in uw plannen ligt, den paus van de vernietiging, van den dood der wereld!"